CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Tussenuitspraak Afdeling 202400739-1-R4.pdf

Gemeenteraad 9 juli 2026, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1232252 Herstelbesluit bestemmingsplan Eemdijk-Oost in verband met toepassing bestuurlijke lus14.017 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarbij acht de Afdeling van belang dat in de 120 draaiuren al rekening is gehouden met het gebruik van de betonmixers. Dit blijkt ook uit het stikstofonderzoek, waarin bij de toelichting op de realisatiefase de loscapaciteit van de pompmixer wordt vermeld. Bovendien staat in het tegenrapport dat de aannames voor overige werktuigen en uitgangspunten ten aanzien van inzetduur redelijk en ruim zijn ingeschat. De raad heeft zich aldus op het standpunt mogen stellen dat de stikstofemissies van de betonmixers niet tot gevolg hebben dat ten onrechte de conclusie is getrokken dat er in de aanlegfase geen stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal optreden. Verder heeft de raad in het verweerschrift toegelicht dat in het tegenrapport ten onrechte wordt beweerd dat in paragraaf 3.3 van het waterstructuurplan, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, staat dat het beoogd peil voor de watergangen 0,8 m beneden NAP is. Dit is namelijk het streefpeil. Dit houdt in dat het peil binnen de hoogwatervoorziening niet dieper mag worden ingesteld dan 0,8 m beneden NAP maar dat betekent niet dat, zoals de stichting aanneemt, overal in het plangebied dit peil moet worden gerealiseerd en dat daarvoor desnoods watergangen moeten worden af- of uitgegraven. De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid Soortenbescherming 20.

[appellant sub 2] en anderen en de stichting betogen dat het soortenbeschermingsregime van de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. 20.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 20.2. De raad heeft een aantal onderzoeken naar de in het plangebied aanwezige soorten aan het besluit ten grondslag gelegd. In de ‘Quickscan natuurwaardenonderzoek Kerkepad e.o. te Eemdijk’ van 30 augustus 2023, opgesteld door Natuurbank Overijssel (hierna: de quick scan), werd aanbevolen om nader onderzoek naar de heikikker, poelkikker en grote modderkruiper uit te voeren. Ook werd in de quick scan vermeld dat de kievit en tureluur mogelijk in het plangebied nestelen. Door het uitvoeren van bouwwerkzaamheden tijdens de

18

voortplantingsperiode kan een bezet nest van een vogel verstoord, beschadigd en vernield worden. Uit de memo 'Ecologische beoordeling Eemdijk-Oost' (hierna: de memo van 24 augustus 2023), door Laneco Landschap & Ecologisch advies bleek dat het plangebied tevens potentieel geschikt is voor de rugstreeppad, ringslag en platte schijfhoren. Omdat de haas per 1 september 2024 van de vrijstellingslijst in de provincie Utrecht is gehaald, was ten behoeve van het herstelbesluit tevens onderzoek nodig naar de aanwezigheid van de haas. De raad heeft ten behoeve van het herstelbesluit en in aanvulling op de quick scan en de memo van 24 augustus 2023 het rapport ‘Rapportage nader ecologisch onderzoek Eemdijkoost’ van 21 oktober 2024, opgesteld door Laneco Landschap & Ecologisch Advies (hierna: het nader ecologisch onderzoek) laten opstellen. In het nader ecologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de nieuwbouwplannen een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig is, omdat de beoogde nieuwbouwplannen een aantastend effect hebben op het leefgebied van de grote modderkruiper, de poelkikker en de haas. Over de haas wordt opgemerkt dat het plangebied onderdeel is van het leefgebied van die soort. Daarbij wordt opgemerkt dat de omgeving van het plangebied ten noorden, oosten en zuiden omgeven is door (alternatief) leefgebied van de haas.

Tijdens de onderzoeksronden zijn geen waarnemingen gedaan van de platte schijfhoren, de ringslang, de heikikker, en de rugstreeppad. Negatieve effecten op deze diersoorten zijn daarom uitgesloten. Om de ruimtelijke haalbaarheid van het plan te kunnen bepalen, heeft de raad onderzoek laten verrichten naar compensatie- en mitigatiemogelijkheden voor de aangetroffen soorten. Uit de ‘Memo haalbaarheid mitigatie en compensatie Eemdijk-Oost’ van 10 oktober 2024, opgesteld door Laneco Landschap & Ecologisch Advies (hierna: memo haalbaarheid mitigatie en compensatie) volgt dat de compensatie-/mitigatieopgave voor de poelkikker en de grote modderkruiper in en direct naast het plangebied kan worden opgelost. Voor de haas worden in overleg met de provincie maatregelen uitgewerkt buiten het plangebied. Deze worden geconcretiseerd in aanloop naar de aanvraag omgevingsvergunning, omdat de uitwerking instemming vereist van omliggende perceeleigenaren. Indien die medewerking wordt verkregen, is compensatie voor de haas in de nabijheid van het plangebied te realiseren. 20.3. [appellant sub 2] en anderen vrezen dat soorten negatieve effecten zullen ondervinden als gevolg van het bestemmingsplan.

De gestelde compenserende of mitigerende maatregelen zijn onvoldoende om te voorkomen dat diersoorten worden gedood en/of verstoord als gevolg van de voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de woningbouw en de aanleg- en gebruiksfase van de woningen. De raad heeft ten onrechte het nader ecologisch onderzoek ten grondslag gelegd aan het standpunt dat het aspect ecologie niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. De stichting betoogt in gelijke zin. De stichting voert aan dat de quick scan diverse tekortkomingen bevat. Onder verwijzing naar de second opinion van AKTB van 27 mei 2025 voert de stichting aan dat op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna naast de poelkikker ook andere soorten in het plangebied zijn aangetroffen, zoals de grutto, haas, kievit en tureluur. In de quick scan ontbreekt een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat het bestemmingsplan geen negatieve effecten zal hebben op weidevogels en het weidevogelkerngebied. De stelling in de quick scan dat het bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor het weidevogelkerngebied omdat de beleidsregels zich enkel richten op windturbines en zonnevelden, gaat voorbij aan het feit dat weidevogels zelf ook beschermd zijn en een gunstige staat van instandhouding moeten behouden.

Voorts voert de stichting aan dat de raad heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de veldmuis, aardmuis en vos, terwijl uit de quick scan blijkt dat ook deze zoogdiersoorten

19

mogelijk in het plangebied leven. Ook voert de stichting aan dat de resultaten van het nader ecologisch onderzoek niet representatief zijn omdat de onderzoeksrondes voor sommige diersoorten meer dan een jaar oud zijn en omdat het gebruikte eDNA-onderzoek ook bijna een jaar oud is. Verder voert de stichting aan dat het eDNA-onderzoek voor de platte schijfhoren niet in de daarvoor geschikte periode heeft plaatsgevonden. Hierdoor zijn de resultaten onbetrouwbaar en kan niet worden geconcludeerd dat de platte schijfhoren afwezig is of dat het plan geen negatieve effecten zal hebben op de grote modderkruiper. Verder voert de stichting aan dat het nader onderzoek naar de heikikker niet conform het Netwerk Groene Bureaus protocol (NGB-protocol) is uitgevoerd, voor wat betreft de periode waarin en de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de heikikker aanwezig is of negatieve effecten zal ondervinden van het bestemmingsplan. Over de haas voert de stichting aan dat het onderzoek naar de haas niet zorgvuldig is uitgevoerd. In het ecologisch onderzoek ontbreekt informatie over de toegepaste onderzoeksmethodiek, terwijl de provincie Utrecht hiervoor een duidelijk toetsingskader heeft opgesteld.

Verder voert de stichting aan dat de gestelde compensatie- en mitigatiemaatregelen voor de grote modderkruiper en poelkikker onvoldoende zijn om te voorkomen dat hun leefgebied wordt aangetast of dat zij worden gedood en/of verstoord. Ook de maatregelen ter bescherming van de haas zijn onvoldoende geborgd. Verder voert de stichting onder verwijzing naar de second opinion van AKTB van 27 mei 2025 meer in het algemeen aan dat de gehanteerde methodiek niet in overeenstemming is met de geldende onderzoeksprotocollen, waardoor de resultaten geen betrouwbaar beeld geven van de aanwezigheid van beschermde soorten. 20.4. De woningen van [appellant sub 2] en anderen grenzen direct aan het plangebied. Zij stellen zich op het standpunt dat, gelet op de ligging van hun woningen, hun woon- en leefklimaat zodanig met het belang van bescherming van de soorten verweven is dat het relativiteitsvereiste niet aan hen kan worden tegengeworpen. De Afdeling kan dit standpunt volgen. 20.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het op voorhand niet had hoeven inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft laten verrichten naar de veldmuis, aardmuis en vos.

Daartoe overweegt de Afdeling dat deze soorten zijn beschermd via artikel 11.54 eerste lid, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor provincies een generieke vrijstelling kunnen verlenen. Op basis van de Omgevingsverordening provincie Utrecht geldt het verbod om zonder een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet voor de veldmuis, aardmuis en vos. In zoverre staat het wettelijke soortenbeschermingsregime niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Ten aanzien van de heikikker, rugstreeppad, platte schijfhoren, ringslang, grutto, kievit en tureluur overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 2] en anderen en de stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van deze soorten een verbodsbepaling zal worden overtreden als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Dat deze soorten in het plangebied aanwezig kunnen zijn, betekent niet dat alleen daarom al een verbodsbepaling

20

wordt overtreden. Ten aanzien van in het plangebied aanwezige vogels wordt in de quick scan vermeld dat geen ontheffing is vereist, tenzij de dieren gedood worden of bezette nesten negatief worden beïnvloed. [appellant sub 2] en anderen en de stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling alleen kan worden uitgevoerd als deze soorten daarbij ook gedood worden of de bezette nesten negatief worden beïnvloed. Uit het nader ecologisch onderzoek blijkt dat negatieve effecten op de heikikker, rugstreeppad, platte schijfhoren en ringslang zijn uitgesloten. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de platte schijfhoren ook buiten de door ATKB genoemde en relevant geachte periode van juni tot en met september aanwezig zou kunnen zijn. Bij het onderzoek dat in augustus is uitgevoerd naar de modderkruiper is ook op de aanwezigheid van andere soorten, zoals de platte schijfhoren, gelet. Die is toen niet aangetroffen. De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen dat er in zoverre geen aanknopingspunten zijn dat hij niet van het nader ecologisch onderzoek uit heeft mogen gaan omdat het eDNA-onderzoek voor de platte schijfhoren niet in de daarvoor geschikte periode is uitgevoerd.

De stichting heeft ook niet onderbouwd waarom de omstandigheid dat de onderzoeksrondes voor sommige diersoorten en het gebruikte eDNA-onderzoek in het nader ecologisch onderzoek meer dan een jaar oud zijn betekent dat de resultaten niet meer representatief zijn. Op de zitting heeft de raad verder toegelicht dat er geen onderzoek naar de heikikker heeft plaatsgevonden in juni en september omdat er in het voorjaar geen voortplantingsbiotoop is vastgesteld die doorgaans binnen geringe afstand van het zomerbiotoop ligt. Om die reden is de aanwezigheid van een zomerbiotoop van de heikikker in juni en september uitgesloten. Bij onderzoekrondes naar de ringslang is ook gekeken naar andere amfibieën, waarbij ook is geprobeerd de heikikker te lokken, maar die is toen niet aangetroffen. Om die reden is aanwezigheid van een zomerbiotoop van de heikikker in juni en september uitgesloten. De Afdeling kan dit standpunt volgen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat er ten aanzien van de heikikker en de platte schijfhoren geen reden is om aan te nemen dat de Wnb in zoverre aan de uitvoerbaarheid in de weg staat. Ten aanzien van de poelkikker en de grote modderkruiper overweegt de Afdeling als volgt.

De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime ten aanzien van deze soorten niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Uit het memo haalbaarheid mitigatie en compensatie volgt dat er compenserende maatregelen mogelijk zijn voor de poelkikker en de grote modderkruiper. In wat [appellant sub 2] en anderen en de stichting hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand vaststaat dat deze maatregelen niet kunnen worden getroffen, of dat, indien nog meer maatregelen vereist zijn, dat niet mogelijk is. Op de zitting heeft de raad verder toegelicht dat er wel onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van de haas en dat dit volgens het toepasselijke protocol is gedaan. In de plantoelichting wordt verder vermeld dat voor de haas maatregelen worden uitgewerkt buiten het plangebied. Deze worden geconcretiseerd in aanloop naar de aanvraag omgevingsvergunning, omdat de uitwerking overeenstemming vereist van omliggende perceeleigenaren. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat deze overeenstemming tussen de omliggende perceeleigenaren en de initiatiefnemer van het plangebied is bereikt. Ook in zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De betogen slagen niet. Bodemkwaliteit

21

21. Over de door [appellant sub 2] en anderen aangevoerde beroepsgrond dat de raad onvoldoende heeft onderzocht wat de kwaliteit van de bodem is, overweegt de Afdeling als volgt. 21.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 21.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 21.3. Bij de beantwoording van de vraag of voor beroepsgronden geldt dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit omdat artikel 8:69a van de Awb hieraan in de weg staat, is dus van belang vast te stellen of het beroep strekt tot de bescherming van de belangen waarvoor de appellant in rechte op kan komen. 21.4.

Voor [appellant sub 2] en anderen gaat het in deze procedure om het belang gevrijwaard te blijven van de bouw van woningen in de nabijheid van hun percelen, wat volgens hen ook ten koste zal gaan van de natuurwaarden van het gebied. Alleen de omstandigheid dat een appellant eigenaar is van een perceel in de nabijheid van in een bestemmingsplan voorziene woningen, betekent nog niet dat hij in rechte kan opkomen voor het algemene belang van de bescherming van de kwaliteit van de bodem. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.98 e.v. De normen uit de Wet bodembescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 2] en anderen. Gelet hierop, staat het relativiteitsvereiste eraan in de weg dat de beroepsgronden van [appellant sub 2] over de kwaliteit van de bodem zullen leiden tot een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling ziet daarom ook af van de inhoudelijke bespreking van deze grond. Financiële uitvoerbaarheid 22. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd. De raad heeft namelijk onvoldoende onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vervuilende en gevaarlijke stoffen in de bodem van het plangebied, zoals asbest.

Uit de analyse van een monster van de bodem uit 2014 die is uitgevoerd in opdracht van omwonenden van het plangebied blijkt dat de bodem sterk is vervuild met asbest. 22.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad op voorhand had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen niet uitvoerbaar is. 22.2. In wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten inzien dat het plan op voorhand financieel niet uitvoerbaar is omdat er significante kosten moeten worden gemaakt in verband met de kwaliteit van de bodem. De raad heeft onderzoek verricht naar de bodemkwaliteit en heeft bezien of deze bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem. Deze

22

onderzoeken zijn als bijlagen bij de plantoelichting gevoegd. In de plantoelichting wordt vermeld dat in geen van de onderzochte monsters asbest boven de detectiegrens is gemeten, en dat de onderzoekshypothese dat de locatie asbestverdacht is, is verworpen. Vormvrije m.e.r. 23. De stichting betoogt dat in de aanmeldnotitie ten onrechte wordt geconcludeerd dat als gevolg van het bestemmingsplan geen nadelige milieugevolgen optreden. Dit kan niet worden uitgesloten, gelet op de strijdigheid van het bestemmingsplan met artikelen 2.7 en 2.8 van de Wnb met betrekking tot stikstofdepositie en het niet kunnen uitsluiten van een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Ook moet onderzoek worden gedaan naar de effecten van het project op de in en rondom het plangebied aanwezige soorten. Verder gaat met de ontwikkeling van 72 woningen een groot stuk groen verloren, dat ligt in Nationaal Landschap Arkemheen-Eemland. 23.1. De raad heeft de aanmeldnotitie van 3 februari 2023, opgesteld door Ad Fontem Ruimtelijk Advies, als bijlage 2 bij de plantoelichting gevoegd. Daarin wordt geconcludeerd dat het milieubelang in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten.

Zoals de Afdeling hiervoor heeft geoordeeld, heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ook heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat en dat hij het belang van het Nationaal Landschap Arkemheen-Eemland voldoende in zijn afweging heeft betrokken. De Afdeling ziet in wat de stichting heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de aanmeldnotitie niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit. Het betoog slaagt niet. Conclusie over het herstelbesluit van 30 januari 2025 24. De beroepen zijn gegrond. Gelet op wat hiervoor onder 12.7, 13.2, 13.3 en 13.4 is overwogen, is het bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Bestuurlijke lus 25. De beroepen hebben gebreken in het herstelbesluit van 30 januari 2025 aan het licht gebracht. Het gaat om de volgende vastgestelde gebreken: - Onder 12.7 van deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het betoog van [appellant sub 2] en anderen en de stichting dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat kan worden voldaan aan de eisen van artikelen 9.24 en 9.27 van de IOVPU slaagt.

Het herstelbesluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid; - Onder 13.2 van deze uitspraak is de Afdeling tot de conclusie gekomen dat ook de voorwaardelijke verplichting ten aanzien van de stille elementenverharding niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid; - Onder 13.3 van deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de verwachte geluidreductie door de aanleg van de stille elementenverharding onvoldoende is onderbouwd; - Onder 13.4 van deze uitspraak heeft de Afdeling geconcludeerd dat de raad ten onrechte niet heeft onderbouwd waarom een overschrijding van de voorkeurswaarde uit 9.24 van de IOVPU aanvaardbaar is.

23

26. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om de hiervoor opgesomde gebreken in het besluit binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak te herstellen. De raad kan het gebrek genoemd onder 12.7 herstellen door bijvoorbeeld gemotiveerd te reageren op de in het rapport "72 nieuwbouwwoningen Eemdijk-Oost; second opinion akoestisch onderzoek stiltegebied" van 22 mei 2025, uitgevoerd door Cauberg Huygen, genoemde tekortkomingen in het akoestisch onderzoek van 29 november 2024. De raad kan het onder 13.2 genoemde gebrek herstellen door bijvoorbeeld artikel 6.3.1 van de planregels zo te wijzigen dat de stille elementenverharding moet zijn aangebracht vóór ingebruikname van de eerste woning, en door in de voorwaardelijke verplichting een instandhoudingsverplichting op te nemen voor de stille elementenverharding. Het onder 13.3 genoemde gebrek kan de raad herstellen door bijvoorbeeld de verwachte geluidreductie door de aanleg van de stille elementenverharding op het wegvak zoals aangeduid in het akoestisch onderzoek van 29 november 2024 te onderbouwen.

Het onder 13.4 genoemde gebrek kan de raad herstellen door te motiveren waarom het een overschrijding aanvaardbaar vindt van de in artikel 9.24 van de IOVPU opgenoemde voorkeurswaarde voor een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van 40 dB(A) voor gronden aangeduid als ‘Bufferzone stiltegebied’. 27. De raad moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mededelen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en mededelen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit hoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Het besluit van 2 november 2023 28. In de einduitspraak zal worden beslist over de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en de stichting gericht tegen het besluit van 2 november 2023. Proceskosten 29. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Bunschoten op om: - binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, de onder 12.7, 13.2, 13.3 en 13.4 omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Bunschoten van 30 januari 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Eemdijk-Oost" te herstellen en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of het nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Arneri, griffier.

24

w.g. Knol voorzitter w.g. Arneri griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026 1010

BIJLAGE Wet natuurbescherming Artikel 2.7, zoals dat luidde ten tijde van belang: 1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8. […]. Artikel 2.8, zoals dat luidde ten tijde van belang: 1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. […]. Wet milieubeheer Artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dat luide ten tijde van belang: "De verordening bevat ten minste: […] regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden." Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b.

indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt

25

beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld." Interim omgevingsverordening provincie Utrecht Artikel 7.7, zoals dat luidde ten tijde van belang: 1. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. 2. Als waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in deBbijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening, voor de volgende gebieden: a. de Historische buitenplaatszone, die bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; b. het Militair erfgoed, dat bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c. het Agrarisch cultuurlandschap, dat bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, KockengenKamerik Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Copeontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d.

de Historische infrastructuur, die bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en e. de Archeologisch waardevolle zone, die bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad. 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden. Artikel 7.8, zoals dat luidde ten tijde van belang: 1. In afwijking van artikel 9.2 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied kan een bestemmingsplan verstedelijking toestaan in de Historische Buitenplaatszone en het Militair erfgoed, onder voorwaarde dat de verstedelijking a. kleinschalig is; b. gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Militair erfgoed; en c. zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving. 2. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 7.9, zoals dat luidde ten tijde van belang: 1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene

26

Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschapbevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. Artikel 9.2, zoals dat luidde ten tijde van belang: Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied laat geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel 9.15, zoals dat luidde ten tijde van belang: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; 3.

Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 9.24, zoals dat luidde ten tijde van belang: De regels in deze paragraaf zijn gericht op het bereiken en behouden van: a. een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van ten hoogste 40 dB(A) in de Stille kern van stiltegebieden; en b. een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van bij voorkeur 40 dB(A) maar ten hoogste 45 dB(A) in de Bufferzone stiltegebied. Artikel 9.27, zoals dat luidde ten tijde van belang: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Aandachtsgebied stiltegebied bevat regels die rekening houden met de doelstellingen voor het geluidsniveau bedoeld in Artikel 9.24 Doelstelling voor het geluidsniveau in stiltegebied. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met de doelstelling voor het geluidsniveau is omgegaan.

27

Bestemmingsplan "Eemdijk-Oost" Artikel 6.3.1 luidt: "Ter plaatse van het wegvak dat is aangeduid op Bijlage 2 bij de planregels dient uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste woning is opgeleverd, doch uiterlijk binnen zes jaar na start bouwrijp maken een stille elementenverharding te zijn aangebracht, die een geluidreductie heeft van minimaal 2 dB(A)."

28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16984900/1