Transitievisie Warmte Bunnik vastgesteld 30 sept 2021.pdf
Tekst van het document
Transitievisie Warmte Gemeente Bunnik Vastgesteld 30 september 2021
Route stap voor stap naar aardgasvrij wonen en werken
Colofon De visie is opgesteld door Over Morgen, in opdracht van de Gemeente Bunnik. Gemeentelijk opdrachtgever: Jaklien Vlasblom, projectleider Warmtetransitie
2
Voorwoord van de wethouder Een route naar een aardgasvrije gebouwde omgeving, dat is wat deze Transitievisie Warmte beschrijft voor gemeente Bunnik. Het is een essentieel onderdeel om onze ambitie van een klimaatneutrale gemeente in 2040 te behalen. Die aardgasvrije gebouwde omgeving gaan we in heel Nederland tegemoet. Niet van vandaag op morgen, maar in logische stappen en met zorgvuldigheid. Dat is belangrijk, want iedereen in Bunnik, Odijk en Werkhoven krijgt te maken met deze “warmtetransitie”, thuis in de woning of op het werk. Deze Transitievisie Warmte is een eerste versie, waarmee we het startschot geven voor een complex en langdurig proces. Daarbij hebben we onze inwoners, kleine en grote bedrijven, maar ook organisaties zoals de Energie Coöperatie Bunnik, Stedin en de woningcorporaties keihard nodig. Deze Transitievisie Warmte is dan ook het product van een intensief proces, waarin al deze spelers mee konden doen. Het verduurzamen van onze huizen, kantoren en andere gebouwen is een enorme operatie die tientallen jaren in beslag gaat nemen. Dat gaat niet alleen wijk voor wijk of buurt voor buurt, maar ook huis voor huis en in verschillende stappen. Voor veel oudere woningen staat de stap van isolatie de komende jaren centraal. Zo kunnen we veel aardgas besparen en bereiden we ons voor op de stap die daarna komt, naar een aardgasvrije warmtevoorziening.
Waar op korte termijn al mogelijkheden zijn voor woningen of bedrijven om de stap naar aardgasvrij te zetten, bieden we informatie en ondersteuning. Vooral nieuwere woningen en kantoren kunnen vaak al over naar een hybride of zelfs helemaal aardgasvrij systeem. Samen maken we deze enorme operatie begrijpelijk en behapbaar. We blijven continu leren van ontwikkelingen binnen en buiten de gemeente. Na deze eerste Transitievisie Warmte zullen dus updates volgen, met een regelmaat van ongeveer vijf jaar. In die updates vullen we zaken die nu nog onzeker zijn verder in. Zo wordt de route naar een aardgasvrije omgeving steeds concreter. Ondertussen gaan we vol energie van start! Doet u mee? Paul Heijmerink Wethouder voor onder andere duurzaamheid Gemeente Bunnik
3
Publiekssamenvatting
De Transitievisie Warmte voor gemeente Bunnik Gemeente Bunnik wordt aardgasvrij. In 2050 worden gebouwen in Nederland niet meer met aardgas verwarmd. Dat is nodig om de uitstoot van CO2 terug te dringen en klimaatverandering tegen te gaan. Tegelijk verminderen we zo onze afhankelijkheid van (Gronings) aardgas. Ook in Bunnik, Odijk en Werkhoven gaan we onze gebouwen en huizen op een andere manier verwarmen. Deze overstap naar een aardgasvrije manier van verwarmen én koken noemen we de warmtetransitie. De Transitievisie Warmte geeft richting en invulling aan de warmtetransitie in onze gemeente Bunnik.
De opgave: een aardgasvrije gebouwde omgeving De Transitievisie Warmte gaat over de gebouwde omgeving. Dat zijn alle woningen, winkels, kantoren, scholen en andere gebouwen. Van de 6.400 woningen en alle andere gebouwen in Bunnik, Odijk en Werkhoven is op dit moment het overgrote deel nog aangesloten op aardgas. We gebruiken aardgas met name voor ruimteverwarming. Ook voor warm tapwater en koken wordt meestal aardgas gebruikt. Deze visie gaat níet over de opwek van elektriciteit (zon, wind, kernenergie) en niet over andere belangrijke uitstoters van broeikasgassen zoals het verkeer en industriële processen.
Een haalbare en betaalbare overstap naar een aardgasvrije gemeente Bunnik We hebben uitgangspunten opgesteld die voorop staan in de warmtetransitie. Veel inwoners en organisaties gaven hun ideeën aan ons mee. De warmtetransitie slaagt alleen als het voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. De overstap naar een aardgasvrije gemeente is een gigantische operatie. We pakken de transitie daarom stap voor stap aan. Een eigenaar van een gebouw kan zelf een volgende stap maken om aardgas te besparen. Tegelijk gaan we ook buurt voor buurt aan de slag om samen een passend aanbod te maken zodat meer inwoners meedoen. We blijven steeds leren. Samenwerken is essentieel, want alleen mét bewoners, bedrijven en instellingen maken we van deze transitie een succes. Er blijft ruimte voor eigen initiatief en eigen keuze. We kijken breder dan de warmtetransitie door werkzaamheden in een wijk waar mogelijk te combineren.
De warmtetransitie verloopt in stappen en begint met isoleren
1. Maatregelen in de woning of het gebouw: isoleren, ventileren en elektrisch koken Wat je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. Isoleren is ook vaak nodig om een woning of gebouw comfortabel zonder aardgas te kunnen verwarmen. Goede ventilatie is daarbij belangrijk. Elektrisch koken is ook een maatregel om de woning of het gebouw voor te bereiden op de overstap naar aardgasvrij. Oude isolatie van tientallen jaren geleden kan aanvulling nodig hebben. Nieuwe woningen (gebouwd vanaf 1990) zijn vaak al goed genoeg geïsoleerd.
4
2. Alternatieve warmteoplossing: installeren Er zijn verschillende aardgasvrije warmteoplossingen mogelijk. Drie hoofdrichtingen zijn: all-electric (volledig verwarmen met elektriciteit, vaak met een warmtepomp op (ventilatie)lucht of bodemwarmte), warmtenetten (warm water via ondergrondse leidingen), en gasnetten met een duurzaam gas. In Bunnik, Odijk en Werkhoven verwachten we een mix aan oplossingen. Vooral voor oudere woningen is de goedkoopste en duurzaamste eindoplossing nog niet duidelijk, daarom gaat de komende jaren veel aandacht naar stap 1: isoleren. Goed geïsoleerde woningen en bedrijfsgebouwen kunnen ook nu al zelfstandig naar all-electric. Maar deze eigenaren kunnen ook kiezen voor een tussenstap die veel aardgas bespaart (zoals een hybride warmtepomp - tip: vraag een energieadviesgesprek aan). Zodra bekend is welke van de drie aardgas-alternatieven het beste is voor hun wijk of gebouw, kunnen zij alsnog de laatste stap naar aardgasvrij maken. 3. Inzet op duurzame bronnen De derde stap is dat de energie die we nog gebruiken ook na stap 1 en 2, duurzaam moet zijn, zonder CO2 uitstoot. Dus dat er geen aardgas of andere fossiele energie meer nodig is om onze huizen en gebouwen te verwarmen. Dat als er een warmtenet komt, dat deze duurzame warmte gebruikt. En dat als we nog gas gebruiken in 2050, dit duurzaam gas moet zijn.
Mogelijke warmtebronnen voor gemeente Bunnik zijn de restwarmte van grotere bedrijven, zomerwarmte uit het oppervlaktewater van de Kromme Rijn, restwarmte uit de rioolwaterzuivering en ondiepe aardwarmte (de mogelijkheden verschillen per dorp). Verder zullen we meer elektriciteit gaan gebruiken. Deze moet duurzaam en CO2-vrij worden opgewekt bijvoorbeeld uit zon en wind. Welke oplossingen en tussenstappen passen bij welke wijk (inclusief kleinere bedrijven)? • In woonwijken gebouwd vanaf 1990 is een all-electric oplossing uiteindelijk het meest waarschijnlijk (goedkoper en eenvoudiger). Aardgasvrij kan daar in één keer, of in tussenstappen bereikt worden. Een hybride oplossing kan in deze wijken een interessante tussenoplossing zijn voor directe aardgasbesparing. Waarbij de optie open blijft om later op een eventueel warmtenet aan te sluiten. Dit geldt vaak ook voor de kleinere bedrijfsgebouwen in de wijk. • In woonwijken gebouwd tussen 1950 en 1990 is een volledig aardgasvrije wijk op dit moment financieel nog niet haalbaar. Ook zijn de kostenverschillen tussen een allelectric oplossing of een collectieve oplossing te klein. Als gemeente moeten we namelijk kiezen voor de optie met ‘laagste maatschappelijke kosten’. In deze buurten zetten we daarom in op logische tussenstappen: isoleren en waar mogelijk duurzaam installeren.
Hiermee besparen we al meteen op aardgas en kunnen gebouwen al verwarmen op een lagere temperatuur. Dit maakt meer warmteopties haalbaar. We wachten met een gezamenlijke overstap naar aardgasvrij tot de meest geschikte warmteoplossing helder is. Gebouwen kunnen individueel al wel kiezen voor om te stoppen met het gebruik van aardgas. • Voor wijken met voornamelijk woningen of gebouwen van voor 1950, is de overstap naar aardgasvrij zowel financieel als technisch nog niet haalbaar. Daar zal voorlopig het gasnet blijven liggen. Ook voor deze woningen gaan we samen met de gebouweigenaren op zoek naar tussenstappen omdat hier doorgaans veel aardgas bespaard kan worden. • Op bedrijventerreinen zien we een duidelijke oplossingsrichting, namelijk een zeer lage temperatuur warmtenet oftewel bronnet, in combinatie met een warmtepomp per gebouw. Hier is het belangrijk om te kijken of er bronnen zijn die een collectieve aanpak mogelijk maken. • Nieuwbouw wordt aardgasvrij gebouwd. Afhankelijk van de locatie, de dichtheid en het soort bouw wordt een geschikte - collectieve of een individuele - oplossing gezocht.
5
Waar starten we mee? Met een werkgroep kozen we gebieden en activiteiten om de komende jaren mee te starten. Daarbij namen we verschillende factoren mee zoals kosten, planningen en kansen om te verduurzamen. Startkans 1 = focus op isoleren, versneld door buurtisolatieplannen Voor de meeste gebouwen in Bunnik, Odijk en Werkhoven is isoleren een belangrijke voorwaarde om de overstap naar aardgasvrij te kunnen maken. Iedere woning kan hier zelfstandig mee aan de slag. Dat willen we versnellen via een buurtgerichte aanpak. Tweederde van onze gemeente bestaat uit eengezinswoningen gebouwd tussen 1950 en 1990. We gaan de komende jaren aan de slag met Buurt Isolatie Plannen. Samen met de inwoners gaan we op zoek naar passende oplossingen voor de woningen in die buurt. Speciale aandacht is nodig voor woningen in het buitengebied en vooroorlogse woningen die vaak sterk van elkaar verschillen. Startkans 2 = focus op installeren: stimuleren van warmtepompen of hybride oplossingen op natuurlijke momenten voor woningen van energielabel C of hoger (Hybride) warmtepompen zijn een geschikte optie voor woningen gebouwd vanaf 1990 of goed geïsoleerde oudere woningen. Vanaf label C kun je al 50% aardgas besparen met een hybride warmtepomp, bij een label A woning is dit zelfs tot 70%. Voor alle woningen geldt dat ongeveer elke 15 jaar de CV-ketel aan vervanging toe is.
Met een campagnematige aanpak richten we ons op het benutten van elk van deze vervangingsmomenten. Met goede informatie over opties willen we de overstap naar warmtepompen in de goed geïsoleerde woningen verspreid over de gemeente stimuleren. In 2021 starten wij al een pilot waarbij de bewoners in een relatief nieuwe buurt gerichte adviezen krijgen met een keuze voor hybride (aardgas besparen) of helemaal naar aardgasvrij. We stellen een Buurt Installatie Plan op. Deze ervaringen nemen we mee naar vergelijkbare buurten. Startkans 3 = Verkenning bronnet op bedrijventerrein Kosterijland en later De Rumpst We verkennen samen met enkele grotere bedrijven op bedrijventerrein Kosterijland de kansen voor een klein warmtenet. Wellicht kan de restwarmte van Vrumona en van andere bedrijven worden ingezet. In combinatie met bodemenergie en warmtepompen kunnen naar verwachting gebouwen op het bedrijventerrein verwarmd worden. In de fase erna bekijken we of bedrijventerrein De Rumpst gebruik kan maken van warmte uit de rioolwaterzuivering, eventueel met zomerwarmte uit de Kromme Rijn. Startkans 4 = verkenning voor bodemwarmte, aquathermie en een warmtenet voor woningen Op basis van scenario’s voor de warmtevraag in de toekomst, en de capaciteit van de Kromme Rijn (aquathermie) wordt gerekend aan bodemenergie, opslag van zomerwarmte en een warmtenet voor de woningen in de drie dorpskernen.
Dit lijkt technisch mogelijk te zijn maar het is nog onduidelijk of dit een haalbare en betaalbare oplossing is. Omdat de warmte van lage temperatuur zal zijn, is goede isolatie van woningen nodig, ook als er op een dag een warmtenet aangelegd wordt voor woningen. Startkans 5 = onderzoek naar ontzorging van woningeigenaren via een energiedienstenbedrijf. Haalbaarheid en betaalbaarheid is een uitgangspunt én de grootste zorg. Er zijn goede regelingen nodig vanuit de rijksoverheid. De gemeente gaat de landelijke opties voor subsidies en financiering communiceren aan gebouweigenaren. Ook onderzoeken we samen met andere gemeenten de optie van een lokaal of regionaal energiedienstenbedrijf. Deze zou woningeigenaren kunnen ontzorgen op het gebied van organisatie, financiering en technische uitvoering.
6
Verder werken aan een aardgasvrij Bunnik, Odijk en Werkhoven Deze Transitievisie Warmte is de eerste in haar soort. We vernieuwen de transitievisie minimaal elke 5 jaar. Dat is nodig want we leren van ieder gesprek en van iedere pilot (zie ook het Participatieverslag bij deze TVW 1.0). Het werken met de startkansen, kleurt onze aanpak van de warmtetransitie de komende jaren steeds verder in. Hoe geven we ruimte aan initiatieven uit de samenleving? Hoe stellen we samen met bewoners en andere stakeholders Buurt Isolatie en Installatie Plannen op? We gaan het samen ontdekken. Ook zal steeds duidelijker worden welk doel haalbaar is in de tijd. Voorlopig richten we ons als gemeente op 30% aardgasbesparing in 2030 ten opzichte van 2017. Hiervoor moet ongeveer 50% van de woningen meedoen met isoleren en/of installeren! En een groot deel van de bedrijfsgebouwen door de gemeente heen en op bedrijfsterreinen. Ook in de rest van het land staan ontwikkelingen niet stil. Zo wordt er door de Rijksoverheid nog volop gewerkt aan subsidies en financieringen die een betaalbare overstap naar aardgasvrij voor iedereen mogelijk maken. Ook wordt de Warmtewet aangepast wat van belang is voor latere stappen richting aardgasvrije wijken. Deze ontwikkelingen nemen we mee op weg naar de Transitievisie 2.0.
Zelf aan de slag Wilt u zelf aan de slag met de voorbereidingen voor een aardgasvrije woning? Isoleren en elektrisch koken zijn vaak goede stappen om te zetten. Door isolatie toe te passen, kunt u direct energie besparen. Maak gebruik van logische momenten. Kies bijvoorbeeld voor inductie koken bij het vervangen van uw keuken, en informeer naar de mogelijkheden van HR++(+) glas bij onderhoud of vervanging van kozijnen. U kunt een oriënterend adviesgesprek aanvragen bij de Energie Coöperatie Bunnik of een energie adviseur in de regio. Kijk op het Energieloket.jouwhuisslimmer.nl/bunnik welke maatregelen voor uw woning of gebouw geschikt zijn. Meer suggesties en goede voorbeelden vindt u op www.iedereendoetwat.nl en www.milieucentraal.nl, www.hieropgewekt.nl/aardgasvrij-wonen. Meedenken over de warmtetransitie Wilt u meedenken met de plannen van de gemeente, of plannen voor uw buurt? Stuur een bericht naar duurzaam@bunnik.nl.
7
Inhoudsopgave Voorwoord van de wethouder.................................................................................................................. 3 Publiekssamenvatting .............................................................................................................................. 4 Inhoudsopgave ........................................................................................................................................ 8 Hoofdstuk 1: Inleiding .............................................................................................................................. 9 1.1.
Warmte als onderdeel van de energietransitie ........................................................................ 9
1.2.
Deze visie beschrijft op hoofdlijnen de route naar aardgasvrij ................................................ 9
1.3.
Over gebouwen, ‘wijken’ en startkansen ................................................................................. 9
1.4.
Landelijke ambities ................................................................................................................ 10
1.5.
Lokale ambities ...................................................................................................................... 12
1.6.
Wie hebben er meegedacht? ................................................................................................ 12
1.7.
Leeswijzer .............................................................................................................................. 13
Hoofdstuk 2: Gezamenlijke uitgangspunten .......................................................................................... 14 Hoofdstuk 3: De warmtetransitie in gemeente Bunnik .......................................................................... 16 3.1 De huidige situatie in Bunnik, Odijk en Werkhoven ..................................................................... 16 3.2 Naar aardgasvrij in drie stappen .................................................................................................. 16 Hoofdstuk 4: Waar gaan we van start? ................................................................................................. 22 4.1
Hoe zijn de startkansen bepaald? ......................................................................................... 22
4.2
Analyse van de maatschappelijke kosten: een gefaseerde transitie, met tussenstappen .... 23
4.3
Starten met de warmtetransitie in Bunnik, Odijk en Werkhoven ........................................... 24
Hoofdstuk 5. Hoe gaan we verder? ....................................................................................................... 35 5.1 Nieuwe manieren van samenwerken ........................................................................................... 35 5.2 Stappen zetten in de kansrijke gebieden ..................................................................................... 36 5.3 Belangrijke wijkoverstijgende thema’s ......................................................................................... 40 Hoofdstuk 6: Tot slot .............................................................................................................................. 41 Bijlage 1 Enquête warmtetransitie bewoners en ondernemers ............................................................. 44 Bijlage 2 Isolatie .................................................................................................................................... 49 Bijlage 3 Aardgasvrije warmteoplossingen ............................................................................................ 51 Bijlage 4 Koudevraag in de gebouwde omgeving ................................................................................. 58 Bijlage 5 Warmtetransitie-model............................................................................................................
60 Bijlage 6 Warmtekaart gemeente Bunnik .............................................................................................. 66 Bijlage 7 Financiële instrumenten in de warmtetransitie ....................................................................... 68 Bijlage 8 Warmtetransitiekaarten Bunnik, Odijk en Werkhoven ............................................................ 70 Bijlage 9 Isolatiemaatregelen eengezinswoningen 1950-1995 ............................................................. 73 Bijlage 10 Wat is er nodig om 30% aardgas te besparen in 2030? ...................................................... 74 Bijlage 11 Enquêteresultaten onder deelnemers bewonersavond aardgasvrij - 2 november 2020 ...... 77 8
Hoofdstuk 1: Inleiding 1.1. Warmte als onderdeel van de energietransitie Nederland heeft klimaatdoelen gesteld voor 2030 en 2050. De gemeente Bunnik wil in 2040 een ‘klimaatneutrale’ gemeente zijn. Met deze term bedoelen we dat we zoveel mogelijk energie besparen, en de resterende energievraag duurzaam opwekken. Dit maakt deel uit van wat we de energietransitie noemen. Aan deze transitie wordt landelijk gewerkt, in provincies, in onze regio U10/U16 en samen met de andere gemeenten in het Kromme Rijngebied, Inwoners hebben de afgelopen jaren gemerkt dat er steeds meer aandacht komt voor het opwekken van groene stroom. Naast zonnepanelen op de daken, wordt er ook ruimte gezocht voor zonnevelden op land en windmolens, om voldoende groene stroom op te wekken. Een ander belangrijk onderdeel van de energietransitie is het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. We gaan onze woningen, bedrijven en andere gebouwen op een andere manier verwarmen. Ook douchen en koken gaan we doen zonder aardgas. Deze grote overstap naar een aardgasvrij gebouwde omgeving noemen we de warmtetransitie. Dit is voor de meeste inwoners, en ook voor de gemeentelijke organisatie, een nieuwe tak van sport.
Om inzicht te geven in de opgave waar we voor staan, de meest geschikte oplossingen voor Bunnik, Odijk en Werkhoven en een logische volgorde op weg naar aardgasvrij hebben we samen met onze partners in een projectgroep deze Transitievisie Warmte opgesteld. 1.2. Deze visie beschrijft op hoofdlijnen de route naar aardgasvrij Een aardgasvrije gemeente Bunnik is niet van vandaag op morgen geregeld. 2040 en 2050 klinken nog ver weg. Maar die tijd hebben we echt nodig om samen onze woningen en bedrijven klaar te maken voor een aardgasvrije toekomst. Dat gaat stap voor stap. We starten eerst in een aantal wijken, en we zoeken naar goede tussenstappen voor iedereen. Landelijk, regionaal en lokaal zijn er continu nieuwe ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op de warmtetransitie. Ook technische ontwikkelingen staan niet stil. Dit visiedocument is dan ook geen eindpunt. We zullen de Transitievisie Warmte minimaal eens in de vijf jaar herijken. Op deze manier kunnen we de planning richting 2030, 2040 en zo nodig 2050 steeds verder uitwerken, steeds weer nieuwe activiteiten starten waarbij we de leerervaringen in de eerste wijken meenemen. 1.3. Over gebouwen, ‘wijken’ en startkansen De Transitievisie Warmte gaat over de gebouwde omgeving, dus over de gebouwen en hoe daarin gewoond en gewerkt wordt.
Het verduurzamen van de industrie, mobiliteit, landbouw en het realiseren van duurzame opwek met zon- en windenergie of waterstof zijn opgaven die niet onder de Transitievisie Warmte vallen. Uiteraard is er samenhang tussen opgaven. Die samenhang wordt in dit document benoemd. Onder ‘wijken’ verstaan we de hele gebouwde omgeving. Woonwijken, winkels, bedrijventerreinen en kantoorgebieden horen daar allemaal bij. De warmte nodig voor bedrijfsprocessen is onderdeel van de industrie en valt niet onder de Transitievisie Warmte. Een wijk kan groot of klein zijn en hoeft niet aan officiële wijkgrenzen te voldoen. Soms spreken we van buurten, eigenlijk een deel van een ‘wijk’. Een startkans kan een specifieke wijk zijn, of een categorie van vergelijkbare woningen, met hetzelfde bouwjaar, verspreid over meerdere wijken. Een startkans kan ook een onderzoek zijn naar een bepaalde oplossing zoals warmte uit de Kromme Rijn of het ontzorgen van inwoners via een slim en aantrekkelijk aanbod. 9
1.4. Landelijke ambities In lijn met de Parijse klimaatdoelen hebben we ook in Nederland in de vorm van het Klimaatakkoord afspraken gemaakt over de reductie van CO2-emissies. Om die afspraken na te komen is een forse inspanning op energiebesparing en het gebruik van alternatieve energiebronnen nodig. Het verwarmen met aardgas zorgt voor meer dan twee derde van de CO2-uitstoot van gebouwen in Nederland. Bovendien betekent het gebruik van aardgas een onwenselijke afhankelijkheid van aardgas uit Groningen of gas uit het buitenland. Landelijk is daarom de opgave geformuleerd dat 1,5 miljoen woningen (ongeveer 20 procent) in 2030 verduurzaamd moet zijn, om tot een volledig aardgasvrije gebouwde omgeving te komen in 2050. De Transitievisie Warmte (TVW) omschrijft maar een deel van de opgave in de energietransitie. Hieronder wordt de TVW toegelicht in relatie tot de andere plannen uit het Klimaatakkoord die een rol spelen op zowel gemeentelijk en regionaal niveau. Gemeenten hebben een belangrijke rol in de uitvoering van het nationale Klimaatakkoord. De uitwerking van plannen uit het Klimaatakkoord vindt plaats op drie niveaus: 1. Regionaal wordt er in de regio U16 gewerkt aan de Regionale Energie Strategie (RES). Naast afspraken over opwek van groene stroom, maken we in deze strategie ook afspraken over de mate waarin woningen worden verduurzaamd.
Het is immers nodig dat de totale vraag naar duurzame warmte én stroom wordt verlaagd. We hebben de aanwezige duurzame warmtebronnen in de regio in kaart gebracht en maken zo nodig afspraken over de verdeling van bovenlokale warmtebronnen. 2. Deze Transitievisie Warmte (TVW) beschrijft hoe we als gemeente onze warmtevraag op een aardgasvrije en duurzame manier kunnen gaan invullen, waarbij we de voorlopige resultaten uit de RES meenemen. 3. Voor wijken die we in deze TVW als startwijken selecteren, zullen we vervolgens op wijkniveau een concreet wijkuitvoeringsplan opstellen. Daarbij worden de bewoners en andere gebouweigenaren betrokken. Startkansen kunnen ook buurtisolatieplannen, plannen voor een bedrijventerrein of onderzoeken naar een duurzame warmteoplossing zijn. De volgende figuur laat de samenhang tussen deze plannen zien.
10
Figuur 1 Samenhang RES, Warmtevisie en wijkuitvoeringsplan
Landelijke ontwikkelingen aardgasvrije wijken De transitie naar aardgasvrij is een proces van uitproberen, leren en opschalen. Het Rijk ziet dat we versneld moeten gaan starten in de eerste wijken om dit proces in gang te zetten en heeft daarom de regeling “Grootschalige Proeftuinen Aardgasvrij” in het leven geroepen die ondersteuning biedt aan wijken waar concrete stappen naar aardgasvrij worden gezet. In 2018 zijn de eerste 27 wijken bekend gemaakt, en oktober 2020 zijn de volgende 19 wijken van start gegaan. De praktijkervaring die sinds 2018 in de proeftuinen wordt opgedaan biedt nu al heel veel lessen over de overstap naar aardgasvrije wijken. De proeftuinen bevestigen dat de overstap erg complex is, maar nog steeds wordt in de meeste wijken samen met bewoners concrete voortgang geboekt1. De verwachting is dat een volgende ronde van proefprojecten zich zal richten op belangrijke tussenstappen naar aardgasvrij zoals via buurtisolatie. Landelijke financiële regelingen De overstap naar een aardgasvrije manier van verwarmen vraagt om investeringen. De rijksoverheid werkt aan verschillende instrumenten om een betaalbare overstap mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door de gemiddelde kosten voor energie via de energiebelasting te verlagen, door subsidies te geven en nieuwe aantrekkelijke financieringsmogelijkheden te ontwikkelen. Nog niet alles is op orde, dat kost tijd.
Als gemeente houden we de landelijke ontwikkelingen in de gaten, want we vinden het belangrijk dat de overstap naar aardgasvrij haalbaar en betaalbaar is voor iedereen. We informeren onze inwoners over welke regelingen er beschikbaar zijn. Landelijke regelgeving Nieuwbouw is altijd aardgasvrij. Sinds 1 juli 2018 is de aansluitplicht van aardgas voor netbeheerders voor de nieuwbouw afgeschaft. Tot slot wordt er gewerkt aan juridische kaders via de Omgevingswet en de Wet Collectieve Warmtevoorziening. Die laatste wordt in 2022 verwacht, en heeft invloed op de manier waarop we in Nederland warmtenetten organiseren en de rol die gemeenten en initiatieven
1 Kijk voor meer informatie over de proeftuinen op www.aardgasvrijewijken.nl
11
daarin kunnen spelen. Op dit moment kan een gemeente bewoners nog niet verplichten om van het aardgas af te gaan. 1.5. Lokale ambities Bunnik wil een gemeente zijn waar mensen met plezier wonen, werken en recreëren. Niet alleen nu, ook volgend jaar en alle jaren daarna. De gemeenteraad heeft de ambitie vastgesteld om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Ook zette het college in op 10 procent duurzame energie opwekken en 10 procent energie besparen in de periode 2018-2022. Om deze doelstellingen te halen focust de gemeente zich zowel op het bevorderen van duurzame energieproductie (zoals zonne- en windenergie) als op het besparen van energie. Daarvoor is het nodig om de bewustwording over ons energieverbruik vergroten. Individuele woningeigenaren kunnen nu ook al aan de slag. Er is een regionaal online energieloket, Jouw Huis Slimmer, met info over duurzaam (ver)bouwen, financieringsmogelijkheden en doorverwijzingen naar lokale leveranciers. Daarnaast is de Energiecoöperatie Bunnik een onafhankelijk initiatief van en voor inwoners van Bunnik, Odijk en Werkhoven. Zij adviseren over energiezuinig wonen inclusief woningopnames en warmtescans en participeren in initiatieven voor grootschalige opwek. Ook zijn er diverse commerciële energieadviseurs in de regio.
In deze Transitievisie willen we kijken hoe we kunnen versnellen en doorstappen van verduurzaming van individuele (verspreide) woningen naar alle woningen in een buurt zodat op een dag de aardgaskraan dicht kan per groep woningen of per bedrijventerrein. Zoals gezegd wil Nederland in 2050 gestopt zijn met het gebruik van aardgas. Onze Bunnikse doelstelling om in 2040 energieneutraal te zijn, is ambitieus waar het gaat om aardgasvrij. Op dit moment, in deze eerste Transitievisie (2021), is het onzeker of we in 2040 al helemaal zonder aardgas kunnen wonen en werken. Om het tussendoel van 30% in 2030 te halen moet ongeveer de helft van alle eigenaren van gebouwen daar flinke stappen voor nemen. In Bijlage 10 vindt u de berekeningen. De gemeente doet wat zij kan door te informeren, te onderzoeken, te adviseren, met concrete aanbiedingen in buurtpilots te ontzorgen waar mogelijk. Ondanks landelijke financiële regelingen en organisatorische constructies samen met marktpartijen, zullen investeringen toch voor een het grootste deel gedragen moeten worden door alle gebouweigenaren. In het concluderende hoofdstuk 6 leggen wij de relatie tussen deze Transitievisie en de haalbaarheid van onze aardgas- & klimaatdoelen in 2030, 2040 en 2050. 1.6.
Wie hebben er meegedacht? We willen een Transitievisie Warmte die rekening houdt met de eigenschappen van de dorpen en wijken in gemeente Bunnik en met de mensen die er wonen en werken. We kunnen als gemeente de warmtetransitie ten slotte niet zelf realiseren. Uiteindelijk heeft de warmtetransitie impact op alle gebouweigenaren en bewoners. Daarom zijn zij betrokken bij de TVW en worden ze nog intensiever betrokken in de plannen voor hun wijk. Projectgroep We werken samen met belangrijke partners die een rol spelen in de transitie. Zo kunnen we de planningen afstemmen, schaalgrootte behalen, leren van elkaar en de transitie versnellen. Deze Transitievisie Warmte is opgesteld met input van een brede groep met betrokkenen, verenigd in een projectgroep. Hierin zaten vertegenwoordigers van netbeheerder Stedin, Energie Coöperatie Bunnik, woningcorporaties Portaal, Lekstede Wonen en SSH. Ook hebben medewerkers van de gemeente deelgenomen met kennis van de openbare ruimte, wonen en communicatie. 12
Inwoners en ondernemers Inwoners en ondernemers uit Bunnik, Odijk, Werkhoven en het buitengebied zijn tijdens het opstellen van de TVW op verschillende momenten betrokken. In het voorjaar van 2020 hebben 204 mensen hun kijk op de warmtetransitie gegeven door middel van een enquête. De uitkomsten hiervan zijn opgenomen in bijlage 1. Op 15 juli en op 23 november 2020 kwam de gemeentelijke Denktank (geïnteresseerde inwoners) bij elkaar. Zij hebben zich gebogen over de uitgangspunten en besliscriteria van de TVW, en vervolgens feedback gegeven op een concept van deze TVW. Op 2 november 2020 hebben 60 huishoudens deelgenomen aan de online gespreksavond over deze visie. Gemeenteraad De gemeenteraad is op 24 september 2020 in een informele sessie meegenomen in het proces en de uitgangspunten, en heeft op 1 februari 2021 gereageerd op een vergaand concept van de TVW. De inbreng van de gemeenteraad is verwerkt in deze visie en staat beschreven in het afzonderlijke Participatieverslag. Kromme Rijn gemeenten We hebben deze Transitievisie Warmte opgesteld in een parallel traject met de andere Kromme Rijn gemeenten (Houten, Utrechtse Heuvelrug en Wijk bij Duurstede). In het proces hebben we van elkaar geleerd, kansen buiten de gemeentegrenzen herkend en ervaringen gedeeld.
1.7. Leeswijzer In deze Transitievisie Warmte behandelen we eerst in hoofdstuk 2 de gezamenlijke uitgangspunten waarop deze visie gebaseerd is. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de stappen in de transitie naar aardgasvrij toegelicht en beschrijven we oplossingen voor het aardgasvrij maken van woningen, wijken en bedrijventerreinen. In hoofdstuk 4 gaan we in op de mogelijkheden en logische tussenstappen in gemeente Bunnik en zoomen we in op de wijken waar we de komende jaren van start willen gaan met de warmtetransitie. Hoofdstuk 5 over de uitvoering na vaststelling van de visie: de manier waarop we dit gaan organiseren en welke stappen we zetten om de warmtetransitie in Bunnik, Odijk en Werkhoven verder vorm te geven. Hoofdstuk 6 bieden enkele woorden tot slot. Diverse bijlagen binnen dit visiedocument geven achtergrondinformatie. Het Participatieverslag is een losstaande bijlage buiten de visie. Noot: Bijlage 10 geeft belangrijke berekeningen voor op welke wijze het mogelijk zou zijn om 30% aardgas te besparen op al het wonen en werken in onze gemeente.
13
Hoofdstuk 2: Gezamenlijke uitgangspunten De gemeentelijke werkgroep heeft met inbreng van de bewonersdenktank en de bewonersenquête gezamenlijke uitgangspunten opgesteld. Dit zijn principes om de warmtetransitie in Bunnik, Odijk en Werkhoven tot een succes te maken. Deze principes laten we duidelijk terugkomen in de Transitievisie Warmte. Op die manier wordt er zoveel mogelijk aangesloten bij de wensen en verwachtingen van bewoners en betrokken partijen. 1. Aandacht voor gezamenlijke belangen Bij het opstellen van de TVW is er aandacht voor de gezamenlijke belangen van de betrokken partijen en streven we ernaar om de verschillende doelgroepen zoveel mogelijk te betrekken. Iedereen heeft de kans om mee te denken op verschillende manieren en momenten in het proces. Zo streven we ernaar dat bewoners en andere stakeholders zich zoveel als mogelijk herkennen in de uitkomsten. Het is ook belangrijk dat belanghebbenden zich realiseren dat hun eigen inbreng en verantwoordelijkheid bijdraagt aan het succes van de TVW. De ervaring leert dat bij het opstellen van wijkuitvoeringsplannen meer inwoners betrokken zijn, de plannen worden dan immers concreter. 2. Er is ruimte voor eigen initiatief De TVW is duidelijk over wat de warmtetransitie inhoudt en wat de richting per wijk is in de gemeente Bunnik. Maar in de TVW worden de uiteindelijke keuzes nog niet gemaakt.
Uit de enquête komt naar voren dat bewoners en bedrijven graag zelf keuzes willen maken. De werkgroep geeft bovendien aan dat er ruimte moet zijn voor koplopers die zelf initiatief nemen. Dit kunnen bewoners zijn die alvast willen starten met isoleren en bereid zijn om een investering te doen, of groepen bewoners of bedrijven die gezamenlijk aan de slag willen. De TVW moet een richtinggevend kader bieden waarbinnen dit eigen initiatief mogelijk is en zelfs wordt aangemoedigd. De maatregelen die gebouweigenaren nemen moeten no-regret zijn. Dat betekent dat de maatregelen altijd goed zijn, onafhankelijk van de (op een later moment) gekozen warmteoplossing. 3. We bieden richting en durven te starten De TVW is een richtinggevende visie met realistische doelstellingen voor zowel de kortere termijn (2030) als de langere termijn (2040 en verder). Het document is niet in beton gegoten en moet de flexibiliteit bieden om stapsgewijs te leren en evalueren. We kunnen niet wachten tot alle onzekerheden in de warmtetransitie zijn weggenomen. We willen werk maken van onze duurzaamheidsdoelstellingen en leren door te starten. De werkgroep geeft het belang aan dat de TVW voor iedereen handvatten biedt om de eerste stappen naar aardgasvrij te zetten, wijkgericht of individueel. Daarbij wordt isoleren gezien als een hele belangrijke stap voor de oudere woningen in gemeente Bunnik.
Bewoners laten hiervoor bereidheid zien. Meer dan de helft van de respondenten op de enquête heeft al zelf de keuze gemaakt om de woning extra te isoleren. Aan de inwonersavond deden veel mensen mee die al veel geïsoleerd hebben of in een nieuwer huis wonen. Zij zijn juist op zoek naar een passende vervolgstap richting een aardgasvrije of hybride installatie. 4. We focussen op betaalbare oplossingen Betaalbaarheid is voor inwoners een zeer belangrijk vraagstuk, dit beeld werd bevestigd door de enquête. Bij de keuzes voor aardgasvrije oplossingen in de TVW hebben de oplossingen met de laagste maatschappelijke kosten voorrang, dit is landelijk bepaald in het Klimaatakkoord. Het Klimaatakkoord heeft bovendien woonlastenneutraliteit als uitgangspunt. Dit betekent dat woonlasten met het alternatief vergelijkbaar zijn met de situatie op aardgas. In de fase van een wijkuitvoeringsplan is het van belang om de kosten van deze oplossingen inzichtelijk te maken voor inwoners (huurders en eigenaren) en ondernemers. 14
5. Planningen sluiten zoveel mogelijk op elkaar aan Bij de fasering van de wijken in de TVW creëren we zoveel mogelijk gelijktijdigheid van werkzaamheden. Voorbeelden zijn vervanging van het riool en herinrichting van een straat. Hiermee ontstaat efficiëntie en schaalvoordeel. Door gebruik te maken van natuurlijke momenten worden oplossingen zo betaalbaar mogelijk. Een toegevoegde waarde is ook dat de overlast voor de omgeving tot een minimum wordt beperkt. In de visie is ook aandacht voor de koppeling met andere opgaven zoals klimaatadaptatie of sociale verbetering. Koppeling van werkzaamheden moet wel praktisch haalbaar zijn. Helaas is er in grote delen van Bunnik en Odijk sprake van verouderde gasleidingen. Deze worden in de komende jaren vervangen. De meeste woningen zijn er namelijk niet klaar voor om direct van het aardgas af te gaan. Een belangrijk deel van de woningen in de gemeente zal dus in 2030 van nieuwe aardgasleidingen zijn voorzien. Omdat veel wijken in tussenstappen naar aardgasvrij zullen gaan, hoeft dit geen probleem te zijn. 6. Duurzame koude in de zomer waar dit kan Naast bovenstaande 5 punten genoemd door de stakeholders, voegen we als gemeente als zesde aandachtspunt duurzame koeling van woningen en bedrijfsgebouwen toe. De noodzaak om te koelen neemt sterk toe vanwege de warmere zomers, de extra isolatie en het feit dat mensen steeds meer thuis werken.
Redenen om te koelen zijn niet alleen wooncomfort en arbeidsproductiviteit maar is zeker ook gezondheid. Koeling is daarom voor kwetsbare doelgroepen van extra belang. Vaak wordt er qua gezondheid op ouderen gericht. Uit onderzoek blijkt dat ook juist jongeren veel last ervaren van te warme zomers. De mogelijkheden om te koelen zijn onder andere: • buitenzonwering en zonwerend glas • schaduw van bomen buiten, groen dak, groene tuin • ventilatie in de nacht (actief of via ramen open) • met koude lucht of koud water (bodem warmtewisselaars en Warmte Koude Opslag) Voor nieuwbouw is het verstandig meteen een goed ontwerp te maken voor de warme zomers. Maar ook als we de woningen verduurzamen, is het verstandig de mogelijkheden voor koeling mee te nemen. Want anders is de kans groot dat nog veel meer mensen investeren in ventilatoren en airco’s. Het stroomverbruik neemt met een airco gemiddeld 400-450 kWh/jaar toe en bovendien wordt het dan ook buiten warmer.
15
Hoofdstuk 3: De warmtetransitie in gemeente Bunnik In dit hoofdstuk gaan we in op de verandering naar een aardgasvrije gemeente. Eerst kijken we naar de opgave waar we als gemeente voor staan. Vervolgens benoemen we welke stappen nodig zijn om de transitie naar een aardgasvrije gemeente te doorlopen: wat moeten we doen om al onze gebouwen zonder aardgas van warmte en warm water te voorzien? 3.1 De huidige situatie in Bunnik, Odijk en Werkhoven De gemeente Bunnik kent ongeveer 6.400 woningen, waarvan ongeveer 5.400 eengezinswoningen. Daarnaast bevinden zich er nog zo’n 1.300 andere panden, zoals bedrijfspanden. Circa 15 procent van de panden is in het bezit van Portaal. Hiernaast hebben de SSH, Habion en Lekstede Wonen enkele tientallen panden verspreid over de gemeente. Sociale woningbouw maakt daarmee een relatief klein aantal van de totale woningvoorraad uit in deze gemeente. De meeste woningen en andere gebouwen maken op dit moment nog gebruik van aardgas om te verwarmen, voor warm tapwater en om op te koken. Tabel 1 laat zien hoe aardgas op dit moment in de woningen van Bunnik, Odijk en Werkhoven wordt gebruikt. Het grootste deel van onze woningvoorraad heeft een CV-ketel voor de verwarming. Een particulier huishouden in de gemeente Bunnik verbruikte in 2018 gemiddeld 1525 m3 aardgas per jaar en heeft een warmtevraag van gemiddeld 85 kWh/m2.
Het gasverbruik verschilt per huishouden en is afhankelijk van het soort huis, het bouwjaar, de mate van isolatie en het gebruikersgedrag. De CV-ketel kan water tot ongeveer 90°C verwarmen, dat vervolgens door de radiatoren stroomt en onze huizen verwarmt. Met deze temperatuur kunnen ook slecht geïsoleerde huizen verwarmd worden. Ongeveer 80 procent van het aardgas in een woning wordt gebruikt voor het verwarmen van de woning. Bijna 20 procent wordt gebruikt voor warm water, met name douchen.
Voor koken wordt maar een heel klein deel van het aardgas gebruikt, minder dan 5% procent. Tabel 1 De huidige situatie
3.2 Naar aardgasvrij in drie stappen Om de stap naar aardasvrij te maken, moeten we op zoek naar alternatieve oplossingen. Helaas kunnen we in de meeste gevallen niet simpelweg aardgas één op één vervangen door een andere brandstof. Er is meer nodig om gebouwen duurzaam en comfortabel te verwarmen. We onderscheiden drie stappen, zoals figuur 2 laat zien. 1. Maatregelen in het gebouw. Voor alle oplossingen geldt: wat je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. In sommige gevallen zijn bepaalde maatregelen niet alleen wenselijk, maar noodzakelijk om je woning comfortabel zonder aardgas te kunnen verwarmen. 16
2. Alternatieve warmteoplossing. Er zijn drie infrastructuren die in een wijk kunnen liggen om de verwarming van woningen zonder aardgas mogelijk te maken: een warmtenet, een elektriciteitsnet en een aardgasvrij gasnet. Een hybride warmteoplossing (combinatie van oplossingen) is ook mogelijk. 3. Inzet duurzame bronnen. De inzet van duurzame bronnen voor het opwekken van warmte en elektriciteit of de productie van duurzaam gas moet ervoor zorgen dat er geen fossiele energie zoals aardgas meer nodig is om onze huizen te verwarmen. Het opwekken van groene stroom maakt geen deel uit van de Transitievisie Warmte. Hiervoor is afzonderlijk beleid en er zijn afspraken gemaakt hoeveel groene stroom de gemeenten in de regio gezamenlijk opwekken.
Figuur 2 stappen naar een duurzame en aardgasvrije warmtevoorziening in de gebouwde omgeving
De stappen worden hieronder één voor één uitgelegd. Stap 1: Maatregelen in het gebouw Betere isolatie en de overstap naar elektrisch koken zijn altijd goed. Deze energiebesparende maatregelen beperken de warmtevraag in de woning en zijn essentieel in de energietransitie. Energiebesparing kan worden bereikt door een combinatie van de volgende maatregelen: • • •
Isolatie van de vloer, gevel, glas en/of het dak Het dichten van kieren Efficiënt ventileren
Isolatie verbetert het wooncomfort, verlaagt de energierekening en zorgt voor minder CO2-uitstoot. Daarnaast is het voor veel woningen een voorwaarde om later de overstap naar een aardgasvrije warmteoplossing te kunnen maken. We noemen dat ook wel “aardgasvrij-ready”. Als een warmtepomp als alternatieve warmteoplossing in beeld is (all electric), dan is extra isolatie bij woningen gebouwd voor 1990 vrijwel zeker nodig. Dat is om te voorkomen dat heel veel extra groene stroom moet worden opgewekt, maar ook om het gebouw warm genoeg te krijgen. Ook voor aansluiting op een warmtenet is vaak extra isolatie nodig voor oude en slechter geïsoleerde woningen. Daarnaast zullen alle huishoudens over moeten stappen op elektrisch koken (inductie) en zullen in sommige gevallen ook de bestaande radiatoren of de gehele bestaande verwarmingsinstallatie vervangen moeten worden om op een lagere temperatuur te gaan verwarmen. Tot slot kan een betere kierdichting ertoe leiden dat mechanische ventilatie (liefst met warmteterugwinning) noodzakelijk is voor een gezond binnenklimaat. Ongeacht de gekozen oplossing kan elke gebouweigenaar aan de slag met isoleren. Bijlage 1 gaat verder in op isolatie. 17
Wanneer is uw woning transitiegereed? In bijlage 1 staan isolatiemaatregelen benoemd voor woningen met verschillende bouwjaren. Dat geeft een richting. Uiteraard is dit algemeen geldende informatie. De situatie kan voor een individuele woning verschillen. Als u over wilt stappen op lagere temperatuur verwarming dan heeft u wellicht ook een ander warmte-afgiftesysteem nodig (andere radiatoren of vloerverwarming). Om te testen of uw woning klaar is voor een warmtepomp kunt u in de winter uw afgifte-temperatuur van de verwarmingsinstallatie op 50 graden zetten en voelen of uw woning voldoende warm blijft.
Stap 2: Alternatieve warmteoplossingen Bijna alle gebouwen in de gemeente Bunnik zijn aangesloten op een gasnet voor verwarming. Omdat we hebben afgesproken in de toekomst geen aardgas meer te gebruiken voor onze warmtevoorziening, is de verwachting dat het gasnet op veel plekken in de gemeente uiteindelijk zal verdwijnen. Hier zijn ook uitzonderingen op. Waar nieuwe aardgasleidingen liggen, en in gebieden waar de transitie naar aardgasvrij erg lastig is (zoals oude woningen in buitengebied) blijft voorlopig de aardgasleiding liggen. Op de langere termijn is er wellicht meer groen (bio)gas of groene waterstof voor handen dan nu wordt verwacht. De alternatieven voor aardgas verschillen in de temperatuur waarmee de woning wordt verwarmd. De vuistregel daarbij is: hoe lager de temperatuur van de warmte waarmee je een huis verwarmt, hoe meer je de woning moet isoleren (stap 1). De meest geschikte infrastructuur en warmte-oplossing is afhankelijk van de eigenschappen van gebouw en gebied. Diverse factoren spelen hierbij een rol, zoals bouwjaar, gebouwtype, gebouwfunctie, bebouwingsdichtheid, het eigendom, de schaal en de beschikbaarheid van bronnen. Er is (minimaal) één van de volgende energie-infrastructuren in de wijk nodig voor een duurzame warmteoplossing: een elektriciteitsnet, een warmtenet (midden- of lage temperatuur), een bronnet of een groen-gasnet.
In de analysefase zijn uiteindelijk vijf warmteopties meegewogen die, op basis van de huidige stand van de techniek, in beeld zijn voor het maken van de overstap naar aardgasvrij: 1. Middentemperatuur warmtenetten: collectieve warmtevoorziening in de vorm van een middentemperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van 50 tot maximaal 70 graden aangevoerd wordt tot bij het gebouw of de woning. 2. Lage temperatuur warmtenetten: collectieve warmtevoorziening in de vorm van een lage temperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van 30 tot maximaal 50 graden aangevoerd wordt tot het gebouw of de woning. 3. All electric: verwarmen en koken met gebruik van elektriciteit (vaak combi met warmtepomp) 4. Lokale bronnetten: lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet. In het gebouw is een warmtepomp nodig voor verwarming. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling. In deze visie benoemen we deze optie vooral voor bedrijventerreinen. Dit zou ook voor woningen mogelijk kunnen zijn. 5. Groen-gasnet in combinatie met hybride oplossingen: een gasinfrastructuur gevoed met duurzaam gas eventueel in combinatie met een elektrische warmtepomp. In bijlage 3 worden deze warmteoplossingen verder toegelicht.
Tijdelijke hybride oplossingen Soms is een overgangsfase op weg naar aardgasvrij verstandig. Er zijn diverse hybride oplossingen zoals elektrisch verwarmen met een warmtepomp aangevuld met aardgas, zoals beschreven in de tekstbox. 18
Hybride warmtepompen De hybride warmtepomp is een combinatie van een warmtepomp met een gasketel. Deze techniek verlaagt het gasverbruik van een woning of gebouw. Deze warmtepomp gebruikt een warmtebron en elektriciteit voor het opwekken van warmte. Er wordt gebruik gemaakt van gas op zeer koude dagen en voor warm tapwater. Er zijn verschillende typen hybride warmtepompen op de markt, waarbij de bronnen variëren tussen buitenlucht, ventilatieretourlucht of zonnewarmte. Een voordeel van een hybride systeem ten opzichte van een all-electric oplossing is dat er geen aanpassingen nodig zijn aan het elektriciteitsnet. Voor de piekbelasting maakt het systeem namelijk gebruik van gas. Bovendien hoeven de radiatoren niet worden te vervangen naar een lage temperatuur afgiftesysteem. Een nadeel is dat het gebouw nog steeds afhankelijk is van aardgas. Het systeem is op de langere termijn geen oplossing voor alle wijken, want er komt waarschijnlijk niet voldoende duurzaam gas beschikbaar om het aardgas te vervangen. Voor een optimale werking moet de woning of het gebouw aan een aantal voorwaarden voldoen. Denk daarbij aan spouwisolatie, minimaal HR glas, een geïsoleerde begane grondvloer en bij voorkeur ook dak- of zoldervloerisolatie. In wijken waar niet gestart wordt met de transitie naar een bronnet of een warmtenet is een wijkaanpak met hybride warmtepompen kansrijk.
Bij woningen kan gemiddeld circa 70 procent gas bespaard worden door de inzet van een hybride warmtepomp in combinatie met goede isolatiemaatregelen. Uiteraard gaan de gebouwen wel meer elektriciteit gebruiken.
Maatwerk Er ligt niet altijd voor de gehele wijk een pasklare warmteoplossing klaar. Wijken met veel divers vastgoed, zoals bedrijventerreinen, vragen mogelijk om een combinatie van oplossingen. In dat geval moeten we maatwerk leveren en zullen we bij verdere verkenning van de wijk op lokaal niveau (bijvoorbeeld straatniveau) de meest passende oplossingen gezocht worden. Stap 3: Inzet op duurzame bronnen Om volledig CO2 neutraal te worden, moeten we alle energie (die we na het treffen van de energiebesparende maatregelen nog verbruiken) met duurzame bronnen opwekken. Bij iedere energie-infrastructuur (elektriciteitsnet, warmtenet, en gasnet) horen andere bronnen en andere installaties in de woning. De transitie naar volledig duurzame bronnen zal daarom verschillen per energie-infrastructuur: •
• •
Bij warmtenetwerken zal de warmte uit duurzame bronnen komen, zoals geothermie, bodemwarmte, aquathermie of zonthermie. Ook een combinatie van bijvoorbeeld warmte uit oppervlaktewater en bodemwarmte, gebruik makend van een Warmte Koude Opslag (WKO) is mogelijk. Voor het elektriciteitsnetwerk: elektriciteit zal in 2050 niet meer uit gas- of kolencentrales komen, maar moet volledig duurzaam opgewekt worden, vooral met wind- en zonne-energie. Daar waar het gasnet blijft liggen zal aardgas worden vervangen door een klimaatneutraal alternatief, bijvoorbeeld groen (bio)gas of mogelijk op termijn groene waterstof. De komende periode is daar nog maar zeer weinig van beschikbaar.
In bijlage 4 zijn de mogelijke bronnen die horen bij de verschillende warmteoplossingen in meer detail beschreven. Op basis van het huidige inzicht is geen enkele bron in voldoende mate beschikbaar om 19
het geheel van Bunnik, Odijk en Werkhoven van duurzame warmte te voorzien. Een mix van diverse duurzame bronnen zal nodig zijn. Bronnenonderzoek U16 De gemeente Bunnik werkt voor de Regionale Energiestrategie (RES) samen met 15 omliggende gemeenten in de Provincie Utrecht2. De U16 heeft onderzocht welke duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn voor warmtenetten. Tabel 2 laat de resultaten voor de gemeente Bunnik zien. We zien dat thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) in combinatie met warmtepompen en WKO (warmte koude opslag in de bodem) een kansrijke warmtebron kan zijn. Deze techniek kan op grote schaal (duizenden woningen), maar ook op kleinere schaal worden toegepast (enkele tientallen of honderden woningen). Een aandachtspunt hierbij is dat er in een groot deel van de kern Bunnik een zogenaamd grondwaterbeschermingsgebied is, waar bodemsystemen als WKO niet toegestaan zijn. In het volgende hoofdstuk gaan we hier verder op in. Een andere mogelijke bron is restwarmte van Vrumona. Vrumona loost nu warm water (op sommige dagen tot 30 graden) op het riool. Door verduurzamingsmaatregelen van het bedrijf is de verwachting dat de resttemperatuur en het debiet (hoeveelheid water per jaar) lager worden. Toch kan dit nog steeds een interessante warmtebron zijn. Een andere interessante bron vormt de rioolwaterzuivering (RWZI).
Hoogheemraadschap HDSR schat in dat de huidige zuivering zo’n 425 WEQ (woningequivalenten) aan warmte kan leveren. De toekomst van deze RWZI is op het moment echter onzeker. De strategische keuzes van HDSR zullen de kansrijkheid van deze warmtebron bepalen. Dit wordt op zijn vroegst in 2023 duidelijk. Collectieve warmtebron Vermogen (als de bron Zekerheid gerealiseerd kan worden) Ondiepe geothermie (250- Hoog Voorlopig 1000m) Laag
Kosten
Conclusie
Laag
Voorlopig niet mogelijk tenzij inzichten wijzigen
Diepe (1-4 km) of ultradiepe (4-6 km) geothermie Oppervlaktewater (TEO) in combinatie met WKO
Hoog
Voorlopig zeer laag
Laag
Voorlopig niet mogelijk tenzij inzichten wijzigen
Hoog
Redelijk
Biomassa (hout, knip & snoei afval, pellets) Restwarmte
Geen beschikbaarheid biomassa Vrumona, redelijk
Redelijk
Gemiddeld Kansrijke warmtebron, WKO in delen Bunnik onmogelijk vanwege grondwaterbeschermingsgebied Gemiddeld Niet mogelijk
Zonthermie op veld Zonthermie op groot dak Warmte uit riool of drinkwater
Redelijk tot hoog Hoog Redelijk Beperkt Redelijk tot laag Redelijk (RWZI Bunnik) Laag (toekomst RWZI onzeker)
Laag Hoog Hoog Laag
Kansrijke bron, afhankelijk van verduurzaming Te duur; alleen denkbaar voor buitengebied Alleen als RWZI blijft, redelijke potentie
Tabel 2 beschikbaarheid duurzame warmtebronnen gemeente Bunnik (informatie afkomstig uit de RES)
2 Dit is de U-16 samenwerking waarmee de Regionale Energie Strategie (RES) en Regionale
Structuur Warmte (RSW) wordt opgesteld. Onderzoek uitgevoerd door Greenvis. 20
Hitte, warmteoverlast en koudevraag Naast aardgasvrije verwarming, zal ook koeling een steeds belangrijkere rol gaan spelen in de gebouwde omgeving. Door klimaatverandering zullen er steeds intensere hittegolven komen. Dit kan zorgen voor warmteoverlast oftewel ‘hittestress’ in woningen. Dit effect wordt versterkt door isolatie. Goed geïsoleerde woningen houden in eerste instantie de warmte beter buiten, maar als ze eenmaal zijn opgewarmd in de zomer, kunnen ze lastiger hun warmte kwijt. Het voorkomen van warmteoverlast kan op twee manieren: 1. Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen 2. Het actief koelen van gebouwen en/of ruimten om warmte kwijt te raken. Het voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen gebeurt voornamelijk met zogenaamde ‘klimaatadaptieve maatregelen’. Dit zijn maatregelen waarmee je de woning aanpast aan klimaatverandering. Denk aan beschaduwing, reflectie, verdamping en ventilatie. Hiermee houd je de omgeving rond en in gebouwen koeler op warme dagen. Maatregelen kunnen zowel in gebouwen genomen worden (zonwering, groene daken) als in de omgeving (bomen, meer water in de wijk). Het actief koelen van gebouwen kan met hoog stroomverbruik (airco’s) of met laag stroomverbruik (bijvoorbeeld koeling met bodemwater). Energiezuinige opties zijn soms duurder in de aanschaf maar goedkoper in het gebruik.
Slimme keuzes zijn mogelijk, zoals het alleen koelen van de werk- of slaapkamer in plaats van de hele woning. De mate van hittestress in een gebouw hangt af van factoren zoals de functie, doelgroep, oriëntatie en mate van isolatie. Omdat hierdoor de koelbehoefte binnen een straat of wijk ook sterk kan wisselen, is het in de meeste gevallen niet verstandig om de warmte-infrastructuur in een wijk van de koelbehoefte afhankelijk te maken. Een aantal aandachtspunten en mogelijkheden voor het voorkomen van hittestress per type warmteoplossing wordt toegelicht in bijlage 4.
21
Hoofdstuk 4: Waar gaan we van start? In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de route naar een aardgasvrije gemeente Bunnik. We kunnen niet de hele gemeente in één keer aardgasvrij maken. Daarom willen we de komende jaren gefaseerd starten met de warmtetransitie. We hebben samen met de stakeholders uit de projectgroep startkansen bepaald en acties geformuleerd waarmee we in de periode tot 2030 aan de slag gaan. 4.1 Hoe zijn de startkansen bepaald? In samenwerking met stakeholders en met input van bewoners zijn de “besliscriteria” opgesteld om startkansen te bepalen. Deze staan toegelicht in tabel 3. De besliscriteria hebben niet voor elke wijk hetzelfde gewicht. De ene wijk is kansrijk omdat daar weinig aanpassingen nodig zijn en de kosten laag zijn. Een andere wijk kan kansrijk zijn omdat er veel energie te besparen is en veel inwoners al betrokken zijn. Om startkansen te bepalen kijken we niet alleen naar formele wijkbegrenzingen, maar ook naar categorieën van vergelijkbare woningen of gebouwen. Het klimaatakkoord geeft aan dat we bij het bepalen van startkansen rekening houden met de laagste maatschappelijke kosten3. Dat sluit aan bij de enquêteresultaten, waarin bewoners aangeven betaalbaarheid het belangrijkst te vinden bij de overstap naar aardgasvrij.
Naast de laagste maatschappelijke kosten, bepalen we aan de hand van onderstaande besliscriteria of een wijk kansrijk is om op korte termijn aardgasvrij of aardgasvrij-ready te worden: Criterium
Toelichting
Er zijn weinig aanpassingen nodig
Als er in een wijk of een categorie van vergelijkbare woningen/gebouwen een simpele en snel uitvoerbare warmteoplossing mogelijk is, is het logisch daar te starten. Op deze manier laat je snel een wijk zien die succesvol aardgasvrij is geworden en kan dienen als voorbeeldwijk. Gebouwen uit recente bouwjaren (vanaf 1990) zijn bijvoorbeeld beter geïsoleerd, waardoor het over het algemeen makkelijker en betaalbaarder is om de overstap naar aardgasvrij te maken.
Hoge mate van betrokkenheid van inwoners of organisaties
In wijken waar inwoners of organisaties positief staan tegenover de warmtetransitie en zich georganiseerd hebben, kunnen sneller stappen gezet worden en draagvlak worden behaald. Dit sluit bovendien aan bij de wens voor keuzevrijheid en eigen initiatief. Betrokkenheid en draagvlak is iets wat moet groeien naarmate de transitie in een wijk vordert en waar blijvend aan gewerkt moet worden. Wijken waar al energie-initiatieven zijn of waar sociale structuren zoals wijkverenigingen de betrokkenheid kunnen versterken krijgen voorrang in de prioritering. Wanneer wijken op andere criteria vergelijkbaar scoren, worden demografische factoren die kunnen leiden tot hogere betrokkenheid en investeringsbereidheid in een wijk meegenomen in de afweging.
Er zijn kansen om flink te verduurzamen
Starten met een wijk of categorie van vergelijkbare woningen/gebouwen waar nog veel energiebesparing mogelijk is levert zowel duurzaamheidswinst als nieuwe inzichten op. Soms is helemaal naar aardgasvrij gaan nog niet mogelijk. Maar ook stappen richting het “aardgasvrij-ready” maken van gebouwen zorgt al voor versnelling van de energietransitie, besparing op aardgas en een goed voorbeeld voor soortgelijke wijken. De transitie naar aardgasvrij is geen doel op zich. We willen toe naar een CO2neutrale gebouwde omgeving, door te kiezen voor efficiënte, bewezen en betrouwbare alternatieven die op termijn de grootste kans bieden op een fossielvrije manier van verwarmen. Bij het kiezen van wijken om te starten kijken
Er is zicht op een duurzame, betrouwbare en uitvoerbare oplossing
3 Klimaatakkoord: Laagste maatschappelijke kosten zijn de totale kosten van de maatregelen aan de gebouwen, aan de
infrastructuur en aan de bron, productie en levering van energie om een buurt aardgasvrij te maken. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. Deze kosten worden uitgedrukt in bandbreedtes. De bandbreedtes houden rekening met zaken zoals onzekerheid in het prijspeil, het benutten van natuurlijke momenten en technische varianten binnen de warmteopties.