Ia.02. Bijlage 1 - Bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan Leemkolkweg 7 te Werkhoven Nieuwbouw twee woningen in een bestaande boerderij
Gemeente Bunnik
Plannaam:
Werkhoven, Leemkolkweg 7
Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.0312.bpxxxxxxx2023-on01
Datum:
28 november 2023
Contactpersoon Plannen-makers:
Dhr. C. Vaartjes & Dhr. W. Lakerveld
Kenmerk Plannen-makers:
PM22035
Opdrachtgever:
Dhr. P. Verkerk
Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL002150639B90 KvK nummer: 84970502
Pagina 2 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4
1.2
Leeswijzer ................................................................................................................................ 4
Het plan ........................................................................................................................................... 5 2.1
Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plan ......................................................................................................... 7
2.3
Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 9
Beleidsmatige onderbouwing ........................................................................................................ 11 3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................................. 11
3.2
Provinciaal en regionaal beleid .............................................................................................. 13
3.3
Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 16
Milieutechnische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 18 4.1
Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 18
4.2
Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 19
4.3
Geluidhinder .......................................................................................................................... 19
4.4
Ecologie ................................................................................................................................. 20
4.5
Bodem ................................................................................................................................... 21
4.6
Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 21
4.7
Externe veiligheid .................................................................................................................. 23
4.8
Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................... 25
4.9
Waterhuishouding .................................................................................................................. 26
4.10
Verkeer en parkeren .............................................................................................................. 29
Juridische planbeschrijving ............................................................................................................ 31 5.1
Plansystematiek..................................................................................................................... 31
5.2
Opzet van de regels .............................................................................................................. 31
5.3
De bestemmingen.................................................................................................................. 32
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid...................................................................... 33 6.1
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 33
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 33
Bijlagen .......................................................................................................................................... 34
Pagina 3 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling
De aanleiding voor dit bestemmingsplan is het planvoornemen om de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de bestaande boerderij op te heffen, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Het verdwijnen van een niet-agrarische bedrijfsbestemming uit het buitengebied is mogelijk als dit aan verschillende voorwaarden voldoet. De gemeente Bunnik heeft bij het collegebesluit van 8 maart 2022 in principe ingestemd met de voorgenomen ontwikkeling. Dit besluit is als bijlage 1 toegevoegd bij de toelichting. Dit bestemmingsplan voorziet in een actuele juridische regeling om de toekomstige functies in de bestaande bebouwing mogelijk te maken.
1.2
Leeswijzer
In het tweede hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied en het plan beschreven. In het derde hoofdstuk wordt het beleid toegelicht op zowel rijksniveau als provinciaal en als regionaal niveau. Het vierde hoofdstuk gaat in op de milieuaspecten van het plan, zoals geluidhinder en bodem. Het vijfde hoofdstuk bespreekt de juridische planbeschrijving. Het zesde hoofdstuk beschrijft de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Pagina 4 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
2 Het plan 2.1
Ligging van het plangebied
In afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Dit plan ligt in het agrarische gebied van Werkhoven in de gemeente Bunnik. De gemeente Bunnik ligt in de provincie Utrecht. De locatie aan de Leemkolkweg 7, 7a en 7b betreft een perceel met een bestaande boerderij. Het perceel van het plan staat bekend als Wekhoven, sectie F, nummers 319 tot en met 323 (afbeelding 2). De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden.
Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto locatie plangebied Leemkolkweg 7, 7a en 7b.
Pagina 5 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Afbeelding 2: Begrenzing kadastrale percelen Werkhoven F 319 tot en met Werkhoven F 323.
Pagina 6 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
2.2
Beschrijving van het plan
De locatie Leemkolkweg 7, 7a en 7b ligt in het buitengebied van Werkhoven. De locatie betreft een bestaande boerderij waarin een autoherstelbedrijf is gevestigd. In de boerderij zijn twee woningen gevestigd aan de voorzijde. Aan de achterzijde bevindt zich het huidige bedrijf. In de nieuwe situatie wordt de bedrijfsbestemming opgeheven. Het bedrijf aan de achterzijde verdwijnt waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden toegevoegd in de bestaande bebouwing. De opslag van de auto’s vervalt. De gehele ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast door realisering van een landschappelijk inrichtingsplan. Deze nieuwe inrichting moet duurzaam in stand worden gehouden.. In afbeelding 3 en 4 is de bestaande boerderij weergegeven.
Afbeelding 3: Uitsnede Streetview, vooraanzicht bestaande bebouwing. Bron: Google Maps.
Afbeelding 4: Uitsnede Streetview, zijlkant bestaande bebouwing. Bron: Google Maps. In afbeelding 5 is een overzicht te zien van de locatie waarin de nieuwe woningen worden gebouwd. De twee nieuwe zelfstandige woningen worden gebouwd in de bestaande boerderij. Hierdoor kan de boerderij behouden blijven.
Pagina 7 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Afbeelding 5: Het beoogde plan.
Als onderdeel van de bestemmingswijziging is een inrichtingsplan opgesteld door de Stuurgroep Kromme Rijnlandschap namens de gemeente in overleg met de initiatiefnemer, zie bijlage 2. De landschappelijke inrichting heeft als doel om de wijziging van het gebruik ook landschappelijk goed in te passen. De landschappelijke inrichting is ook als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan. Het plan moet binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan uitgevoerd zijn en in stand worden gehouden.
Pagina 8 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Afbeelding 6: Landschappelijk inrichtingsplan bron: Stuurgroep Kromme rijnlandschap
2.3
Vigerend bestemmingsplan
Op de locatie zijn twee bestemmingsplannen van toepassing. Het eerste bestemmingsplan is genaamd ‘Buitengebied Bunnik’. Het tweede bestemmingsplan is genaamd ‘Parapluherziening Buitengebied Bunnik’. In onderstaande paragrafen worden deze bestemmingsplannen besproken. 2.3.1 Buitengebied Bunnik Het vigerend bestemmingsplan is ‘Buitengebied Bunnik’ die is vastgesteld op 24 november 2011. Op het plangebied gelden de volgende bestemmingen: • Enkelbestemming – Wonen; o De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met bijbehorende tuinen er erven. • Dubbelbestemming – Waarde – Archeologie – 3; o De voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van gronden met een hoge archeologische verwachting, waarbij de bestemming Waarde Archeologie – 3 voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en). • Maatvoering – Maximaal aantal wooneenheden: 2; • Gebiedsaanduiding – Landschapstype Kromme Rijn en oeverwallen; o ter plaatse van de aanduiding 'overig - landschapstype kromme rijn en oeverwallen' is het beleid gericht op de instandhouding en de ontwikkeling van het landschap met de Pagina 9 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
volgende kernkwaliteiten: bodemreliëf (afwisseling hoge en lage delen), kavelstructuur, landschapselementen, natuurlijke oevers en plaatselijk een kwetsbare waterhuishouding.
Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan. De bedrijfsfunctie (paars) en de woonfunctie (geel) zijn omgeven door agrarische gronden (lichtgroen). De bestaande situatie betreft een woonbestemming en een bedrijfsbestemming. Het planvoornemen past niet in het vigerende bestemmingsplan, omdat er twee nieuwe woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de huidige bedrijfsbestemming. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is dus een nieuw planologisch kader nodig. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. 2.3.2 Parapluherziening Buitengebied Bunnik Deze herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bunnik’ is opgesteld naar aanleiding van het pleidooi van het gemeentebestuur van Bunnik. Het pleidooi houdt een flexibel en versimpeling van het gemeentelijk beleid in. Naar aanleiding daarvan zijn de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Bunnik doorgenomen op flexibiliteit en versimpeling. Nadien is een herziening voor de verschillende bestemmingen in het buitengebied van Bunnik opgesteld, zoals plattelandswoningen e.d. Voor het plangebied geldt zowel de bestemming ‘Bedrijf’ als de bestemming ‘Wonen’. De huidige bestemming ‘Bedrijf’ wordt opgeheven en wordt een woonbestemming. Daarnaast vindt nog een kleine correctie plaats aan de westzijde. De oprijlaan wordt binnen de woonbestemming getrokken.
De bestemming wonen komt namelijk overeen met het feitlelijk gebruik in plaats van de huidige agrarische bestemming die over de oprijlaan ligt. De regels uit het paraplubestemmingsplan zijn overgenomen voor dit plan.
Pagina 10 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
3 Beleidsmatige onderbouwing 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening / Omgevingswet Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering) uit. Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. De normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat praktische beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke omgeving. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder maar overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland.
De NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan ook de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en nauwkeurig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Deze uitdagingen kunnen worden benaderd door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie - Duurzaam economisch groeipotentieel - Sterke en gezonde steden en regio’s - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen. Ook is er aandacht voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3.
Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen is het raakvlak met het rijksbeleid nihil en zal geen strijdigheid ontstaan met de NOVI.
Pagina 11 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen vanwege het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een nauwkeurige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een precieze benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een nauwkeurige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. De “treden” van de Ladder bevatten wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 11 woningen.
Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Het planvoornemen voorziet niet in de stedelijk functie zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de Bro. Het ruimtebeslag zal daarnaast niet wijzigen, omdat de toevoeging van woningen alleen beoogd zijn binnen de bestaande bebouwing. Dit plan kan dan ook niet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toch wordt in paragraaf 3.3 de behoefte van dit plan onderbouwd. In hoofdstuk 4 wordt nader verantwoord dat dit plan geen negatieve ruimtelijke effecten heeft op de omgeving en de milieuhygiënische waarden binnen en rondom het plangebied. 3.1.4 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Om uitvoering te geven aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, is op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin staat een aantal projecten beschreven die van Rijksbelang zijn en waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen. De projecten zijn exact ingekaderd en voorzien van regels, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.
Het betreft de onderstaande projecten: • Rijksvaarwegen • Project Mainportontwikkeling Rotterdam • Kustfundament • Grote rivieren • Waddenzee en waddengebied • Defensie • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen • Elektriciteitsvoorziening • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen • Natuurnetwerk Nederland • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Het planvoornemen valt onder het aspect ‘Erfgoederen van uitzonderlijke universele Pagina 12 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
waarde’, omdat het in het gebied ligt waardoor de Romeinse Limes loopt. De unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt langs de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit: • Forten (castella), burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden; • Militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens; • Scheepswrakken Op dit aspect wordt verder ingegaan in paragraaf 3.2.2 (Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht). 3.1.5 Conclusie rijksbeleid Het planvoornemen voldoet aan het rijksbeleid op basis van de voorgaand beschreven planspecifieke argumentatie.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 is de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht vastgesteld door de Provinciale Staten (PS). In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie vastgelegd. De Omgevingsvisie is een instrument uit de Omgevingswet die op 1 januari in 2024 inwerking treedt. De visie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. Het vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de Omgevingsvisie wordt met zeven beleidsthema’s richting gegeven aan d e ontwikkeling en bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. De provincie Utrecht heeft als ambitie om in 2050 een inclusieve en circulaire provincie te zijn: • Waarin stad en land gezond zijn; • Die klimaatbestendig en waterrobuust is; • Waarin duurzame energie een plek heeft; • Met vitale steden en dorpen; • Die duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; • Met een levend landschap, erfgoed en cultuur; • Die een toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. De gewenste richting om de fysieke leefomgeving te ontwikkelen en te beschermen verschilt per regio of gebied en is afhankelijk van specifieke kenmerken en identiteit van een plek.
De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie Utrecht. Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Het planvoornemen staat de ontwikkeling van duurzame woningen en/of voorzieningen niet in de weg en de verdere ontwikkeling van de vitale dorpen en steden wordt ook niet belemmerd. Dit komt door de kleinschaligheid van het planvoornemen. Het plan heeft daarom ook geen nadelige invloed op de infrastructuur en staat de doelstellingen van een duurzame, gezonde en veilige bereikbaarheid niet in de weg. De locatie ligt in het ‘landschap rivierengebied’. Het landschap heeft de volgende kwaliteiten die behouden moeten worden: - Een schaalcontrast van zeer open naar besloten; - Een samenhangend stelsel van rivier – uiterwaard – oeverwal – kom; Pagina 13 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
-
Een samenhangend stelsel van hoge stuwwal – flank – kwelzone – oeverwal – rivier; De Langbroekerwetering en de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
De locatie ligt in een (half)open gebied dat aan te merken is als een oeverwal. De relatie tussen de rivier, de uiterwaard, de oeverwal en de kom wordt door dit plan niet aangetast, omdat het plan een kleinschalige ontwikkeling betreft die inpandig plaatsvindt. De impact op de oeverwal blijft dan ook zeer beperkt. Bouwkundige ingrepen vinden plaats in de bestaande boerderij, waardoor de aanwezige landschappelijke elementen niet blijvend worden aangetast. Het plangebied ligt in de Neder-Germaanse Limes bufferzone. Voor de provincie is het van belang om het samenhangende stelsel van de grensrivier (met scheepswrakken in de voormalige bedding), de limesweg, de forten (castella) met bijbehorende kampdorpen (vici), grafvelden, wachttorens en waterwerken te behouden. De locatie ligt niet nabij forten, dijken en/of kanalen. Verder ligt de locatie niet nabij een grensrivier, de limesweg, forten of kampdorpen, grafvelden, wachttorens en/of waterwerken. Doordat in het planvoornemen de bestaande bebouwing behouden blijft wordt de openheid van het halfopen landschap niet aangetast. Hierdoor leidt het planvoornemen niet tot een aantasting van de benoemde kwaliteit van de Neder-Germaanse Limes bufferzone. De locatie is gelegen in agrarisch gebied.
Met het planvoornemen vindt een zeer kleine uitbreiding van de woonbestemming plaats omdat de oprijlaan aan de westzijde binnen de woonbestemming getrokken wordt. Hiermee sluit de bestemming beter aan op het feitelijk gebruik. Daarnaast worden twee extra woningen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Door het planvoornemen worden omliggende bedrijven en of functies in de ontwikkelingsmogelijkheden echter niet geschaad, omdat de invloedsfeer van de woonbestemming nagenoeg niet groter wordt. Op basis van de vorige alinea’s kan worden geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht De Interim Omgevingsverordening vervangt bestaande verordeningen, zoals de ruimtelijke verordening, de milieuverordening, de natuur en landschapsverordening. De Interim Omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de Interim Omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. De Interim Omgevingsverordening is op 1 april 2021 inwerking getreden en zal een looptijd hebben totdat de Omgevingswet van kracht is en de omgevingsverordening inwerking treedt.
Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Navolgende thema’s behandelen de regels en de eisen die de Interim Omgevingsverordening aan het planvoornemen stelt. Overstroombaar gebied Dit thema behandelt de instructieregel ter bescherming van vitale en kwetsbare objecten, maar ook buitendijkse individuele woningen en bedrijven. Het plangebied ligt binnendijks, waardoor aanvullende maatregelen niet nodig zijn. Daarnaast is in paragraaf 4.9 verantwoord dat het plan op het aspect water doorgang kan vinden, omdat er geen wijzigingen plaatsvinden waardoor het plan niet uitvoerbaar is. Kwetsbare strategische grondwatervoorraad Dit thema behandelt de regels ten opzichte van activiteiten die de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie schaden. Het planvoornemen maakt geen activiteit mogelijk die de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater beïnvloed. Hierdoor voldoet het planvoornemen aan dit thema. Pagina 14 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Houtsopstanden Dit thema behandelt de houtsopstanden en de bijbehorende regels. In het plangebied worden geen bomen gekapt of bosschages verwijderd. Ook zijn beschermde landschappelijke elementen niet aanwezig. Hierdoor schaadt het planvoornemen de belangen van dit thema niet. CHS-Archeologische Waardevolle Zone Dit thema behandelt een archeologische waardevolle zone en de regels die daarbij horen. In het planvoornemen reiken mogelijke graafwerkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen tot een diepte van maximaal 50 cm-mv, Graafwerkzaamheden ten behoeve van de fundering zijn vooralsnog uitgesloten, omdat het om een inpandige verbouwing gaat. Voor de nadere verantwoording van het aspect archeologie wordt verwezen naar paragraaf 4.8. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen de archeologische waarden van de CHS niet aantast. Hiermee is het plan ook in lijn met dit thema. Landschap Rivierengebied Dit thema wordt behandeld in paragraaf 7.9. In bijlage 15 van de Interim Omgevingsverordening zijn de kernkwaliteiten voor dit gebied opgenomen. De kernkwaliteiten zijn: • schaalcontrast van zeer open naar besloten; • samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom; • samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier; • de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
Het plangebied ligt, zoals aangegeven in paragraaf 3.2.1, in een (half)open gebied dat is aan te merken als een oeverwal. Dit bestemmingsplan regelt het mogelijk maken van twee nieuwe woningen in een boerderij. Externe bouwkundige of landschappelijke wijzigingen zijn niet aan de orde, waardoor de kernkwaliteiten van het Landschap Rivierengebied niet worden geschaad. Hierdoor is het planvoornemen in lijn met dit thema. Stedelijke functies in landelijk gebied. Dit thema wordt behandeld in paragraaf 9.1 van de interim Omgevingsverordening. Voor diverse situaties worden voorwaarden gegeven waarbinnen verstedelijking in het Landelijk gebied toegestaan wordt. Voor voorliggend plan is geen specifieke instructieregel van toepassing omdat het hier een niet agrarische bedrijfsbeëindiging betreft en de bebouwing zal niet wijzigen, enkel inpandig. In zijn algemeenheid en in het verlengde van de meeste instructieregels kan gesteld worden dat de ruimtelijke kwaliteit aanzienlijk verbeterd door het beëindigen van het autoreparatiebedrijf waarvoor de nodige auto’s op het achter terrein gestald worden. Daarnaast worden de twee extra woningen binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd. Tot slot worden de omliggende functies niet in hun belemmering beperkt.
Aandachtsgebied stiltegebied Dit thema wordt behandeld in artikel 9.27, waarin wordt aangegeven dat een bestemmingsplan een beschrijving bevat van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met de doelstelling voor het geluidsniveau is omgegaan. Deze doelstelling wordt in artikel 9.24 besproken en geeft een LAeq,24 van ten hoogste 45 dB(A) aan in de Bufferzone stiltegebied. Het planvoornemen maakt een geluidgevoelige bestemming mogelijk. Daarnaast worden geen geluidsproducerende activiteiten mogelijk gemaakt. Hierdoor kan worden voldaan aan de LAeq,24h van 35 dB(A) op 50 meter afstand vanaf de grens van het stiltegebied, zoals besproken in artikel 9.28b. 3.2.3 Conclusie provinciaal beleid Het planvoornemen voldoet aan het provinciale beleid op basis van de voorgaand beschreven argumentatie.
Pagina 15 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Kromme Rijngebied Op 30 maart 2017 heeft de gemeente Bunnik de Omgevingsvisie Kromme Rijngebied vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente. De omgevingsvisie biedt een niet-bindend ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. De omgevingsvisie definieert drie uitgangspunten: • Vraagstukken die gedefinieerd worden als ambities van de mensen uit het gebied en uit de regio; • Gebiedskwaliteiten die gedefinieerd worden als de kenmerken van het gebied waaraan de gemeente wil werken; • Verantwoordelijkheden die gedefinieerd worden als de verantwoordelijkheden die de gemeente heeft en lopende afspraken waaraan de gemeente zich moet houden. De gemeente Bunnik biedt maatwerk aan nieuwe plannen. Het uitgangspunt hiervan is dat het totale initiatief een duidelijke positieve bijdrage levert aan het gemeentelijk gebied. Hierbij worden vormvereisten gebruikt en een inhoudelijke afweging. De vormvereisten bieden zekerheid en gelijkheid en de inhoudelijke afweging maakt specifieke keuzes mogelijk. Gebieden binnen het aanbod van maatwerk hebben deelaspecten met kwaliteiten. Als aan deze kwaliteiten ondersteuning wordt geboden vanuit het planvoornemen dan kan het tot een positief eindresultaat leiden.
Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Het plangebied ligt ten zuiden van het dorp Werkhoven. Dit dorp heeft een oud rivierfront in de richting van de rivier de Kromme Rijn. Het plan valt daarmee in het deelgebied ‘Kromme Rijn’. Vanuit de Omgevingsvisie bevat dit gebied de volgende (algemene) bestaande gebiedskwaliteiten. Deze zijn: • Landschapselementen in de weilanden rondom de Kromme Rijn. In het bijzonder rijen met knotwilgen en sloten met rietkragen; • De loop van de Kromme Rijn met in het bijzonder de zichtbaarheid van de kronkelige loop; • Oude meanderbochten (tussen Cothen en Werkhoven, bij Werkhoven en in Odijk), vooral waar ze herkenbaar zijn als oude loop; • Historische dorpsharten aan de rivier en de afleesbaarheid van de oorspronkelijke ligging van de dorpen aan de rivier; • Interactie met de N229 en in het bijzonder de raakpunten van de Kromme Rijn en N229; • Hoogteverschillen (oeverwallen) en de zichtbaarheid van die oeverwallen; • Natuurlijk karakter van de oever en vooral de onbeschoeide plekken; • De kastelen die direct aan de Kromme Rijn liggen: Beverweerd, Rhijnestein en de locatie van Scherpenburg; • Afwisselend karakter met haar oevers en stroomruggen door agrarisch gebruik,
begeleidende beplantingen, natuuroevers, nevengeulen, bosjes en kernen. Een deel van deze gebiedskwaliteiten hebben aspecten die behouden moeten worden. Deze te behouden kwaliteiten zijn beschreven op pagina 87 van de Omgevingsvisie. Deze zijn: • De zichtbaarheid van de kronkelige loop van de Kromme Rijn moet worden behouden; • De herkenbaarheid van de oude loop moet worden behouden; • De afleesbaarheid van de oorspronkelijke ligging van de dorpen aan de rivier moet worden behouden; • De raakpunten van de Kromme Rijn en de N229 moeten worden behouden; • Zichtbaarheid van de oeverwallen moet worden behouden; • Onbeschoeide plekken moeten worden behouden.
Pagina 16 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Het bestemmingsgebied van het plan breidt niet uit, waardoor de bestaande gebiedswaarden worden behouden. Kleine uitzondering hierop is dat de oprijlaan aan de westzijde van het plangebied binnen de woonbestemming wordt getrokken. Door het behoud wordt van de bestaande situatie de herkenbaarheid van de meanderbochten niet aangetast. Een egalisatie binnen het plangebied is niet van toepassing, omdat de toevoeging van de twee woningen in het bestaande bouwwerk plaatsvindt. Het plan levert geen belemmering op voor de raakpunten van de Kromme Rijn met de N229, omdat het plan niet in de nabijheid van die raakpunten ligt. Tot slot blijft het huidige (half)open zicht van het landschap in de toekomstige situatie behouden, omdat het planvoornemen het landschap niet verandert. Gezien bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen past binnen de uitgangspunten ui de Omgevingsvisie Kromme Rijn van de gemeente Bunnik. 3.3.2 Visie op wonen Bunnik 2017-2021 Het college van B&W heeft in 2016 de Visie op wonen Bunnik van 2017 tot 2021 vastgesteld. De gemeente heeft op basis van haar ambitie een aantal doelen geformuleerd.
Deze zijn: • Voor iedereen een geschikte woning, met extra aandacht voor de lage en middeninkomens, senioren en kwetsbare doelgroepen en overige doelgroepen zoals mensen met een hoog inkomen; • Nieuwbouwwoningen worden energieneutraal en gasloos gebouwd en de bestaande woningvoorraad wordt verduurzaamd; • Nieuwe ontwikkelingen in alle woningtypen en prijscategorieën zijn passend in de sfeer en het karakter van Bunnik. Om deze ambities te bereiken zet de gemeente in op kwantitatieve en kwalitatieve kaders voor het nieuwbouwprogramma: aantallen, woningtypen en prijscategorieën in huur en koop. Doorstroming is een van de instrumenten die de gemeente gebruikt om in de bestaande woningvoorraad woningen vrij te maken voor doelgroepen. De doorstroming is op inkomen gerelateerd, waarbij sociale huur naar middeldure huur gaat en goedkope koop. Ook is de doorstroming op levensfase gerelateerd, zoals senioren die van hun koop- of huurhuis naar zorgwoningen verhuizen. In regionaal verband wordt onderzocht hoe geborgd kan worden dat middeldure huurwoningen kwalitatief goed en betaalbaar zijn en ook beschikbaar blijven voor de doelgroep (lage) middeninkomens. Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats inpandig twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd.
Het planvoornemen voorziet in een beperkte toevoeging aan de bestaande woningvoorraad, omdat twee nieuwe woningen worden gerealiseerd. Gezien de omvang van de bebouwing en de ligging in het buitengebied kunnen het zowel woningen zijn voor starters, ouderen als doorstromers. Het plan levert daarmee een kleinschalige positieve bijdrage aan de krappe woningmarkt al dan niet door middel van doorstroming. Gezien bovenstaand kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen in lijn is met de Visie op wonen Bunnik 2017-2021. 3.3.3 Conclusie gemeentelijk beleid Het planvoornemen voldoet aan het gemeentelijk beleid op basis van de voorgaand beschreven argumentatie.
Pagina 17 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunning moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
4.1
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader In het Besluit-milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die direct m.e.r. plichtig zijn (de zogenaamde ‘C-lijst’) en activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde ‘D lijst’). In de D-lijst is voor iedere activiteit een drempelwaarde opgenomen. Wanneer deze drempelwaarde door een activiteit wordt overschreden geldt een m.e.r. beoordelingsplicht. Is een activiteit wel genoemd in de D-lijst, maar wordt de drempelwaarde niet overschreden? Dan dient er een vormvrije m.e.r.- beoordeling opgesteld te worden. Evenals bij een m.e.r. beoordeling dient er voor de vormvrije beoordeling getoetst te worden aan de criteria die genoemd zijn in Bijlage III van de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’ (2011/92/EU.) De vormvrije m.e.r. beoordeling dient om te bepalen of de kenmerken van het plan en de nadelige gevolgen voor het milieu niet alsnog noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapportage (MER), ondanks dat de activiteit onder de drempelwaarde van de D-lijst blijft. De vormvrije m.e.r. beoordeling wordt door een m.e.r. aanmeldnotitie aangeboden aan het bevoegd gezag, op basis waarvan ze een m.e.r. beoordelingsbesluit moet nemen. Dit m.e.r.
beoordelingsbesluit moet eerder genomen worden dan het besluit om het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te laten gaan. Planspecifiek Dit plan valt in categorie D11.2 “Stedelijk ontwikkelingsproject”. Het plan overschrijdt de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r niet (kolom C en D). Deze grenzen zijn in tabel 1 benoemd. Tabel 1: Onderdeel D van het Besluit m.e.er waar activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien van de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet op van toepassing is. D 11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Pagina 18 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Op basis van de niet aanwezige overschrijding is geen sprake van een vormvrije m.e.r. beoordeling. Voor voorliggend plan kan op basis van de in hoofdstuk 2 beschrijving van het plan en hoofdstuk 4 de milieutechnische uitvoerbaarheid voldoende inzicht gegeven worden in de milieugevolgen van het plan zoals bedoeld in de criteria van bijlage III van de m.e.r richtlijn. Ook moet geoordeeld worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Planspecifiek De ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 2.2 voorziet in het opheffen van de bedrijfsbestemming en in de toevoeging van twee woningen in de bestaande boerderij. In de nabije omgeving zijn geen relevante bedrijven aanwezig waar milieubelastende activiteiten plaatsvinden. Spuitzones In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bunnik’ wordt in artikel 3, lid 4.3 benoemd dat het aanplanten van fruitbomen vanwege de spuitzone niet is toegestaan binnen 30 meter van woningen.
In de huidige situatie ondervindt de activiteit ‘aanplanten van fruitbomen’ al hinder van de woonbestemming van het plangebied. Omdat de toekomstige woonbestemming binnen de grenzen blijft van de huidige woonbestemming zal de beperking voor omliggende agrarische percelen niet toenemen voor de aanplanting van fruitbomen. Het aspect ‘spuitzones’ vormt geen belemmering op voor het planvoornemen. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ levert ook geen belemmering op voor het planvoornemen.
4.3
Geluidhinder
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functie belast mogen worden. De Wgh geeft ook aan in welke situaties door onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudentie zijn aanvullende onderzoek verplichtingen gesteld. Planspecifiek De ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 2.2 voorziet in het opheffen van de bedrijfsbestemming en in de toevoeging van twee woningen in de bestaande boerderij. Het plangebied ligt binnen de verplichte onderzoekcontouren voor wegverkeerslawaai (Wgh, artikel 74), omdat het aan een weg ligt waar meer dan 30 km/h mag worden gereden. Vanwege de toevoeging van twee extra woningen in de boerderij is beoordeeld of aan de normen van verkeerslawaai voldaan kan worden. Zie hiervoor bijlage 3.
Pagina 19 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
De conclusie uit het onderzoek luidt: De geluidbelasting op de voorgevel van een planologisch om te zetten bedrijfswoning aan de Leemkolkweg 7 in Werkhoven bedraagt ten gevolge van het wegverkeer op deze weg maximaal Lden=48 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai, deze is 48 dB, niet overschreden. Het plan voldoet aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluidhinder’ geen belemmering oplevert voor het planvoornemen.
4.4
Ecologie
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. 4.4.1 Flora en fauna Voorgenomen planontwikkeling houdt het opheffen van een bedrijfsbestemming en de toevoeging van twee woningen in de bestaande boerderij in. Bij het transformeren van een locatie moet beoordeeld worden of er geen beschermde gebieden en of soorten benadeeld worden als gevolg van de planontwikkeling. Gezien de beoogde ontwikkeling een inpandige wijziging van de boerderij betreft wordt een ecologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Tevens worden geen bomen gekapt, bosschages verwijderd of sloten gedempt. Gezien de kleinschaligheid van deze wijzigingen is het niet aannemelijk dat eventuele aanwezige rust- en voortplantingsverblijfsplaatsen worden aangetast. Zoals bij de inleiding aangegeven is er nog geen keuze gemaakt of het achterste deel van de schuur voor de nieuwe woningen herbouwd gaat worden of dat het bij een inpandige verbouw blijft.
Als alsnog wordt besloten om sloop en nieuwbouw toe te passen dan wordt een onderzoek naar beschermde soorten overlegd aan het bevoegd gezag. 4.4.2 Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma-aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator.
Planspecifiek Voorliggend plan zoals beschreven in paragraaf 2.2 heft de bestaande bedrijfsbestemming aan de achterzijde van de boerderij op, waarvoor in de plaats twee nieuwe zelfstandige woningen worden gerealiseerd. Het plangebied ligt niet vlak naast of in een Natura 2000-gebied. Daarnaast ligt het plangebied op circa 8,2 kilometer vanaf het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. De Pagina 20 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
negatieve effecten op de Natura-2000 gebieden zijn nihil, omdat de woningen gasloos worden uitgevoerd. Daarnaast nemen de verkeersbewegingen af, zoals beschreven in paragraaf 4.10, waardoor de stikstofdepositie in de omgeving afneemt. Hierdoor is verder onderzoek niet nodig. Gezien bovenstaande alinea vormt het aspect ‘Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden’ geen belemmering voor voorliggend plan.
4.5
Bodem
Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Als sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Wanneer de functie van een planlocatie wijzigt naar gebruik dat hogere milieueisen aan de bodem stelt dan het bestaande gebruik zal onderzocht moeten worden of de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Vooral de verblijfsduur van mensen op een locatie is hierbij bepalend. Voorliggend plan wijzigt de bestemming van de locatie, waardoor bodemonderzoek noodzakelijk is. Dit bodemonderzoek is uitgevoerd, zie bijlage 4.
De conclusies zijn als volgt: Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De onderzochte, meest verdachte grondlagen ter plaatse van de werkplaats en de drie verdachte deellocaties zijn niet verontreinigd met de onderzochte (verdachte) parameters; • Het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuizen B1/P1, B2/P2, B3/P3) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters, met uitzondering van een licht verhoogde concentratie aan barium in het grondwater in peilbuis B1/P1, welke wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ verworpen te worden. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het onderzochte terreindeel geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming. Tevens is hiermee de eindsituatie in verband met de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten afdoende vastgelegd. Het aspect ‘Bodem’ vormt op basis van het bodemonderzoek geen belemmering voor dit plan.
4.6 4.6.1
Luchtkwaliteit Luchtkwaliteitseisen
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel weergegeven. Tabel 1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit
Stof Stikstofdioxide (NO2)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde
Grenswaarde 40 µg / m³
Advieswaarde (WHO) 10 µg / m³
200 µg / m³ Pagina 21 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2.5)
concentraties (overschrijding per jaar max. 18 keer) Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde concentraties (overschrijding per jaar max. 18 keer) Jaargemiddelde concentratie
40 µg / m³
15 µg / m³
50 µg / m³
25 µg / m³
5 µg / m³
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddeldegrenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m². Dit plan houdt de toevoeging van twee nieuwe zelfstandige woningen aan de achterzijde van de bestaande boerderij in. De gehele ontwikkeling blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Tabel 2: NSL-waardes NO2, PM2,5 en PM10 voor de jaren 2020 en 2030 ter plaatse van het plangebied.
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Waarde µg / m³ 2020 14,8 16,0 8,8
Waarde µg / m³ 2030 10,2 14,0 7,4
Grenswaarde µg / m³ 40 40 25
Advieswaarde (WHO) µg / m³ 10 15 5
Uit de waardes van de NSL-kaart blijken geen waardes te komen die maatregelen eisen. Zie tabel 2. Het aspect luchtkwaliteit vormt, op basis van de voorgaande conclusies, geen beperking voor het voorliggende plan. 4.6.2 NIBM-toetsing Voor de bijdrage van dit plan is gebruik gemaakt van de NIBM-tool, versie jaar 2022. Deze tool is bedoeld om op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet-in-betekende-mate (NIBM). Voor de twee nieuwe woning is uitgegaan van 16 voertuigbewegingen per dag.
Pagina 22 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2022
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
16
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 6: NIBM-toetsingsresultaat Voorliggend plan voldoet op basis van bovenstaande informatie aan de milieueisen voor de luchtkwaliteit. De bijdrage van het plan voor extra verkeer is niet in betekenende mate. Er is daarom geen nader onderzoek nodig.
4.7
Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en kampeerterreinen.
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Pagina 23 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het bouwen van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het bouwen van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Als een goede onderbouwing wordt gegeven dan kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de risicovolste bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting.
Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag over de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedssfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR).
Een onderdeel van het Bevt houdt in dat voor sommige transportassen rekening moet worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG.). Het PAG. is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening moet worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risico verhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hoge druk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Pagina 24 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s aanwezig zijn voor het planvoornemen is de risicokaart van de provincie geraadpleegd. Er zijn geen relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied in de categorie weg, water, spoor of inrichtingen. Zie afbeelding 7 voor een overzicht. Het aspect ‘Externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Afbeelding 8: Externe veiligheidsrisico’s liggen op meer dan 2 kilometer of (in specifieke gevallen) op meer dan 4 kilometer van het plangebied. Bron: AtlasLeefomgeving.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag over de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Het melden dient meteen te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Planspecifiek Archeologie Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer in de ondergrond archeologische waarden verwacht worden en de planontwikkeling aantasting van deze waarden in zal houden. Zoals benoemd in paragraaf 3.1.4 en in paragraaf 3.2.2 valt dit plan in een archeologische waardevolle zone vanwege de Romeinse Limes. Op basis van het vigerende bestemmingsplan mag niet worden gebouwd op de grond van de beoogde ontwikkeling die aangewezen is als Waarde – Archeologie – 3. Het planvoornemen gaat uit van twee nieuwe woningen in de bestaande boerderij.
De ondergrond zal daardoor niet dieper geroerd worden dan in de bestaande situatie reeds gebeurd is. Hierdoor wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in de artikel 23.2 lid 1 sub a tot en met d van het vigerende bestemmingsplan. Een archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. Daarnaast is in voorliggend plan de dubbelbestemming waarde archeologie opgenomen. Wanneer voor de verbouw toch dieper
Pagina 25 Toelichting Leemkolkweg 7 te Werkhoven
gegraven zal worden dan vooralsnog beoogd. Dan zal bij de toekomstig in te dienen omgevingsvergunning voor het bouwen alsnog een archeologisch onderzoek aangeleverd moeten worden. Het aspect ‘Archeologie’ is daarmee afdoende geborgd in voorliggend plan. Cultuurhistorie Het perceel en de daarop bestaande bebouwing zijn niet aangewezen als gemeentelijkmonument, als rijksmonument of als mip pand op basis van bijlage 3 van het vigerende bestemmingsplan. Hierdoor kan een beoordeling door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed of door de gemeente achterwege blijven. Het aspect ‘Cultuurhistorie’ vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
4.9
Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt over water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 geadviseerd over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 ste eeuw worden twee keuzes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •