Wmo Verordening 2025
Tekst van het document
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum 2025 Inleiding In de gemeente Brunssum vinden we het belangrijk dat onze inwoners kunnen blijven meedoen in de maatschappij en in staat worden gesteld om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen (de doelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Een deel van de Brunssummers kent voldoende uitdagingen gedurende zijn/haar leven. Uitdagingen die allereerst zelf opgelost kunnen worden, eventueel met behulp van anderen. Samen met elkaar kunnen we veel uitdagingen aan (van zelfredzaamheid naar samenredzaamheid). Dit is dan ook een essentieel uitgangspunt van de gemeente Brunssum: we zetten in op een sterke sociale basis waarbij we geloven in de eigen kracht van de Brunssummers, waarbij we naar elkaar omzien en elkaar ondersteunen. Dit doen we vanuit de overtuiging dat eigen regie voeren over het leven, in het licht van de uitdagingen op fysiek, sociaal of mentaal vlak, de basis vormt voor een goed welzijn en welbevinden. Indien de hulpvraag niet op eigen kracht of met behulp van anderen opgelost kan worden, hebben we in Brunssum een breed scala aan algemene voorzieningen (in het kader de Wmo) die uitkomst kunnen bieden voor (een deel van) de hulpvraag.
Daarnaast is de Wmo onderdeel van een zorgstelsel waarbij er meerdere zorgwetten zijn, het is dus ook mogelijk dat er andere wettelijke voorzieningen zijn voor de hulpvraag. Als ook dit niet toereikend is voor het oplossen van de hulpvraag, kan de gemeente meedenken richting een oplossing en waar nodig gerichte ondersteuning inzetten. De gemeente kijkt dan naar uw situatie op alle relevante leefgebieden. In deze verordening zijn de regels die we hanteren als het gaat over hulpvragen binnen de Wmo vastgelegd. Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1: Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - algemeen gebruikelijke voorziening: een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel die niet exclusief bedoeld is voor individuen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, feitelijk toegankelijk is, adequaat bijdraagt aan het creëren van een omgeving die zelfredzaamheid of participatie van de client ondersteunt en financieel haalbaar is voor personen met een inkomen op het minimumniveau; - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4.
en 2.1.4a van de wet; - CVV: collectief vraagafhankelijk vervoer; - financiële tegemoetkoming: een geldbedrag dat een inwoner van Brunssum krijgt als niet kostendekkende (forfaitaire) tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren, zoals een verhuiskostenvergoeding; - financiële tegemoetkoming meerkosten: een financiële tegemoetkoming die tot doel heeft om mensen die meerkosten hebben in verband met hun beperking of chronisch probleem financieel te ondersteunen, met als doel het versterken en ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie; - gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - nadere regels/regeling: vigerende Nadere regels Wmo Opvang en Beschermd wonen gemeente Brunssum;
vigerende Nadere regels Wmo gemeente Brunssum. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan (een deel van) de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; - wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - woningaanpassingen: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte; Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader of deels worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). -
2.
Hoofdstuk 2: Melding onderzoek en aanvraag Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke opvang en beschermd wonen Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een door centrumgemeente Heerlen uitgevoerde voorziening voor opvang of beschermd wonen in aanmerking komt. Artikel 3. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de cliënt op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet te overhandigen. De cliënt kan verzoeken om hulp te krijgen bij het opstellen van het persoonlijk plan door middel van cliëntondersteuning. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel 4. Cliëntondersteuning 1.
Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet en wijst de cliënt en mantelzorgers op de mogelijkheid om hiervan gebruik te maken. Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt indien nodig zo spoedig mogelijk met de cliënt een afspraak voor een gesprek. Voorafgaand aan dit gesprek wordt geïnventariseerd welke gegevens reeds bekend zijn, zodat herhaalde informatieverzoeken worden voorkomen. 2. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
f.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb), waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 3. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 4.
Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Artikel 6. Advisering 1. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies bij een door het college aangewezen adviesinstantie in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek en bevragen of een onderzoek door een daartoe aangewezen adviesinstantie als bedoeld in lid 1 laten uitvoeren. 3. Het college informeert de cliënt, zijn mantelzorger en zijn eventuele vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten over de uitkomsten en inhoud van het advies. Artikel 7. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt zo spoedig mogelijk een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen kunnen door of namens de cliënt aan het verslag worden toegevoegd voordat de cliënt of diens vertegenwoordiger het verslag tekent voor gezien. Indien er geen opmerkingen of latere aanvullingen zijn tekent cliënt het verslag eveneens voor gezien of akkoord en stuurt het naar het college. HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 8.
Aanvraag 1. Een cliënt, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven. 2. Het college neemt het verslag als bedoeld in artikel 7 als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 3. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. 4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college ambtshalve een besluit nemen tot verstrekking van een voorziening indien het gaat om een aanpassing van een reeds toegekende voorziening.
Artikel 9. Beschikbare maatwerkvoorzieningen 1. De navolgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Hulp bij het huishouden; b. Begeleiding; c. Vervoer (van en naar dagbesteding); d. Collectief vraagafhankelijk vervoer; e. Kortdurend verblijf, logeeropvang, respijtzorg; f. Hulpmiddelen; g. Woningaanpassingen; h. Verhuiskostenvergoeding. Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische, psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit het sociale netwerk; v. met gebruikmaking van algemene voorzieningen; vi. andere voorzieningen. b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii.
met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit het sociale netwerk; v. met gebruikmaking van algemene voorzieningen; vi. andere voorzieningen. 2. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op het voorgaande lid in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. de maatwerkvoorziening levert, met inachtneming van de uitkomsten van het onderzoek zoals bedoeld in hoofdstuk 2, artikel 5, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit ter compensatie voor de beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen, die ertoe leiden dat de cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie; b. het college kent in beginsel, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst adequate voorziening toe; c. de maatwerkvoorziening dient langdurig noodzakelijk te zijn, tenzij het gaat om kortdurende hulp bij het huishouden of begeleiding, en de verstrekking leidt tot het verbeteren van de participatie en zelfredzaamheid, d.
als het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie;
3.
4.
5.
Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en b. het een van de volgende voorzieningen betreft, waarbij de hoogte bij nadere regels wordt bepaald: 1°. Verhuiskostenvergoeding; 2°. Een tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning; Bij de toekenning van een maatwerkvoorziening voor vervoer ten behoeve van het verplaatsen binnen de regio geniet het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) het primaat boven de verstrekking van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming. Uitzondering hierop zijn de vervoersvoorzieningen die om medische redenen en/of andere zwaarwegende redenen niet ingevuld kunnen worden door de toekenning van een collectieve vervoersvoorziening. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening (in de vorm van CVV) wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, hiertoe wordt een maximale omvang bepaald in de nadere regels.
Artikel 11 Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; c. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; d. als cliënt geen inwoner is van de gemeente Brunssum, met uitzondering van beschermd wonen en opvang; e. als het een voorziening betreft die de cliënt voor, dan wel, na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend; f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan een cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; g.
voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie; h. voor zover een cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande; i. deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; j. de cliënt of zijn huisgenoten bij gebruikelijke hulp onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek en de noodzaak en geschiktheid van de gevraagde voorziening hierdoor niet kan worden vastgesteld conform artikel 2.3.8 lid 3 van de wet; k. in het geval van een vervoersvoorziening: indien een veilige stallingsmogelijkheid ontbreekt en ook niet te realiseren is (met aanpassingen) in eigen woning, op eigen perceel of in het wooncomplex; 2. Geen woningaanpassing en/of verhuiskostenvergoeding wordt verstrekt:
a.
voor zover er geen sprake is van beperkingen in het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben; b. voor zover de beperkingen in de het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; c. ten behoeve van hotels/pensions, kloosters, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en herinrichting; d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft; e. indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing is; f. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college; g. ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. 3. In afwijking van lid 5 sub k en artikel 2.3.5.
lid 6 van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling verblijven slechts één woning bezoekbaar gemaakt worden. Artikel 12. Primaat van verhuizen Vanaf de start van de melding wordt het alternatief van verhuizen (primaat van verhuizen) meegenomen indien de overwogen woningaanpassing(en) naar verwachting duurder zal/zullen zijn dan € 5.000, -. Bij de bepaling van de kosten van de woningaanpassing(en) wordt rekening gehouden met de voorzieningen die nu en binnen afzienbare tijd noodzakelijk zijn. Artikel 13 Onderscheid professionele en informele ondersteuning 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor diensten, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele ondersteuning en informele ondersteuning. 2. Van professionele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen of organisaties, met uitzondering van sociaal netwerk, bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt dan wel personen woonachtig naast of tegenover de cliënt: a. een aanbieder die door de gemeente Brunssum voor ondersteuning in natura is gecontracteerd voor de betreffende dienstverlening; b. personen die werkzaam zijn bij een instelling die: i. ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 onderdeel b van het Handelsregisterwet 2007); ii.
professionals inzet die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en die een salaris of vergoeding ontvangen dat daarmee overeenkomstig is; iii. werkt conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een erkende/geldende methodiek onderdeel is; iv. voldoet aan de overige kwaliteitseisen die voor de betreffende dienst in natura worden gesteld of door het college is vastgesteld dat de kwaliteit van de geboden dienstverlening daaraan gelijkwaardig is; c. personen die aangemerkt zijn als zelfstandigen zonder personeel (zzp) die:. i. ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 onderdeel b Handelsregisterwet 2007); ii. beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;
iii.
3.
werken conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een erkende/geldende methodiek onderdeel is; iv. voldoen aan de overige kwaliteitseisen die voor de betreffende dienst in natura worden gesteld of door het college is vastgesteld dat de kwaliteit van de geboden dienstverlening daaraan gelijkwaardig is; Informele ondersteuning is: a. ondersteuning die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, of personen die (werkzaam zijn bij een instelling die) niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. ondersteuning die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, of werkzaam zijn bij een aanbieder die voldoet aan de criteria als genoemd in lid 2, maar sociaal netwerk, bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt dan wel woonachtig zijn naast of tegenover cliënt;
Artikel 14. Regels voor PGB 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voor, dan wel, na de melding en voor datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming verleent. 3. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. waar middels het persoonsgebonden budget de ondersteuning zal worden ingekocht, en; c. op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen aan de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is, en; d. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel met een curator, mentor of gemachtigde, in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; e. hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is.
Daarbij is in elk geval van belang dat degene die de diensten verleent voor aanvang van de dienstverlening over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens beschikt, die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voorafgaand aan de datum waarop cliënt een melding heeft gedaan. In het geval dat een ander dan de cliënt de beheerder is van het persoonsgebonden budget, dient deze beheerder te beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag, zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voorafgaand aan het moment waarop cliënt een melding heeft gedaan voor het persoonsgebonden budget; f. hoe naar zijn mening adequaat invulling wordt gegeven aan elk van de tien punten van de pgbvaardigheidslijst; 4. Het is de budgethouder niet toegestaan het administratieve beheer van het persoonsgebonden budget (pgb) en de bemiddeling en/of levering van de voorziening (zorg) uit te besteden aan dezelfde organisatie of persoon. 5. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb e.
kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering
Artikel 15. Hoogte PGB 1. De hoogte van een pgb: a. wordt mede gebaseerd aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; 2. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a. een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; b. hulp bij het huishouden als er sprake is van informele ondersteuning, op basis van de volgende componenten: i. de kosten van de beroepskracht conform CAO VVT; ii. vakantiegeld; iii. vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; c. hulp bij het huishouden uitgevoerd door professionele ondersteuning, op basis van de volgende componenten: i.
de kosten van de beroepskracht conform CAO VVT; ii. vakantiegeld; iii. tegenwaarde vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; vi. werkgeverslasten; d. individuele begeleiding indien er sprake is van informele ondersteuning, op basis van de volgende componenten: i. de kosten van de beroepskracht conform FWG 40/45 van CAO Gehandicaptenzorg; ii. vakantiegeld; iii. tegenwaarde vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; e. individuele begeleiding uitgevoerd door professionele ondersteuning op basis van de volgende componenten: i. de kosten van de beroepskracht conform FWG 40/45 van CAO Gehandicaptenzorg; ii. ii. vakantiegeld; iii. tegenwaarde vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; vi. werkgeverslasten; f. groepsbegeleiding en dagbesteding: uitgevoerd door professionele ondersteuning op basis van het tarief zoals vastgesteld door Zorginstituut Nederland voor PGB bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg;
3.
4.
5. 6.
g. kortdurend verblijf- en respijtzorg: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg; h. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren; i. taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 1500 kilometers per jaar; j. een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd wanneer deze in natura zou worden verstrekt; k. het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd aan de hand van de gestandaardiseerde prijslijst die in de nadere regels en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer; Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een informele ondersteuner als: a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het eerste en tweede lid gehanteerde tarief, en b.
informele ondersteuning kan voor op onverplichte basis verleende maatschappelijke ondersteuning, in de vorm van kortdurend verblijf, een tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand worden betaald. Dit bedrag kan beschikbaar gesteld worden voor maximaal 1 persoon; c. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald; Bij professionele ondersteuning dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: a. de norm voor verantwoorde zorg zoals omschreven in het kwaliteitskader; b. gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak als onderdeel van verantwoorde zorg; c. systematische kwaliteitsbewaking; d. een meldplicht ten aanzien van calamiteiten en geweld; Bij informele ondersteuning dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: a. een meldplicht ten aanzien van calamiteiten en geweld. Het college kan nadere regels stellen voor proceskeuzes en aanvullende eisen met betrekking tot pgb.
Artikel 16. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke variant van het persoonsgebonden budget wordt gekozen; b. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden aangewend; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; d. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe hiertoe is gekomen; e. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; f. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld; g. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget;
h.
de wijze waarop adequaat invulling wordt gegeven aan de punten volgend uit de pgbvaardigheidstoets; 4. Als er sprake is van een te betalen bijdrage, wordt belanghebbende daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 17. Controle 1. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van de persoonsgebonden budgetten. Het gestelde in artikel 20 is van overeenkomstige toepassing. 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 3. Het college stelt in het besluit nadere regels met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel 18. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.
Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt; f. indien binnen een periode van twee jaar nadat de verhuiskostenvergoeding is verleend, de verhuizing en herinrichting niet heeft plaatsgevonden, is het college bevoegd het recht op de tegemoetkoming in te trekken; 4. Het college kan een pgb weigeren indien eerder toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10 van de wet zoals genoemd in lid 3 a, d en e van dit artikel. 5.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 6. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 7. Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid onder b tot en met e heeft herzien of ingetrokken, kan het college van de cliënt geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 8. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Artikel 19. Opschorting betaling uit het pgb
1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste lid. Artikel 20. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 2. Het college wijst voor de uitvoering van lid 1 een toezichthouder rechtmatigheid aan. HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten Artikel 21. Aanbod algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Was- en strijkservice b. Wijkbelbus c. Boodschappenplusbus d. Dagopvang (huiskamertref) e. Sociale eettafels en maaltijdvoorziening f. Beweegprogramma’s g. De scootmobiel- en rolstoelpool h. Algemeen maatschappelijk werk i. Open inloop (algemeen en GGZ) Artikel 22. Algemene voorzieningen en bijdrage in de kosten 1.
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van: a. De was- en strijkservice, ter hoogte van € 26,31 per 4,5 kg was; b. De wijkbelbus: abonnement € 6,00 per kwartaal en een ritprijs van € 2,00; c. De boodschappenplus bus: abonnement € 3,50 per maand en per activiteit wordt een vergoeding gevraagd. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit; d. Dagopvang (huiskamertref), de bijdrage bedraagt € 2,00 per deelname; e. Sociale eettafels en maaltijdvoorziening, de bijdrage bedraagt € 6,80 per hoofdgerecht en €1.10 per voorgerecht en € 0,80 voor een nagerecht; f. Beweegprogramma’s, een bijdrage per maand. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit; 2. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. Op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder a van dit artikel, kan een volledige vrijstelling worden toegepast voor cliënten, indien naar het oordeel van het college de (gedeeltelijke) overname van de wasen strijkverzorging noodzakelijk wordt geacht vanuit medisch oogpunt. 4. De in het eerste lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2024 en worden geïndexeerd aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex. 5.
Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel 23. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen (in natura, PGB of financiële tegemoetkoming) zijn gelijk aan het maximum conform het bepaalde in artikel 2.1.4a van de wet, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a,
3. 4.
5.
6.
7.
8.
vijfde lid van de wet, of hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is geen bijdrage verschuldigd voor een rolstoel en bijbehorende cliëntgerichte aanpassingen. Voor een cliënt tot 18 jaar wordt geen eigen bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het eerste lid, gehanteerd voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van een woningaanpassing. De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van een woningaanpassing voor een cliënt tot 18 jaar is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders conform artikel 2.1.5 van de wet. In afwijking van het tweede lid en artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening in de vorm van CVV €0,91 per zone, waarbij tevens altijd een opstapzone (€0,91) in rekening wordt gebracht. De in het vijfde lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in prijspeil 2024 en deze worden jaarlijks geïndexeerd. Het uitgangspunt hierbij is dat deze tarieven in lijn blijven met het OV-tarief. Het actuele tarief wordt kenbaar gemaakt op de website van Omnibuzz. De cliënt betaalt deze bijdrage aan de vervoerder. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb; c.
maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening; In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door Centraal Administratie Kantoor vastgesteld en geïnd.
Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en; b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte; d. indirecte tijd als gevolg van scholing en werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen; 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
5.
Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
Hoofdstuk 5: Kwaliteit en veiligheid Artikel 25. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken; e. het kunnen (blijven) beschikken over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde middels scholing; f. beroepskrachten die in contact kunnen komen met cliënten spreken en schrijven de Nederlandse taal op NT2 niveau. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisendoor periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliënt ervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 3.
Het college kan bij nadere regels aanvullende kwaliteitseisen stellen aan aanbieders in het kader van maatschappelijke ondersteuning. Artikel 26. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Hoofdstuk 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 27. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Cliënten kunnen door middel van een aanvraag bij het college in aanmerking komen voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorger(s) van cliënten. Een cliënt kan maximaal één aanvraag per kalenderjaar doen voor de waardering. 2. Het college kan bij nadere regeling regels stellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners van de gemeente Brunssum. Artikel 28.
Financiële tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1.7 van de wet verstrekken aan inwoners die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben. 2. De financiële tegemoetkoming meerkosten kan in ieder geval worden verstrekt voor de meerkosten voor een voorziening, dan wel een aanpassing aan een voorziening voor sportbeoefening. 3. De hoogte van de financiële tegemoetkoming meerkosten voor een sportvoorziening/rolstoel wordt bij nadere regels bepaald. HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 29. Klachtregeling
1. 2.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door hen verstrekte voorzieningen/diensten. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 30. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door hen verstrekte voorzieningen/diensten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 31. Betrekken van inwoners bij het beleid 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt vertegenwoordigers van cliëntgroepen in de vorm van een adviesorgaan vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende de Wet maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 32.
Hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 33. Nadere regels Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening. Artikel 34. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2022 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2022, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. 2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2025.
TOELICHTING Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure (cliënt en maatwerker) daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb . Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder.
Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1: Begrippen Ad Artikel 1. Begripsbepalingen
Een algemeen gebruikelijke voorziening is bijvoorbeeld een elektrische fiets. ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook de wettelijke definitie hieronder. Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.
- aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; - algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; - algemeen gebruikelijke voorziening: Een algemeen gebruikelijke voorziening verwijst naar diensten, hulpmiddelen, aanpassingen in een woning, of andere maatregelen die niet specifiek ontworpen zijn voor mensen met een beperking, maar door iedereen gebruikt kunnen worden. Deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk en dragen effectief bij aan het ondersteunen van zelfstandigheid of deelname aan de samenleving van de gebruiker. Bovendien zijn ze betaalbaar, zelfs voor mensen die slechts een minimuminkomen hebben. Het idee is dat deze voorzieningen algemeen beschikbaar zijn en niet exclusief bedoeld voor personen met een specifieke behoefte, waardoor ze een breed scala aan ondersteuningsmogelijkheden bieden zonder financieel onbereikbaar te zijn. - begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; - CVV: collectief vraag afhankelijk vervoer is een gemeenschappelijk vervoersysteem.
- cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; - cliёntondersteuning : onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; - gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; - maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°.
bieden van beschermd wonen en opvang; - maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; - mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; - participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; - persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; - sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt dan wel personen woonachtig naast of tegenover cliënt; - vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn
belangen ter zake; - voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; - woningaanpassing: Woningaanpassingen kunnen ervoor zorgen dat u, uw kind of andere naaste langer thuis kan blijven wonen. Het kan gaan om kleinere aanpassingen, zoals handgrepen in de badkamer, tot een verbouwing om bijvoorbeeld het huis helemaal rolstoelgeschikt te maken. - zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). HOOFDSTUK 2: Melding onderzoek en aanvraag Ad Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke opvang en beschermd wonen Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in aanmerking komt. Daartoe heeft het college van de gemeente Brunssum de “Nadere regels Wmo opvang en beschermd wonen Gemeente Brunssum 2024” vastgesteld.
In deze nadere regels is te lezen dat de toegang ten aanzien van beschermd wonen en opvang is geregeld via het Regionaal Loket Opvang en Beschermd Wonen (LOBW). Ad artikel 3 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als uitwerking van de verplichting om te bepalen op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang (artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet). In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Artikel 3 verankert in lijn daarmee in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet direct kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.
Eerste lid De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De melding kan bovendien ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Als een cliënt, al dan niet in verband daarmee, behoefte heeft aan ondersteuning bij het verhelderen van zijn ondersteuningsbehoefte, dan wordt de cliënt hierbij ondersteund. Tweede lid In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), of in overleg met cliënt langer duurt, is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Overeenkomstig artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet, moet het college ervoor zorgen dat er voor alle inwoners cliëntondersteuning beschikbaar is.