CConstaterende datBunnik
Koppel je AI →
Document · PDF

21-004 Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 10 maart 2022, gemeente BunnikBij agendapunt: Ontwerp Verklaring van geen Bedenkingen Zonnepark A12 Bunnik13.993 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bosch & van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466

Auteurs Quinten Isselman Laurens Kik

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Opdrachtgever IX Zon Schipholweg 103 2316 XC Leiden

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Datum 27 augustus 2021

Versie 0.10 eindconcept

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2021 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

H OOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3

H OOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

H OOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

H OOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3

BIJLAGEN BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C BIJLAGE D BIJLAGE E BIJLAGE F BIJLAGE G

INLEIDING

3

Aanleiding Ligging projectgebied Vigerend bestemmingsplan Omgevingsvergunningprocedure Conclusie Leeswijzer

3 4 6 7 7 8

PROJECTBESCHRIJVING

9

Introductie Zonnepark A12 Bunnik Keuze projectgebied Landschap

9 9 11

BELEIDSKADER

17

Inleiding Landelijk beleid Provinciaal beleid RES-regio U16 Regionaal en gemeentelijke beleid Conclusie beleidskader

17 17 19 20 21 23

SECTORALE TOETSEN

24

Inleiding Archeologie en cultuurhistorie Bodem en Water Ecologie Buisleiding Defensie Verkeer, parkeren en infrastructuur Bedrijven en milieuzonering Geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid Milieueffectrapportage Energieproductie en emissiereductie Conclusie sectorale toetsen

24 24 28 34 38 40 40 41 41 42 42

UITVOERBAARHEID

43

Economische uitvoerbaarheid Technische levensduur zonnepark Betrokken maatschappelijke organisaties, burgers en bestuursorgaan

43 43 43

LANDSCHAPSPLAN MEMO WATERKWALITEIT EN -KWANTITEIT QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING HIA ZONNEPARK BUNNIK RAPPORTAGE ECOLOGISCHE INPASSING ZONNEPARK PARTICIPATIEVERSLAG ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

46 46 46 46 46 46 46 46

Inleiding 2

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding Duurzame energie is een belangrijk agendapunt binnen het rijk, de provinciën en de gemeenten. Nederland heeft de noodzakelijke transitie ingezet naar duurzame, hernieuwbare energiebronnen en de reductie van CO2, NOX en SO2 emissies. De gemeente Bunnik heeft zich in dat kader ten doel gesteld om in 2040 energieneutraal1 te zijn. IX Zon en Energie Coöperatie Bunnik (hierna: initiatiefnemer) hebben het initiatief genomen om duurzame energie op te gaan wekken. De initiatiefnemer beoogt de ontwikkeling van Zonnepark A12 Bunnik, gelegen ten zuidwesten van de dorpskern van Bunnik. De locatie is gelegen direct ten zuiden van de A12, bestaat uit 5 kadastrale percelen2 en is verdeeld in twee delen; te weten een oostelijk deel en een westelijk deel. De initiatiefnemer is hiermee voornemens een bijdrage te leveren aan de energietransitie, en daarmee de doelen in het kader van de energietransitie van gemeente Bunnik.

1.1.1

Zonnepark A12 Bunnik De gemeenteraad van Bunnik heeft op 18 april 2019 een online beleidskader met een aantal aanvullende documenten vastgesteld. Naar aanleiding van dit raadsbesluit heeft initiatiefnemer samen met Bosch & van Rijn in de zomer van 2020 een principeverzoek ingediend. Het initiatief is tezamen met twee andere zonneparkinitiatieven beoordeeld door de gemeente. Uit deze beoordeling is zonnepark A12 Bunnik als meest kansrijk gekomen. De initiatiefnemer beoogt de ontwikkeling van een zonnepark van ca. 13 hectare inclusief toebehoren. Het oostelijke deel bestaat uit 4,9 hectare, het westelijk deel uit 8,1 hectare. In beide delen van het zonnepark komen zonnepanelen en zal er ruimte zijn voor ecologische en landschappelijke inpassing. Van de bruto 13 hectare wordt netto 10 hectare gebruikt voor zonnepanelen. Teneinde het beoogde zonnepark juridisch planologisch mogelijk te maken, is een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan vereist als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a, onder 3, opgesteld ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag.

1

2

Inleiding

Een gemeente is energieneutraal als het energiegebruik binnen de gemeentegrenzen volledig wordt gedekt door energie uit duurzame bronnen binnen de gemeentegrenzen. Het beoogde zonnepark Bunnik bestaat uit de volgende perceelnummers: BNK02 5426. BNK02 5428, BNK02 5508, BNK02 5510, BNK02 6585.

3 3

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Overzicht initiatief zonnepark Idee van initiatiefnemer IX Zon & Energie Coöperatie Bunnik Ondersteuning proces door adviseur Bosch & van Rijn Projectgebied gelegen ten zuidwesten van Bunnik, ten zuiden van de A12 en ten oosten van Fort Vechten. Project wordt gebouwd en geëxploiteerd na ontvangst steun op grond van SDE++ stimuleringsregeling. Aandacht voor biodiversiteit en landschappelijke inpassing. Bruto oppervlak projectgebied zonne-energie circa 13,05 hectare. ca. 16 MWp (14,6 GWh) per jaar | elektriciteit ca. 4.200 huishoudens. Jaarlijkse emissiereductie van ca. 7.000 CO2. 3 4

1.2

Ligging projectgebied Het projectgebied van Zonnepark A12 Bunnik bestaat uit twee delen en is gelegen ten zuiden van de A12 en ten oosten van Fort Vechten. Het westelijk deel van het zonnepark is voorzien op agrarische gronden en aan de noordkant begrensd door de Parallelweg. Ten westen van dit deel liggen percelen die worden gebruikt voor tuinbouw (fruittelers). Hierdoor wordt het perceel grotendeels omsloten door bestaande opgaande begroeiing, wat een landschappelijke inpassing ten goede komt. De percelen ten oosten en zuiden worden gebruikt als agrarische gronden. Het oostelijk deel van het zonnepark is eveneens voorzien op agrarische gronden en ligt aangrenzend aan de N421 (Limesbaan). Direct aan de westzijde van dit deel van het zonnepark is een drinkwaterinstallatie van waterbedrijf Vitens gesitueerd. Het zonnepark wordt hier afgeschermd door een bestaande groenstructuur. Ten zuiden liggen agrarische gronden. Figuur 1 laat het projectgebied zien.

3

4

Inleiding

CBS “Berekening van de CO2-emissies, het primair fossiel energiegebruik en het rendement van elektriciteit in Nederland” CE Delft (2015) “Emissiekentallen elektriciteit”

4 4

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 1

Ligging projectgebied zonnepark A12 Bunnik (blauw gearceerd)

De exacte lay-out van het projectgebied voor het zonnepark is gewijzigd ten opzichte van de in het principeverzoek (maart 2019) gedeelde projectgebieden. De uiteindelijke begrenzing is na overleg met omwonenden tot stand gekomen als onderdeel van het omgevingsproces. Er is tijdens de ontwerpsessies gevraagd om de panelen van het westelijke deel van het zonnepark, zo veel mogelijk naar het noorden te verplaatsen. Ook omslachtige hoeken in het veld moesten worden voorkomen. Deze input is opgenomen in de nieuwe lay-out van de projectgrens zoals hierboven weergegeven. Nadere toelichting over het omgevingsproces is opgenomen in 0. Bij de locatiekeuze van het zonnepark hebben onder andere de volgende factoren een rol gespeeld: ➢ Gronden liggen binnen een acceptabele afstand van een onderstation. Hier kan het zonnepark kosteneffectief worden aangesloten op het elektriciteitsnet. ➢ Landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid maken zon op deze locatie mogelijk. ➢ Gronden sluiten aan bij grootschalige infrastructuur en zijn daarmee gelegen in een dynamisch landschap. ➢ Er liggen mogelijkheden om het zonnepark zorgvuldig in het landschap in te passen.

5 Inleiding

5

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het beoogde projectgebied van Zonnepark A12 Bunnik is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bunnik 2011’ vigerend (zie Figuur 2). Op grond van dit bestemmingsplan kent het westelijk deel van het projectgebied de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Ook het oostelijk deel kent voornamelijk deze enkelbestemming. Verder valt een gedeelte van dit oostelijk vlak in de bestemming ‘Bedrijf’. Naast het projectgebied ligt een grondwaterwinningsstation van Vitens.

Figuur 2

Vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Bunnik’ ter plaatse van het projectgebied

Op het beoogde projectgebied zijn tevens de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie – 3’ en ‘Waarde - Archeologie – 4’ aanwezig. Binnen deze dubbelbestemmingen mogen bouwwerkzaamheden plaatsvinden, mits de verstoring van de bodem maximaal respectievelijk 500 m2 of 5000 m2 bedraagt en niet dieper dan 50 cm of 1m, dan wel nadat de aanvrager een rapport van een door gemeente erkende archeologisch deskundige heeft overgelegd waaruit blijkt dat de in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemmingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Ook liggen de percelen van het beoogde initiatief binnen de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' is het gebruik van gronden en bouwwerken niet toegestaan met nadelige effecten voor het gebruik van grondwater voor de drinkwaterconsumptie. In Hoofdstuk 4 wordt hier verder op ingegaan. 6 Inleiding

6

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

De ontwikkeling van een zonnepark op de locatie past niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bunnik 2011’. Omdat het initiatief niet mogelijk is op grond van het bestemmingsplan is planologische toestemming nodig.

1.4

Omgevingsvergunningprocedure Omdat het initiatief niet mogelijk is op grond van het vigerende bestemmingsplan, is planologische toestemming nodig. Er wordt geen strijdigheid met het provinciaal en/of gemeentelijk ruimtelijke beleid (zie ook Hoofdstuk 3) voorzien. Conform gemeentelijk beleid is gekozen voor het instrument van de omgevingsvergunning voor de activiteiten: ➢ Afwijken van het bestemmingsplan (Wabo artikel 2.1 lid 1 onder c); ➢ Bouwen (Wabo artikel 2.1 lid 1 onder a); ➢ Uitvoeren werk of werkzaamheden (Wabo artikel 2.1 lid 1 onder b). Een constructie met zonnepanelen wordt aangemerkt als een bouwwerk geen gebouw zijnde. Op de aanvraag is artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo van toepassing; derhalve is de aanvraag voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. Als gevolg van de aanvraag voor de afwijkactiviteiten is op de omgevingsvergunningaanvraag de uitgebreide Wabo-procedure van toepassing ex paragraaf 3.3 Wabo. Dat betekent dat het bevoegd gezag een ontwerpbesluit publiceert en ter inzage legt waarop eenieder de gelegenheid heeft zienswijzen in te dienen, alvorens zij de definitieve vergunning publiceert. Op grond van de Wabo en het Bor treedt het college van B en W op als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning.

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning wordt tevens een (eventuele) planschadeovereenkomst en een participatieovereenkomst en -plan vastgesteld tussen gemeente en vergunninghouder. Tijdens de vergunningprocedure moet instemming worden verkregen van de gemeenteraad in de vorm van een zogeheten verklaring van geen bedenkingen (vvgb). Initiatiefnemer zet zich in voor het doorlopen van een zorgvuldige voorbereiding van het project waarbij op, zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau, voor afstemming wordt gezorgd en waarbij communicatie en interactie plaatsvindt met (direct) omwonenden. Het doel van het zorgvuldig proces is draagvlak te verkrijgen. De projectlocatie Zonnepark A12 Bunnik zal voor een bepaalde tijd worden ingericht ten behoeve van de exploitatie van een zonnepark, waarna op den duur kan worden teruggegaan naar de oorspronkelijke bestemming. Met de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wijzigt de huidige agrarische- en bedrijfsbestemming op de projectlocatie niet.

1.5

Conclusie In de volgende hoofdstukken van deze ruimtelijke onderbouwing is de voorgenomen bouw en het gebruik van het Zonnepark A12 Bunnik getoetst aan het ruimtelijk 7

Inleiding

7

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

beleid en de normstelling ten aanzien van relevante sectorale aspecten. Uit de toetsing blijkt het volgende: ➢ De beoogde ontwikkelingen passen binnen de bestaande ruimtelijke en functionele structuur; ➢ De beoogde ontwikkelingen zijn niet in strijd met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid; ➢ De diverse omgevingsaspecten staan de uitvoering van het project niet in de weg; ➢ De initiatiefnemer (IX Zon & Energie Coöperatie Bunnik) vestigt een recht van opstal voor de installaties op de gronden van grondeigenaren gedurende de exploitatiefase van het initiatief. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het project zeker gesteld.

1.6

Leeswijzer Hoofdstuk 2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing bevat een beschrijving van het project. In Hoofdstuk 3 zijn de beleidskaders geschetst. De sectorale aspecten komen in Hoofdstuk 4 aan bod. Per aspect is een samenvatting van het toetsingskader opgenomen en zijn de resultaten van de toetsing van het project aan het betreffende kader weergegeven. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project onderbouwd.

8 Inleiding

8

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1

Introductie Zonnepark A12 Bunnik Het initiatief betreft Zonnepark A12 Bunnik, dat bestaat uit een oostelijk en westelijk deel, welke worden ingevuld met rijen stellages waarop pv-panelen worden geplaatst. De panelen wekken stroom op door middel van fotovoltaïsche technologie: zonlicht wordt omgezet in elektriciteit. Bij het plaatsen van zonnepanelen wordt binnen dit initiatief ruimte gehouden voor onderhoudspaden. De opgewekte elektriciteit van ca. 14,6 GWh, kan lokaal verbruikt worden en daarmee circa 4.200 tot huishoudens5 in de gemeente Bunnik van groene stroom voorzien. De jaarlijkse emissiereductie bij realisatie van het project ligt op circa 7.000 ton CO2. Kenmerken van het beoogde zonnepark zijn: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢

2.2

Technisch en financieel realiseerbaar; Goede landschappelijke inpassing; Proces- en financiële participatie met en voor de omgeving; Groene stroom voor circa 4.200 huishoudens in de gemeente; Bijdrage in regionale emissiereductie en energiedoelen.

Keuze projectgebied Het beoogde zonnepark ligt direct ten zuiden van de A12 en ca. 800 meter van de kern Bunnik. Het westelijke deel van het zonnepark is bereikbaar vanaf de Parallelweg aan de noordkant van het gebied. Het oostelijk deel kan vanaf de Tureluurweg bereikt worden. Het projectgebied is gelegen op circa 3,2 kilometer ten noordoosten van het onderstation Doornkade Houten, en circa 2,4 kilometer van het onderstation Sorbonnelaan in Utrecht, beide behorende bij het elektriciteitsnet van Stedin waar een aansluiting voor het zonnepark kan worden gerealiseerd. Figuur 3 laat beide mogelijke transformatorstations en de afstand tot het zonnepark zien. Tussen het zonnepark en het onderstation van de netbeheerder zal een kabel komen te liggen om deze aansluiting te realiseren. De realisatie van deze netaansluiting is uitbesteed aan Stedin. Zij doorloopt hiervoor haar eigen proces en derhalve wordt de netaansluiting niet nader uitgewerkt in voorliggende Ruimtelijke onderbouwing.

5

Projectbeschrijving

9

De opgewekte elektriciteit wordt voor de overzichtelijkheid aangeduid in het aantal huishoudens.

9

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 3

Potentiële onderstations voor een aansluiting met het elektriciteitsnetwerk

Geschikte percelen voor de ontwikkeling van zonne-energie zijn schaars. Allereerst dient een locatie zich binnen een acceptabele afstand van een onderstation te bevinden, om te voorkomen dat de kosten voor netaansluiting dusdanig hoog worden dat het project niet meer rendabel is. Daarnaast zijn er diverse belemmeringen waar de ontwikkeling van zonneparken minder gewenst is, zoals percelen met natuurwaarden of recreatieve waarden. Vervolgens dient de grondeigenaar bereid te zijn een oppervlakte af te staan voor de exploitatie van zonne-energie. Rekening houdend met deze belemmeringen heeft de initiatiefnemer gekozen voor een perceel in het in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven projectgebied. Een voordeel van dit projectgebied is dat deze goed inpasbaar is, beperkte zichtbaarheid kan worden gerealiseerd en de afstand tot onderstation acceptabel is. Het beoogde projectgebied sluit aan bij provinciaal beleid in de wijze dat zonnevelden op agrarische grond worden toegestaan. Daarnaast ziet de provincie ook graag dat zonne-energie wordt gebundeld met infrastructuur. Ook sluit het beoogd projectgebied aan bij gemeentelijk beleid; de gemeenteraad van Bunnik heeft op 18 april 2019 een beleidskader vastgesteld. Bovengenoemde redenen maken het beoogde initiatief landschappelijk inpasbaar, economisch haalbaar en met beperkte gevolgen voor omwonenden.

10 Projectbeschrijving

10

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

2.3

Landschap Ten behoeve van het aspect landschappelijk inpassing, is een apart landschapsplan opgesteld, zie Bijlage A. In onderstaande paragrafen is een korte impressie van dit landschapsplan weergegeven.

2.3.1

Landschappelijke inpassing Voor het landschappelijk inpassen van het zonnepark is er zoveel mogelijk gekeken naar de huidige structuren en kenmerken van het landschap. Het landschap van het komgebied rondom het initiatief, dat zich door de snelweg de A12 heeft afgesneden van de oeverwallen (Bunnik), wordt gekenmerkt als een half open gebied met enkele zichtlijnen en middelgrote robuuste structuren. De bestaande sloten worden gerespecteerd en de zonnepanelen volgen de kavelpatronen in lange strakke rijen. Het historisch karakter blijft hierdoor bestaan. Enkele kwaliteiten van het huidige landschap zijn het relatief grootschalige en open karakter ervan. Het past daarom niet om hoge beplanting en grote bomen langs de randen te planten. Eén van de cultuurhistorische karakteristieken van het plangebied zijn de langgerekte greppelstructuren (bodemreliëf) die te zien zijn in het veld. Het zonnepark beïnvloed deze greppels niet. Wel zullen ze tijdelijk niet of moeilijk waar te nemen zijn. Landschappelijke randen Om het zonnepark deels aan het zicht te onttrekken wordt aan alle zijden een groene zone gecreëerd. Alleen aan de westzijde van het westelijke gedeelte van het zonnepark is al sprake van visuele afscherming door de bestaande fruitboomgaard. Hier komt derhalve geen opgaande beplanting.

Wel wordt er een takkenril gerealiseerd om het overwaaien van zaden, afkomstig van de kruiden en grassen uit het zonnepark, te minimaliseren (Zie Figuur 5). Aan de noordzijde bij het westelijke deel van de beoogde zonnepark, zal een struweelzone worden ontwikkeld van ca. 5 meter breed. Tezamen met de bestaande bomenrijen tussen de A12 en de Parallelweg, zal deze beplanting zorgen voor meer visuele afscherming. In verband met de culturele waarden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW), wordt deze beplanting niet te hoog om doorzicht naar het open landschap (het inundatiegebied) te behouden. Aan de oost- en zuidzijde van het westelijke gedeelte van het zonnepark, worden gebiedseigen beplanting toegepast in brede (10 meter), visueel afschermende en groene zones. Eenzelfde groene zone wordt ook in de zuidwesthoek van het oostelijke gedeelte van het zonnepark gerealiseerd. (zie Figuur 6) De rijen beplanting volgen de kavelgrenzen. Deze brede beplantingsstroken zorgen voor visuele afscherming voor omwonenden die aan die zijden van het zonnepark wonen. De beplanting wordt zo strak mogelijk tegen de kavelgrens gepland zodat er geen ruimte overblijft voor kruiden en grassen. Dit voorkomt grotendeels overlast van ongewenste soorten voor de naastgelegen percelen.

Aan de westzijde van het oostelijke gedeelte van het zonnepark ligt in de huidige situatie een groene beplantingsrand welke op het terrein van Vitens is gesitueerd. Aan zowel deze zijde als de noord- en oostzijde van dit gedeelte van het park, is het niet nodig om het zonnepark in het geheel visueel af te schermen. Wel liggen hier kansen om het gebied ecologisch aantrekkelijker te maken. Er worden her en der kleine groepjes opgaande gebiedseigen beplanting geplant. Extensief beheer van deze zone zorgt ervoor dat her en der ook lage opgaande beplanting ontstaat. Dit zal door het

Projectbeschrijving

11 11

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

toepassen van gepast beheer, niet te hoog worden. Hoge beplanting past niet binnen het open landschap. Wel zal dit zorgen voor meer visuele afscherming voor passanten die in de buurt zijn van het zonnepark en bijvoorbeeld over de N-weg rijden. Figuur 4

Overzicht van de doorsneden

Figuur 5

Doorsneden B-B’’ Zonnepark A12 Bunnik

12 Projectbeschrijving

12

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 6

Doorsneden C-C’’ Zonnepark A12 Bunnik

2.3.2

Ecologische inpassing Naast de ontwikkeling van een zonnepark is er in projectgebied tevens ruimte voor natuurontwikkeling. De percelen worden nu intensief agrarisch beheerd. Door de toepassing van panelenopstellingen en de mogelijkheid van gras- en kruidenrijke onderbegroeiing, zal deze ontwikkeling op het aspect (bodem) ecologie, ten opzichte van het huidig gebruik, in sommige delen positief uitpakken. Daarnaast zal de initiatiefnemer nog aandacht besteden aan verdere bevordering van de algemene biodiversiteit. Om het gebied ecologisch aantrekkelijker te maken worden aan de randen en onder de panelen van het beoogde zonnepark een kruiden- en faunarijkgrasland gecreëerd. Bij de uitvoering van deze inpassing zullen gebiedseigen plantensoorten worden ingezaaid. Hierdoor zal er een divers en voor het gebied passende inrichting worden bewerkstelligd. Dit heeft weer een positief effect voor diverse insectensoorten; wat de algemene biodiversiteit, zoals inheemse zoogdieren waarbij gedacht kan worden aan kleine marterachtigen en vogels zoals akkervogels, weer ten goede komt. Mengsel voor het zaaien zijn voor kleigrond geschikt en aantrekkelijk voor insecten. Daarbij wordt zorgvuldig gekozen uit grassen en kruiden die voor de omgeving gunstig zijn. Dit zijn bijvoorbeeld kruiden die niet giftig zijn voor paarden of die veel bijen aantrekken ten gunste van de fruitbomen.

Door middel van het plaatsen van een insectenhotel kan een plek worden gecreeerd waar insecten kunnen verblijven. Het plaatsen van nestkasten voor roofvogels kan ervoor zorgen dat fruit- en zaad-etende vogels en muizen niet explosief toenemen. Dit is belangrijk om de naastgelegen fruitboomgaard te beschermen. Meer hierover staan in Bijlage E. Om het gebied ecologisch te versterken en visueel af te schermen, is er gekozen voor een extra brede ecologische zone aan de zuid- en oostrand van het westelijke gedeelte van het zonnepark. Naast een zone van 10 meter breed voor visuele afscherming, komt er nog 4 tot 7 meter bij om ecologische meerwaarde te bieden. Opgaand struweel kan zich in deze zones, en aan de zuid en zuidwest rand van het oostelijke gedeelte van het zonnepark, ontwikkelen in een strook van 10 meter breed.

13 Projectbeschrijving

13

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

2.3.3

Opstelling panelen De panelen worden geplaatst in rechte rijen en komen in een zuidgeoriënteerde richting te staan. De rijen worden strak uitgelijnd, volgen een ritme en worden strak tegen de randen gesitueerd. Op die manier ontstaat er een zo rustig mogelijk beeld. (zie figuur 7). De hoogte van de panelenopstellingen is ca. 1,70 meter. Zowel panelen als bebouwing worden op afstand van de watergangen, de kavelgrenzen en het hekwerk geplaatst, zodat rondom een onderhoudsstrook aanwezig is en mogelijkheden voor natuurlijke begroeiing.

Figuur 7

Uitlijning gebeurt zo recht mogelijk: een van de linker oplossingen (Schematische weergave).

2.3.4

Recreatieve invulling Tijdens ontwerpsessies is gebleken dat er vanuit de omgeving geen draagvlak is voor recreatieve invulling in of rondom het beoogde Zonnepark A12 Bunnik. Initiatiefnemer heeft derhalve besloten om zich alleen in te zetten op ecologische en landschappelijke meerwaarde. In 0 wordt hier verder op ingegaan.

2.3.5

Hoogte van de panelen Vanuit landschappelijk perspectief is het belangrijk om te kijken naar specifieke landschappelijke kernwaarden en een goede aansluiting op de omgeving. De panelen komen daarom tot een hoogte van ca. 1,70 meter. De percelen van het beoogde initiatief liggen in het landschapstype stroomgordel. Dit houdt in dat het beleid van de gemeente gericht is op de instandhouding en de ontwikkeling van het oeverwallenlandschap met de volgende kernkwaliteiten: bodemreliëf (afwisseling hoge en lage delen), landschapselementen en (half) open landschapsbeeld. Het perceel is een stuk lager gelegen dan de wegen en snelwegen rondom het projectgebied. Voor sommige delen zelf meer dan één meter. De naastgelegen boomgaard, die aan de gehele westzijde van het zonnepark is gelegen, zorgt ervoor dat het zonnepark visueel wordt afgeschermd vanuit die zijde. De gemiddelde hoogte van de fruitbomen in de boomgaard zijn geschat op 2,50 – 2,60 meter (Zie figuur 8). De beplanting rondom de boomgaard, dat dient als windscherm voor de fruitbomen, is over het algemeen nog iets hoger. Vanuit landschappelijk oogpunt is het niet logisch om de hoogte van het zonnepanelen maximaal gelijkwaardig te stellen aan de boomgaard. Beplanting rondom de zonneveld dient namelijk te moeten voorkomen dat er zicht is op de zonnepanelen.

Tevens is het belangrijk om de beplanting rondom het initiatief ook af te stemmen op de juiste hoogte. Het (half) open landschap dient grotendeels in tact te worden gelaten. De zonnepanelen komen daarom op een hoogte van ca. 1.70 meter en de beplanting ca. 2.00 t/m 2.50 meter.

Projectbeschrijving

14 14

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Online beleidskader Gemeente Bunnik Bijlage 2 'Gebiedstabel' van de online beleidskader van de gemeente, laat zien dat er op de locatie van het beoogde zonnepark wordt uitgegaan van een ‘Richtsnoer hoogte’ van ‘max. 1,5 meter’. Over de toelichting van de hoogte wordt het volgende beschreven: *Hoogte = richtsnoeren (besluitvorming is maatwerk per locatie): • 1,5 – 3 meter hoog in een regulier gebied zonder wijds/gewaardeerd uitzicht • 1,5 – 3 meter hoog kan toegestaan worden in geval van dubbel ruimtegebruik of op locaties naast hogere bebouwing, (fruit)boomgaarden, etc. • 1 – 1,5 meter hoog in een regulier gebied met (wijds/gewaardeerd) uitzicht (zodat je er overheen kunt kijken) • 0,5 - 1 meter hoog waar sprake is van uitzicht van groot belang/recreatieve route/forten/locaties direct aan doorgaande weg, etc. De afwijkende hoogte van ca. 20 centimeter heeft te maken met de optimalisatie van de energieproductie van het zonnepark. Op die manier wordt het park zo efficiënt mogelijk ingericht. De landschappelijke effecten van deze afwijking zijn niet tot nauwelijks negatiever. Beplanting rondom de panelen moet hoger zijn om de panelen van het zicht te onttrekken. In dat opzicht maakt de 20 centimeter geen verschil. Derhalve zal er nauwelijks sprake zijn van een meer negatieve impact, tussen panelen van 1,50 meter ten opzichte van 1,70 meter, op de openheid van het gebied.

Dit is goed terug te zien op figuur 9. Wel zal efficiëntie qua energieopwek van het zonnepark toenemen en dus de energieopbrengst, voor de doelstelling van de gemeente Bunnik, hoger zijn. 2.3.6

Hoofdpunten van het ontwerp ➢ ➢ ➢

➢ ➢ ➢ ➢

➢ ➢ ➢

Zuid georiënteerde zonnepanelen rijen. (Ontwerp is indicatief) Inpassen in landschappelijke kamer met instandhouding van de historische ontwikkeling, Nieuwe Hollandse Waterlinie en openheid van het landschap. Ecologische meerwaarde met name aan de binnenzijden van de landschappelijke beplantingsranden. En in het oostelijke gedeelte van het zonnepark. Rekening houdend met functies in de omgeving. Wensen van de omgeving meegenomen in het ontwerp. Geen grootschalige afgravingen waardoor bodemreliëf intact blijft. Rekening houdend met onderhoudszones langs de waterlichamen. Gebiedseigen beplanting aan de zuid- en westzijden van het westelijke gedeelte en in de zuidwesthoek van het oostelijke gedeelte van het zonnepark, voor visuele afscherming voor omwonenden. Bouwhoogte van de panelen is ca. 1,70m. Padenstructuur zorgvuldig uitgedacht met een groene zode waardoor deze visueel wegvalt in omliggende kruiden- en faunarijk grasland. Hekwerk ter preventie van diefstal, maar met vrije doorgang voor kleine dieren. Het hekwerk wordt bij voorkeur geplaatst uit het zicht achter de beplanting.

15 Projectbeschrijving

15

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 8

Landschappelijk ontwerp Zonnepark A12 Bunnik

2.3.7

Beplanting & Beheer Voor de detailuitwerking uitwerking van de landschappelijke en ecologische inpassing van het zonnepark is een beplanting- en beheerplan opgesteld. In het beplanting- en beheerplan wordt de voorgestelde beplanting beschreven die wordt toegepast in de landschappelijke randen. Tevens wordt de wijze van beheer hiervan beschreven. Het beplanting- en beheerplan is opgenomen in Bijlage A Landschapsplan.

16 Projectbeschrijving

16

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt het relevante planologische beleidskader en het energiebeleid beschreven vanuit het Rijk, de provincie Utrecht, RES-regio U16 en de gemeente Bunnik. Het initiatief om een zonnepark te realiseren wordt in dit hoofdstuk aan het beleidskader getoetst. De resultaten van de toetsing staan in paragraaf 3.7.

3.2

Landelijk beleid

3.2.1

Energiebeleid De Nederlandse energiehuishouding moet duurzamer en minder afhankelijk worden van eindige fossiele brandstoffen, aldus het Energierapport 20116. Energie is een noodzakelijke voorwaarde voor het functioneren van de samenleving in alle facetten. Afnemers moeten kunnen rekenen op betrouwbare energie tegen concurrerende prijzen. Met het oog op het klimaat en de afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen is een overgang naar een duurzame energiehuishouding nodig. De energiesector in Nederland is verantwoordelijk voor meer dan twintig procent van de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse energievoorziening betekent een forse inspanning. Het regeerakkoord Rutte-III7 heeft zich gecommitteerd om de uitstoot van broeikasgassen in 2050 terug te dringen naar 95% ten opzichte van 1990. Bij een lineaire daling houdt dit in dat er een emissiereductiedoel is van 49% in 2030. In internationaal verband wordt gestreefd om dit doel te verhogen naar 55% emissiereductie in 2030. In het Klimaatakkoord dat op 10 juli 2018 is gepresenteerd staat dat de elektriciteitssector een CO2-reductie van 20,2 Mton op zich wil nemen.

Dit moet met name gerealiseerd worden door extra windparken op zee, maar ook windparken op land en zon-PV-installaties zijn onmisbaar. Gemeenten en provincies moeten in Regionale Energie Strategieën (RES) opnemen voor welke vorm zij kiezen. Het precieze aandeel wind op land en zon-PV ligt daarom nog niet vast. Op dit moment zijn we voor onze energievoorziening nog sterk afhankelijk van fossiele brandstoffen. De energietransitie biedt bovendien kansen voor behoud en ontwikkeling van het Nederlandse verdienvermogen. Door de transitie naar een duurzame 6 7

Beleidskader

Ministerie van Economische Zaken, 10 juni 2011. Vertrouwen in de toekomst 2018-2021’, Regeerakkoord 2017-2021; VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, 10 oktober 2017

17 17

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

energievoorziening zal het uiterlijk van woonwijken, industrieterreinen en landelijke gebieden veranderen. Die nieuwe elektriciteitsproductie komt voor een groot deel van de Noordzee, maar er zal ook veel productie plaatsvinden op land. Zonneenergie in de vorm van grondgebonden zonneparken is een van de vormen van deze duurzame energieproductie op land die op korte termijn beschikbaar is.Zonne-energie speelt een belangrijke rol, omdat het relatief eenvoudig te installeren is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld wind op zee. Daarnaast is zonne-energie een beproefde technologie. 3.2.2

Ruimtelijk beleid Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de meest bepalende beleidsdocumenten. Het Barro richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor de ontwikkeling van het zonnepark. In de NOVI schetst het rijk een lange termijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van een duurzame leefomgeving in Nederland. Daarbij wordt een integrale benadering voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie vanuit het rijk. In de NOVI worden de nationale belangen en opgaven in de fysieke leefomgeving vertaald naar prioriteiten, waarbij prioriteit 1 van de NOVI luidt: ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’. Op basis van drie afwegingsprincipes, 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen, wordt in de NOVI de volgende beleidskeuze gemaakt: ‘’We realiseren de opgave van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies.’’.

Specifiek geeft de NOVI de volgende richtingen mee (aan de RES) ten aanzien van grootschalige grondgebonden zonne-energie en windenergie: Voorkeur voor grootschalige clustering Waar mogelijk geeft de NOVI de voorkeur aan grootschalige clustering van hernieuwbare energie, bijvoorbeeld door windparken en zonneparken te combineren, aangezien dit de ruimtelijke ‘afwenteling’ verminderd en bijdraagt aan kostenreductie. Daarbij is het echter van belang dat er een afweging wordt gemaakt met de andere relevante waarden zoals landschap, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem en draagvlak. Ook moeten bewoners van een gebied worden betrokken, participeren in het project en waar mogelijk meeprofiteren. Tenslotte is een natuurinclusief ontwerp en beheer van een wind- of zonnepark van belang. Voorkeursvolgorde voor Zon-PV De afwegingsprincipes van de NOVI leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels en daarna voor onbenutte terreinen in bebouwd gebied. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat echter de voorkeur uit naar slimme functiecombinaties. De voorkeursvolgorde houdt geen volgtijdelijkheid in. Na het

18 Beleidskader

18

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

verkennen van mogelijkheden voor het toepassen van zon-PV kan worden begonnen met het gelijktijdig benutten van gekozen mogelijkheden. Ladder voor duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk maakt, voldoen aan een aantal voorwaarden. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:178) is gebleken dat de realisatie van een zonnepark ruimtelijk gezien geen stedelijke ontwikkeling betreft. Derhalve hoeft niet nader te worden ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Zonneladder In een tweede kamer motie van Carla Dik Faber in mei 2019 is verzocht om zonneparken te gaan toetsen aan een zogenaamde zonneladder. Hiervoor dient het rijk een zonneladder op te stellen. Bij het toetsen aan een zonneladder zal het bevoegd gezag naar alle waarschijnlijkheid gevraagd worden vooraf te onderzoeken of de doelstellingen voor zonne-energie behaald kunnen worden op daken. Indien dit niet het geval is, of een combinatie van daken, overige stedelijke locaties en restgronden (zoals stroken langs snelwegen of spoorwegen) afdoende potentie hebben.

In de meeste gevallen zullen deze daken en gronden slechts in beperkte mate kunnen voorzien in de benodigde ruimte voor zonne-energie, waardoor een deel van de opwek ook op agrarische grond dient te worden goedgekeurd, zoals bijvoorbeeld in het geval van Zonnepark A12 Bunnik. De exacte invulling van de zonneladder is nog niet bekend. Wel is de ambitie dat de zonneladder het bewustzijn omtrent wenselijkheden en noodzakelijkheden van de benutte ruimte voor zonneenergie vergroot.

3.3

Provinciaal beleid De provinciale doelstellingen ten aanzien van het ruimtelijk beleid zijn vastgelegd in de geconsolideerde de Omgevingsvisie Provincie Utrecht (10-03-2021) en de geconsolideerde Interim Omgevingsverordening (10-03-2021). In de Omgevingsvisie Provincie Utrecht wordt aangegeven dat de provincie Grootschalige opwek via windturbines met een groot vermogen en zonnevelden nodig acht. De kaart genaamd ‘Ruimte voor windenergie en zonnevelden onder voorwaarden’ laat zien dat er veel gebieden zijn waar zonnevelden een optie zijn. De provincie laat ruimte voor regionale en lokale afweging via onder andere de Regionale Energiestrategieën om tot een locatiekeuze van zonnevelden te komen. Hier voor worden enkele algemene voorwaarden via de Interim Omgevingsverordening gesteld en vraagt de provincie om bij de ruimtelijke invulling van de locatie rekening te houden met de andere provinciale belangen. Een bestemmingsplan kan bestemmingen en regels bevatten die de realisatie van opwekking van zonne-energie toestaan door middel van zonnevelden, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de structuren in landschap herkenbaar blijven en voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; b. de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die ruimte biedt voor een bij het gebied passende bodemkwaliteit en waterkwaliteit; en c.

voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit.

Beleidskader

19 19

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

De motivering van een bestemmingsplan moet de volgende punten bevatten: • een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; • een beeldkwaliteitsparagraaf; • een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken; en • een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid inzake de mogelijkheden voor kavelruil vanwege het behouden en verbeteren van een goede landbouwstructuur.

3.4

RES-regio U16 De Ruimtelijke Energie Strategie 1.0 (RES) voor de regio U16, gepubliceerd 23 juni 2021, geeft de regionale aanpak van de energietransitie aan. De bid van deze RES moet nog wel worden vastgesteld door de gemeenten in de regio. De gemeente Bunnik maakt deel uit van deze RES-regio U16. De regio heeft de doelstelling om in 2030 1,8 TWh aan duurzame energie op te wekken. Dit doel moet gehaald worden met een viertal bouwblokken. 1. Bouwblok 1: Gerealiseerde duurzame opwek en projecten in de pijplijn met de status ‘zeker’. 2. Bouwblok 2: Ambitie voor zon op dak. 3. Bouwblok 3: Bijdrage gemeenten die voortkomen uit de lokale zoekprocessen. 4. Bouwblok 4: Continue samenwerking en permanente zoektocht naar zoekgebieden voor duurzame energie. Het eerste bouwblok heeft een omvang van 0,44 TWh. De overige 1,36 TWh zal opgewekt worden met een combinatie van windparken, zon op dak en zon op land. Zonnepark Bunnik A12 valt binnen een zoekgebied van de Kromme Rijn gemeente (zie paragraaf 3.5). De gemeente Bunnik heeft een ambitie van 50.228 MWh uitgesproken voor zon op land. Dit wil men realiseren binnen het zoekgebied opgenomen in de overzichtskaart van zoekgebieden en -zones in de RES U16. Zonnepark A12 Bunnik ligt in de zoekzone zon op deze kaart. Figuur 9 laat dit zien. Er wordt in het bod van de RES-U16 een mogelijke hoeveelheid van 800 hectare aan zon in de regio genoemd.

Dit voorliggend initiatief betreft 13 ha. De bijdrage zal derhalve circa 2% zijn.

20 Beleidskader

20

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 9

Zoekzones zon en wind in Bunnik

Verdere uitwerking van de plannen voor zon-op-land-projecten in het Kromme Rijn gebied en Bunnik is uitgewerkt op regionaal en gemeentelijk niveau. De volgende paragraaf zet dat uiteen.

3.5

Regionaal en gemeentelijke beleid In de ‘Omgevingsvisie Kromme Rijn gebied (2017), opgesteld door de gemeenten Bunnik en Wijk bij Duurstede wordt aangegeven dat in het ‘Landbouwgebied van de Oeverwallen’, waar de beoogde percelen van Zonnepark A12 Bunnik toe behoren, zonneparken mogelijk zijn, mits landschappelijk ingepast. Vanwege controverse zijn geen nieuwe windturbines in het beleid opgenomen. Dit betekent niet dat nieuwe windmolens op voorhand uitgesloten zijn, maar vergroot wel de mogelijkheden voor het ontwikkelen van alternatieve duurzame ontwikkelingen, zoals zon op land. Voorstellen met een ruimtelijke functionele impact op het gebied, zoals zonnecelvelden (en biovergisting) worden onderwerp van een maatwerkproces. De gemeente staat open om hier aan mee te werken op voorwaarde van landschappelijke inpassing. April 2019 heeft de gemeente een beleidskader voor zonnevelden gepresenteerd. Hier hoort ook een kaart bij waar per gebied wordt aangegeven of zon-op-veld initiatieven wel of niet kansrijk worden bevonden. Het voorgestelde Zonnepark A12 Bunnik ligt in gebied “Rietsloot Rijsbrug” wat onder de meeste kansrijke categorie behoort. In Figuur 10 is in blauw aangegeven waar de beoogde percelen voor het zonneparken liggen op de ‘Kansenkaart Zonnevelden Bunnik’.

Beleidskader

21 21

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 10

Kansenkaart Zonnevelden in de gemeente Bunnik; in blauw het beoogde initiatief Zonnepark A12 Bunnik.

In dit gebied “Rietsloot Rijsbrug” mag maximaal 20 hectare aan zonneparken gerealiseerd worden. Het initiatief van Zonnepark A12 Bunnik omvat 13,05 hectare gereserveerd voor een zonnepark inclusief landschappelijke inpassing en een zonnepanelenopstelling van 10 hectare. Daarnaast zal er rekening gehouden worden met de maximale hoogte van het zonneveld. In dit gebied is dit 1 meter indien het uitzicht naar Fort Vechten in het geding komt. Een afwijkende hoogte moeten worden onderbouwd. Deze onderbouwing is te vinden in paragraaf 2.3.5. Dat er exact 10 hectare aan grond gereserveerd is voor zonnepanelen, komt vanuit het feit dat dat de maximale hoeveelheid is die de gemeente Bunnik zal vergunnen. In deze raadsperiode is maximaal 40 ha aan zon-op-land dat wordt vergund. Nadat meerdere andere projecten 30 ha vergund hebben gekregen is er nog 10 ha beschikbaar. Voor deze 10 ha dienen de initiatiefnemers nu een vergunningsaanvraag in. Verder stelt de gemeente in de gebiedstafel, vastgesteld 18 april 2019, zeven (ontwerp) eisen waar in het ontwerp rekening mee gehouden moet worden. Deze zijn: 1. Verkaveling volgen en/of de zichtlijnen volgen en/of de bestaande infrastructurele lijnen volgen; 2. In gebieden nabij recreatie, Hollandse waterlinie, andere locaties van cultuurhistorisch belang, etc. kunnen er strengere eisen voor inpassing gelden;

22 Beleidskader

22

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

3. In overleg met direct omwonenden kan een (groene) afscherming worden geëist die past bij het gebied; 4. Er mogen geen sloten worden gedempt en er moet voldoende afstand worden behouden voor onderhoud van sloten; 5. Participatie met omgeving zowel qua voorbereiding/inpassing als financieel (zie https://www.zonneveldenbunnik.nl/omwonenden/); 6. In geval van agrarische grond: overleg met andere agrariërs om het verliezen van hoogwaardige landbouwgrond/-locaties te voorkomen (bijvoorbeeld via kavelruil); 7. Er moeten diverse onderzoeken worden aangeleverd en maatregelen worden ingediend die tegemoet komen aan negatieve effecten van zonnevelden (zie https://www.zonneveldenbunnik.nl/voorwaarden/). Verder wordt het volgende genoemd over de hoogte van de zonnepanelen: ‘Hoogte = richtsnoeren (besluitvorming is maatwerk per locatie): • 1,5 – 3 meter hoog in een regulier gebied zonder wijds/gewaardeerd uitzicht • 1,5 – 3 meter hoog kan toegestaan worden in geval van dubbel ruimtegebruik of op locaties naast hogere bebouwing, (fruit)boomgaarden, etc.

• 1 – 1,5 meter hoog in een regulier gebied met (wijds/gewaardeerd) uitzicht (zodat je er overheen kunt kijken) • 0,5 - 1 meter hoog waar sprake is van uitzicht van groot belang/recreatieve route/forten/locaties direct aan doorgaande weg, etc.’ Ook vraagt de gemeente om een participatieplan: elke initiatiefnemer die een zonneveld aanlegt dient bij de omgevingsvergunning een plan in voor participatie van inwoners van de gemeente Bunnik en omwonenden van het zonneveld. In dit plan dient te worden gestreefd naar 50% lokaal eigendom. Als laatste wordt ook de optie tot kavelruil genoemd in het vastgestelde beleid van Bunnik. In dit artikel staat: initiatiefnemer dient met andere landeigenaren de mogelijkheden voor kavelruil te verkennen. Door het ruilen van kavels kan worden voorkomen dat goede landbouwgrond wordt gebruikt voor een zonneveld. De initiatiefnemer van het zonnepark dient aan te kunnen tonen dat deze mogelijkheid van kavelruil is onderzocht.8

3.6

Conclusie beleidskader De voorgenomen ontwikkeling van een zonnepark op de locatie in Bunnik past binnen het ruimtelijk en landschappelijk beleid van rijk en provincie. De locatie is volledig gesitueerd in een gebied dat door de gemeente gemarkeerd is als gebied met kansen voor zonnevelden. De gemeente heeft zeven (ontwerp)eisen bij de ontwikkeling van een zonneveld en een beleidskader waarin verschillende voorwaarden worden gesteld voor de ontwikkeling van zonnevelden. Bij de uitwerking van Zonnepark A12 Bunnik wordt recht gedaan aan deze eisen en voorwaarden.

8

Beleidskader

Beleidsregels Zonnevelden gemeente Bunnik, https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Bunnik/624453/CVDR624453_1.html

23 23

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 4 Sectorale toetsen 4.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de sectorale aspecten die relevant zijn voor de ontwikkeling van het zonnepark. Per aspect zijn de resultaten van de toetsing van het project aan het betreffende beleidskader weergegeven.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1

Beleid en regelgeving Archeologie Het in 1992 door Nederland ondertekende Verdrag van Malta regelt archeologisch erfgoed op Europees niveau, met als belangrijkste doel het behoud van dit erfgoed in situ. De bodem biedt namelijk de beste garantie voor een goede conservering van archeologische waarden. Bij ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog mogelijkheden zijn voor archeologievriendelijke alternatieven. Tot slot is met het verdrag het ‘de verstoorder betaalt’-principe geïntroduceerd. Het Verdrag is geïmplementeerd in de Monumentenwet (1988) welke in 2016 grotendeels is opgegaan in de Erfgoedwet. Voor ruimtelijke ontwikkelingen en archeologische bescherming- en onderzoek geldt dat de Monumentenwet van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet. Archeologiebeleid gemeente Bunnik Op 24-11-2011 heeft de gemeente het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bunnik 2011’ vastgesteld. Hierin is ook in archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgenomen. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart kan als leidraad worden gebruikt voor de bescherming van archeologische waarden. Ook kan de kaart gebruikt worden om vast te stellen welk archeologisch onderzoek nodig is bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen.

In projectgebied komen de waarden ‘Archeologie 3’ en ‘Archeologie 4’ voor (zie Figuur 11). Binnen het ‘Archeologie 3’ gebied mogen bouwwerkzaamheden plaatsvinden, mits de verstoring van de bodem maximaal 500 m2 bedraagt en niet dieper dan 50 centimeter. Een andere mogelijkheid is dat de aanvrager van een vergunning een rapport van een door gemeente erkende archeologisch deskundige heeft overgelegd waaruit blijkt dat de in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemmingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Voor de waarde ‘Archeologie 4’ mogen bouwwerkzaamheden plaatsvinden, mits de verstoring van de bodem maximaal 5000 m2 bedraagt en niet dieper dan 1 meter. Ook hier mag vanaf worden afgeweken als aangetoond is dat

Sectorale toetsen

24

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd. Figuur 11

Archeologische waardenkaart op basis van het Bestemmingsplan Buitengebied Bunnik 2011. Projectgebied is blauw omkaderd. Waarde Archeologie – 2 is hier strenger dan Waarde Archeologie – 3 die op haar beurt weer strenger is dan Waarde Archeologie – 4.

Cultuurhistorie Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Onder cultuurhistorie wordt verstaan: sporen, objecten en patronen/structuren die zichtbaar of niet zichtbaar deel uitmaken van onze leefomgevingen en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling (Nota Belvedère, 1999). Heritage impact assessment Het beoogde initiatief valt binnen een zone die is genomineerd voor een UNESCO Werelderfgoed-status. Doordat het plangebied deel uitmaakt van een als UNESCO Werelderfgoed aangewezen zone (met de Nieuwe Hollandse Waterlinie), wordt door de siteholder van het Werelderfgoed, in dit geval de Provincie Utrecht, een zogenoemde Heritage Impact Assessment (HIA) gevraagd.

Sectorale toetsen

25

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

4.2.2

Beschrijving huidige situatie en ontwikkeling In opdracht van initiatiefnemer heeft KSP Archeologie begin 2021 een archeologische quickscan uitgevoerd voor het beoogde projectgebied. Het onderzoek is uitgevoerd als haalbaarheidsstudie. Zie Bijlage G. De quickscan geeft aan dat er in 2011 en 2012 al boringen zijn gedaan rond het plangebied. Hieruit blijkt dat er in het onderzochte gebied (zie Figuur 12) lage of geen verwachtingen te vinden zijn. Uit de quickscan zijn verder geen zaken gebleken waardoor de veelal hoge archeologische verwachting zoals die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart naar beneden of boven toe kan worden bijgesteld. Het is onduidelijk welke rivierloop precies is afgezet in het plangebied, maar het is duidelijk dat het plangebied op een stroomgordel ligt. De veelal hoge verwachting kan daarom behouden blijven. Er zijn geen aanwijzingen dat er in of direct aangrenzend aan het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is. Langs de zuidrand van het westelijke deelgebied wordt geadviseerd de bodemingrepen voor de landschappelijke inpassing te beperken, hier is mogelijk de Romeinse Limesweg aanwezig.

Figuur 12

Archeologische verwachting na het booronderzoek uit 2012

Cultuurhistorie / HIA In opdracht van initiatiefnemer heeft Hylkema Erfgoed medio 2021 een HIA uitgevoerd. Zie Bijlage D voor de uitgevoerde HIA. Het westelijke gedeelte van het beoogde zonnepark ligt op ca. 900 meter van Fort bij Vechten, een oud Sectorale toetsen

26

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

verdedigingsfort dat onderdeel uitmaakt van een reeks verdedigingswerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). De beoogde locatie is niet zichtbaar vanaf het fort door de tussengelegen boomgaarden. Een tankstation van Esso met daarbij een grote parkeerplaats ligt dichterbij op ca. 150 meter. De NHW vormde van 1815 tot 1940 de belangrijkste verdedigingslinie van het land. Het 85 kilometer lange verdedigingswerk strekte zich uit van de toenmalige Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De NHW was, net als de iets later ingerichte Stelling van Amsterdam, een waterlinie. Het belangrijkste defensieve principe was inundatie: het onderwater zetten van land waardoor de vijand het te verdedigen gebied niet kon bereiken. Het water hield de vijand letterlijk op een strategische afstand. Fort Vechten werd samen met Fort bij Rijnauwen gerealiseerd om het hoger gelegen gedeelte aan de oost- en zuidoostzijde van de stad Utrecht te verdedigen. Aan deze zijde konden geen uitgestrekte inundatievelden worden geprojecteerd met alleen forten op of bij de kruising van accessen met de hoofdweerstandslijn. Daarnaast moest vanwege de toegenomen inslagkracht en reikwijdte van artillerievuur de verdedigingslinie aan de oostkant van Utrecht hoe dan ook worden uitgebreid. Fort bij Vechten maakt deel uit van de derde bouwfase van de waterlinies, die dateert van 1867-1870. 4.2.3

Toetsing <PM aanvullingen proefboringnajaar 2021> Cultuurhistorie / HIA Het totaaleffect van de twee zonnevelden op de van de Universele Uitzonderlijke Waarden, ofwel de Outstanding Universal Values (OUV) van het in aanwijzing zijnde werelderfgoed de Nieuwe Hollandse Waterlinie is neutraal tot gering negatief. Bij het voorgestelde ontwerp is geprobeerd om de opstelling van de zonnepanelen zo laag mogelijk te houden ten gunste van bestaande zichtlijnen vanaf de doorgaande wegen. Daarnaast zijn verschillende landschappelijke inpassingsmaatregelen getroffen om het directe zicht op de technische installaties te beperken en de bestaande structuur van het landschap te behouden. Het gaat hierbij om de aanleg van sloten en groene stroken rondom de percelen, die ervoor zorgen dat de percelen vanaf maaiveld opgaan in de rest van het landschap. Vanaf de oostelijk gelegen N421 en de noordelijk gelegen A12 bestaat zicht op de percelen zelf, waarmee over de groene zomen heen gekeken wordt. De zonnepanelen zelf komen daarmee in zicht, maar door de relatief geringe hoogte blijft er sprake van vlakwerking zonder verbijzonderingen met hoogteaccenten. Binnen de randvoorwaarden en mogelijkheden van de twee zonnevelden zijn er geen aanvullende adviezen denkbaar om het gering negatieve effect binnen het hoofdkenmerk Strategisch landschap veder te voorkomen.

Wel dient er aandacht te zijn voor het cumulerende effect van verglijkbare ontwikkelingen in hetzelfde effect. Wanneer bijvoorbeeld het gehele gebied ingericht wordt met zonnevelden, kan de impact groter worden op de hoofdkenmerken van de NHW.

Sectorale toetsen

27

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie / HIA staan de uitvoering van het project niet in de weg.

4.3

Bodem en Water

4.3.1

Beleid en regelgeving Bodem Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd. Oppervlaktewater Het projectgebied ligt in het beheergebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Het beleid van dit waterschap is verwoord in de Keur en Legger 2018, geldend vanaf 07-05-2021. In het beheerplan geeft het waterschap aan hoe het als wateroverheid de zorg voor voldoende en schoon water en bescherming tegen overstromingen. Op dit moment is HDSR bezig met het proces om een nieuwe Kaderrichtlijn Water (KRW) op te stellen. Deze KRW zal gelden voor de periode 2022-2027. Dat betekent dat op dit moment de waterkoers van 2016-2021 nog wordt gevolgd. Het waterschap maakt onderscheid in drie categorieën oppervlaktewaterlichamen. Deze zijn als volgt gedefinieerd: • • •

Primaire oppervlaktewaterlichamen; Secundaire oppervlaktewaterlichamen; Tertiaire oppervlaktewaterlichamen.

Grondwater Naast dat er voldaan moet worden aan de algemene regels van het waterschap gelden er ook eisen binnen het beoogde projectgebied t.a.v. het grondwater. Het initiatief is gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied Bunnik, nabij en deels aangrenzend het waterwingebied (zie Figuur 13). In de Interim Omgevingsverordening zijn regels voor grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen. In de Bijlage B is een memo opgenomen dat uiteenzet welke risico’s verwacht worden en in hoeverre er effecten zouden kunnen optreden op de waterkwantiteit en -kwaliteit. In deze paragraaf wordt de essentie toegelicht.

Sectorale toetsen

28

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing Figuur 13

Ligging van zonnepark A12 Bunnik in het grondwaterbeschermingsgebied

In de Interim Omgevingsverordening9 artikel 3.7, instructieregel ruimtelijke bescherming grondwater, voorheen Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), is vastgelegd dat ruimtelijke ontwikkelingen rekening moeten houden met het drinkwaterbelang. Hoe dit gedaan kan worden, staat in de Handreiking ruimtelijke bescherming drinkwaterwinningen10. In de Interim Omgevingsverordening artikel 3.2.3 Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden zijn regels opgenomen voor bedrijven en activiteiten in de beschermingsgebieden. In artikel 3.22 van de Interim Omgevingsverordening wordt verwezen naar een lijst van verboden inrichtingen en activiteiten. Zonneparken en hun bijkomende onderdelen zijn hier geen deel van. Wel staan er in artikel 3.23 enkele regels die eventueel gelden voor zonneparken. Zo is het niet toegestaan om meer dan 25 liter of kilogram van een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof voorhanden te hebben. Welke stoffen dit zijn is toegelicht in de bijlagen van de verordening. Ook is het verboden een potentieel voor het grondwater schadelijke stof onder bepaalde voorwaarden op te slaan in een grondwaterbescherminggebied. Verder geldt nog: “Bij het voorhanden hebben van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof met een hoeveelheid die minder is dan de hoeveelheid, bedoeld in

9

10

Sectorale toetsen

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/transform/NL.IMRO.9926.2020InterimVerordVA01/pt_NL.IMRO.9926.2020InterimVerord-VA01.xml#NL.IMRO.PT.sba28363b-df10-4362-92add5c168b9932b https://www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/bodem-water-en-milieu/ruimtelijke-beschermingen-gebiedsaanpak-drinkwaterwinning

29

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

het derde lid, worden bodembeschermende voorzieningen en maatregelen toegepast die de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden.” Naast deze regels is er een ‘Handreiking Grond- en oppervlaktewaterbescherming bronnen voor drinkwater bij ruimtelijke plannen’. In deze handreiking staat een stroomschema over de relatie tussen een ruimtelijk plan en waterkwaliteit waar aan getoetst wordt verder in deze paragraaf. 4.3.2

Beschrijving huidige situatie en ontwikkeling Bodem In de huidige situatie is sprake van een gebied van ca. 13,05 ha. gebruikt voor agrarische doeleinden. Om de huidige situatie betreffende de bodem en eventuele potentiële verontreinigingen daarvan in kaart te brengen, is gebruik gemaakt van het bodemloket. Hieruit wordt duidelijk dat er binnen de grenzen van het beoogde projectgebied geen bekende bodemverontreiniging aanwezig is. In Figuur 14 is in oranje aangegeven welke bodemonderzoeken al uitgevoerd zijn, in blauw het beoogde zonnepark. Alle omliggende onderzoeken resulteerden in onverdachte situaties. Alleen één van de drie onderzoeken bij het tankstation ten westen van het westelijk deel is verdacht. Echter is er geen verwachting dat dit impact heeft op de bodemsituatie ter plaatse van het zonnepark. Tevens is er op locatie geen historische activiteit bekend die potentieel verontreinigend is.

Figuur 14

Bodemonderzoeken Omgevingsdienst Utrecht (ODRU).

Ook is er gekeken naar de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Utrecht. Uit deze bodemkwaliteitszonekaart valt te herleiden dat het projectgebied gelegen is in de bodemfunctie ‘Landbouw/natuur’.

Sectorale toetsen

30

Zonnepark A12 Bunnik Ruimtelijke onderbouwing

Oppervlaktewater Binnen het gebied liggen een aantal sloten waarop de keur en bijbehorende leggers van waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) van kracht zijn. Figuur 15 laat zien dat er aan de noordzijden van beide delen van het beoogde zonnepark primair oppervlaktewateren zijn gesitueerd. Door het oostelijk deel loopt een sloot die is geclassificeerd als tertiair oppervlaktewater. In het geval van zonnepark A12 Bunnik worden primaire oppervlaktewaterlichamen door HDSR onderhouden. De tertiaire oppervlaktewaterlichamen worden door aangelande perceeleigenaren onderhouden. Aan de noordzijde van de primaire oppervlaktewaterlichamen aangrenzend aan het zonnepark gelden beschermingszones. Deze zones gelden niet voor de zuidzijden van delen van deze sloten. Op de zuidzijden liggen percelen die deel zijn van het zonnepark. De tertiaire oppervlaktewaterlichamen in het gebied kennen geen beschermingszones. Figuur 15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bunnik&id=fd7cd3df-aeee-4dfa-b67a-65c5e8ecefcb