CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 95 (bijlage) TransitieVisie Warmte 1.0.pdf

Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente BrunssumBij agendapunt: Transitievisie warmte 1.0; Gemeenteblad 2021/9515.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De verwachting is dat er steeds meer situaties komen waarin isolatie van bestaande woningen door de landelijke overheid geëist wordt.

Welk energielabel is nodig? Energielabels zijn een maat voor de energiezuinigheid van een gebouw. Een gebouw met goede isolatie, een zuinige ketel of zonnepanelen heeft een goed label. In de warmtetransitie worden energielabels vaak gebruikt als maat voor de hoeveelheid isolatie. Daar is het energielabel echter oorspronkelijk niet voor bedoeld. Een ongeïsoleerd huis met heel veel zonnepanelen kan hetzelfde label halen als een heel goed geïsoleerd huis met een oude geiser en gaskachel. Gebruik energielabels daarom alleen als grove indicatie van de energiezuinigheid, en niet als meetinstrument voor de isolatie van een individuele woning. In plaats daarvan is een schillabel een betere indicator.

29

4.2 Resultaten Startanalyse voor Brunssum

De uitkomsten van deze analyse zijn weergegeven in figuur 4.5. Indien er voldoende restwarmte beschikbaar is (scenario 1), is het goedkoopste scenario een mix van alle vier de oplossingen. Indien er echter onvoldoende restwarmte beschikbaar is, en woningen slechts tot label D geïsoleerd worden (scenario 2), stijgt het aantal buurten waarvoor groen gas het beste alternatief is ten koste van het aantal buurten met een HT warmtenet. Omdat de hoeveelheid groen gas in de komende jaren slechts beperkt beschikbaar is, is in scenario 3 de optie groen gas buiten beschouwing gelaten. Daarbij komt de optie ‘all-electric’ voor de meeste buurten als voorkeursoplossing uit de Startanalyse.

Om een richtinggevend beeld te geven van de warmteopties per buurt, is voor Brunssum het landelijke model aangevuld met lokale data. De gebruikte lokale data is afkomstig van de gemeente en van lokale en regionale stakeholders zoals woningcorporaties en netbeheerder Enexis. Door middel van lokale data worden uitkomsten betrouwbaarder en sluiten zij beter aan bij de lokale situatie in onze gemeenten. In totaal zijn er voor Brunssum drie scenario’s doorgerekend op basis van de beschikbaarheid van voldoende restwarmte en groen gas tot 2030: • • •

De resultaten uit de drie scenario’s zijn een vertrekpunt voor de verdere uitwerking van de TVW 1.0 naar de TVW 2.0. Voor de TVW 2.0 wordt de analyse verfijnd door op kleinere schaal (panden) naar de best passende oplossing te kijken. Pas nadat de TVW 2.0 is vastgesteld, kan er een definitieve conclusie worden getrokken over welke oplossingen op welke plaatsen in Brunssum het meest kansrijk zijn.

Scenario 1: label B of hoger en voldoende restwarmte beschikbaar; Scenario 2: label D of hoger en beperkt restwarmte beschikbaar; Scenario 3: label D of hoger zonder groen gas.

Scenario 1: label B of hoger en voldoende restwarmte beschikbaar

Scenario 2: label D of hoger en beperkte hoeveelheid restwarmte beschikbaar

Scenario 3: label D of hoger, tot 2030 zonder groen gas.

Figuur 4.5: 3 scenario’s voor alternatieve warmtestrategieën op basis van de Startanalyse van het PBL/ECW. Op basis van de nationale kosten in het rekenmodel Vesta-MAIS is waterstof tot 2030 geen realistische optie voor de gebouwde omgeving. Scenario 5 (S5) komt daarom niet zichtbaar terug in bovenstaand figuur.

30

4.3 Selectiecriteria voor kansrijke buurt(en) in Brunssum

2. De gebouwde omgeving. Bij gebouwen wordt gekeken naar het aandeel corporatiebezit. Woningcorporaties worden gezien als de startmotor van de energietransitie. Als gemeente maken we afspraken met woningcorporaties en huurdersbelangenorganisaties over het verduurzamen van de portefeuille van woningcorporaties en over duurzaamheidseisen van nieuwbouw woningen. De overheid zelf heeft een voorbeeldrol als het gaat om verduurzaming van gebouwen. Daarom wordt ook het aandeel overheidsgebouwen opgenomen als selectiecriterium. Tot slot is ook de homogeniteit van een buurt relevant. Indien er veel gelijksoortige woningen zijn of veel gebouwen met ongeveer dezelfde leeftijd of warmte- en koudevraag, is het wellicht mogelijk om delen van de buurt van een zelfde soort oplossing te voorzien. Dat vergemakkelijkt de warmtetransitie en bespaart kosten.

Brunssum wordt tussen nu en 2050 aardgasvrij. We kunnen niet overal in de gemeente tegelijk aan de slag. Dat is geen wenselijk scenario en vergt te veel van alle betrokkenen. Bovendien zou daarmee geen ruimte ontstaan voor een leereffect waarmee we opgedane kennis en ervaringen van buurt tot buurt kunnen meenemen. Het is daarom belangrijk dat we duidelijke keuzes maken om te komen tot kansrijke wijken en een realistisch tijdspad waarin buurten aardgasvrij worden. Om werkzaamheden in de tijd te faseren en om te bepalen in welke volgorde buurten aardgasvrij worden, hebben we de uitgangspunten uit hoofdstuk 2 vertaald naar selectiecriteria die bepalen of een buurt kansrijk is om te starten. De selectiecriteria hieronder zijn tijdens bijeenkomsten op regionaal niveau samen met verschillende stakeholders bepaald. Stakeholders zijn bijvoorbeeld woningcorporaties, netbeheerder Enexis, Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) en de Participatiecoalitie.

Als in een buurt een beschermd stadsgezicht is of veel monumenten telt, heeft dit doorgaans een negatief effect op de mogelijkheden om te verduurzamen. Het aangezicht mag niet veranderd worden. Dat bemoeilijkt het verduurzamen van het gebouw. Een middentemperatuur-warmtenet kan een oplossing zijn als er bronnen voorhanden zijn, of groen gas zodra dit beschikbaar en betaalbaar is.

De mogelijke selectiecriteria zijn verdeeld in vier hoofdgroepen: 1. Bewoners en participatiegroepen. Een belangrijk vertrekpunt bij de bepaling van kansrijke buurten is het draagvlak onder bewoners en/of initiatieven van bewonersgroepen die er al zijn. De gemeente Brunssum vindt het belangrijk om de mening, actiebereidheid en wensen van huurders en eigenaren over wonen zonder aardgas mee te nemen bij het maken van de plannen. Daarom werd ieder huishouden in de gemeente uitgenodigd om mee te doen aan het draagvlakonderzoek MoVe2030. Met de uitkomsten van die draagvlakmonitor (bijlage 2) hebben we een eerste beeld over het draagvlak onder de inwoners van Brunssum over de warmtetransitie. De uitkomsten worden meegenomen in de verdere uitwerking richting de Transitievisie Warmte 2.0 en in de daaropvolgende uitvoeringsplannen die per buurt of wijk worden gemaakt.

31

3. Koppelkansen. Bij koppelkansen wordt gekeken naar de werkzaamheden die in de komende jaren in de buurt op de planning staan en die gecombineerd kunnen worden met de verduurzaming van de buurt. Daarbij gaat het om ondergrondse werkzaamheden als vervanging van de riolering of waterleiding, maar ook om bovengrondse werkzaamheden zoals herinrichting van de buurt of vernieuwing van straten en wegen. Als het gasnet al aan vervanging toe is in een buurt, dan is dit wellicht een mooie gelegenheid om over te gaan naar een andere oplossing. Waar mogelijk wordt ook een combinatie met andere opgaven in de gemeente gemaakt.

De selectiecriteria kunnen in het proces richting de TVW 2.0 verder worden aangescherpt of aangevuld. Op het moment dat een buurt aan een van de selectiecriteria voldoet, krijgt die een punt. Andersom kan een buurt ook minpunten scoren wanneer er bijvoorbeeld sprake is van beschermd stads- en dorpsgezicht. De selectiecriteria en puntenwaardering zijn een belangrijk hulpmiddel bij de verkenning van kansrijke buurten en het aanwijzen van voorkeurswijken. De uitkomsten van deze analyse zullen worden voorgelegd aan alle stakeholders. Samen maken wij de keuze waar in Brunssum wij vóór 2030 willen starten, en waar het beter is om nog even te wachten. We gaan eerst aan de slag met een verkennings- en planstudiefase en pas daarna met de uitvoering.

4. Planning en suggesties van lokale stakeholders. De uitkomsten van de kansrijke buurten op basis van de selectiecriteria worden besproken met de stakeholders: gemeente Brunssum, Enexis, Wonen Zuid, Weller, Vincoi, Wonen Limburg en WML. Dit leidt tot relevante aanvullende inzichten, die van invloed zijn op de keuze van de buurt waar we beginnen met een uiteindelijk uitvoeringsplan. De buurten die als kansrijk worden vastgesteld door de stakeholders worden meer in detail behandeld. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is het aandeel corporatiebezit. De overheid vervult een voorbeeldrol als het gaat om verduurzamen van publieke gebouwen. Er wordt gekeken naar koppelkansen in deze buurten. Verder spelen de diversiteit van types woningen, de aanwezigheid van een bedrijventerrein en renovatieplannen een belangrijke rol om te komen tot een kansrijke buurt.

32

4.4 Kansrijke buurt(en) in Brunssum tot 2030 In het Klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente in de Transitievisie Warmte beschrijft hoe zij samen met stakeholders de warmtevraag in de gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier gaat invullen en in welk tempo dat zal verlopen. Ook moet worden aangegeven in welke buurt(-en) voor 2030 wordt gestart met de overstap van aardgas op andere warmtebronnen, en welke potentiële alternatieve warmtebronnen er zijn. Voor de overige buurten moeten de gemeenten in hun Transitievisie een globaal tijdspad opnemen. De voorliggende Transitievisie Warmte 1.0 omvat een belangrijk eerste inzicht vanuit de data die nu voorhanden is, de uitkomst van de Startanalyse en de gesprekken en sessies met stakeholders. Maar dit is nog niet het eindbeeld van hoe de warmtetransitie in de gemeente Brunssum gaat verlopen en in welke buurten we starten met wijkuitvoeringsplannen. Er zijn wel uitgangspunten geformuleerd voor de warmtetransitie (hoofdstuk 2), er is inzicht in het huidige energiegebruik en de voorhanden zijnde regionale restwarmtebronnen (hoofdstuk 3), en er is een eerste beeld van de potentiële warmtealternatieven op buurt- en wijkniveau (hoofdstuk 4). Dit laatste beeld beperkt zich tot het detailniveau van wijken en buurten op grond van de administratieve grenzen uit de CBS-indeling.

Maar de plaatselijke kenmerken binnen een wijk of buurt (zoals bevolkingssamenstelling, inkomensverdeling, de energie-infrastructuur, plannen voor beheer, onderhoud en renovatie) kunnen verschillen en een ‘totaalscore’ per wijk/buurt doet geen recht aan dit heterogene karakter.

Kortom, de onderzoeken zijn tot dusver te grofmazig om te komen tot definitieve keuzes voor wijken en buurten (en daarmee wijkuitvoeringsplannen). Een meer gedetailleerde studie naar deze plaatselijke kenmerken binnen buurten en wijken levert naar verwachting een meer heterogeen kleurenpalet op – ten opzichte van figuur 4.5– als het gaat om de potentiële warmtealternatieven en daarmee een gefundeerd handelingsperspectief voor de uitvoering. Bovendien zou een dergelijk, meer gedetailleerd inzicht ertoe kunnen leiden dat delen van buurten, over de CBS-grenzen heen, juist als kansrijk worden gezien om mee te starten. We werken daarom deze Transitievisie Warmte 1.0 in de loop van 2022 verder uit in een Transitievisie Warmte 2.0. Daarin verwerken we dit inzicht zodat we als gemeente definitieve keuzes kunnen maken over met welke buurten en wijken wordt gestart met wijkuitvoeringsplannen. Hoe dit proces vorm krijgt, is beschreven in het volgende hoofdstuk 5. Dat wil niet zeggen dat er tot die tijd niets gebeuren zal. De wijk Brunssum-Noord is een proeftuin voor aardgasvrije wijken. Hier onderzoekt gemeente Brunssum samen met de bewoners, Weller en Mijnwater de mogelijkheden voor een warmtenet en collectieve aanpak van de isolatie van woningen. Ook heeft de gemeente recent een bijdrage van Het Rijk ontvangen uit het Volkshuisvestingsfonds.

Met dat geld zullen particuliere woningeigenaars in de wijken Lemmender/Brunssum Noord en Schuttersveld geholpen worden bij het verbeteren van hun woning. Onderdeel hiervan is ook de verduurzaming van woningen.

33

5

5. Van visie naar uitvoering 5.1 Van de TVW 1.0 naar een TVW 2.0

De TVW wordt door veel gemeenten gebruikt om hun ambities en doelstellingen ten aanzien van de warmtetransitie te delen, en in een tijdspad aan te geven in welke wijken en buurten zij tot 2030 van start gaan. Daarbij wordt ook per wijk en buurt aangegeven aan welk duurzaam warmtealternatief gedacht wordt. In de TVW 1.0 worden door de gemeente Brunssum vooralsnog geen wijken of buurten geselecteerd. De reden hiervoor is dat in de startanalyse onvoldoende rekening gehouden is met de lokale mogelijkheden en onmogelijkheden bij bepaalde wijken, buurten of zelfs gebieden over de gemeentegrenzen. Op dit moment bestaat de behoefte om samen met belanghebbenden en adviseurs voor de gemeente Brunssum een verdiepingsslag op pandniveau te maken. Het resultaat hiervan moet een duidelijker en meer gedragen beeld geven van de buurten, wijken of clusters van gebouwen, de beste warmteopties en de potentie om hiermee voor 2030 aan de slag te gaan. In paragraaf 5.1 staat beschreven wat we nog moeten doen om tot een TVW 2.0 te komen. Ook staat beschreven hoeveel capaciteit dit vraagt van de gemeente. In paragraaf 5.2 is toegelicht hoe een vervolg kan worden gegeven aan de uitvoering van de TVW 2.0. Hoofdstuk 5 eindigt met een overzicht waarin staat beschreven hoe en op welke manier de gemeenteraad betrokken is bij de totstandkoming en uitvoering van de TVW 2.0.

5.1.1 Pand- en clusteranalyse In paragraaf 4.4 is toegelicht dat een meer gedetailleerd technisch-economisch onderzoek van belang is om tot definitieve keuzes te komen voor plangebieden (en daarmee uitvoeringsplannen). Daarmee wordt het beeld uit de TVW 1.0 meer onderbouwd en eventueel aangescherpt of gewijzigd waarin we slechts uit zijn gegaan van het detailniveau op basis van de wijk- en buurtindeling van CBS. De nadere verdieping gaat uit van een pand- en clusteranalyse waarin fijnmaziger de potentie voor een duurzaam warmtealternatief inzichtelijk wordt gemaakt. Deze analyse bestaat uit: • Verrijking van de Startanalyse en Handreiking voor lokale analyse; • Controle op volledigheid van de parameters voor het bepalen van warmtestrategieën en -varianten; • Bepalen van afgebakende clusters op basis van de in de Startanalyse en Handreiking voorgestelde warmtestrategieën en –varianten. De pand- en clusteranalyse wordt door een externe adviseur uitgevoerd en inhoudelijk afgestemd met de ambtelijke organisatie en belangrijke stakeholders. 5.1.2 Haalbaarheid warmtebronnen en warmtenetten onderzoeken Warmtebronnen en warmtenetten zijn belangrijk om het elektriciteitsnetwerk te ontlasten en om woningen te verwarmen. In de TVW 1.0-fase is onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van grotere (rest)warmtebronnen binnen de regio.

Het aansluiten van huizen op warmtebronnen is afhankelijk van de technische en financiële haalbaarheid, ruimtelijke mogelijkheden en draagvlak. In de komende periode zullen wij dit nader onderzoeken. Dit doen we door het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie. Zo zorgen we ervoor dat we richting de TVW 2.0 de juiste keuzes maken.

35

5.1.3 Selectiecriteria De pand- en clusteranalyse levert een nauwkeuriger beeld op van de technisch-economische en duurzaamheidsgevolgen van een warmte-alternatief in een gebied. Simultaan aan deze analyse worden de selectiecriteria om tot een overzicht van voorkeursgebieden te komen nader beschouwd. Ook de onderlinge weging van deze selectiecriteria wordt in deze analyse bepaald. De afstemming van de selectiecriteria en de weging ervan vinden intern en extern met belangrijke stakeholders plaats. 5.1.4 Contouren schetsen voor een isolatie- en verduurzamingsprogramma De gemeente Brunssum wil een isolatie/verduurzamingsprogramma in het leven roepen voor de periode tot 2030, met de mogelijkheid voor een verlenging tot 2050. Dit programma richt zich op het verbeteren van het isolatieniveau en het verduurzamen van particuliere woningen door nauwkeurig geselecteerde maatregelen, en zal zich daarnaast ook op gemeentelijk vastgoed richten. Isolatiemaatregelen betreffen doorgaans eenvoudige, bewezen technieken, mede omdat daardoor het financiële aspect beheersbaar kan blijven. Het programma is nodig om te voldoen aan de technische voorwaarden voor een specifieke warmtestrategie. Als een ‘no-regret’ tussenstap wordt hierdoor direct de energievraag van de gebouwde omgeving verminderd, zonder dat dit leidt tot een desinvestering met het oog op de gewenste eindsituatie in 2050.

Door het verduurzamingsprogramma wordt de energiebehoefte direct verminderd. Dit leidt ertoe dat minder duurzame energie opgewekt hoeft te worden, waardoor minder nieuwe boven- en ondergrondse infrastructuur, en dus schaarse ruimte, nodig is. Bovendien is het bestaan van een succesvol verduurzamingsprogramma een randvoorwaarde voor een succesvolle en vlotte warmtetransitie. Veel duurzame warmtestrategieën kunnen simpelweg niet worden toegepast als het isolatieniveau van de gebouwde omgeving niet op orde is. Een eerste opzet van het isolatie/verduurzamingsprogramma wordt nader uitgewerkt en toegelicht in de TVW 2.0. Afhankelijk van de resultaten die worden geboekt en de ervaring die opgedaan wordt, kan het programma in de toekomst uitgebreid of gewijzigd worden. Periodiek onderzoekt de gemeente de noodzaak en actualiteit van het programma en het voortbestaan ervan voor de periode vanaf 2030.

36

De verwachting is dat in veel woningen en gebouwen verschillende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan het isolatie- en installatieniveau dat bij een specifieke warmtestrategie hoort. Of de omvang van het programma toelaat dat woningen direct aardgasvrij voorbereid zijn of dat dit in stappen gebeurt, wordt ook in de TVW 2.0 verduidelijkt. Desalniettemin stelt de gemeente Brunssum maatregelen voor die eenvoudig toe te passen zijn, schaalbaar zijn, een groot effect hebben op energiebesparing en daardoor een gunstig rendement hebben.

Met betrekking tot het gemeentelijk vastgoed moet op pandniveau altijd onderzocht worden of de voorgestelde maatregelen op een ‘natuurlijk moment’ kunnen worden toegepast en/of overeenkomen met bestaande beheerplannen. Zo kunnen er bijvoorbeeld voor kantoorgebouwen al plannen zijn om te voldoen aan de wettelijke eis: minimaal energielabel C vanaf 2023 en minimaal energielabel A vanaf 2030. In ieder geval dienen de Meerjarige Onderhoudsplannen (MJOP’s) van het gemeentelijk vastgoed te worden herzien en aanpast in Groene MJOP’s. Om het verduurzamingsprogramma te laten slagen, denkt de gemeente Brunssum aan samenwerking met de WoonWijzerWinkel Limburg en de andere Parkstad-gemeenten, de provincie en het (op te richten) communicatieen participatieteam (zie paragraaf 5.1.4). Samen met deze organisaties worden de details uitgewerkt. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de maatregelen, technisch haalbare materiaalkeuzes, communicatie (op plangebiedsniveau) op basis van de warmteanalyses, financieringsmogelijkheden (met aantrekkelijke terugbetaalregelingen), collectieve inkoop en subsidieregelingen.

5.1.5 Communicatie en participatie Om te komen tot een kwalitatief goed communicatie- en participatieproces, gaat de gemeente Brunssum heldere uitgangspunten hanteren. Door deze uitgangspunten in acht te nemen, wordt bereikt dat alle bewoners en stakeholders kunnen meepraten en meedoen, dat er inzicht is in relevante gegevens, regelingen en stukken en dat bekend is wat er op een bepaald moment kan, gaat of moet gebeuren. In de komende periode worden de uitgangspunten ten aanzien van het communicatie- en participatieproces geformuleerd. Als onderdeel hiervan wordt bepaald of de gemeente Brunssum meer bereid is om van start te gaan in plangebieden op het moment dat bewoners en stakeholders relatief gezien meer interesse tonen in de warmtetransitie of hierbij (actief) betrokken willen zijn. De TVW 2.0 geeft dus een antwoord op de vraag of interesse in de warmtetransitie en actieve betrokkenheid in een gebied selectiecriteria zijn voor de benoeming van voorkeursgebieden. Verder lichten we in de TVW 2.0 toe hoe bewoners van de betreffende (voorkeurs)gebieden vertegenwoordigd worden in het transitieproces. Hiervoor wordt nader onderzocht hoe het proces van het organiseren van bewonersvertegenwoordiging eruit ziet en wie de regie neemt. Een mogelijkheid met veel potentie is bijvoorbeeld het oprichten van zogenaamde buurtteams van vertegenwoordigers.

Deze buurtteams zijn de schakel tussen de gemeente enerzijds en de bewoners in het plangebied anderzijds. Buurtteams vertegenwoordigen hun eigen buurt; ze informeren en betrekken bewoners wanneer dit nodig is. Het mandaat van de organisatie en de afspraken die met gemeenten en andere belanghebbenden worden gemaakt, kunnen formeel vastgelegd worden in een samenwerkingsovereenkomst of een intentieverklaring. Over dit punt wordt in de TVW 2.0 meer duidelijkheid geboden.

37

Het vergt de nodige tijd en capaciteit om het proces van communicatie en participatie met bewoners en stakeholders goed te organiseren. Om deze reden gaat de gemeente Brunssum samen met de andere gemeenten in de regio Parkstad onderzoeken of hier een gezamenlijk team voor opgericht kan worden. Het beoogde communicatie- en participatieteam stemt de werkzaamheden af met de projectleiders of coördinatoren warmtetransitie uit de deelnemende gemeenten. Verder houdt het team de projectleiders of coördinatoren warmtetransitie op de hoogte van de inzet, ervaringen en resultaten. Door het team met meerdere gemeenten op te richten, ontstaat één centrale plek waar veel kennis en kunde ontstaat over de thema’s communicatie en participatie bij warmtetransitie. Daar kunnen we de komende jaren enorm van profiteren; het maakt de regio Parkstad onafhankelijk van externe adviseurs met betrekking tot deze disciplines. Een ander voordeel is dat veel gemeenten in deze eerste fase van de transitie wellicht voorzichtig zullen zijn met het toekennen van middelen. Door te investeren in een gezamenlijk team, wordt de drempel kleiner en komen we wel direct uit de startblokken. Het team kan in eerste instantie uit ten minste één communicatie- en één participatie-expert bestaan. Het idee is dat de capaciteit gaandeweg uitgebreid wordt.

Bijvoorbeeld op het moment dat meerdere projecten opgestart worden of wanneer dit vanuit het proces wenselijk wordt. Hierover vindt gezamenlijke en interne afstemming plaats, waarna het besluit in de TVW 2.0 wordt beschreven. Tot slot richt de gemeente Brunssum een informatiepunt in, waar iedereen informatie kan vinden over de warmtetransitie. Dit kan een website zijn maar bijvoorbeeld ook een fysiek informatiepunt. Het doel van het informatiepunt is dat er één herkenbaar verhaal verteld wordt naar de buitenwereld, dat stakeholders weten waar de gemeente mee bezig is en wat zij van de gemeente kunnen verwachten en dat bekend is wat, wanneer en waar gebeurt. Het informatiepunt moet zo snel mogelijk operationeel zijn en periodiek worden voorzien van actuele informatie.

5.1.6 Uitvoeringsplanning In het verlengde van het benoemen van voorkeursgebieden, maken we in deze periode ook een voorlopige uitvoeringsplanning tot 2030. Daarnaast wordt ook een (model)stappenplan opgesteld om te komen tot een breed gedragen uitvoeringsplan. Bij het opstarten van een gebied zal dit model/format gebruikt worden om een gedegen projectplan op te stellen.

De werksessies zijn een communicatiehulpmiddel waarmee transparantie ontstaat over doelstellingen, belangen, mate van invloed, financiële middelen, onderlinge verhoudingen en uitdagingen die bij de stakeholders spelen en aanwezig zijn. Het doel van de werksessies met vooraf geselecteerde en belangrijke actoren is dat zij verheldering en uiteindelijk procesversnelling opleveren. Voorbeelden van mogelijke vragen voor de werksessies zijn: •

5.1.7 Regierol Als gemeente kun je op verschillende manieren invulling geven aan de regierol in het proces om te komen tot een Transitievisie Warmte (TVW) en Uitvoeringsplan (UP). De keuze is onder andere afhankelijk van inhoudelijke afwegingen, de wijze waarop de gemeente wil omgaan met de omgeving en de beschikbaarheid van capaciteit en financiële middelen. Hoe een gemeente invulling geeft aan de regierol heeft zijn weerslag op hoe de organisatie wordt ingericht, hoe met stakeholders wordt samengewerkt, op het communicatieproces en op de benodigde competenties van medewerkers. In de aanloop naar de 2.0-versie wordt onderzocht wat de gewenste regierol voor de gemeente is. Vervolgens doet het college in de TVW 2.0 een voorstel aan de gemeenteraad, inclusief de bijbehorende gevolgen van deze rol.

• • • • • •

De inzichten en ervaringen die we in de sessies opdoen, worden direct meegenomen in de planontwikkeling en haalbaarheidsstudies. Andere doelen van de werksessies zijn: •

• •

5.1.8 Werksessies stakeholders In de aanloop naar de TVW 2.0 onderzoekt de gemeente Brunssum of en hoe zij (gethematiseerde) werksessies gaat organiseren. Deze werksessies zijn bestemd voor de stakeholders in het planproces en worden in het kader van een specifiek te bespreken onderwerp georganiseerd. Dit kan op het schaalniveau van de regio of gemeente zijn, maar zich ook specifiek richten op stakeholders en vraagstukken in een voorkeursgebied.

Hoe sluiten we een specifiek gebied of zoveel mogelijk gebouwen aan op het vooraf gekozen warmtealternatief? Hoe zorgen we ervoor dat zoveel mogelijk stakeholders meedoen? Zijn er gedeelde belangen of doelstellingen? Hoe ziet de gewenste samenwerking eruit en welke rol en verantwoordelijkheden horen daarbij? Welke samenwerkingsvorm spreken we met elkaar af? Op welke manier leggen we afspraken vast en wat zijn de voorwaarden? Hoe stemmen we de gezamenlijke communicatie af?

•

Ophalen van nauwkeurige en aanvullende (data)gegevens voor de modellen, die de basis vormen van de warmtestrategiebepaling in een gebied; Inzicht verkrijgen in de actoren, waardoor een passend communicatieplan opgesteld kan worden; Input verkrijgen voor de nog op te stellen uitvoeringsplannen en –planning; Transparantie creëren richting en tussen alle actoren.

38

5.1.9 Ambtelijke organisatie In het verlengde van het benoemen van voorkeursgebieden, maken we in deze periode ook een voorlopige uitvoeringsplanning tot 2030. Daarnaast wordt ook een (model-)stappenplan opgesteld om te komen tot een breed gedragen uitvoeringsplan. Bij het opstarten van een gebied zal dit model/format gebruikt worden om een gedegen projectplan op te stellen. In het licht van de geplande werkzaamheden is er binnen de ambtelijke organisatie meer capaciteit nodig en moeten we aanvullende disciplines intern betrekken. Dat geldt zowel voor de werkzaamheden die voorafgaan aan de TVW 2.0 als de werkzaamheden die daarna uitgevoerd moeten worden. Na het vaststellen van de TVW 1.0 wordt daarom geanalyseerd of een multidisciplinair team geformeerd moet worden en welke organisatiestructuur daarbij gewenst is. Deze analyse geeft uitsluitsel of dit team op gemeentelijk niveau, op regionaal niveau of op beide niveaus moet worden ingericht. Het formeren van een multidisciplinair team is van belang in relatie tot de efficiëntie van de werkzaamheden en interne afstemming. Bovendien is daardoor beter inzichtelijk wie verantwoordelijk zijn voor bepaalde werkzaamheden en waar specifieke kennis aanwezig is. In dat kader is de opzet en inhoud van de TVW 1.0documenten van alle Parkstad-gemeenten gestoeld op dezelfde methodiek.

Daar waar sprake is van vergelijkbare acties om te komen tot de TVW 2.0, zal zoveel mogelijk worden samengewerkt. Dit geldt in ieder geval voor de pandanalyse en de opzet voor sessies met stakeholders en gemeenteraden, waarbij aandacht is voor de lokale situatie (‘couleur locale’). Via Stadsregio Parkstad Limburg wordt op bestuurlijk (bestuurscommissie duurzaamheid) en ambtelijk (broedkamer PALET) niveau sinds 2013 samengewerkt om de energie- en warmtetransitie in deze regio vorm te geven. In deze samenwerking staat de afstemming en harmonisatie van beleid (waaronder PALET, de Regionale Energie Strategie (RES) Zuid-Limburg en de Transitievisie Warmte) centraal en het vertalen daarvan in uitvoeringsprogramma’s. Nadat de TVW 1.0 is vastgesteld wordt ook onderzocht welke vraagstukken van de warmtetransitie door de gemeenten samen worden opgepakt, welke op het niveau van individuele gemeenten, en wat de organisatorische consequenties hiervan zijn.

39

5.1.10 Inschatting benodigde middelen intern In het volgende overzicht is een opsomming geplaatst van de hierboven beschreven werkzaamheden om te komen tot de TVW 2.0. Daarnaast is een inschatting gemaakt van de interne ambtelijke uren die daarvoor nodig zijn. Als randvoorwaarde geldt dat er voldoende capaciteit en middelen beschikbaar moeten komen om tempo te kunnen maken nadat de warmtevisie door de gemeenteraad is vastgesteld.

Paragraaf

Werkzaamheden

Inschatting uren intern

5.1.1

Pand- en clusteranalyse

40 uur

5.1.2

Selectiecriteria en uitvoeringsplanning

64 uur

5.1.3

De details van een isolatie- en verduurzamingsprogramma

80 uur

5.1.4

Uitgangspunten communicatie en participatie

24 uur

5.1.4

Mate van invloed en invloedsmogelijkheden

24 uur

5.1.4

Organisatie van bewonersvertegenwoordiging

48 uur

5.1.4

Communicatie- en participatieteam

48 uur

5.1.4

Algemeen informatiepunt / algemene informatieverstrekking

80 uur

5.1.5

Regierol

64 uur

5.1.6

Werksessies stakeholders

24 uur

5.1.7

Generieke aanpak/stappenplan uitvoeringplannen

64 uur

5.1.8

Multidisciplinaire teams

48 uur

5.1.8

Rol en opzet Broedkamer PALET

48 uur Totaal

40

656 uur

5.2 Vanaf de vaststelling van de TVW 2.0: uitvoeringsplannen Het uitvoeringsplan is een concretisering van de TVW 2.0 en komt tot stand via intensief overleg en samenwerking met belangrijke stakeholders in een betreffend gebied. Het moet een plan zijn dat breed draagvlak geniet onder de betrokkenen. In het uitvoeringsplan moet exact worden beschreven hoe de transitie naar een gebied zonder aardgas gaat verlopen, wat er allemaal moet gebeuren, wie wat gaat doen en hoe e.e.a. gefinancierd gaat worden. Het uitvoeringsplan beschrijft ook op welk duurzaam warmtealternatief een gebied overgaat, per wanneer, en welke maatregelen nodig zijn om tot de gewenste situatie te komen. In het uitvoeringsplan staat een totaaloverzicht van de stappen die door diverse partijen gezet gaan worden om het gekozen alternatief voor aardgas voor een gebied in gemeente Brunssum te realiseren. Een uitvoeringsplan is een soort contract voor en met de bebouwde omgeving dat door de gemeenteraad getoetst en bekrachtigd wordt. Het planmatig isoleren van woningen en andere gebouwen kan een onderdeel zijn van een uitvoeringsplan.

Op hoofdlijnen komen we in vier stappen tot een uitvoeringsplan: • Stap 1 - Wijkanalyse: de eerste stap bestaat uit een analyse van de bestuurlijke, financiële en technische kaders en de fysieke en sociale kenmerken van een gebied. Het vormt de onderbouwing voor een bestuurlijke opdracht om een uitvoeringsplan op te stellen voor een gebied. • Stap 2 - Projectplan: op basis van de wijkanalyse kan een specifiek projectplan worden opgesteld. In het projectplan leg je het proces vast om tot een uitvoeringsplan voor het betreffende gebied te komen. • Stap 3 - Uitvoeringsplan: vervolgens kun je het uitvoeringsplan opstellen. Het opstellen van een uitvoeringsplan vraagt om keuzes langs verschillende sporen: bestuurlijk, juridisch, ruimtelijk, communicatie, participatie, technisch en financieel. • Stap 4 - Vaststellen: de laatste stap is het vaststellen van het uitvoeringsplan als programma onder de Omgevingswet door het college van B en W en de gemeenteraad.

In het onderstaande schema zijn de vier stappen van het Uitvoeringsplan beschreven en zien we dat het uitwerkingsniveau richting realisatie gedetailleerder en duidelijker wordt.

41

5.2.1 Mate van invloed en invloedsmogelijkheden In de periode na het vaststellen van de TVW 2.0 inventariseren we de invloedsmogelijkheden in het transitieproces en geven we de mate van invloed aan op basis van de participatieladder. De TVW 2.0 geeft antwoord op de vraag of bewoners en stakeholders meer invloedsmogelijkheden en invloed krijgen, als zij relatief gezien meer interesse in de warmtetransitie hebben en actiebereidheid tonen. Op het moment dat deze vraag bevestigend beantwoord wordt, heeft dit een positief effect op de mate van invloed die bewoners en stakeholders krijgen.

5.2.2 Communicatie- en participatieteam In de aanloop naar de TVW 2.0 wordt de oprichting van een communicatie- en participatieteam verkend. De uitkomst hiervan wordt in de TVW 2.0 beschreven en daarmee aan de gemeenteraad voorgelegd. Zodra het communicatie- en participatieteam operationeel is, bestaan de eerste taken uit het verder inrichten van het communicatie- en participatieproces. De werkzaamheden bestaan onder meer uit: • • • • • • • •

Bepalen van de strategie ten aanzien van het taalgebruik en het verhaal; Bepalen hoe we dit naar buiten brengen (incl. communicatiemiddelen); Bepalen wanneer we informatie naar buiten brengen; Bepalen waar we informatie naar buiten brengen; Ondersteuning bieden bij het ophalen van interne en externe informatie; Inrichten van de gethematiseerde werksessies met stakeholders; Input aanleveren voor de projectplan voor de disciplines communicatie en participatie; Input aanleveren voor de Uitvoeringsplannen voor de disciplines communicatie en participatie.

5.2.3 Werksessies stakeholders Met het uitbrengen van de TVW 2.0 wordt duidelijk of en hoe de gemeente Brunssum werksessies gaat organiseren met belangrijke stakeholders. De werksessies beogen het proces te ondersteunen om tot het Uitvoeringsplan van een gebied te komen. De sessies kunnen bijvoorbeeld voorbereid en uitgewerkt worden door het op te richten communicatie- en participatieteam i.s.m. de projectleider of coördinator warmtetransitie van de gemeente Brunssum. Het maken van een stakeholderanalyse is één van de eerste voorbereidingsstappen van deze beoogde werksessies. Dit wordt gedaan om een volledig beeld te krijgen van de belanghebbende partijen en eventuele experts die over bruikbare kennis beschikken. Nadat de (belangrijke) stakeholders in een specifiek gebied bekend zijn, worden zij genodigd. Uiteenlopende thema’s, die op dat moment relevant of belangrijk zijn, kunnen worden besproken.

42

5.2.4 Zichtbaarheid en herkenning De zichtbaarheid en herkenning van de warmtetransitie zijn een belangrijk onderdeel van de opgave. In de proeftuinen ‘Aardgasvrije wijken’ wordt volop geëxperimenteerd met verschillende methoden. Zo kunnen we ongerustheid van bewoners wegnemen door bijvoorbeeld inloopwoningen in te richten. In samenwerking en afstemming met woningcorporaties zien en ervaren bewoners dan wat het aardgasvrij maken van een woning betekent. De beschikbaarheid van leegstaande woningen over een bepaalde periode, de financiële consequenties en de bereidheid van de woningcorporaties speelt hierbij een rol.

5.2.5 Beschikbaarheid middelen uitvoering In 2020 heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een onderzoek verricht naar de uitvoeringslasten van het Klimaatakkoord bij decentrale overheden voor de periode 2022-2030. In het onderzoek is gekeken naar de hoogte van de uitvoeringslasten, de verdeling van het budget tussen gemeenten en de organisatie van de uitvoering. In het rapport worden vooralsnog géén uitspraken gedaan over de daadwerkelijke toekenning van middelen. Na de coalitieonderhandelingen van een nieuw kabinet in 2021 wordt bekend of - en zo ja hoeveel middelen de gemeenten ontvangen voor deze taken. Deze middelen zullen op zijn vroegst in 2022 ingezet kunnen worden.

Ook is het van belang dat bewoners en geïnteresseerden met hun vragen over de warmtetransitie, energiebesparing en verduurzaming terecht kunnen bij informatiepunten op een centrale plek. Zichtbaarheid en aantrekkingskracht van de informatiepunten zijn belangrijk. Bij voorkeur worden de informatiepunten voorzien bij of in locaties als gemeentehuizen, scholen, winkelcentra, buurthuizen of sportverenigingen, omdat hier een natuurlijke toestroom van bewoners is. Voor de concrete invulling van dit onderdeel zoeken wij de samenwerking met de WoonWijzerWinkel Limburg, aangezien zij hier veel kennis en ervaring mee hebben opgebouwd.

Het is duidelijk dat de gemeente Brunssum extra middelen en capaciteit nodig heeft om de plannen voor de warmtetransitie uit te kunnen voeren. Als op termijn onvoldoende middelen beschikbaar zijn, kan dit ertoe leiden dat de afspraken in het Klimaatakkoord niet in zijn geheel of niet in het gevraagde tempo uitgevoerd kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld resulteren in het niet of niet direct realiseren van de benodigde en gewenste organisatiestructuur. Maar in feite hangen alle intenties, doelstellingen, werkwijzen en benodigde organisatorische wijzigingen zoals beschreven in deze Transitievisie Warmte hiervan af.

In de plangebieden waar we willen beginnen, kunnen we op strategische plekken banners en borden ophangen met informatie over de warmtetransitie. Zo kunnen mensen zien en ervaren dat er iets staat te gebeuren. Ze worden geïnformeerd en geïnspireerd om zelf te participeren als zij dit willen. Ook moeten we goed nadenken over extra contactmomenten met en in het plangebied. We kunnen bijvoorbeeld warmtetransitie-medewerkers fysiek en herkenbaar uitnodigingen laten bezorgen in het plangebied. De gemeente Brunssum zou ook personeel met kennis van de warmtetransitie aanwezig kunnen laten zijn bij evenementen en bijeenkomsten. De veronderstelling is dat deze fysieke aanwezigheid in het plangebied positief zal uitpakken. Na het vaststellen van de TVW 2.0 wordt onderzocht welke methoden de gemeente Brunssum gaat toepassen en met welke intensiteit. De keuzes zullen enerzijds afhangen van de effectiviteit van de methoden en anderzijds van de interne en externe capaciteit en middelen.

43

5.3 Betrokkenheid van de gemeenteraad In het onderstaande overzicht is aangegeven wanneer de gemeenteraad betrokken wordt bij het besluitvormingsproces. In de linker kolom worden de documenten en onderdelen weergegeven, waarover besluitvorming nodig is. De besluitvorming staat in de volgorde van het proces.

Documenten/onderdelen warmtetransitie

Besluitvorming

Vaststellen Transitievisie Warmte

College van B&W en gemeenteraad

Updaten en vaststellen Transitievisie Warmte (minimaal iedere 5 jaar)

College van B&W en gemeenteraad

Vaststellen projectplan

College van B&W en gemeenteraad

Vaststellen uitvoeringsplan(nen)

College van B&W en gemeenteraad

Vaststellen omgevingsplan

Gemeenteraad

Aanbesteding uitvoerende partijen

College van B&W

Uitvoeringscontracten

College van B&W

De gemeenteraad is betrokken bij het vaststellen van de Transitievisies Warmte. Eind 2021 wordt versie 1.0 van de Transitievisie Warmte ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeenteraad. In de loop van 2022 volgt versie 2.0 en daarna zal tenminste iedere 5 jaar een update opgeleverd worden. Politiek-bestuurlijk draagvlak voor de plannen moet breed ingezet worden. Om deze reden is besloten om het projectplan en de Uitvoeringsplannen door het college van B en W én de gemeenteraad te laten vaststellen. Naast besluitvorming over documenten en onderdelen wordt de gemeenteraad in raadsconferenties en/of via een thematische klankbordgroep om inhoudelijke input gevraagd. De opvattingen en standpunten van de gemeenteraad worden als zeer waardevol beschouwd, omdat zij in deze fase van de transitie een afspiegeling vormen van de maatschappelijke opinie. Momenteel zijn de volgende onderwerpen en bespreekpunten in beeld: • • • • • • • • •

Afstemming van selectiecriteria en hun onderlinge weging; Een isolatie- en verduurzamingsprogramma voor woningen en gemeentelijk vastgoed; Afstemmen van de uitgangspunten voor communicatie en participatie; Het effect van interesse en actieve betrokkenheid op de mate van invloed en de invloedsmogelijkheden van bewoners en stakeholders; De organisatie van bewonersvertegenwoordiging; Oprichting van een communicatie- en participatieteam door de gemeenten van de regio Parkstad; De regierol van de gemeente tijdens de warmtetransitie en de gevolgen hiervan voor de organisatiestructuur, externe samenwerking, communicatie en benodigde competenties; De organisatie van (gethematiseerde) werksessies met bewoners en belangrijke stakeholders; Benodigde middelen voor het opstellen van de TVW 2.0 en de realisatie van uitvoeringsprogramma’s.

44

Bijlagen

Bijlagen Bijlage 1: Warmtestrategieën Korte omschrijving van codes en strategieën en varianten in de startanalyse

Strategiecode S1

S2

Omschrijving strategie

Variantcode

Label

Omschrijving variant

Individuele elektrische warmtepomp Warmtenet met middentot hogetemperatuurbron

S1a S1b S2a S2b S2c S2d S2e S2f

B+ B+ B+ B+ B+ D+ D+ D+

Luchtwarmtepomp Bodemwarmtepomp MT-restwarmte MT-geothermie MT-geothermie overal* Mt-restwarmte MT-geothermie MT-geothermie overal*

Warmtenet met lagetemperatuurbron

S3a S3b S3c S3d S3e S3f S3g S3h

B+ B+ B+ B+ B+ D+ D+ D+

LT-warmtebron, levering 30°C LT-warmtebron, levering 70°C WKO, levering 70°C hele buurt* WKO, levering 50°C TEO + WKO, levering 70°C LT-warmtebron, levering 70°C WKO, levering 70°C hele buurt* TEO + WKO, levering 70°C

Groen gas

S4a S4b S4c S4d S5a S5b S5c S5d

B+ B+ D+ D+ B+ B+ D+ D+

Hybride warmtepomp Hr-ketel Hybride warmtepomp Hr-ketel Hybride warmtepomp Hr-ketel Hybride warmtepomp Hr-ketel

S3

S4 Waterstof S5

* De varianten (S2c en S2f) en (S3c en S3g) zijn doorgerekend om voor iedere buurt inzicht te geven in de verschillende kostenposten van warmtenetten. Daartoe is verondersteld dat geothermie respectievelijk WKO in iedere buurt mogelijk is. Omdat dit in werkelijkheid niet zo hoeft te zijn, doen deze varianten niet mee in de selectie van varianten met de laagste nationale kosten voor strategie S2 respectievelijk S3.

46

Bijlagen Bijlage 2: Uitkomsten MoVe2030 draagvlak onderzoek Deze bijlage is in een apart document bijgevoegd.

47

Bijlagen Bijlage 3: Partners Onderstaande tabel geeft een overzicht van de partijen die betrokken zijn bij de totstandkoming van deze Transitievisie Warmte.

Naam betrokken partij

Wonen Zuid Wonen Limburg Weller Vincio Wonen Enexis Enpuls WML Mijnwater

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=d9ff9433-934f-4f15-a495-d6063d9902dd