CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 98 (bijlage) 231107_Victoriapark_vastgesteld_Toelichting__202358433__

Commissie Ruimte en Techniek 21 november 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan "Victoriapark"; Gemeenteblad 2023/9828.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren verder zal ontwikkelen, en de geluidshinder die de warmtepompen veroorzaken steeds meer zullen afnemen. Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2012 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Daaruit volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit - weliswaar een regulering van de geluidemissie van zo'n pomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels. Door Target is ook onderzoek verricht naar de cumulatieve belasting van warmtepompen. Dat onderzoek (d.d. 7 juni 2023, kenmerk 20210050.05) is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Aangezien de exacte uitvoering van de woningen, het type pomp en de wijze van opstellen van die pompen in deze fase (bestemmingsplan) nog niet bekend zijn, is aansluiting gezocht bij gangbare types warmtepompen, met een gangbaar bronvermogen en een gangbare wijze van opstellen op het dak van de woningen.

Daaruit blijkt dat de gecumuleerde belasting voldoet aan de 45 en 40 dB in respectievelijk de dag- en nachtperiode. Ook is onderzocht wat de cumulatieve belasting van de pompen en het wegverkeer bedraagt. Dat blijkt op geen enkel rekenpunt te leiden tot een toename van meer dan 1,5 dB. Een dergelijke beperkte toename is voor het

bestemmingsplan Victoriapark

55

menselijk oor niet waarneembaar, waarmee ook kan worden gesteld dat nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij toepassing van warmtepompen. 4.4.5 Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat zowel wegverkeerslawaai als het gecumuleerd geluid van eventuele toe te passen warmtepompen de uitvoerbaarheid van het plan niet belemmert en er met voorliggend plan wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

56

bestemmingsplan Victoriapark

4.5.2 Toetsing In juni 2009 is ten behoeve van het Masterplan Centrum Brunssum en het bestemmingsplan “Doorsteek Centrum” een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormde voor het in dat bestemmingsplan opgenomen planvoornemen. Ten behoeve van het uitwerkingsplan Uitwerking Doorsteek Centrum heeft naderhand in 2014 een nieuwe toetsing plaatsgevonden aan het criterium ‘niet in betekenende mate’ en is in het kader van de goede ruimtelijke ordening opnieuw onderzocht of sprake is van een dreigende grenswaarde-overschrijding om zodoende onacceptabele gezondheidsrisico’s te kunnen uitsluiten. Ook van dat onderzoek was de conclusie dat het programma waarin het programma voorzag (70 woningen en 6.600 m2 detailhandel), niet in betekenende mate zou bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook bleek uit het onderzoek dat voor de peiljaren 2012, 2015 en 2020 geen sprake was van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) of fijn stof (PM10 en PM2,5) en dat de luchtvervuilende stoffen naar verloop van tijd (2015, 2020) bovendien verder zouden afnemen. Blootstelling aan onaanvaardbare gezondheidsrisico’s vanwege luchtvervuiling kon derhalve redelijkerwijs worden uitgesloten.

Van de beoogde 6.600 m2 aan detailhandel is slechts circa 2.600 m2 gerealiseerd binnen fase 1a en 1b van het oorspronkelijke plan Doorsteek Centrum en wordt met onderhavig bestemmingsplan de resterende circa 4.000 m2 aan plancapaciteit weer geschrapt. Het programma wordt daarmee aanzienlijk beperkter. Als gevolg van de te realiseren doorsteken tussen de Kerkstraat en het binnenterrein gaat ook zowel de feitelijke oppervlakte als de plancapaciteit aan commerciële functies aan de Kerkstraat omlaag. Per saldo is er daarom geen toename van functies anders dan wonen. Voor wat betreft het aantal woningen geldt dat van de toegelaten 70 woningen er slechts 45 zijn gerealiseerd als onderdeel van fase 1a en 1b. Onderhavig bestemmingsplan voegt maximaal 90 nieuwe woningen toe, als gevolg waarvan de plancapaciteit met maximaal 50 woningen toeneemt. Gelet op dit aantal wordt voldaan aan het criterium 'niet in betekende mate'.

Uitgaande van kaartmateriaal van het RIVM over 2020 (jaargemiddelde) als beschikbaar via de Atlas Leefomgeving ten tijde van het opstellen van deze toelichting zijn de volgende cijfers beschikbaar over de luchtkwaliteit binnen het plangebied: fijnstof (PM2,5) : circa 8,7 µg/m3 (norm is 25, WHO-advieswaarde 2021 is 5); fijnstof (PM1 0) : circa 15 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 15); stikstofdioxide (NO2 ) : circa 11,4 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 10). Gezien voorgaande cijfers voldoet de kwaliteit aan de norm (EU-grenswaarde), maar niet aan de door de World Health Organisation (WHO) geadviseerde normen voor finstof PM2,5 en NO2 . Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de advieswaardes door de WHO eind 2021 zijn aangescherpt (PM2,5 was 10 µg/m3 , PM1 0 was 20 µg/m3 en NO2 was 40 µg/m3 ). Aan de tot voor kort geadviseerde waarden wordt dus wel voldaan. Hoewel 2020 in verband met Corona een bijzonder jaar was, waarbij de concentraties van de genoemde stoffen 10 tot 20% lager lagen, was in de jaren daarvoor ook al een daling van die concentraties te zien (bron: Atlas Leefomgeving). Daarnaast wordt in het kader van het Schone Lucht Akkoord in Nederland gewerkt aan de ambitie om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. Daarbij wordt een gezondheidswinst van 50% in 2030 nagestreefd, ten opzichte van de situatie in 2016.

bestemmingsplan Victoriapark

57

4.5.3 Conclusie Gelet op het voorgaande draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Tevens zijn in het kader van de omgekeerde werking ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 te verwachten en zodoende een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang.

De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.

Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).

58

bestemmingsplan Victoriapark

4.6.2 Toetsing Met behulp van de gegevens uit het Register Risicosituaties Gevaarlijke stoffen (RRGS) kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de Signaleringskaart Externe veiligheid, welke kaart die gegevens op basis van gegevens uit het RRGS inzichtelijk maakt.

Uitsnede Signaleringskaart Externe veiligheid met aanduiding locatie in blauw

Inrichtingen De meest nabij gelegen inrichting die op de kaartuitsnede is aangegeven, zijn de inrichting 'Van de Moortele', die op een afstand van circa 1,2 kilometer van het plangebied is gelegen, op het bedrijventerrein Rode Beek. Verder zijnd e meest nabij gelegen inrichtingen een tankstation met verkoop van lpg aan de Echterbaan te Schinveld en de 'Limburgse Urethaan Chemie' aan de Boschstraat, welke inrichtingen op een nog grotere afstand van het plangebied zijn gelegen. Gezien voorgaande uitsnede van de signaleringskaart EV reiken de invloedsgebieden van die inrichtingen niet tot aan het plangebied. Derhalve zijn deze inrichtingen niet relevant voor onderhavig planvoornemen. Verder is van belang dat ten noordwesten van het plangebied, aan de overzijde van het Koutenveld het zwembad 'De Bronspot' is gelegen. Voor het desinfecteren van het zwemwater wordt vaak chloorbleekloog gebruikt, hetgeen op zichzelf geen giftige vloeistof betreft, maar wel veiligheidsrisico's met zich mee kan brengen bij het vrijkomen van chloorgas, wanneer de vloeistof in contact komt met (zout)zuur, en in het geval van brand. Zwembaden vallen niet onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) en zwembaden zijn

bestemmingsplan Victoriapark

59

ook niet genoemd in het Registratiebesluit externe veiligheid inrichtingen (REVI), waardoor zwembad 'De Bronspot' niet als risicovolle inrichting zichtbaar is in voorgaande uitsnede van de Signaleringskaart EV en ook geen veiligheidsafstanden vanuit het groeps- en/of plaatsgebonden risico (PR 10-6 risicocontour) gelden. Het invloedsgebied (1% letaal) ligt ingevolge de 'Leidraad risico-inventarisatie gevaarlijke stoffen' op 90 meter vanaf de opslag van natriumhypochloriet, waardoor deze contour niet overlapt met de locaties waarop de nieuwe woningen zijn voorzien. Transport De Buitenring Parkstad (N300) is op geruime afstand (1+ kilometer) van het plangebied gelegen. Voor wat betreft de Buitenring gaat het voornamelijk om bevoorrading van tankstations en transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. De bijbehorende invloedsgebieden bedragen 45 meter voor LF1 en LF2 en 355 meter voor GF3. Daarom is de N300 niet van invloed op het plangebied. Buisleidingen De meest nabijgelegen buisleiding bevindt zich op circa 850 meter ten zuiden van het plangebied. Het betreft een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie (kenmerk: Z-503-05). Het plangebied is ruim buiten het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen (zie uitsnede Signaleringskaart EV). Derhalve is de buisleiding niet relevant voor onderhavig planvoornemen.

4.6.3 Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer¹. a. b. c. d. e.

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken².

¹ = ‘Leidingen die deel uitmaken van een inrichting’ zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). ² = Onder zgn. ‘leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor het project betekenen. In het straatprofiel van de omliggende wegen zijn wel de reguliere leidingen voor gas, water, elektra en telefonie/internet gelegen.

60

bestemmingsplan Victoriapark

4.6.4 Conclusie Het omgevingsaspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen, daar het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de meest nabijgelegen risicobronnen (leidingen, inrichtingen en transportroutes). Wel is het zwembad 'De Bronspot' een aandachtspunt. Dit leidt echter niet tot onacceptabele risico's, zeker wanneer met de daaraan verbonden risico's rekening wordt gehouden bij de verdere uitwerking van de bouwplannen binnen het noordwestelijk deel van het plangebied.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Wettelijk kader Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. Werking handreiking op hoofdlijnen: functiescheiding of functiemenging? In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. Deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden ingedeeld in een milieucateogrie variërend van 1 tot 6. De daarmee samenhangende milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.

De hiervoor beschreven methode gaat echter uit van functiescheiding. De opgenomen richtafstanden gelden tussen tussen een gebied met milieubelastende acticviteiten enerzijds en voor milieugevoelige gebieden, zoals woonwijken, anderszijds. Deze methode is echter niet geschikt voor gebied waarin deze functies smen komen. Voor die gebieden introduceert de handreiking een andere systematiek, uitgaande van een drietal categorieën activiteiten: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen (vrijstaand van); Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg.

bestemmingsplan Victoriapark

61

Bij deze systematiek hoort ook een andere bedrijvenlijst dan wordt gehanteerd bij functiescheiding. 4.7.2 Toetsing De niet-woonfuncties die binnen onderhavig plangebied zijn c.q. worden toegestaan, dan wel in de directe omgeving van het plangebied voorkomen (detailhandel, dienstverlening, winkelondersteunende horeca en consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten) vallen onder categorie A, hooguit B. De binnen het plangebied aanwezige danwel geprojecteerde woningen zijn grotendeels afgescheiden van de voornoemde functies. Voor zover sprake is van dergelijke functies op de begane grond en wonen op de verdiepingen, geldt dat bij moderne bouw conform Bouwbesluit 2012 sprake zal zijn van een voldoende isolatieniveau om onevenredige geluidhinder te voorkomen. Voor wat betreft geur geldt dat het Activiteitenbesluit voldoende vwarborgen bevat om (onevenredige) geurhinder bij bijvoorbeeld horeca te voorkomen. 4.7.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de te realiseren woningen geen belemmerende werking hebben op de nabijgelegen bedrijven en de bedrijven geen belemmering vormen voor het waarborgen van een goed woonen leefklimaat.

4.8

Waterparagraaf

In het kader van de watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat. 4.8.1 Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Brunssum in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas (2016-2021) is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Daarnaast is het ontwerp-stroomgebiedenbeheersplan Rijn, Maas, Schelde en Eems (2022-2027) vastgesteld. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv.

Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen. Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.

62

bestemmingsplan Victoriapark

Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen.

De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.

4.8.2 Regionaalen gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder doorvertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, te weten het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas. Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdende stroomgebied benadering middels een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het

bestemmingsplan Victoriapark

63

solidariteitsprincipe in acht genomen worden en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Limburgs water in een veranderend klimaat' Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld. Het betreft het centrale beleidsen uitvoeringsplan van het waterschap. In dit document wordt de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg uitgezet. Het waterschap beschrijft hierin hoe: inwoners worden beschermd tegen overstromingen vanuit de Maas; de juiste balans kan ontstaan tussen water afvoeren en water vasthouden; het water schoon wordt (gehouden) en wateren natuurlijk worden ingericht; rioolwater wordt gezuiverd en daarbij grondstoffen worden teruggewonnen en gebruikt. 4.8.3

Waterhuishoudkundige situatie

Huidige situatie Binnen het plangebied zijn geen oppervlaktewateren of waterstaatkundige werken aanwezig. Hemelwater afkomstig van de daken van de bestaande bebouwing aan de Kerkstraat wordt hoofdzakelijk afgevoerd via het riool onder de Kerkstraat. Voor de recent gerealiseerde bebouwing aan het Koutenveld/Jan Akkermansplein/Schiffelerstraat (fase 1a en 1b oorspronkelijke plan Doorsteek Centrum) wordt het hemelwater geborgen op de daken en vervolgens vertraagd afgevoerd via het riool onder het Koutenveld.

Wateropgave - nieuwe situatie Als gevolg van het planvoornemen zal enerzijds sprake zijn van een toename van de bebouwing aan de noordzijde en aan de zuidzijde van het plangebied, door toe toevoegen van een tweetal gebouwen. Er zal echter sprake zijn van een afname van het verhard oppervlak, omdat voor de huidige parkeerplaats een parkachtige omgeving in de plaats komt, die ook mogelijkheden biedt om hemelwater afkomstig van de de bestaande, aangrenzende gebouwen af te koppelen van het riool en alsnog - in ieder geval deels - binnen het plangebied in de bodem te infiltreren. De wijze waarop dat zal worden ingevuld is afhankelijk van de inrichting van de parkachtige omgeving die centraal binnen het plangebied wordt aangelegd en of en zo ja, waar ondergronds zal worden voorzien in ondergrondse parkeerruimte. Dat een klimaatadaptieve inrichting zal plaatsvinden volgt reeds uit de vastgestelde centrumvisie, de bijbehorende uitvoeringsparagraaf, het voor het centrum vastgestelde stedenbouwkundige kwaliteitskader en het Ambitiedocument Duurzame Ontwikkeling Brunssum Centrum als beschreven in hoofdstuk 2 van deze toelichting.

Bij de verdere uitwerking van te treffen voorzieningen worden de volgende (gemeentelijke) uitgangspunten voor de omgang met het hemelwater gehanteerd: Het regenwater van nieuw te bouwen bouwwerken in bouwplannen dient te worden opgevangen en hergebruikt, of in de bodem te worden geïnfiltreerd. Hiervoor dient een infiltratieonderzoek uitgevoerd te worden. Een infiltratievoorziening dient een bergende capaciteit te hebben van 50 mm van het aangesloten verhard oppervlak. (5 m3 per 100 m2). In de standleiding van de dak afvoer dient een bladafscheider geplaatst te worden en voor de infiltratievoorziening dient een zandvang te worden aangebracht. De overloop van de infiltratievoorziening mag aangesloten worden op het gemeentelijk riool. Wanneer uit het infiltratieonderzoek blijkt (ter beoordeling van de gemeente) dat de ondergrond niet geschikt is voor infiltratie dient het regenwaterriool (RWA-riool) te zijn aangesloten op een open of gesloten bergingsvoorziening met een bergende capaciteit van 50 mm van het aangesloten verhard oppervlak (5 m3 per 100 m2). In de standleiding van de dak afvoer dient een bladafscheider geplaatst te

64

bestemmingsplan Victoriapark

worden en voor de bergingsvoorziening dient een zandvang te worden aangebracht. De afvoer van de bergingsvoorziening richting gemeentelijk riool dient te worden geknepen d.m.v. een RWA-riool met een maximale diameter van 125 mm. Bij grote bergingen dient de leegloopleiding zodanig te zijn gedimensioneerd dat deze weer binnen 24 uur leeg is. Voor het bergen van regenwater van een dak zou een groen-dak (sedumdak) tot de mogelijkheden kunnen behoren. Verhardingen dienen zodanig aangelegd te worden dat ze niet afwateren richting bebouwing en de bouwpeilen zodanig bepaald, dat bij hevige regenval (water op straat situaties) het water niet de bouwwerken in kan stromen. Het te bergen regenwater dient niet in contact te komen met uitloogbare bouwmaterialen. In gebieden waar het regenwater wordt afgekoppeld dient waar mogelijk gebruik te worden gemaakt van niet-milieubelastende gladheidbestrijding en niet-chemische onkruidbestrijding. Het afvalwater afkomstig van toiletten , spoelbakken e.d. aansluiten via het vuilwaterriool (DWA-riool) op het gemeentelijk riool. Schrobputjes dienen op het vuilwaterriool te worden aangesloten. Infiltratieonderzoek Door Aelmans is een onderzoek verricht naar de doorlatendheid van de bodem, dat als Bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 5 augustus 2022, kenmerk E222682.004/RKR).

Daaruit blijkt kortgezegd dat de doorlatendheid van de ondergrond onvoldoende is. Directe infiltratie in de ondiepe ondergrond is niet mogelijk. Een gereguleerde afvloeiiing naar een wadi of grindkoffer in combinatie met grindpalen behoort wel tot de mogelijkheden.

Uitwerking en borging De uitwerking van de wijze van bergen en zo mogelijk infiltreren zal plaatsvinden bij de uitwerking van de bouwplannen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de resultaten van voornoemd onderzoek en de eerder genoemde gemeentelijke uitgangspunten voor de omgang met hemelwater. Dat wordt voorzien in een bergings- en zo mogelijk een infiltratieoplossing met voldoende capaciteit, is geborgd in de planregels (artikel 8.5).

4.9

Flora en Fauna

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming 2017 die op 1 januari 2017 in werking is getreden. 4.9.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied, maar rondom Brunssum liggen wel de gebieden Brunssumerheide, Geleenbeekdal en Tevener Heide. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en

bestemmingsplan Victoriapark

65

geluid vanuitnodnerhavg plangebied zijn gezien de afstand tot de genoemde gebieden (> 1,5 km) redelijkerwijs niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de omvang van de voorgenomen plannen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand echter niet uit te sluiten zonder onderzoek. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot het de Programmatische Aanpak Stikstof, moeten voor nieuwe ontwikkelingen de toename en mogelijke effecten van stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt worden ten aanzien van Natura2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming. Hierbij dient te worden uitgegaan van de 'feitelijke aanwezige' planologische legale situatie ten tijde van de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan (AbRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2756). Door middel van een berekening met de AERIUS-calculator is inzichtelijk gemaakt of het plan bijdraagt in een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit die berekening volgt dat de voorgenomen ontwikkeling in de 'gebruiksfase' niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, maar in beginsel wél voor een deel van de realisatiefase.

Aangezien er echter interne saldering kan plaatsvinden met stookemissies vanwege de in de huidige situatie aanwezige woningen en commerciële ruimtes, is er per saldo toch géén sprake van een toename van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. De Notitie beoordeling stikstof is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. 4.9.2 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie.

OM inzicht te krijgen in de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten binnen het plangebied en de gevoglen van het planvoornemen voor die soorten en hun voortplantings- en verblijfplaatsen, is door Bureau Verbeek een verkennend natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (d.d. 10 november 2021, kenmerk NL BR-402.003), bij welk onderzoek ook gebruik is gemaakt van de eerder binnen het plangebied uitgevoerde onderzoeken ten behoeve van het oorspronkelijke plan Doorsteek Centrum. Het onderzoek is als Bijlage 7 opgenomen bij deze toelichting. 4.9.3 Toetsing: verkennend onderzoek Aan de hand van de resultaten van het veldbezoek van Verbeek en de gegevens uit de door Verbeek geraadpleegde literatuur is een aantal conclusies getrokken aangaande het voorkomen van beschermde flora en fauna in het onderzoeksgebied. 1. 2.

3. 4.

66

Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied geen bijzondere natuurwaarden aangetroffen. Ten aanzien van wettelijk beschermde flora en fauna valt in het onderzoeksgebied te rekenen met de aanwezigheid van een aantal algemene broedvogelsoorten waaronder mogelijk soorten met jaarrond beschermde nesten, alsmede met de mogelijke aanwezigheid van de Gewone dwergvleermuis, Steenmarter, Gierzwaluw en Huismus. Wettelijk beschermde soorten vaatplanten, mossen, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden zijn in het onderzoeksgebied niet te verwachten. In vergelijking met de eerder situatie (2017) is de begrenzing van het onderzoeksgebied iets gewijzigd en is het westelijk deel van het onderzoek heringericht als parkeerterrein. De conclusies in het onderhavige rapport wijken niet af van de conclusies van het in 2017 uitgevoerde verkennend

bestemmingsplan Victoriapark

natuurwaardenonderzoek, ten behoeve van het oorspronkelijke plan Doorsteek Centrum. Aan de hand van de hiervoor beschreven resultaten zijn de effecten van het voorgenomen plan beoordeeld. Ook bezien in hoeverre die effecten door middel van maatregelen kunnen worden ondervangen. Zoogdieren - vleermuizen Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vleermuizen (streng beschermd) opzettelijk te verstoren (door het verwijderen van de geleiding op de vliegroute), te doden (door het slopen van bijvoorbeeld bebouwing met bewoonde vaste verblijfplaatsen) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door het rooien van holtebomen, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuizen is niet uit te sluiten. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om vast te kunnen stellen wat de gevolgen van de voorgenomen sloop van diverse panden aan de Kerkstraat zijn voor de lokaal aanwezige vleermuispopulatie. Essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes gaan niet verloren als gevolg van de voorgenomen ingreep. Conclusie: De voorgenomen herontwikkeling van het centrumgebied leidt mogelijk tot overtreding van verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming.

Vervolgstappen zijn noodzakelijk: Nader onderzoek op basis van het vleermuisprotocol 2021 is noodzakelijk in verband met de voorgenomen sloop en verbouw van panden aan de Kerkstraat. Dit onderzoek vindt plaats in de periode mei-oktober en is gericht op alle te slopen en te verbouwen panden. Indien vaste verblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis worden aangetroffen, dan is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (of Omgevingswet) noodzakelijk. In samenhang daarmee dienen alternatieve verblijfplaatsen voor de aangetroffen vleermuissoorten te worden aangeboden. Het type alternatief wordt bepaald op basis van de functie van de verblijfplaats en de aangetroffen soort. Ook dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden met betrekking tot de voorgenomen sloop en verbouwing (voorzorgsmaatregelen, planning), zodat de werkzaamheden vleermuisvrij uitgevoerd kunnen worden. Levert de eerste bullet geen vaste verblijfplaatsen op, dan is in relatie tot vleermuizen slechts de algemeen geldende zorgplicht op grond van artikel 1.11 uit de Wet natuurbescherming van toepassing.

Zoogdieren - Steenmarter Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Steenmarters (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het slopen van het gebouw, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Conform de provinciale omgevingsverordening bestaat voor de Steenmarter met betrekking tot het vangen van exemplaren en het vernielen of beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt van 15 augustus tot en met februari. Het onderzoeksgebied is mogelijk onderdeel van het leefgebied van Steenmarters. Het treffen van maatregelen in de aanloop naar de voorgenomen herontwikkeling van het centrum is daarom noodzakelijk. Conclusie: De voorgenomen herontwikkeling van het centrumgebied leidt mogelijk tot overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming, omdat tuinen en mogelijk ook panden toegankelijk zijn voor de Steenmarter. Voor deze soort kunnen de volgende maatregelen worden getroffen: In verband met de voorgenomen sloop en verbouwing van panden en herinrichting van (voormalige) tuinen is het wenselijk om voor aanvang van de werkzaamheden en in de vrijstellingsperiode voor de Steenmarter een schouw uit te voeren.

De ecologisch deskundige controleert alle onderhavige gebouw- en terreindelen op sporen van Steenmarter en geeft aan welke maatregelen gewenst zijn om het werk

bestemmingsplan Victoriapark

67

Steenmartervrij te kunnen uitvoeren. Eventueel dichtgezette doorgangen dienen vervolgens duurzaam in stand te worden gehouden tot aan de sloop/ verbouwing. De provinciale vrijstellingsperiode voor Steenmarter loopt van 15 augustus tot en met februari. Vogels zonder jaarrond beschermd nest Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vogels (alle inheemse soorten streng beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (door het rooien van een nestboom in het broedseizoen), nesten of eieren te vernielen of te beschadigen (door het rooien van de betreffende boom, of het ondermijnen van de functionaliteit van de nesten door het broeden te verstoren met werkzaamheden in de directe omgeving), of vogels opzettelijk te verstoren (door een ingreep te doen die het leefgebied verstoort, aantast of ongeschikt maakt). Dit laatste geldt overigens niet, indien de gunstige staat van instandhouding van de populatie er niet onder te lijden heeft. Veruit de meeste vogelsoorten bouwen jaarlijks een nieuw nest. Daarom is van verstoring of vernieling alleen sprake gedurende het broedseizoen, als het nest daadwerkelijk in gebruik is. Het rooien van de bomen zal, gezien de beperkte functionaliteit als nestlocatie, geen negatieve effecten opleveren voor de gunstige staat van instandhouding van de vogelstand ter plekke, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen.

Conclusie: Door rekening te houden met het broedseizoen kan overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming worden voorkomen: De opruim/sloop/verbouwingswerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden, globaal dus buiten de periode tussen 15 maart en 15 juli, of buiten deze periode te worden opgestart. Afhankelijk van het weer kunnen in het vroege voorjaar en de zomer al of nog vogelsoorten tot broeden komen. In deze periode is het wenselijk om uiterlijk twee weken voor de werkzaamheden een ecologische schouw uit te voeren naar de aanwezigheid van broedgevallen. Worden broedgevallen aangetroffen, dan dienen de uitvoeringswerkzaamheden uitgesteld te worden tot de jongen zijn uitgevlogen. Vogels met jaarrond beschermd nest Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vogels (alle inheemse soorten streng beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (door het rooien van een nestboom in het broedseizoen), nesten of eieren te vernielen of te beschadigen (door het rooien van de betreffende boom, of het ondermijnen van de functionaliteit van de nesten door het broeden te verstoren met werkzaamheden in de directe omgeving), of vogels opzettelijk te verstoren (door een ingreep te doen die het leefgebied verstoort, aantast of ongeschikt maakt).

Dit laatste geldt overigens niet, indien de gunstige staat van instandhouding van de populatie er niet onder te lijden heeft. In het onderzoeksgebied broeden mogelijk Huismus en Gierzwaluw. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om vast te kunnen stellen wat de gevolgen van de voorgenomen sloop zijn voor de lokaal aanwezige broedvogelpopulatie. Essentieel foerageergebied gaat mogelijk verloren indien in het onderzoeksgebied nestlocaties van Huismus aanwezig zijn. Alternatieve dekking biedende groenstructuren ontbreken namelijk vrijwel geheel in de directe omgeving. Conclusie: De voorgenomen herontwikkeling van het centrumgebied leidt mogelijk tot overtreding van verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Vervolgstappen zijn noodzakelijk: Nader onderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties van Huismus en Gierzwaluw is wenselijk. Dit onderzoek vindt plaats in de periode 10 maart t/m 20 juni (Huismus) en 1 juni tot 31 juli (Gierzwaluw). Dit onderzoek richt zich vooral op Kerkstraat 59-59b en Kerkstraat 81-91. Indien nestlocaties worden aangetroffen, dan is het treffen van mitigerende maatregelen (planning, werkwijze) en het aanbieden van vervangende nestlocaties noodzakelijk, tenzij uiteraard de bestaande

68

bestemmingsplan Victoriapark

nestlocaties behouden kan blijven. Daarbij is tevens het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Indien nestlocaties van Huismus worden aangetroffen, dan is het tevens wenselijk om in het plan voor herontwikkeling voldoende dekking biedende beplantingen (heesters, hagen, gevelgroen) op te nemen. Levert de eerste bullet geen nestlocaties op, dan is slechts de algemeen geldende zorgplicht op grond van artikel 1.11 uit de Wet natuurbescherming van toepassing. 4.9.4 Toetsing: nadere onderzoeken Gezien de resultaten van het verkennend onderzoek is een ander onderzoek verricht door Bureau Verbeek naar vleermuizen, de Huismus en de Gierzwaluw, dat als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 29 november 2022, kenmerk NL BR-402.003) De conclusie ten aanzien van de Huismus en de Gierzwaluw is dat er geen nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Voor wat betreft vleermuizen zijn de conclusies als volgt.

Verblijfplaatsen Er is een actieve paarverblijfplaats (met harem) van de Gewone dwergvleermuis aanwezig achter een boeiboord van de westgevel van het pand Kerkstraat 63, met mogelijk meerdere invliegopeningen. Deze verblijfplaats moet tevens worden aangemerkt als winterverblijfplaats.

Vliegroutes Tijdens de diverse onderzoeken zijn binnen het projectgebied (relatief beperkte) aantallen passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Delen van de projectlocatie fungeren dan ook als geleidend element binnen verbindingsroutes voor vleermuizen. De voorgenomen ingreep is echter van beperkte omvang en zal naar verwachting niet leiden tot een onoverbrugbare onderbreking in een eventueel langs het projectgebied aanwezige vliegroute van vleermuizen. De ingreep zal naar verwachting dan ook niet leiden tot een noemenswaardige aantasting in de functionaliteit van een eventueel aanwezige vliegroute. Daarnaast voorziet de directe omgeving van het projectgebied in ruim voldoende alternatieve geleidende structuren die een eventuele functie als vliegroute kunnen overnemen, mocht de geleidende functie binnen het projectgebied onverhoopt toch (tijdelijk en/of beperkt) achteruitgaan. Gelet op vorenstaande zal een eventueel binnen het projectgebied aanwezige vliegroute geen essentiële functie vervullen voor in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen. Een eventuele (tijdelijke/beperkte) achteruitgang van de geleidende functie binnen het projectgebied zal daarom geen nadelige invloed hebben op de vleermuispopulatie(s) binnen en in de omgeving van het plangebied. Vanuit de natuurwet- en regelgeving zijn daarom geen verdere acties nodig t.a.v.

vliegroutes voor vleermuizen.

Foerageerlocaties Tijdens de onderzoeken zijn binnen het projectgebied relatief lage aantallen foeragerende Gewone dwergvleermuizen waargenomen. Op grond van deze waarnemingen kan worden aangenomen dat het projectgebied slechts een marginale functie vervult als foerageergebied voor de Gewone dwergvleermuis. De omgeving voorziet daarnaast in ruim voldoende alternatieve foerageermogelijkheden die deze functie kunnen opvangen, mochten de foerageermogelijkheden rond het projectgebied (tijdelijk) verdwijnen. Een (tijdelijke) achteruitgang van de foerageermogelijkheden binnen het projectgebied zal daarom geen nadelige invloed hebben op de vleermuispopulatie(s) binnen en in de omgeving van het plangebied. Vanuit de natuurwet- en regelgeving zijn geen verdere acties nodig t.a.v. foerageerlocaties voor vleermuizen.

bestemmingsplan Victoriapark

69

4.9.5 Conclusie Gelet op het voorgaande zijn beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, net als de gevolgen van het planvoornemen in relatie tot de Wet natuurbescherming in voldoende vastgesteld. Wel is een ontheffing van de wet natuurbescherming nodig, maar daarmee is de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in het geding.

4.10

Cultuurhistorie en Archeologie

4.10.1 Wettelijk kader Op 16 januari 1992 is te Valletta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed tot stand gekomen (Verdrag van Malta). Op nationaal niveau is dit verdrag vervolgens vertaald, met name door de Monumentenwet 1988 te herzien. De wijzigingswet die daarin heeft voorzien, de zogenaamde Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), is op 1 september 2007 in werking getreden. De Wamz is gestoeld op dezelfde uitgangspunten als het Verdrag van Malta (primair een behoud van archeologische resten in de bodem (in situ), vroegtijdig rekening houden met het aspect archeologie bij ruimtelijke ontwikkelingen en het principe de ‘verstoorder betaalt’). Als gevolg van de herziene Monumentenwet 1988 hebben gemeenten een kerntaak bij de uitvoering van de archeologische monumentenzorg. Archeologie is een verplicht onderdeel geworden van ieder bestemmingsplan. Hiermee is archeologie voortaan een onlosmakelijk onderdeel van het ruimtelijk beleid. Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie.

Om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Binnen het kader van de Erfgoedwet (juli 2016), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, is men verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Wanneer dat onderzoek noodzakelijk is, volgt uit het gemeentelijk archeologiebeleid, waarvan een beleidskaart onderdeel uitmaakt, waarvan kan worden afgeleid bij welke oppervlakte en welke diepte van een voorziene bodemingreep onderzoek moet worden uitgevoerd. 4.10.2 Toetsing Voor een groot deel van het plangebied geldt dat het gebied voor wat betreft de archeologische verwachtingswaarde is vrijgegeven, op basis van een eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek ten behoeve van het Masterplan Brunssum. Die gebied valt samen met het plangebied van het bestemmingsplan Doorsteek Centrum. Voor dit gebied gelden daarom geen belemmeringen.

70

bestemmingsplan Victoriapark

Reeds onderzocht en vrijgegeven gebied, aangeduid als deelgebied 1a.

Voor het zuidoostelijk deel van het plangebied geldt wel nog een archeologische verwachtingswaarde. Het gaat deels om een middelhoge verwachting (geel) en deels om een lage verwachting (groen). Aangezien voor deze delen van het plangebied vooralsnog geen ontwikkelingen worden voorzien, zijn deze gebieden niet nader onderzocht ten behoeve van dit bestemmingsplan, maar wordt overeenkomst het geldende bestemmingsplan "Thematische herziening archeologie" voorzien in dubbelbestemmingen, die de uitvoering bij toekomstige bodemingrepen alsnog zeker stellen. Dat geldt ook voor kleine delen van het noordelijk deel van het plangebied: Middelhoge verwachting : vergunningplicht bij bodemingreep groter dan 2.500 m2, indien verstoringsdiepte > 40 cm -mv. Lage verwachting: vergunningplicht bij bodemingreep groter dan 10.000 m2, indien verstoringsdiepte > 40 cm –mv.

bestemmingsplan Victoriapark

71

Uitsnede archeologische beleidskaart

4.10.3 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg zijn ten aanzien van de historische geografie de Schiffelerstraat en Kerkstraat aangeduid als cultuurhistorische elementen (weg van voor 1810). Ten aanzien van de verandering van het cultuurlandschap is op de kaart aangegeven dat het een nieuw stedelijk gebied betreft uit de periode ca 1955-1981. Aangezien onderhavig planvoornemen de (historische) ruimtelijke structuren binnen, dan wel in de nabijheid van het plangebied niet verstoort, wordt daaraan geen afbreuk gedaan. Ook voor het overige worden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen verstoord door onderhavig planvoornemen. 4.10.4 Conclusie Gelet op het voorgaande vormen de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan

72

bestemmingsplan Victoriapark

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Bereikbaarheid Het plangebied is gelegen in het centrum van Brunssum. De bereikbaarheid is daarmee goed, voor zowel autoverkeer, langzaam verkeer (lopen, fiets e.d.) als het openbaar vervoer. Om het centrum attractiever te maken, is en blijft bereikbaarheid erg belangrijk. Als beschreven in paragraaf 2.6 is het doel is om het centrum binnen de schil zo veel mogelijk vrij te houden van gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van bijvoorbeeld laden, lossen en hulpdiensten. Parkeren dient ondergronds dan wel uit het zicht te gebeuren of buiten de schil plaats te vinden. In het gemeentelijk mobiliteitsplan wordt nog nader bepaald hoe, waar en wanneer de infrastructuur en (fiets) parkeervoorzieningen worden gerealiseerd in/om het centrum. Onderdeel daarvan is in ieder geval de ambitie om de aansluiting van de verschillende verkeersstromen op een OV-hub aan het Koutenveld, direct grenzend aan het plangebied. 4.11.2 Verkeergeneratie Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan is voor wat betreft detailhandel sprake van een afname van de plancapaciteit met circa 4.000 m2. Daarmee neemt de verkeersintensiteit aanzienlijk af ten opzichte van de situatie waarvan is uitgegaan bij het plan Doorsteek Centrum.

Wel neemt het aantal woningen toe, met maximaal 50 woningen ten opzichte van de plancapaciteit in het geldende bestemmingsplan en met maximaal 75 woningen ten opzichte van de feitelijke situatie. Uitgaande van koopappartementen (middensegment) bedraagt de verkeersgeneratie per woning volgens kencijfers van de CROW (Toekomstbestendig parkeren, 2018) minimaal 3,7 en maximaal 4,5 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Uitgaande van een toevoeging (feitelijk) van maximaal 75 woningen (incl 10% afwijking), bedraagt het aantal verkeersbewegingen dan circa 278 tot 338 per weekdagetmaal. Rekeninghoudend met omrekenfactor van 1,11 voor het bepalen van het maatgevend werkdagetmaal gaat het dan om circa 309 tot 375 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. De verkeersbelasting op een piekuur betreft doorgaans circa 10% van de verkeersgeneratie gedurende een weekdagetmaal, wat een aantal van circa 30 tot 37 bewegingen inhoudt. Het aantal verkeersbewegingen over het Koutenveld - de ontsluitingsweg voor onderhavig plangebied bedraagt blijkens tellingen circa 5.200 verkeersbewegingen per dag (gemiddeld). Uitgaande van eerder genoemd piekuur (10%) zijn dat dan 595 bewegingen tijdens het drukste uur. Daar komen er als gevolg van de 75 woningen dan 30 tot 37 bij, waarmee het totaal tijdens het piekuur op 625 tot 632 bewegingen uitkomt.

Aangezien een gebiedsontsluitingsweg als Koutenveld (theoretisch) 1.400 tot 1.600 voertuigbewegingen per uur kan verwerken vormt dat geen belemmering. Mochten de woningen toch worden verhuurd, dan valt de verkeersgeneratie - uitgaande van de kengetallen van de CROW - niet hoger uit, maar juist lager. 4.11.3 Parkeren Er dient in beginsel op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit is ook geborgd in de planregels (artikel 8.4). Ten behoeve van het plan Doorsteek Centrum is de parkeerbehoefte in beeld gebracht, net als de wijze waarop daaraan invulling wordt gegeven. Ten opzichte van dat plan verandert zowel de parkeerbehoefte (afname detailhandel met 4.000 m2, toename plancapaciteit met 42 woningen 'bij recht' en maximaal 10% extra met afwijking ( 8 woningen)), maar ook het aanbod van parkeerplaatsen, aangezien de tijdelijke parkeerplaats op maaiveld binnen het plangebied vervalt. De nieuwe situatie is daarom uitgewerkt in een nieuwe rapportage door Grenspaal12 (d.d. 14 juni 2023, kenmerk 21-1203-01_v3.0), die als Bijlage 9 bij deze toelichting is gevoegd. Daaruit volgt kortgezegd: Van het plan Doorsteek Centrum zijn alleen fase 1a en 1b gerealiseerd. Uitgaande van een parkeernorm van 1,2 p.p. per woning en 2,5 p.p. per 100 m2 detailhandel brengt die ontwikkeling een parkeerbehoefte van 117 parkeerplaatsen met zich mee.

Daarin is grotendeels voorzien door een garage met een capaciteit van 23 plaatsen en een tijdelijke parkeerplaats binnen onderhavig plangebied van 90

bestemmingsplan Victoriapark

73

parkeerplaatsen (samen 113 parkeerplaatsen). Daarmee is er een theoretisch tekort van 4 parkeerplaatsen. Er is zowel ter voorbereiding op het uitwerkingsplan Doorsteek Centrum als ter voorbereiding op voorliggend bestemmingsplan parkeerdrukonderzoek verricht om de bezetting van het Koutenveld in beeld te brengen. Het betreft onderzoeken in 2014, 2019 en 2022. Daaruit blijkt dat het Koutenveld (350 pp)), maar ook het tijdelijk parkeerterrein binnen onderhavig plangebied (90 pp) gemiddeld genomen maar voor 50% wordt bezet. Het drukste moment was in december 2014, waarbij de bezetting 74% bedroeg (259 van 350 parkeerplaatsen, dus nog 91 parkeerplaatsen beschikbaar). Voorliggend bestemmingsplan voorziet bij recht in maximaal 82 woningen. Daarvoor geldt - uitgaande van de actuele parkeernormen als vastgelegd in de Beleidsregel parkeren 2022 (Gemeenteblad 2023, nr 76001) een parkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. Daarnaast blijft er nog ruimte voor circa 1.800 m2 aan commerciële functie, o.a. detailhandel, waarvoor een parkeernorm geldt van (gemiddeld) 2.5 parkeerplaatsen per 100 m2 . Daarmee komt de parkeerbehoefte van voorliggend plan op 127 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen voor de woningen kunnen worden gerealiseerd binnen de voorziene parkeer- c.q. stallingsgarage van 44 parkeerplaatsen in zowel fase 1 als 2 (totaal 88 plaatsen).

Voor de benodigde parkeerplaatsen voor de commerciële functies op de begane grond geldt dat de parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de openbare ruimte, gelet op de overcapaciteit op het Koutenveld. Daarbij speelt ook mee dat per saldo geen sprake is van een toename van de parkeerbehoefte, omdat in de huidige situatie die functies feitelijk al aanwezig zijn aan de Kerkstraat, maar ook dat de plancapaciteit aanzienlijk afneemt. Verder is van belang dat het bestaande aantal woningen als gevolg van de voorziene ontwikkelingen met 15 woningen afneemt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=32ba9625-a23e-446a-b0bd-e5eba8b59007