CConstaterende datBunnik
Koppel je AI →
Document · PDF

24-071 Bijlage 4.6. Evaluatierapport proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering 19 december 2024, gemeente BunnikBij agendapunt: Bestemmingsplan Kersenweide21.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Evaluatierapport Odijk, Kersenweide, proefsleuvenonderzoek

Projectnummer:

A-21.0146

Onderzoeksmeldingsnummer: Auteur (en actor): Datum: Controle senior KNA-archeoloog:

5076557100

Datum en paraaf:

9-3-2022

9-3-2022

2

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding voor het onderzoek ........................................................................................................... 5

1.2

Ligging onderzoeksgebied ................................................................................................................... 5

1.3

Eerdere onderzoeken ............................................................................................................................... 6

1.4

Administratieve gegevens .................................................................................................................... 7

1.4

Doel van het onderzoek en vraagstelling van het PvE ....................................................................... 8

1.4.1

Doelstelling ....................................................................................................................................... 8

1.4.2

Relatie met NOaA en / of andere onderzoekskaders ..................................................................... 8

1.4.3

Onderzoeksvragen ........................................................................................................................... 9

1.5 2

Geschiedenis van het onderzoek en werkwijze ................................................................................ 10 Voorlopige resultaten veldwerk............................................................................................................. 13

2.1

Inleiding ................................................................................................................................................... 13

2.2

Landschap ................................................................................................................................................ 14

2.3

Sporen en structuren .......................................................................................................................... 17

2.3.1 Nederzettingen in de midden-bronstijd ............................................................................................. 18 2.3.2 Graven en infrastructuur in de Romeinse tijd .................................................................................... 30 2.3.3 Ontginning vanaf de late middeleeuwen .......................................................................................... 36 2.4

Vondsten en monsters ........................................................................................................................ 45

2.4.1

Prehistorisch aardewerk ................................................................................................................. 46

2.4.2

Romeins aardewerk ........................................................................................................................ 48

2.4.3

Laatmiddeleeuws en nieuwetijds aardewerk ............................................................................... 48

2.4.4

Metaal ............................................................................................................................................. 49

2.4.5

Glas .................................................................................................................................................. 50

2.4.6

Natuursteen .................................................................................................................................... 50

2.4.7

Dierlijk bot ...................................................................................................................................... 52

2.4.8

Menselijk bot .................................................................................................................................. 52

2.4.9

Archeobotanische resten ............................................................................................................... 53

2.5

Waardering van de vindplaatsen ....................................................................................................... 55

2.5.1 Toelichting ............................................................................................................................................ 55 2.5.2 Vindplaatsen uit de midden-bronstijd (vindplaats 1, 2, 3 en 12)....................................................... 58 2.4.3 Vindplaatsen uit de Romeinse tijd (vindplaats 4 en 5) ....................................................................... 60 2.5.4 Vindplaatsen uit de late middeleeuwen............................................................................................. 63 2.6 2.6.1

Nederzettingen in de midden-bronstijd ....................................................................................... 66

2.6.2

Graven en infrastructuur in de Romeinse tijd............................................................................... 66

2.6.3

Vindplaatsen uit de late middeleeuwen ....................................................................................... 67

3

Uitwerking en selectie ............................................................................................................................ 68 3.1

3

Recapitulatie van de aanbeveling...................................................................................................... 66

Landschap ........................................................................................................................................... 68

4

3.2

Sporen en structuren .......................................................................................................................... 68

3.3

Vondsten en vondstspreiding ............................................................................................................ 68

3.4

Monsters .............................................................................................................................................. 70

3.5

Conservatie/restauratie ...................................................................................................................... 71 Literatuur................................................................................................................................................. 72

Bijlagen ................................................................................................................................................................. 74

4

1

Inleiding

1.1

Aanleiding voor het onderzoek

BAAC heeft tussen 7 juni en 18 juni en tussen 4 oktober en 15 december 2021 in opdracht van gemeente Bunnik een verkennend en karterend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied Odijk Kersenweide (deelgebied 2, 3 en 4). Tijdens het onderzoek zijn in een gebied van 54 ha 126 proefsleuven met een totale oppervlakte van 36.719 m2 onderzocht. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van een nieuwe woonwijk aan de westzijde van Odijk. Het project waarbij circa 1200 woningen worden gebouwd, bevindt zich nog in de ontwerp- en planfase. De aanwezigheid van behoudenswaardige vindplaatsen wordt meegenomen in het ontwerp van de nieuwbouwwijk. Het onderzoek heeft geresulteerd in de lokalisering van 12 vindplaatsen (afb. 2.1). Drie thematisch te benaderen perioden kenmerken daarbij de resten binnen het onderzoeksgebied: 1. nederzettingen in de midden-bronstijd, 2. graven en infrastructuur in de Romeinse tijd en 3. de ontginning vanaf de late middeleeuwen. Zoals blijkt uit de verdere voorlopige uitwerking beslaan de behoudenswaardige vindplaatsen slechts circa 10% van het totale oppervlak van het 54 ha grote onderzoeksgebied. Het merendeel (circa 90%) is niet behoudenswaardig gebleken en kan op basis van het waarderend onderzoek direct vrijgegeven worden voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied.

1.2

Ligging onderzoeksgebied

Het onderzoeksgebied ligt ten westen van de bebouwde kom van Odijk, in de gemeente Bunnik (afb. 1.1). Het terrein wordt aan de noordwestzijde begrensd door het bosperceel Raaphof. In het zuidwesten vormt het Raaphofsepad de grens van het onderzoeksgebied. Dit historische pad loopt echter niet meer helemaal door naar het noordwesten, maar het tracé ervan is wel als grens aangehouden tot aan het onverharde pad dat vanaf boerderij De Witboom ( ) aan Achterdijk 31 richting de hoek van het bosperceel Raaphof loopt. In het zuiden is een deel ten zuidwesten van het Raaphofsepad bij het onderzoeksgebied betrokken en vormt een bosschage langs een sloot de grens. In het zuidwesten is het onderzoek begrensd door de nieuwbouwwijk ‘Het Burgje’, waarbij een deel van de Vlowijkerwetering de feitelijke grens vormt. Deze Vlowijkerwetering doorkruist overigens de rest van het onderzoeksgebied in noordnoordwestelijke richting. De oostelijke begrenzing van het onderzoeksgebied is gebaseerd op de arbitraire grens met deelgebied 1 in het oosten langs Schoudermantel. Deze grens valt deels samen met perceelsgrenzen, maar loopt voor een groot deel ook dwars over de bestaande akkerpercelen. Het onderzoeksgebied is in gebruik als akker en weidegrond. Zoals gezegd doorkruist de Vlowijkerweteing het westelijk deel van het gebied. Secundaire greppels en sloten wateren hier haaks op af.

Vanaf de kersenboomgaard van Schoudermantel 64 loopt vanuit het westen een onverhard pad richting de knik in de Vlowijkerwetering midden in het onderzoeksgebied. Ten noorden langs dit pad bevindt zich een diepere afwateringssloot. In het noorden bevindt zich het tracé van een hoogspanningsleiding, waarvan één van de masten binnen het onderzoeksgebied gelegen is. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 75 ha. De oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt circa 54 ha.

5

Afb. 1.1 De ligging van het onderzoeksgebied op de topografische kaart van Nederland.

1.3

Eerdere onderzoeken

Het uitgevoerde onderzoek is het vervolg op diverse onderzoeken die tussen 2009 en 2020 hebben plaatsgevonden, zowel met betrekking tot de huidige deelgebieden als tot de aangrenzende terreinen. Bovendien bevinden zich ten noordoosten en oosten van het onderzoeksgebied twee AMK-terreinen van zeer hoge archeologische waarde. Deze terreinen vallen grotendeels samen met deelgebied 1 waar Archol in het najaar van 2021 een proefsleuvenonderzoek heeft uitgevoerd en waarvoor de verwachting enigszins is bijgesteld.1 Van AMK-terrein 2219, Schoudermantel, is de begrenzing gebaseerd op een veldverkenning uit het begin van de jaren ’80. Er werden resten verwacht uit de ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Ten oosten van het onderzoeksgebied bevindt zich AMK-terrein 2217, Schoudermantel/Vinkenburgerweg, waar bij een veldkartering aardewerk uit de Romeinse tijd en late middeleeuwen is aangetroffen. 1

6

Goossens in prep.

Vestigia heeft in 2009 een bureauonderzoek uitgevoerd en in 2010 een inventariserend booronderzoek op de ‘Peek- en Westerengterreinen’ om een Romeinse weg op te sporen.2 Deze is niet aangetroffen. In 2015 heeft RAAP een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd om het landschap in kaart te brengen en wederom de Romeinse weg op te sporen.3 De weg is niet aangetoond, wel is vastgesteld dat de noordelijke en zuidelijke begrenzing van AMK-terrein 2219 vrij arbitrair is vanwege een hoge vondstdichtheid in die zones. De Steekproef heeft in 2017 eveneens een bureau- en verkennend booronderzoek gedaan in het centraal deel van het huidige plangebied.4 Ook hierbij zijn geen aanwijzingen voor de Romeinse weg aangetroffen. Wel zijn in het oosten mogelijk scherven Romeins aardewerk opgeboord. Het Raaphofsepad lijkt op oeverafzettingen te liggen. Volgend op een proefsleuvenonderzoek heeft ADC direct grenzend aan het huidige onderzoek ter plaatse van de inmiddels grotendeels ontwikkelde woonwijk ‘Het Burgje’ een Romeins grafveld en de resten van de hofstede Vinkenburg opgegraven.5 ADC heeft in 2020 een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd in alle gebiedsdelen van het plangebied van 135 ha waar eerder nog geen onderzoek had plaatsgevonden.

Tijdens het onderhavige onderzoek was alleen een adviesdocument met de voorlopige onderzoeksresultaten beschikbaar.6 Uit de onderzoeken is naar voren gekomen dat binnen het plangebied, gelegen in het Utrechts-Gelders rivierengebied, een dynamisch en complex landschap aanwezig is. In de ondergrond zijn drie oude riviersystemen aanwezig: de Werkhoven stroomgordel (5660-3700 BP), de Houten stroomgordel (3795-2590 BP) en de Kromme Rijn stroomgordel (2500-828 BP).

1.4

Administratieve gegevens

Locatiegegevens provincie

Utrecht

gemeente

Bunnik

plaats

Odijk

toponiem

Kersenweide (deelgebied 2, 3 en 4)

RD-coördinaten

X1: 142.713; Y1: 451.253 X2: 143.506; Y2: 450.929 X3: 143.789; Y3: 451.339 X4: 143.606; Y4: 451.870

kaartblad

32C

kadastrale gegevens oppervlakte plangebied7

750.000 m2

oppervlakte onderzoeksgebied

542.000 m2

Projectgegevens projectnummer

A-21.0146

projectnaam

Kersenweide Odijk

type onderzoek

proefsleuvenonderzoek

Archis-zaakidentificatienr.

5076557100

opdrachtgever

Gemeente Bunnik Contactpersoon:

adviseur namens opdrachtgever

2

-

Eimermann, Hessing & Brugman 2009; Louwe & Quak 2010. Coppens & Sprangers 2015. 4 Exaltus 2017. 5 Van der Feijst 2017; Van der Feijst & Loopik 2020. 6 Jansen 2020. 7 Dit betreft het plangebied waarvan de contouren in september 2021 door de opdrachtgever zijn verstrekt. 3

7

projectleider BAAC bevoegde overheid

Omgevingsdienst regio Utrecht contactpersoon:

adviseur namens bevoegde overheid datum opdracht

17 mei 2021

datum veldwerk

7 juni – 18 juni 2021 4 oktober – 15 december 2021

datum rapport versie 1.1 datum goedkeuring rapport datum rapport versie 2 beheer en plaats van vondsten en

Provinciaal Archeologisch Depot Utrecht

documentatie

contactpersoon:

Vindplaatsgegevens Vindplaats

Periode

1

BRONSM

Complextype nederzetting

2

BRONSM

nederzetting

3

BRONS

onbekend

4

ROM

grafveld

5

ROM

infrastructuur

6

MELB

nederzetting

7

MELB

nederzetting/off-site

8

MELB

infrastructuur/off-site

9

MELB

infrastructuur/off-site

10

MELB

infrastructuur

11

MELB-NTL

Infrastructuur, agrarische productie en voedselvoorziening

12

BRONS?

nederzetting

1.4

Doel van het onderzoek en vraagstelling van het PvE

1.4.1

Doelstelling

Voor het uitgevoerde onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld waarin de volgende doelstelling is geformuleerd:8 Uit de beschikbare archeologische gegevens voor het plangebied is gebleken dat sprake is van een dynamisch en complex landschap. Het doel van het verkennende proefsleuvenonderzoek is om het oude landschap nader in kaart te brengen: de bodemopbouw in kaart te brengen, te bepalen in hoeverre de bodem intact is, en vast te stellen welke zones in het verleden geschikt waren voor bewoning en gebruik door de mens. Het doel van het karterende en waarderende proefsleuvenonderzoek is om vast te stellen welke archeologische vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn en in hoeverre deze behoudenswaardig zijn (conform de waarderingssystematiek van de KNA). Bij het karterende en waarderende onderzoek wordt informatie verzameld over de (diepte)ligging, begrenzing, omvang, datering en fasering, aard en fysieke en inhoudelijke kwaliteit.

1.4.2

Relatie met NOaA en / of andere onderzoekskaders

Voor dit onderzoek wordt geen aansluiting gezocht bij de de NOaA en/of andere onderzoekskaders. Doel van het sleuvenonderzoek is uitsluitend om het landschap en de aanwezige archeologische vindplaatsen in

8

8

Bruning 2021, 13-15.

kaart te brengen en te waarderen. Bij het formuleren van onderzoeksdoelen voor een eventueel vervolgonderzoek zal wel een relatie worden gelegd met de NOaA en/of andere onderzoekskaders.

1.4.3

Onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen staan in het PvE als volgt gedefinieerd: De hoofdvragen van dit onderzoek zijn hoe het landschap er in het verleden uit heeft gezien en welke delen daarvan geschikt waren voor menselijke bewoning en gebruik, welke vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn, en wat de behoudenswaardigheid is van deze vindplaatsen. Onderzoeksvragen verkennend proefsleuvenonderzoek: 1. Hoe ziet de bodem eruit in het plangebied (geologisch, geomorfologisch en bodemkundig)? Komt de bodemopbouw overeen met wat op basis van het vooronderzoek werd verwacht? 2. Is de bodemopbouw intact? Zo nee, tot hoe diep is de bodem verstoord? Kan er een verklaring worden gegeven voor de verstoringen? 3. Zijn potentiële archeologische niveaus in de vorm van cultuurlagen, ontkalkte oeverafzettingen, enz. aanwezig, en zo ja, wat is daarvan de aard, dikte en (diepte)ligging? 4. Hoe heeft het landschap eruit gezien? Wat is de ligging van de (rest)geulen in het plangebied? Onderzoeksvragen karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek: 5. Welke archeologische structuren en/of sporen zijn aanwezig, en wat is hiervan de (diepte)ligging, omvang, aard, ouderdom, fasering, conservering en gaafheid? 6. Welke vondstcategorieën zijn aanwezig? Wat is de (te verwachten) vondstdichtheid en de vondstspreiding? Wat is de datering en conservering? Wat is de informatiewaarde van het vondstmateriaal? 7.

Is sprake van één of meerdere nederzettingsterreinen? Zo ja, welke uitspraken kunnen worden gedaan over de begrenzingen en de datering? 8. Is sprake van activiteitenzones (incl. afvalzones) en infrastructuur? Zo ja, welke uitspraken kunnen worden gedaan over de begrenzingen en de datering? 9. Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de aanwezigheid van een Romeinse weg in het plangebied en eventuele daaraan gerelateerde fenomenen als begravingen? Indien een Romeinse weg aanwezig is, beschrijf deze. 10. Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de begrenzing van de zone met AMK-terreinen en vondstconcentraties langs de N229? Welke rol spelen de aangetroffen (rest)geulen daarin? 11. Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de begrenzingen van AMK-terreinen 2217 en 2219? 12. Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de aanwezigheid, (diepte)ligging en begrenzing van het grafveld uit de Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen in de zone ten noorden van het opgegraven areaal op Het Burgje? 13. Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de aanwezigheid, (diepte)ligging en begrenzing van de hofstede Vinkenburg inclusief grachtensysteem in de zone ten noorden van het opgegraven areaal op Het Burgje? 14.

Welke vindplaatsen zijn aanwezig en wat is hiervan de (diepte)ligging, omvang, aard, ouderdom, fasering, conservering en gaafheid? Zijn de begrenzingen van de vindplaats(en) voldoende vastgesteld? 15. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen vindplaatsen? 16. Is sprake van behoudenswaardige vindplaats(en)? (Bij beantwoording van deze vraag wordt gebruikt gemaakt van de waarderingssystematiek zoals vastgelegd in de KNA. De puntenwaardering wordt in de rapportage per thema onderbouwd.) 17. Worden de aangetroffen vindplaatsen bedreigd door de voorgenomen ontwikkelingen? 18. Moet(en) de vindplaats(en) in situ of ex situ behouden worden? Wat is hiervoor de motivering? Indien in situ behoud wordt geadviseerd: welke maatregelen moeten worden genomen om het behoud in situ mogelijk te maken? 19. Is vervolgonderzoek noodzakelijk, en zo ja, en welke vorm en voor welke delen van het plangebied / vindplaats(en)?

9

1.5

Geschiedenis van het onderzoek en werkwijze

Algemeen BAAC heeft tussen 7 juni en 18 juni en tussen 4 oktober en 15 december 2021 een combinatie van verkennend en karterend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn 126 proefsleuven met een totale oppervlakte van 36.719 m2 onderzocht (afb. 1.2). Tijdens het startoverleg met de opdrachtgever en bevoegde overheid (d.d. 2 juni 2021) werd duidelijk dat een groot deel van het onderzoeksgebied niet toegankelijk was. Op de meeste percelen stond maïs of was deze net ingezaaid. Om te voorkomen dat het onderzoek stil zou komen te vallen, is het onderzoeksgebied verder uitgebreid naar het westen tot aan het Raaphofepad. Het PvE is daartoe aangepast (d.d. 11 juni 2021) en het puttenplan uitgebreid. Ondanks deze uitbreiding was de werkvoorraad slechts voldoende om tot 18 juni te kunnen graven. Omdat er nog geen financiële overeenstemming was bereikt met de eigenaar van beschikbare graslanden kon niet meer verder gegraven worden. Alleen de werkputten 1 tot en met 25 zijn in juni aangelegd. Op het moment dat in het najaar de boeren begonnen met het oogsten van de maïs en tevens de financiële afspraken gemaakt waren, kon het onderzoek hervat worden. In de loop van de maanden oktober en november kwamen de percelen gefaseerd ter beschikking van het onderzoek en zijn de werkputten 26 tot en met 126 aangelegd.

Vooral in de eerste weken van oktober heeft het onderzoek veel last gehad van regen: sleuven liepen snel onder water en het terrein werd steeds slechter toegankelijk. Omdat grote delen van het gebied een slechte afwatering hebben en regenwater nog lang aan het oppervlak bleef liggen, vergde de aanleg van sleuven vaak extra voorwerk. Ook het achteraf dichtgooien verdichten van sleuven vol water heeft voor extra kraanuren gezorgd. Vanaf halverwege de tweede week van oktober tot halverwege de tweede week van december zijn dan ook continu twee kranen ingezet op het voorwerk (terrein ontdoen van water), de aanleg, het dichtdraaien, verdichten van de sleuven en waar nodig herstel van het terrein.

Het veldwerkteam De samenstelling van het veldwerkteam was gedurende beide fasen van het onderzoek zoveel mogelijk gelijk gehouden. In de herfstmaanden waren wel enkele aanvullende krachten aanwezig en op het laatst een vervanging. BAAC wilde hiermee binnen het grootschalige en complexe onderzoek de continuïteit van kennis en routine bij de aanleg en documentatie van de proefsleuven waarborgen. De projectleider (senior KNA-archeoloog) was voltijds in het veld aanwezig. coördineerde en controleerde het geografisch onderzoek, grotendeels uit gevoerd door KNA-archeoloog Het datamanagement (vlaktekeningen, database) werd gedaan door veldarcheoloog Veldarcheoloog die ruime ervaring heeft met de metaaldetectie, heeft voor de meeste proefsleuven de bovengrond en vlakken afgespeurd op metaalvondsten. Verder werden diverse werkzaamheden, zoals de aanleg van vlakken, tekenen en couperen, afgewisseld binnen het veldwerkteam. Tijdens de herfstmaanden werd het vaste team versterkt door veldarcheoloog die als nieuwe BAAC-medewerker binnen het project werd ingewerkt. Verder heeft Saxion-student gedurende een aantal weken stage gelopen. Ten slotte is de laatste anderhalve week vervangen door veldarcheoloog Er zijn vier kraanmachinisten werkzaam geweest. In juni zat (firma Overvest) op de kraan.

In de eerste graafweek van oktober is ingehuurd (firma van Impelen), maar deze werd vanaf de tweede week vervangen door (firma van Impelen) die tot het einde is gebleven. Eveneens vanaf de tweede graafweek is er een tweede kraan bijgekomen voor het dichten en voordraaien. Deze werd bemand door nd (firma Verstegen). Tijdens het veldwerk zijn naast de fysisch geograaf en archeobotanici (

10

ook aardewerkspecialisten ( benaderd

voor advies over de datering van het aardewerk en de potentie van monsters voor eventueel 14Conderzoek. De contactpersoon van de opdrachtgever (gemeente Bunnik) was waarbij de directe contacten verliepen via Namens de bevoegde overheid (Omgevingsdienst regio Utrecht) was de contactpersoon. Namens BAAC trad op als projectvoorbereider en projectbegeleider.

Overlegmomenten Er heeft bij gemeente Bunnik een startoverleg plaatsgevonden (d.d. 2 juni 2021) tussen opdrachtgever, bevoegde overheid en BAAC. Een overleg over de doorstart heeft via Teams met dezelfde betrokkenen plaatsgevonden (d.d. 8 september 2021). Gedurende het veldwerk heeft er wekelijks een voorgangsoverleg plaatsgevonden, zowel op locatie als telefonisch als per email. Wekelijks zijn de dag- en weekrapporten aan de opdrachtgever en bevoegde overheid overgedragen om de voortgang en resultaten in te kunnen zien.

De uitvoering van het veldwerk Het veldwerk heeft plaatsgevonden volgens het PvE waarbij een onderscheid is gemaakt tussen verkennende en karterende proefsleuven: de verkennende sleuven voor het algemene, landschappelijke beeld, de karterende voor de waardering en begrenzing van vindplaatsen. De verkennende sleuven hebben een standaard afmeting van 50 bij 4 m en liggen achter elkaar met een tussenliggende afstand van 50 m. Over het terrein zijn zo raaien van verkennende sleuven gepland met een onderlinge afstand van gemiddeld 45 m (afb. 1.2). Bij de tijdens het vooronderzoek reeds vastgestelde vindplaatsen (in de deelgebieden 2) waren direct al karterende sleuven gepland om deze te kunnen begrenzen en waarderen. Het puttenplan in het PvE voorzag hier al in een verdichting of verlenging van sleuven, waarbij ook haaks erop sleuven dienden te worden aangelegd. In het deelgebied met de lagere verwachting (deelgebied 4) kon op basis van de verkennende sleuven overgegaan worden op karterende sleuven. In deelgebied 3 werd de noordelijke begrenzing van het Romeinse grafveld verwacht. Omdat behoud in situ het uitgangspunt vormt, diende het grafveld alleen begrensd te worden. Bij het benaderen van het deelgebied van noord naar zuid (en van west naar oost) zou gestopt moeten worden met de verdere aanleg van de sleuven in dit deelgebied. In grote lijnen is deze strategie gevolgd.

Maar omdat de verkennende sleuven op regelmatige, en landschappelijk willekeurige, afstand waren gepland, werden vaak hogere, kansrijke ruggen in het landschap net gemist. De kans dat vindplaatsen onontdekt zouden blijven was daardoor serieus aanwezig. In overleg met de bevoegde overheid is daarom besloten dat sleuven naar eigen inzicht verlengd konden worden. Tevens is een aantal doorlopende raaien aangelegd om door het noorden, midden en zuiden een doorsnede door het hele gebied tot stand te brengen. Deze doorlopende sleuven waren tevens een handvat voor de aangrenzende gebieden in de bepaling waar het beste sleuven konden worden aangelegd. Er zijn 126 sleuven aangelegd met een totale oppervlakte hiervan is 36.719 m2. Met een onderzoeksgebied van circa 54 ha, komt dit neer op een algemene dekkingsgraad van 6,8 %. In sommige delen zijn de sleuven wat meer verdicht dan in andere delen van het terrein. Over het algemeen is maar één opgravingsvlak aangelegd. In enkele sleuven is een hoger vlak (vlak 0) of een dieper vlak (vlak 2) aangelegd. Vaak is dat alleen in een beperkt deel van een sleuf gedaan. Bij een groot deel van de sleuven is eerst de teelaarde verwijderd. De stort en de sleuf werden vervolgens met de metaaldetector nagelopen (evenals daarna het diepere sporenvlak). Eventuele metaalvondsten zijn met de GPS als puntvondst ingemeten.

Overige vondsten zijn als vakvondst (4 bij 5 m) ingemeten. Bij de aanleg van de vlakken is rekening gehouden met de landschappelijke opbouw van de bodem. In grote delen van het terrein was een laklaag aanwezig. Het vlak is hier meestal net onder aangelegd. Soms is ook wel wat dieper gegraven als er toch geen sporen aanwezig waren. Sporenvlakken bevonden zich van net

11

onder de bouwvoor tot circa 40-70 cm onder het maaiveld. De vlakken zijn gefotografeerd en ingemeten met een GPS. In batches van tien werkputten zijn vervolgens de tekeningen verwerkt in QGis. Sporen zijn selectief gecoupeerd en bemonsterd. Coupes zijn digitaal getekend. Een grafkuil is volledig afgewerkt en de inhoud volledig verzameld. Over het algemeen zijn per sleuf van 50 m twee kijkgaten/profielen aangelegd, meestal aan het begin of eind maar ook op landschappelijk informatieve locaties. Ook bij de lange doorlopende sleuven werd deze strategie gevolgd. In totaal zijn 267 profielkolommen en/of doorlopende profielen gedocumenteerd. Naast macrorestenmonsters uit sporen zijn ook verschillende geulen bemonsterd. Op vier locaties zijn pollenbakken geslagen in geulen voor landschappelijk en daterend onderzoek.

Afb. 1.2 Aangelegde proefsleuven.

12

2

Voorlopige resultaten veldwerk

2.1

Inleiding

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn 12 vindplaatsen vastgesteld (afb. 2.1). Zoals gezegd in de inleiding kenmerken drie thematisch te benaderen perioden daarbij de resten binnen het onderzoeksgebied: 1. nederzettingen in de midden-bronstijd, 2. graven en infrastructuur in de Romeinse tijd en 3. de ontginning vanaf de late middeleeuwen. Na de bespreking van de voorlopige resultaten van het landschappelijk onderzoek worden opgravingsresultaten aan deze vindplaatsen en perioden besproken. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een waardering van de vindplaatsen. Deze waardering loopt in dit evaluatierapport vooruit op de definitieve uitwerking, waardoor een nuancering of verfijning van de waardering van de vindplaatsen in het eindrapport nog mogelijk is.

Afb .2.1 Ligging van de vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied.

13

2.2

Landschap

L.A. Tebbens Het fysisch-geografisch veldwerk is uitgevoerd conform PvE, waarbij senior fysisch-geografisch specialist en KNA-archeoloog samen de profielen hebben gedocumenteerd. Tijdens het veldwerk kon worden vastgesteld dat het merendeel van de proefsleuven op de Houtense stroomgordel (voorloper van de Kromme Rijn) ligt en qua ondergrond overeenstemt met de resultaten uit het booronderzoek. Een groot deel van het plangebied is te beschouwen als een fossiele kronkelwaard (afb. 2.2) uit vermoedelijk de vroege bronstijd, die is afgedekt met oeverafzettingen en een jonger komkleipakket. In het oosten van het plangebied kan echter langs de daar aanwezige restgeul (onderzocht door Archol) een jongere oeverwal uit de midden- of late ijzertijd aanwezig zijn. Afzettingen van de Werkhovense stroomgordel liggen buiten het plangebied en zijn tijdens het veldwerk ook niet gezien.

Afb. 2.2 Typerend golvend kronkelwaardreliëf met beter ontwaterde oranjebruine kronkelwaardruggen en slechter ontwaterde, blauwgrijze kronkelwaardgeulvullingen, afgedekt door een nivellerend komkleipakket ter hoogte van werkput 14.

In het gebied komen op betrekkelijk geringe diepte (meestal binnen 1,5 a 2 m -mv) matig fijne tot matig grove kalkrijke beddingafzettingen (Zs1, Zs2) voor, die zijn afgedekt met een dik pakket kalkrijke oeverafzettingen (Ks3, Ks4), en daarboven een kalkloos komkleipakket (Ks2). In slechts enkele putten is zeer grof tot uiterst grof en zelfs grindig beddingzand gezien (bv. werkput 14). De overgang van de beddingafzettingen naar het oeverpakket is meestal geleidelijk, waarbij lagen sterk tot uiterst siltig, zeer fijn en uiterst fijn zand nog aanwezig kunnen zijn. Ter plaatse van de kronkelwaardruggen ligt het beddingzand vanzelfsprekend duidelijk hoger dan in de kronkelwaardgeulen (afb. 2.2). De vulling van kronkelwaardgeulen kon in plaats van de sterk tot uiterst siltige klei (Ks3, Ks4: oeverafzettingen) op de kronkelwaardruggen meestal omschreven worden als een zwak tot matig siltige, kalkrijke klei (Ks1, Ks2) die soms plantenresten bevatte of gyttja-achtig ontwikkeld was aan de basis van de kronkelwaardgeul of restgeul. Op het Actueel Hoogtebestand zijn de restgeulen die behoren tot deze stroomgordelgeneratie ook nog vaag te herkennen als bochtige laagten (afb. 2.3) en kunnen ook afsnijdingsrelaties worden herkend. Met het AHN kunnen we dus ook de relatieve ouderdommen bepalen.

Op dit moment zijn de dateringen van de restgeulen nog niet bekend, mede omdat de hoeveelheid vondstmateriaal in de restgeulen relatief gering was. Voor de restgeul bij vindplaats 1 (werkput 36) weten we dat die ouder moet zijn dan de midden-bronstijd, omdat het vondstmateriaal daar in de top van de geulvulling zit. Die geul moet dus al eerder zijn opgevuld en eerder actief zijn geweest.

14

Afb. 2.3 AHN-beeld van het plangebied met de werkputten.

Gezien het voorkomen van vindplaatsen uit de midden-bronstijd in het gebied, mogen we op dit moment tevens aannemen dat tenminste het deel van de stroomgordel centraal in het plangebied ouder moet zijn dan de midden-bronstijd. Daarmee in overeenstemming is ook het voorkomen van een meestal goed ontwikkelde laklaag en een ontkalkt profiel in de top van de oeverafzettingen (in de profielen onderscheiden als laag x.820, x.821, x.822 of x.825). De laklaag was het beste ontwikkeld als een zwak tot matig humeuze, kalkloze Ahb-horizont in de kronkelwaardgeulen en op de flanken van kronkelwaardgeulen. Het vondstmateriaal van de prehistorische vindplaatsen is meestal als aanlegvondsten in die horizonten gevonden en de sporenclusters liggen opmerkelijk genoeg ook meestal dichtbij de restgeulen. Dat lijkt erop te wijzen dat de aanwezigheid van watervoerende geulen van belang was bij de locatiekeuze van de nederzettingen. Bijvoorbeeld in werkput 36 kon worden vastgesteld dat de vondstlaag met aardewerk, botresten, houtskool en gebroken natuursteen uit de midden-bronstijd ‘meezakte’ met de laklaag de kronkelwaardgeul in (afb. 2.4). In restgeulen ligt het vondstmateriaal soms ook in een dieper liggend en schoner kleipakket (zoals de botresten van een gewei in werkput 13).

15

Afb. 2.4 De zakkende laklaag met vondstmateriaal op de oevergang van een kronkelwaardrug naar de kronkelwaardgeul bij vindplaats 1 (werkput 36). Merk ook op dat de laklaag sterk vervaagt op de kronkelwaardrug.

Op de kronkelwaardruggen was de laklaag hooguit zwak humeus en soms alleen nog te herkennen als (het restant van) een kalkloze laag, en dan direct onder de bouwvoor. Boven de laklaag in de top van het oeverdek op de Houtense stroomgordel ligt in het hele gebied een tot circa 40 cm dik pakket ontkalkte matig siltige klei (lagen x.810-x.815) met in de top daarvan de recente en sterk humeuze bouwvoor. Dat kleipakket wordt op dit moment geïnterpreteerd als komklei die is afgezet vanuit de Romeinse en middeleeuwse loop van de Kromme Rijn ten oosten van het plangebied. De activiteit van het systeem zal na het uitgroeien van de Waal als volwaardige stroomgordel en belangrijkste afvoertak van de Rijn tussen 200 en 600 na Chr. al aanzienlijk zijn afgenomen. Bovendien zal de Kromme Rijn na de bovenstroomse afdamming in 1122 bij Wijk bij Duurstede nauwelijks meer sediment hebben afgezet, behalve bij extreme hoogwaters van de Rijn. Die zijn bijvoorbeeld bekend uit de 14 e eeuw (1342 en 1374) en de 18e eeuw (1741, 1747). Het komkleipakket heeft bijgedragen aan de relatief goede preservering van de sporen en vondstlagen, omdat die niet meer zijn aangeploegd of verstoord in jongere perioden. We kunnen dus spreken van een afgedekt en goed bewaard gebleven fossiel landschap uit de late prehistorie, dat al in de vroege bronstijd of eerder kan zijn ontstaan.

De uitloper van het Romeins en vroegmiddeleeuwse grafveld met een nog in het plangebied aangetroffen crematiegraf (vindplaats 4) ligt op een duidelijke hoogte naast een diepe restgeul waarop de sporen van een laatmiddeleeuwse hofstede (vindplaats 6) voorkomen. Bij de aanleg van de proefsleuven op die locatie bleek het zand daar inderdaad hoog te liggen. Op basis van de aanwezigheid van Romeinse en vroegmiddeleeuwse graven kon worden verwacht dat hier een oeverwal ligt die ouder is dan de Romeinse tijd. Die verwachting is nogmaals bevestigd bij dit onderzoek, toen bleek dat de oeverwal ook nog wordt oversneden door een over lange afstand te vervolgen kavelgreppel (1001/1002; vindplaats 5). In die kavelgreppel is ter hoogte van werkput 85 dierlijk bot, tefriet en handgevormd aardewerk uit de inheemsRomeinse tijd gevonden. Daaruit volgt dat de oeverwal waarschijnlijk zelfs ouder zal zijn dan de vroegRomeinse tijd en mogelijk al dateert uit de midden- of late ijzertijd (of wellicht zelfs eerder, als de restgeul ten oosten daarvan ook ouder is). Na aantreffen van het graf (direct onder bouwvoor) kwam ook een ander discussiepunt nog aan de orde, namelijk in hoeverre er aanwijzingen zijn voor aftopping van de

16

oeverwal, gezien de geringe begravingsdiepte van de resten. Die discussie was ook al ter sprake gekomen bij het reeds opgegraven deel van het grafveld.9 Bij raadpleging van het AHN blijkt dat in het onderhavige plangebied geen duidelijke ontgravingen te herkennen zijn. Het crematiegraf is dicht onder de bouwvoor aangetroffen maar ter hoogte van het graf is in profiel 9303 nog wel een humeuze laklaag (2Ahgb) onder de bouwvoor aangetroffen. Hoewel de datering van deze laag onbekend is, is de ondergrens van de laklaag niet scherp en lijkt het graf niet in grote mate te zijn afgetopt. Eerder moet gedacht worden aan een lichte egalisatie door ploegwerkzaamheden. Hoewel de diepere graven gewoon aanwezig zullen zijn, kunnen de ondiepere graven wel aangetast en/of verdwenen kunnen zijn. Er is nog geen OSL-monster genomen. Geadviseerd wordt om dat in de opgraaffase wel te doen en dan de top van het beddingzand te dateren en daarmee beter grip te krijgen op de ouderdom van de landschappelijke ontwikkeling van het gebied. Een mogelijk jongere afzetting kan nog aanwezig zijn in de uiterst westelijke punt van het plangebied. In werkput 16 is een kalkrijke afzetting tot relatief hoog in het profiel gezien. Ook het beddingzand ligt hier relatief hoog.

In het veld is daarom de werkhypothese geformuleerd dat het om een jongere geul zou kunnen gaan, die dus jonger is dan het kronkelwaardreliëf uit de vroege bronstijd ten oosten van die geul. Tijdens de uitwerking zal moeten blijken of dat inderdaad mogelijk is door de relatie met de bodemopbouw in de naburige werkputten te analyseren. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn met name ter hoogte van enkele restgeulen diepere profielen in het zicht gekomen, waaronder in de werkputten 2, 13, 36 en 66. Om inzicht te krijgen in de ouderdom van de verschillende restgeulen/kronkelwaardgeulen zijn pollenbakken gestoken in de basis van de meest organische rijke geulvullingen. Geadviseerd wordt om 14C-monsters te nemen uit de basis van de kronkelwaardgeulvullingen en zo de restgeulen (en daarmee indirect ook de stroomgordelgeneraties!) te dateren. Indien te weinig 14C-materiaal beschikbaar is, dan kan als alternatief ook een waardering op pollen gedaan worden voor de basisvulling van de restgeul. Het al dan niet voorkomen van bijvoorbeeld haagbeuk is dan indicatief voor een datering voor of na de late ijzertijd (haagbeuk komt namelijk pas voor vanaf de midden-ijzertijd). Bij de pollenwaarderingen kan eveneens bekeken worden in hoeverre er al sprake is van de teelt van cultuurgewassen en hoe open het landschap was.

2.3

Sporen en structuren

Binnen het onderzoeksgebied zijn circa 2000 sporen aangetroffen. Behalve aan antropogene sporen zijn tevens aan natuurlijke lagen, geulen en administratieve eenheden spoornummers uitgedeeld. De antropogene sporen bestaan uit paalkuilen, greppels, karrensporen en een graf. Tevens is op delen van een terrein een cultuurlaag aangetroffen, een vondstenrijke zone die onderdeel uitmaakt van vegetatiehorizonten die in grote delen van het gebied is teruggevonden. De sporen dateren uit verschillende perioden en zin met name op de hogere oeverwallen teruggevonden. Er zijn minstens twee erven aangetroffen uit de midden-bronstijd met paalsporen van gebouwen en een woonlaag/cultuurlaag met nederzettingsafval. Een doorlopend greppelsysteem uit de Romeinse tijd met mogelijk geïsoleerde sporen of sporenclusters uit dezelfde periode doorkruist het gebied van west naar oost. Binnen het onderzoeksgebied bevindt zich de noordelijke randzone van een Romeins grafveld waarvan één crematiegraf is opgegraven. Een greppel die het grafveld aan de oostzijde begrenst, sluit aan op het lange doorlopende greppelsysteem. Na de Romeinse tijd lijken er weinig menselijke activiteiten te hebben plaatsgevonden. Pas in de late middeleeuwen wordt het gebied waarschijnlijk ontgonnen.

In het zuidoosten bevond zich de eerder opgegraven hofstede Vinkenburg, waarvan binnen het huidige onderzoek de noordelijke randzone met greppels en bijgebouwen is aangesneden. Langs de Vlowijkerwetering bevonden zich erven of activiteitenzones uit de late middeleeuwen met bijbehorende verkavelingsgreppels die mogelijk in verband te brengen zijn met de eerste middeleeuwse ontginningen. Langs het Raaphofsepad zijn laatmiddeleeuwse bermgreppels aangesneden met daarin een per toeval

9

Van der Feijst en Loopik 2020.

17

aangetroffen ingegraven pot. Ten slotte hebben vele nieuwetijdse greppels en sloten vanaf de late middeleeuwen het gebied verdeeld in percelen en de akkers ontwaterd. Op grond van de dateringen en complextypen zijn voor de deelgebieden 2, 3 en 4 van Odijk Kersenweide 12 vindplaatsen vastgesteld (tabel, afb.2.1). De vindplaatsen worden in de onderstaande paragrafen per periode kort beschreven. Tabel 2.1 Vastgestelde vindplaatsen binnen de deelgebieden 2, 3 en 4. Vindplaats Periode Oppervlak (m2) Complextype 1

BRONSM

18891

nederzetting

2

BRONSM

11117

nederzetting

3

BRONS

655

onbekend

4

ROM

2808

grafveld

5

ROM

8495

infrastructuur

5

ROM

1327

infrastructuur

6

MELB

2760

nederzetting

7

MELB

1789

nederzetting/off-site

8

MELB

808

infrastructuur/off-site

9

MELB

1546

infrastructuur/off-site

10

MELB

15284

infrastructuur

11

MELB-NTL

12

BRONS?

Totaal

1351

Infrastructuur, agrarische productie en voedselvoorziening nederzetting

66.831

2.3.1 Nederzettingen in de midden-bronstijd In het noordwesten en centraal-zuidwestelijk deel van het onderzoeksgebied zijn twee zones met sporen aangetroffen in combinatie met een vondstenrijke cultuurlaag (afb. 2.5, vindplaats 1 en 2). Gezien de ruimtelijke afstand van circa 350 tot 400 m tussen beide clusters zijn ze als twee afzonderlijke vindplaatsen te beschouwen. In hoeverre de twee vindplaatsen gelijktijdig waren is in deze fase van het onderzoek niet te zeggen. Beide waren binnen het bronstijdlandschap gesitueerd op hogere oeverwallen in de nabijheid van geulen. Ook de gebieden buiten de vindplaatsen maakten uiteraard deel uit van de leefwereld van de bewoners. Hier vonden beslist allerlei activiteiten plaats, maar die zijn bij het huidige onderzoek lastig vast te stellen. Ze kunnen tot weinig sporen of materiële neerslag in het bodemarchief hebben geleid of zo plaatselijk aanwezig zijn dat ze eenvoudig gemist zijn met de dekkingsgraad van het onderzoek. De geïsoleerde vondst van een stuk gewei met kapsporen in een geulvulling in het noorden van onderzoeksgebied (in werkput 13), kan duiden op de nabijheid van menselijke activiteiten, terwijl er verder geen sporen van zijn nagelaten. Op andere locaties zijn clusters sporen of enkele geïsoleerde sporen aangetroffen zonder vondstmateriaal.

Het zou kunnen dat hier activiteiten hebben plaatsgevonden die bij voorkeur buiten de erven plaatsvond, bijvoorbeeld op de nattere locaties in het gebied. Het is echter ook niet uit te sluiten dat deze sporen uit andere perioden stammen. Bij vindplaats 2 zijn enkele van dit soort sporen nog bij de vindplaats getrokken vanwege de korte afstand tot de bewoningsresten. Een wat groter ongedateerd cluster ten noorden van vindplaats 2 is als aparte vindplaats behandeld, vindplaats 12, en wordt met enige reserve (tot een datering kan worden vastgesteld), bij de vindplaatsen uit de midden-bronstijd behandeld. De meeste andere geïsoleerd gelegen sporen zijn buiten de vindplaatsen gehouden en als ongedateerde sporenzones bestempeld.

18

Afb. 2.5 De ligging van vindplaatsen uit de midden-bronstijd en zones met ongedateerde sporen binnen het onderzoeksgebied.

19

Vindplaats 1

Afb. 2.6 Allesporenkaart ter hoogte van vindplaats 1.

In het noordwesten van het onderzoeksgebied is in twee zones een vondstenrijke en goed ontwikkelde laklaag aangetroffen. De noordelijke zone bevindt zich ter hoogte van de werkputten 36 en 67; de zuidelijke zone in het uiterste westen van werkput 27. In de 80 m ertussen zijn in werkput 30 zijn slechts

20

twee wat onduidelijke paalsporen aangetroffen; wel was ook hier de laklaag aanwezig met daarin wat prehistorisch aardewerk en natuursteen. De donkergrijze cultuurlaag (afb. 2.7a) kenmerkte zich namelijk door de aanwezigheid van kwartsgemagerd aardewerk, fragmenten verbrande klei of huttenleem, dierlijk bot, gebroken natuursteen en houtskool. Direct onder deze cultuurlaag werden paalkuilen en kuilen zichtbaar. Dit sporenniveau bevond zich vanaf circa 45 cm onder het maaiveld (tussen 1,95 en 2,05 m +NAP). Waarschijnlijk zijn de sporen al ingegraven vanaf de cultuurlaag, maar hierin archeologisch slecht zichtbaar. Tabel 2.2 Overzicht vindplaats 1. Vindplaats 1 Datering

midden-bronstijd

Complextype

nederzetting

Oppervlakte

18.891 m2

Diepte sporenvlak

45 cm -mv (tussen 1,95 en 2,05 m +NAP)

Vondstenlaag

donkergrijze laklaag boven sporenvlak en in restgeul

Bijzonderheden

gelegen op oever verlande geul

Afb. 2.7 a. Profiel 303 in werkput 36 door lak-/cultuurlaag S36830 uit de midden-bronstijd die zich hier tussen de 35 en 45 cm onder het maaiveld bevindt; b. Profiel 3607 in werkput 36 door de westzijde van de verlande geul waarin de laklaag doorloopt.

Een selectie van de sporen is gecoupeerd. Het valt op dat de paalkuilen onderling sterk verschillen qua conservering. Bij sommige sporen zijn alleen nog wat grijze, soms ondiepe, vlekken zichtbaar, andere hebben nog een duidelijk zichtbare, grijze vulling en paalvorm met dieptes tot circa 25 cm. Gebouwstructuren zijn nog niet goed te herkennen, maar enkele palenrijen suggereren een oostnoordoost-westzuidwest oriëntatie die enigszins afwijkt van die van de restgeul. De laatmiddeleeuwse en nieuwetijdse greppels verstoren de vindplaats in slechts beperkte mate. De bewoningssporen zijn gesitueerd op een oeverwal in een strook van circa 30 m ten westen van een restgeul. Deze geul kon in een vrij rechte lijn gevolgd worden met een noordnoordoost-zuidzuidwest oriëntatie. De vermoede oriëntatie van de gebouwen uit de midden-bronstijd wijkt daarmee enigszins van de richting van de restgeul. De laklaag duikt aan de westzijde de restgeul in. Met name in de randzone aan de kant van de gebouwen is dan ook net als in de laklaag gebroken natuursteen en dierlijk bot aangetroffen. Hiervan is een kleine selectie verzameld. Van de geul is op drie plekken een profiel gedocumenteerd: in werkput 36 een doorlopend profiel (afb. 2.7b) en in de werkputten 67 en 27 diepere profielkolommen. Er zijn macromonsters uit de laklaag genomen en een pollenbak in de onderkant van de geul geslagen.

Voor de begrenzing van de vindplaats is een zone van circa 35-40 m ten aan weerzijden van de geul aangehouden. Vooralsnog zijn alleen sporen ten westen van de restgeul aangetroffen, maar het is zeker

21

niet uit te sluiten dat ook aan de oostzijde nog activiteiten hebben plaatsgevonden. De restgeul zelf bevat vondstmateriaal die bij de bewoning hoort en de aanwezigheid van bijvoorbeeld waterkuilen is niet uit te sluiten. Waarschijnlijk loopt de vindplaats in noordelijke richting door in het huidige bosperceel. In zuidelijke richting is de vindplaats begrenst tot aan de lege werkputten 68 en 41 in het zuidwesten ervan. De geul loopt echter verder door in zuidelijke richting.

Afb. 2.8 Coupes door twee paalkuilen in werkput 36 (a. paalkuil S36006; b. paalkuil S36025).

22

Vindplaats 2

Afb. 2.9 Allesporenkaart ter hoogte van vindplaats 2.

23

Tabel 2.3 Overzicht vindplaats 2. Vindplaats 2 Datering

midden-bronstijd

Complextype

nederzetting

Oppervlakte

11.117 m2

Diepte sporenvlak

40 cm -mv (tussen 2,05 en 2,15 m +NAP)

Vondstenlaag

donkergrijze laklaag boven en in sporenvlak

Bijzonderheden

vooral in zuidelijk zone sporen van bewoning en een vondstenlaag aanwezig

In het centraal-zuidwestelijk deel van het onderzoeksgebied zijn op de hogere oevers zones met sporen en aardewerk uit de midden-bronstijd aangetroffen. Met name in het zuidelijk deel, in de werkputten 20 en 123 zijn duidelijke paalkuilen en kuilen aanwezig in en onder een laklaag. Waarschijnlijk bevond zich hier de kern van de bewoning. In werkput 94 zijn onder de laklaag alleen enkele vagere sporen aangetroffen, mogelijk restanten van de laklaag. In het noordwesten zijn in de werkputten 3 en 5 sporen zonder vondstmateriaal waargenomen, maar die mogelijk tot dezelfde vindplaats gerekend kunnen worden. Een wat groter vooralsnog ongedateerd cluster in het noorden – vindplaats 12 – is buiten deze vindplaats gehouden vanwege een laagte of geul tussen de beide zones. Hoewel beide sporenzones uit dezelfde perioden kunnen stammen en de resten kunnen zijn van dezelfde bewoners, worden ze hier als aparte vindplaatsen beschreven. Vindplaats 2 bestaat daarmee uit een zone met een noordnoordoostzuidzuidwest oriëntatie die zich uitstrekt over een lengte van bijna 200 m. Vanuit de kern van de bewoning in het zuiden, een zone van circa 100 bij 65 m, hebben mogelijk in de resterende 100 m buitenerfse activiteiten plaatsgevonden.

Afb. 2.10 Enkele paalsporen in het vlak van werkput 123.

In werkput 123, waar de bewoningssporen zich het best manifesteerden, zijn op circa 40 cm onder het maaiveld (tussen 2,05 en 2,15 m +NAP) over een zone van circa 30-35 m vooral paalsporen aangetroffen. Dicht onder de bouwvoor was een goed ontwikkelde laklaag aanwezig. Tijdens de aanleg van het vlak waren de donkerste sporen al zichtbaar in deze laklaag. In de westelijke randzone bevond zich een ovale kuil en een concentratie dierlijk bot. In een aantal van de paalsporen is aardewerk uit de midden-bronstijd aangetroffen. In de sleuf zijn twee clusters paalsporen aanwezig, waarin eventueel delen van twee huisplattegronden met een noordnoordoost-zuidzuidwest oriëntatie zijn te herkennen. Omdat de sporen zo duidelijk en goed geconserveerd waren, is maar weinig gecoupeerd.

24

Afb. 2.11 Coupe door paalkuil S123019 in werkput 123. Behalve een donker paalkern is vaag ook nog de insteek van de paalkuil te zien.

In het cluster sporen in werkput 20 is niet direct een huisplattegrond te herkennen, hoewel er wel enkele paalsporen aanwezig lijken te zijn. De sporen zijn vrij vaag en bestaan voor een deel waarschijnlijk uit natuurlijke verkleuringen in de bodem. Wellicht dat een eventueel vervolgonderzoek hier meer duidelijkheid in kan verschaffen. Binnen deze zone zijn verder drie kuilen aanwezig, waarvan twee gecoupeerd. In één van de kuilen (S20009) is houtskool, verbrand bot en aardewerk uit de middenbronstijd aangetroffen. De kuil is bemonsterd en de hele inhoud verzameld.

Afb. 2.12 Coupe door kuil S20009.

In de werkput 3 en 5 zijn in de meer zandige oeverafzettingen clusters kuilen aangetroffen met kleiige gevlekte vulling. De sporen lijken net wat te scherp om natuurlijk te zijn (afb. 2.13), maar vondstmateriaal is niet aangetroffen. Alleen in werkput is een laklaag waargenomen. In noordelijke richting kan vindplaats 2 minder hard begrensd worden. Mogelijk bevindt zich ook hier nog een laagte of geul tussen die het zuidelijk deel van het noordelijk deel scheidt. Vooralsnog wordt de zone rondom werkput 3 en 5 erbij betrokken. Het onderzoek naar de precieze aard van de sporen in het

25

noorden, naar de relatie ervan (ook landschappelijk) met het erf in het zuiden en de resten ter hoogte van werkput 9 zou opgenomen kunnen worden in een opgravingsstrategie.

Afb. 2.13 Coupes door sporen in de noordelijke clusters van vindplaats 2: a. kuil S3001 en b. kuil S5005.

26

Vindplaats 12

Afb. 2.14 Allesporenkaart ter hoogte van vindplaats 12. Tabel 2.4 Overzicht vindplaats 12. Vindplaats 12 Datering

onbekend

Complextype

nederzetting/off-site

Oppervlakte

1351 m2

Diepte sporenvlak

50-60 cm -mv (tussen 1,70 – 1,85 m +NAP)

Vondstenlaag

geen vondsten, wel donkergrijze laklaag boven sporenvlak

Bijzonderheden

gelegen naast depressie/geul

In het centraal-westelijk deel van het onderzoeksgebied is in het westelijk deel van werkput 9 een cluster sporen aangetroffen onder een goed ontwikkelde laklaag. Noch in de laklaag, noch in de sporen is aardewerk aangetroffen. Dit is des te opmerkelijker gezien het feit dat tijdens het booronderzoek hier wel

27

een scherf handgevormd aardewerk is opgeboord.10 Ter hoogte van het sporencluster zijn kruiselings aan weerszijden dwarssleuven gegraven om de begrenzing vast te stellen. De sporen bevinden zich op circa 50-60 cm onder het maaiveld op een plaatselijke rug (tussen 1,70 en 1,85 m +NAP, wat overigens lager is dan het sporenvlak van vindplaats 1 en 2), in zuidelijke, westelijke en oostelijke richting loopt het vlak iets af met ten oosten ervan een smalle depressie waarin de laklaag meezakt. Deze zelfde depressie of geul is ook in het noorden van werkput 122 en het oosten van werkput 86 waargenomen en vormt een grens met vindplaats 2. In de depressie zijn onder de laklaag vlekken aangetroffen, waarvan sommige enigszins doen denken aan hoefindrukken van een rund. Heel duidelijk waren deze echter niet.

Afb. 2.15 Vindplaats 12 met a. rug met sporenvlak van werkput 9 vanuit de depressie in het oosten; b. coupe door paalkuil S9001.

De depressie ten westen van de zone met sporen lijkt te worden veroorzaakt door een jongere, kalkrijke geul die hier de vindplaats waarschijnlijk afsnijdt. De laklaag wordt door de geul doorsneden. Het kan ook een oudere geul uit de tijd van vindplaats zijn die later is gereactiveerd, maar dit dient nog nader uitgewerkt te worden. In noordelijke richting zijn geen sporen meer waargenomen en verdwijnt ook de laklaag geleidelijk in het bodemprofiel. Na de depressie aan de oostzijde zijn in werkput 9 onder de laklaag meerdere sporenclusters gezien, maar die bij couperen nauwelijks iets voorstelden. Vondstmateriaal is nergens aangetroffen. Waarschijnlijk gaat het eerder om natuurlijke vlekken of resten van de laklaag in het vlak. Ook een vermeend rechthoekig structuurtje lijkt eerder natuurlijk te zijn. In de aansluitende werkputten 76 en 10 zijn verder ook geen sporen meer aangetroffen.

Vindplaats 3 Tabel 2.5 Overzicht vindplaats 3. Vindplaats 3 Datering

bronstijd

Complextype

onbekend

Oppervlakte

onbekend

Diepte sporenvlak

circa 70 cm -mv; geen sporen (circa 2,00 m +NAP)

Vondstenlaag

één bronstijdscherf in laklaag

Bijzonderheden

waarschijnlijk randzone vindplaats

In het zuiden in de hoek van het onderzoeksgebied tegen de Vlowijkerwetering en een bosschage ten zuidoosten ervan is een laklaag met een randscherf bronstijdaardewerk aangetroffen (vnr. 355) op circa 70 onder het maaiveld (circa 2,10 m +NAP. De laklaag loopt niet verder in zuidwestelijke en noordwestelijke richting, maar mogelijk wel buiten het onderzoeksgebied naar het noord- en zuidoosten. De laklaag is niet 10

Jansen 2020, 15-16; boring 771, datering ijzertijd – Romeinse tijd.

28

heel goed ontwikkeld of goed zichtbaar, maar wel kalkloos. Er zijn geen sporen aangetroffen. De zone wordt doorsneden door middeleeuwse en nieuwetijdse greppels en sloten.

Conclusie Binnen een groot deel van het onderzoeksgebied hebben in de midden-bronstijd activiteiten plaatsgevonden. Ter plaatse van de vindplaatsen 1, 2, 3 en 12 is hiervan de materiële neerslag en/of zijn sporen aanwezig. De vindplaatsen 1 en 2 bestaan uit zones met gebouwen of de resten van andere (agrarische) activiteiten waarvan de meeste langs restgeulen liggen. Het loopvlak uit die tijd is gaaf bewaard en bevat diverse soorten vondstmateriaal. De spoor- en vondstdichtheden zijn laag.

Afb. 2.16 De ligging van vindplaatsen uit de Romeinse tijd en ongedateerde clusters binnen het onderzoeksgebied. Ten zuiden van vindplaats 4 de allesporenkaart van het reeds opgegraven deel van het Romeinse grafveld (uit: Van der Feijst & Loopik 2020).

29

2.3.2 Graven en infrastructuur in de Romeinse tijd Voor een lange periode na de midden-bronstijd zijn binnen het onderzoeksgebied geen bewoning of andere activiteiten aangetoond. Hoewel verspreid gelegen ongedateerde sporen en enkele scherven aardewerk uit de ijzertijd in het noordoosten op kleinschalige menselijke aanwezigheid in tussenliggende perioden kunnen wijzen, hebben activiteiten in de Romeinse tijd pas duidelijk weer hun sporen nagelaten. Het gaat hierbij om sporen in de periferie van de bewoning en de randzone van een grafveld. Dit grafveld was gesitueerd op de westelijke oeverzone van een brede restgeul die in de Romeinse tijd waarschijnlijk nog zo nu en dan een natte laagte was en die het grafveld van de nederzetting scheidde. Het Romeinse grafveld is voor een groot deel opgegraven ter hoogte van de huidige nieuwbouwwijk Het Brugje en kende een lange gebruiksperiode vanaf de midden-Romeinse tijd tot in de vroege middeleeuwen.11 In de eerste vier eeuwen werden de doden gecremeerd en in de 5 e en 6e eeuw ging men over op begraven. Er zijn bij de opgraving 38 crematiegraven, 12 inhumatiegraven, twee brandrestenkuilen en drie aardewerkdeposities gevonden. De Romeinse nederzetting was verder oostelijk gesitueerd en is aangesneden bij het proefsleuvenonderzoek in deelgebied 1.

Vindplaats 4 Tabel 2.6 Overzicht vindplaats 4. Vindplaats 4 Datering

Romeinse tijd

Complextype

grafveld

Oppervlakte

2808 m2

Diepte sporenvlak

25-30 cm -mv (circa 2,34 m +NAP)

Vondstenlaag

geen

Bijzonderheden

waarschijnlijk randzone vindplaats

In het zuidoosten van het onderzoeksgebied is de noordelijke randzone van het grafveld aangesneden. Omdat uiteindelijk maar één crematiegraf is aangetroffen (S93004), in werkput 93 tegen nagenoeg de uiterste zuidoostgrens van het onderzoeksgebied, is de begrenzing van het grafveld slechts een globale inschatting. De greppel ten oosten van het grafveld en de erachter liggende laagte van de restgeul zijn al bij de opgraving van Het Burgje als grens toegewezen. Bij gebrek aan andere aanwijzingen voor een begrenzing in de andere richtingen gaan de onderzoekers van Het Burgje ervan uit dat vooral op de zandige kronkelwaardrug langs de restgeul de doden of hun verbrande resten werden bijgezet.12 Door de afwezigheid van meer graven in de proefsleuven is het ook bij het huidige onderzoek lastig te bepalen tot waar het grafveld in noordelijke en westelijke richting doorliep. Bij het reeds opgegraven deel van het grafveld is al goed te zien dat de dichtheid aan graven in noordelijke richting afneemt, waardoor het aannemelijk is dat de begravingen niet veel verder noordelijk plaatsvonden. Anderzijds dient rekening gehouden te worden met het feit dat graven niet bewaard zijn gebleven. Het graf in werkput 93 is vrij dicht onder de bouwvoor aangetroffen (op circa 2,34 m +NAP). Het zou kunnen dat ondiepere kuilen opgenomen zijn in de bouwvoor.

Een scherf van een Romeinse glazen schaal of kom die circa 160 m ten noordwesten van het graf in werkput 93 op het maaiveld is aangetroffen (vnr. 193), zou afkomstig kunnen zijn van een aangeploegd graf en in de loop der tijden over een grote afstand verplaatst. Iets dichter bij dan het glasfragment zijn enkele brandplekken in werkput 90 aangetroffen. Het is mogelijk dat deze plekken iets met het verbrandingsritueel te maken hebben, maar bij intensief onderzoek op een van de plekken (S90004) zijn geen verbrande botresten aangetroffen. Er bevond zich enkel een laag houtskool op een door hitte oranje gekleurde kleibodem. De branden kunnen ook veroorzaakt zijn door andere activiteiten of een natuurlijke oorsprong hebben.

11 12

Van der Feijst & Loopik 2020. Van der Feijst & Loopik 2020, 107.

30

Afb. 2.17 Allesporenkaart ter hoogte van vindplaats 4, het grafveld, en de T-splitsing van de greppels 1001 en 1002 van vindplaats 5.

31

Afb. 2.18 Graf S93004 in werkput 93. A. Overzicht in het vlak; b. Detailopname; c. Coupe door het crematiegraf.

Bij Het Burgje werd het grafveld aan de oostzijde begrensd door een greppel. Deze greppel is ook binnen het huidige onderzoek aangesneden en verder gevolgd naar het noorden tot aan een T-splitsing in werkput 114 (vindplaats 5; zie onder). In geen enkele andere proefsleuf dan werkput 93 zijn langs deze greppel graven aangetroffen. Hoewel de greppel de oostelijke begrenzing van het grafveld vormt, is ook een zone ten oosten ervan tot vindplaats 4 gerekend. Deze zone overlapt met vindplaats 5 (de greppelzone) en grenst direct aan op de behoudenswaardige laatmiddeleeuwse vindplaats 6. Van de ovale grafkuil van 90 bij 30 cm is nog tot circa 10 cm onder het vlakniveau bewaard gebleven. In de grafkuil zijn naast verbrand bot fragmenten Romeins aardewerk aangetroffen. Er is geen randstructuur herkend. Wel bevindt zich circa 4 m ten noordoosten van de grafkuil een paalkuil (S93005).

32

Vindplaats 5 Tabel 2.7 Overzicht vindplaats 5. Vindplaats 5 Datering

Romeinse tijd

Complextype

infrastructuur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bunnik&id=b503eb42-be36-45ea-b063-52f2afd39df3