Raadsvoorstel 87 (bijlage- publicatieversie) Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank.pdf
Tekst van het document
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank ***geanonimiseerde internetversie***
A. Zienswijzen 1. Inleiding Met ingang van 30 juni 2021 heeft gedurende 6 weken het ontwerpbestemmingsplan “Oostflank” ter inzage gelegen. Van deze terinzagelegging is op 29 juni 2021 kennisgeving gedaan in het Gemeenteblad (2021/209293) en de Staatscourant (2021/34390). Gedurende die periode zijn vier zienswijzen ingediend, waarvan er drie zijn voorzien van inhoudelijke gronden (nrs 1 t/m 3) en één betrof een pro forma-zienswijze (nr 4). De indiener van de pro forma-zienswijze is een termijn van twee weken gesteld om de zienswijze inhoudelijk aan te vullen, welke aanvulling ook binnen de genoemde termijn is ontvangen. Alle zienswijzen zijn daarmee tijdig ingediend en ook voor het overige ontvankelijk. Het betreft de navolgende zienswijzen. 1. 2. 3. 4.
[Reclamant 1] [Reclamant 2] Provincie Limburg, postbus 5700, 6202 MA Maastricht [Reclamant 4]
2. Beoordeling zienswijzen In dit deel van deze nota worden de zienswijzen samengevat en van commentaar voorzien. De zienswijzen worden omwille van de leesbaarheid beknopt samengevat. Bij de overwegingen omtrent het in te nemen standpunt en het bepalen van dat standpunt zijn de zienswijzen echter integraal meegenomen en meegewogen.
Zienswijze Reclamant 1 Samenvatting zienswijze Reclamant verzoekt kortgezegd om voor het in diens eigendom zijnde perceel [perceel reclamant 1] mogelijkheden te bieden voor grootschalige detailhandel (géén supermarkt) en ‘leisure annex vrijetijdsbesteding’. Standpunt Hoewel in beginsel nieuwe verzoeken en initiatieven kenbaar kunnen worden gemaakt in een zienswijze en we dan bij vaststelling van het bestemmingsplan bezien in hoeverre we aan het verzoek tegemoet kunnen komen, is het wel van belang dat aan een tweetal voorwaarden wordt voldaan, die voortvloeien uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State: a. het initiatief moet voldoende concreet zijn; b. de ruimtelijke aanvaardbaarheid moet aan de hand van de beschikbare gegevens kunnen worden beoordeeld. Ad a) Aan deze voorwaarde wordt niet voldaan, aangezien onduidelijk is welke vorm van detailhandel wordt beoogd en de ruimtelijke uitstraling van verschillende vormen van detailhandel sterk kunnen verschillen, onder meer ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking van zowel personenauto’s als vrachtverkeer en de daarmee gepaard gaande parkeerbehoefte. Dit geldt eens te meer voor een eventuele invulling met een gebruik gericht op leisure annex vrijetijdsbesteding, aangezien dergelijke
1
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
gebruiksvormen voor wat betreft ruimtelijke uitstraling sterk uiteen kunnen lopen. Dat geldt voor de eerder genoemde aspecten verkeer en parkeren, maar bijvoorbeeld ook eventuele milieueffecten. Ad b) Gezien het voorgaande kan het initiatief in dit stadium onvoldoende worden beoordeeld op de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan, waardoor bij het eventueel faciliteren van dit verzoek in dit bestemmingsplan niet kan worden onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Toch kan wel al globaal een standpunt worden bepaald, waarmee reclamant toch inzicht krijgt in hoe een eventueel nader uitgewerkt principeverzoek zal worden beoordeeld.
Detailhandel is vanuit ruimtelijke oogpunt in beginsel niet gewenst op bedrijventerreinen, gezien het bepaalde in de provinciale omgevingsverordening (Omgevingsverordening Limburg 2014), de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (SVREZL) en het daaruit voortvloeiende beleid, dat uitgaat van concentratie van detailhandel in de aangewezen winkelgebieden (concentratie- en balansgebieden). Onderhavige locatie is niet aangewezen als concentratie- en balansgebied in de Structuurvisie. Verder is in relatie tot onderhavig bestemmingsplan van belang dat in lijn met het voorgaande de gemeenteraad van Brunssum in de op 28 oktober 2020 vastgestelde Nota van Uitgangspunten ook heeft uitgesproken geen detailhandel meer te willen toestaan binnen het plangebied.
We staan in beginsel wel open voor een invulling met leisure/vrijetijdsbesteding in dit deel van het plangebied, onder meer van wegede relatie met het aangrenzende Schutterspark. Zoals eerder aangegeven is het verzoek echter nog onvoldoende concreet om te kunnen stellen dat wordt voldaan aan het criterium goede ruimtelijke ordening. Zo kan onder meer – naast eerder genoemde aspecten verkeer en parkeren – nog niet worden getoetst aan de relevante instructieregels van de provincie Limburg omtrent vrijetijdseconomie als opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Ook kan niet worden beoordeeld tot welke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden de ontwikkeling leidt en of dat dan voldoet aan de wettelijke kaders en kan niet worden beoordeeld of de ontwikkeling voldoet aan wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid, gezien de relatief korte afstand tot de Buitenring Parkstad Limburg, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Samengevat kan ten aanzien van detailhandel op voorhand worden gesteld dat daar ondanks de onvoldoende concrete afbakening van het verzoek geen medewerking aan wordt verleend. Voor een initiatief gericht op leisure en vrijetijdsbesteding staan we in beginsel wel open, maar het verzoek is onvoldoende concreet om dit planologisch te kunnen faciliteren en te onderbouwen in dit bestemmingsplan. Daarbij is ook van belang dat de planning voor vaststelling van dit bestemmingsplan het niet toelaat dit verder te concretiseren en te onderbouwen gezien de termijnen die voortvloeien uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) in relatie tot het voorbereidingsbesluit dat de gemeenteraad heeft genomen op 30 juni 2020. Wel bestaat altijd de mogelijkheid om een meer concreet principeverzoek kenbaar te maken buiten deze bestemmingsplanprocedure, welk verzoek dan op aanvaardbaarheid kan worden getoetst. Daarover vindt reeds overleg plaats met reclamant. Conclusie De zienswijze is ongegrond en geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
2
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
Zienswijze Reclamant 2 Samenvatting zienswijze Hierna wordt de zienswijzen puntsgewijs samengevat en van commentaar voorzien. Opmerking 1 Reclamant stelt dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en niet voorziet in een goede ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft de locatie van diens autohandel en –demontagebedrijf achter zijn woonwagenstandplaats [adres reclamant 2], nu zijn bedrijfsactiviteiten met onderhavig bestemmingsplan wordt wegbestemd. Commentaar De gronden waarop reclamant op dit moment nog bedrijfsactiviteiten uitoefent zijn in eigendom van de gemeente Brunssum en worden gehuurd door reclamant. De huurovereenkomst is reeds per brief van 27 november 2019 opgezegd. Hoewel in de overeenkomst een opzegtermijn van 3 maanden overeen is gekomen, hebben wij er in voornoemde brief voor gekozen een ruime termijn van twee jaar aan te houden en daarmee de huur c.q. de overeenkomst op te zeggen per 1 december 2021. Daarmee is reclamant ruim tijd geboden om tot beëindiging dan wel verplaatsing van de activiteiten over te gaan en is reclamant gehouden de gronden schoon, vrij van opstallen, funderingen en opgeslagen materialen op te leveren per 1 december 2021. Het voorgaande houdt in dat de bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie dienen te zijn beëindigd vóór de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.
Na 1 december 2021 is er daarom geen aanleiding meer om rekening te houden met bedrijfsactiviteiten, heeft reclamant geen belang meer bij het behouden van de planologische mogelijkheden voor bedrijfsmatige activiteiten op de betreffende gronden en zijn er voor reclamant evidente privaatrechtelijke belemmeringen om de bedrijfsactiviteiten op deze locatie verder voort te zetten. Daarnaast is van belang dat één van de uitgangspunten voor het plan – als beschreven in de toelichting op het bestemmingsplan – wordt gevormd door de wens de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te verbeteren, zeker op c.q. bij percelen langs de Buitenring Parkstad Limburg. Deze wens is in onderhavig plan onder meer vertaald in regels omtrent buitenopslag. Daarnaast is van belang dat – zoals benoemd in de structuurvisie – ecologische verbindingen worden beoogd tussen de Schinveldse Bossen, de Brunssummerheide en de Tevenerheide. Eén van die verbinding is voorzien vanaf de Hoogenboschweg, langs de Buitenring richting het zuiden, aansluitend op de ecologische verbindingszones die worden gerealiseerd bij de afwerking van groeve Hendrik/Mourik. De keuze voor de bestemming ‘Groen’ voor de gronden waarop de zienswijze van reclamant betrekking heeft, wordt ingegeven door deze ambitie als benoemd in de structuurvisie.
Nu de provincie en de gemeente grotendeels eigenaar zijn van de gronden waarop de hier aan de orde zijnde verbinding is voorzien (waaronder dus de gronden waarop reclamant nu de bedrijfsactiviteiten uitoefent) en de inrichting van een ecologische verbindingszone bij de oplevering van het terrein Hendrik/Mourik is geborgd in het eindplan bij de ongrondingsvergunning, is de uitvoerbaarheid van de verbindingszone voldoende verzekerd. De gronden ten noorden van het perceel waarop reclamant nu nog zijn activiteiten uitoefent, zijn ook al als zodanig ingericht. Opmerking 2 Het bedrijf is niet in strijd met de Wet milieubeheer, Wet bodembescherming, Wet geluidhinder of de regels van het ontwerpbestemmingsplan Oostflank.
3
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
Commentaar Zoals blijkt uit het commentaar op opmerking 1 kan reclamant vanwege de opzegging van de huur per 1 december a.s. geen aanspraak meer maken op het gebruik van de betreffende gronden. Dat het bedrijf – zoals wordt gesteld door reclamant – voldoet aan de relevante wet- en regelgeving op het gebied van milieuhygiëne maakt dit niet anders. Zoals uit de het commentaar op opmerking eveneens blijkt, biedt het nu voorliggende bestemmingsplan geen planologische mogelijkheden om de bedrijfsactiviteiten op de betreffende gronden voort te zetten. De activiteiten zijn daarom wel degelijk in strijd met het (ontwerp)bestemmingsplan Oostflank. De Wet geluidhinder is niet van toepassing op de activiteiten van reclamant dan wel het betreffende perceel, aangezien geen sprake is van een (gezoneerd) industrieterrein als bedoeld in die wet. Opmerking 3 In het bestemmingsplan wordt ten onrechte niet ingegaan op de inspanningverplichting van de provincie Limburg om de eerder gesloopte autodemontagehal weer te kunnen herbouwen. Deze inspanningsverplichting dient in dit bestemmingsplan te worden ingevuld. Commentaar De gemeente Brunssum is geen partij bij afspraken die zijn gemaakt c.q. overeenkomsten die zijn aangegaan tussen reclamant en de Provincie Limburg.
Dergelijke afspraken kunnen er ook niet toe leiden dat de gemeente Brunssum is gehouden binnen dit bestemmingsplan in mogelijkheden voor de bouw van een autodemontagehal voor reclamant te voorzien. Zoals blijkt uit het commentaar op opmerking 1 zijn er voor ons als gemeente goede gronden om geen medewerking te verlenen aan de (her)bouw van een autodemontagehal op de gronden waarop de zienswijze betrekking heeft. Volledigheidshalve wordt wel opgemerkt dat sinds 2015 meermaals contact is geweest tussen reclamant en de gemeente Brunssum over mogelijkheden voor hervestiging van het bedrijf elders op het bedrijventerrein of daarbuiten. Opmerking 4 Indien het bestemmingsplan toch ongewijzigd wordt vastgesteld, dan is sprake van overgangsrecht omdat het bedrijf er al circa 36,5 jaar legaal en conform de wettelijke bepalingen in werking is. Commentaar Zoals uit het commentaar op opmerking 1 blijkt, dienen de bedrijfsactiviteiten vóór 1 december aanstaande te worden gestaakt en dienen de gronden schoon, vrij van opstallen, funderingen en opgeslagen materialen te worden opgeleverd op die datum. De bedrijfsactiviteiten dienen daarom vóór de datum van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te worden beëindigd.
Rekeninghoudend met de redactie van het overgangsrecht in het bestemmingsplan (welke redactie is voorgeschreven op grond van het Besluit ruimtelijke ordening) kan van een legitiem beroep op overgangsrecht geen sprake zijn. Opmerking 5 In het bestemmingsplan ontbreekt de maximale invulling voor het bedrijfsterrein en de woonwagen(standplaats) [adres reclamant 2]. Commentaar Voor wat betreft de bestemming van de gronden waarop momenteel de bedrijfsactiviteiten van reclamant plaatsvinden wordt verwezen naar het commentaar op eerdere opmerkingen. Voor de planologische mogelijkheden voor diens woonwagen(standplaats) geldt dat de planologische mogelijkheden
4
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
zijn afgestemd op de mogelijkheden die de – vooralsnog – geldende beheersverordening “Bedrijventerreinen” biedt. Opmerking 6 Het woon- en leefklimaat in de woonwagen is niet gewaarborgd omdat in het bestemmingsplan geen regels over geluid zijn opgenomen, terwijl de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Raad van State) eerder heeft geoordeeld dat voor de woonwagen een binnenwaarde van 33 dB(A) geldt. Commentaar Het woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd door toepassing van het principe van milieuzonering, zoals ook is verwoord in de toelichting op het bestemmingsplan. Daarbij is van belang dat geen nieuw ruimtebeslag voor bedrijfsmatige activiteiten plaatsvindt ten opzichte van de beheersverordening “Bedrijventerreinen” en de bestaande, planologische legale situatie. In de directe omgeving van de woonwagen(standplaats) wordt juist een aanzienlijke oppervlakte aan bedrijventerrein herbestemd tot ‘Groen’ vanwege de beoogde ecologische verbindingszone. De uitspraak van de Raad van State waar reclamant naar verwijst heeft betrekking op de aanleg van de Buitenring (provinciaal inpassingsplan “Herziening PIP BPL optimalisatie Kranenpool Brunssum”) en het daarmee verband houdende besluit van Gedeputeerde Staten om hogere grenswaarden vast te stellen als bedoeld in de Wet geluidhinder.
Uit de uitspraak van de Raad van State blijkt dat de genoemde binnenwaarde van 33 dB(A) is gewaarborgd. Nu sprake is van een bestaande woonwagen(standplaats), een bestaande provinciale weg (welke bovendien buiten het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ligt) en de bescherming van de woonwagen(standplaats) tegen geluid reeds afdoende is geborgd in bestaande wet- en regelgeving, bestaat geen aanleiding regels over geluid op te nemen in dit bestemmingsplan. Opmerking 7 De akoestische onderzoeken die in het verleden in het plangebied zijn uitgevoerd zijn niet als bijlage toegevoegd, waardoor die niet kunnen worden beoordeeld. Commentaar Het bestemmingsplan is overwegend beheersmatig van aard. Er wordt geen nieuw ruimtebeslag toegestaan ten opzichte van de huidige situatie c.q. de geldende beheersverordening “Bedrijventerreinen”. Er is – ook gezien de toelichting op het bestemmingsplan – geen aanleiding om aan te nemen dat geen sprake is van goede ruimtelijke ordening. Eventuele in het verleden uitgevoerde onderzoeken, ten behoeve van andere planologische of andere besluiten, zijn daarom niet van belang c.q. er bestaat geen noodzaak die rapporten op te nemen bij onderhavig bestemmingsplan.
Opmerking 8 In het verleden zijn op het terrein van reclamant diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, maar die zijn ten onrechte niet bij het plan gevoegd en de resultaten daarvan worden ten onrechte niet vermeld in het bestemmingsplan. Commentaar Zie commentaar opmerking 7. Er is geen aanleiding in het verleden uitgevoerde onderzoeken als bijlage bij de toelichting te voegen, dan wel te beschrijven in de toelichting op het bestemmingsplan.
5
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
Opmerking 9 Er is in het bestemmingsplan niet voorzien in een financiële paragraaf in verband met het schadeloos stellen van reclamant als gevolg van het wegbestemmen van diens bedrijf. Commentaar Zoals blijkt uit het commentaar op (met name) opmerking 1 is de huur van de gronden waarop reclamant dient bedrijfsmatige activiteiten uitoefent opgezegd en is daarbij de overeengekomen opzegtermijn gerespecteerd. Er is zelfs een aanzienlijk langere termijn geboden (2 jaar). Met reclamant is overeengekomen dat de gronden – bij opzegging van de huur – de gronden schoon, vrij van opstallen, funderingen en opgeslagen materialen dient op te leveren. Van een schadeloosstelling in het kader van dit bestemmingsplan kan daarom geen sprake zijn. Conclusie De zienswijze is ongegrond en geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
Zienswijze Reclamant 3, Provincie Limburg Samenvatting zienswijze De zienswijze heeft betrekking op de planregels waarmee wordt beoogd de emissie c.q. depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden te reguleren, conform de huidige stand van zaken in wet- en regelgeving en jurisprudentie. De zienswijze richt zich op twee aspecten: 1. Het is mogelijk reeds verleende onherroepelijke natuurvergunningen in te passen in het bestemmingsplan zonder voor dat bestemmingsplan een Passende Beoordeling uit te voeren, maar de wijze waarop daaraan invulling is gegeven in het ontwerpbestemmingsplan voldoet niet geheel aan de laatste stand van zaken in de jurisprudentie. 2. Onduidelijk is of de planregels die bepalen dat door het gebruik van gronden en bouwwerken geen toename van de stikstofemissie als bedoeld in artikel 1.71 van de planregels mag plaatsvinden ook betrekking hebben op de verkeersbewegingen die daarmee gepaard gaan. Commentaar Beoogd wordt in het bestemmingsplan te voorzien in planregels die voorkomen dat als gevolg van activiteiten in het gebied stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden plaatsvinden van meer dan 0,00 mol/hectare/jaar. Daarin wordt voorzien in een combinatie van gebruiksregels voor een aantal bestemmingen (art. 4.4.1, 5.4.1, 7.4.1 en 8.4.1) en een omschrijving van het begrip ‘toename van stikstofemissie’ (art. 1.71).
Kortgezegd komen de regels er op neer dat het gebruik van gronden en bouwwerken niet mag leiden tot een toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/hectare/jaar ten opzichte van het feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Deze stringente regeling is een gevolg van uitspraken van de Raad van State omtrent de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en nadien verschenen uitspraken van de Raad van State. Verder wordt beoogd met dit bestemmingsplan mogelijkheden voor het gebruik van gronden en bouwwerken waarvoor reeds een onherroepelijke natuurvergunning is verleend niet te belemmeren, door te voorzien in een zogenoemde “één-op-één-inpassing”. Dit is in het ontwerpbestemmingsplan uitgewerkt in sub c van artikel 1.71. Die regeling voldoet inderdaad niet geheel aan de meest recente
6
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
inzichten op basis van jurisprudentie. De regeling wordt daarom – in overleg met de provincie – aangepast. Hoewel het een complexe regeling betreft, is de regeling noodzakelijk om het bestemmingsplan te laten voldoen aan de wet- en regelgeving en jurisprudentie omtrent stikstof. Niet in de laatste plaats gezien de ligging (direct aangrenzend) ten opzichte van het voor stikstof gevoelige Natura 2000gebied Brunssummerheide. Ook zal in de eerder genoemde gebruiksregels in artikel 4.4.1, 5.4.1, 7.4.1 en 8.4.1 worden verduidelijkt dat onder ‘het gebruik van gronden en bouwwerken’ ook de daaraan gerelateerde verkeersbewegingen worden begrepen. Ook zal de toelichting op het bestemmingsplan (paragraaf 4.7) naar aanleiding van deze wijzigingen worden aangevuld c.q. verduidelijkt. Conclusie De zienswijze is gegrond. Het bestemmingsplan wordt gezien het voorgaande ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan als volgt gewijzigd: Ontwerpbestemmingsplan
Voorstel voor aanpassing bij vaststelling
Artikel 1.71 Toename van stikstofemissie
Artikel 1.71 Toename van stikstofemissie
(…)
(…)
c.
Als uitzondering op lid a en lid b van deze bepaling
c.
Als uitzondering op lid a en lid b van deze bepaling
geldt het volgende: Er is geen sprake van een toe-
geldt dat geen sprake is van een toename van stikstofe-
name van stikstofemissie wanneer er sprake is van
missie wanneer de emissie N/kg/jaar afkomstig van be-
één van de volgende situaties:
treffende gronden en bouwwerken maximaal de emis-
1.
de emissie N/kg/jaar afkomstig van be-
sie N/kg/jaar afkomstig van de betreffende gronden en
treffende gronden en bouwwerken be-
bouwwerken conform:
draagt maximaal de emissie N/kg/jaar af-
1.
een ten tijde van de vaststelling van dit be-
komstig van de betreffende gronden en
stemmingsplan verleende en onherroepelijke
bouwwerken conform een ten tijde van
vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuur-
de vaststelling van dit bestemmingsplan
beschermingswet 1998 en/of artikel 2.7 lid 2
verleende en onherroepelijke vergunning
Wet natuurbescherming bedraagt en ten be-
als bedoeld in artikel 19d Natuurbescher-
hoeve van die vergunning een passende be-
mingswet 1998 en/of artikel 2.7 lid 2 Wet
oordeling is gemaakt; of
natuurbescherming, en waarvoor een
2.
een ten tijde van de vaststelling van dit be-
passende beoordeling is gemaakt, dan
stemmingsplan verleende en onherroepelijke
wel een verleende en onherroepelijke
omgevingsvergunning die met toepassing van
omgevingsvergunning die met toepassing
hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 of
van hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet
met toepassing van de overeenkomstige re-
1998 of met toepassing van de overeen-
geling uit de Wet natuurbescherming dan wel
komstige regeling uit de Wet natuurbe-
onder toepassing van artikel 2.2aa Bor juncto
scherming dan wel onder toepassing van
artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo is verleend en
artikel 2.2aa Bor juncto artikel 2.1 lid 1
ten behoeve van die vergunning waarvoor
onder i Wabo is verleend en waarvoor
een passende beoordeling is gemaakt; en
een passende beoordeling is gemaakt.
3.
ling noodzakelijk is;
wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
er geen nieuwe gegevens of inzichten zijn op basis waarvan een nieuwe passende beoorde-
* wanneer in deze regels 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt,
d.
de onder c bedoelde situaties betreffen:
7
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
Adres/om-
Datum
Kenmerk
29 maart 2018
2018/21530
schrijving locatie vergunning Kranenpool 4
* wanneer in deze regels 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
Artikel 4.4.1 Geen toename stikstofemissie
Artikel 4.4.1 Geen toename stikstofemissie
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken in strijd
1.
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken in strijd
met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het
met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend
gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toe-
het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij
name van stikstofemissie plaatsvindt vanaf de betref-
een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanaf de
fende gronden c.q. vanuit de betreffende bouwwerken
betreffende gronden c.q. vanuit de betreffende bouwwerken. 2.
Onder het gebruik van gronden en bouwwerken wordt ook begrepen de aan de functie van de gronden en bouwwerken gerelateerde verkeersbewegingen.
Paragraaf 4.7 en de toelichting op de relevante bestemmingen (hoofdstuk 5) in de toelichting op het bestemmingsplan worden naar aanleiding van het voorgaande aangevuld c.q. verduidelijkt.
Zienswijze Reclamant 4 Samenvatting zienswijze Reclamant heeft gronden gekocht binnen het plangebied, gelegen aan de Kranenpool, welke gronden op de verbeelding zijn voorzien van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’. De daaraan verbonden regels zijn onnodig problematisch en rechtsonzeker omdat er buiten de planbegrenzing moet worden gekeken om vast te stellen of aan het maximum bebouwingspercentage wordt voldaan. Reclamant verzoekt om óf de delen van de betreffende percelen die zijn gelegen binnen een PIP mee te nemen binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan óf te voorzien in een duidelijk geredigeerd artikel dat wel nog steeds een goede kavelindeling mogelijk maakt. Commentaar De regels waar reclamant op doelt (artikel 4.2.3) zijn juist gesteld met het oog op een goede kavelindeling. De percelen die zijn gelegen in deelgebied 3, tussen de Buitenring, Ganzepool en Rimburgerweg vallen deels binnen en deels buiten onderhavig plangebied. Een verruiming van het plangebied aan de noordzijde (waar de zienswijze betrekking op heeft) is niet mogelijk, aangezien in het kader van de vaststelling van de op dit moment geldende provinciale inpassingsplannen (PIP’s) is bepaald dat de gemeenteraad van Brunssum tot 18 maart 2026 geen bevoegdheid heeft om ruimtelijke plannen vast te stellen voor gronden die zijn gelegen binnen de begrenzing van deze PIP’s.
Het is gebruikelijk in een bestemmingsplan in het kader van een goede ruimtelijke ordening de bouwmogelijkheden af te bakenen door gebruik van bouwvlakken, aan te houden minimale afstanden tot
8
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
perceelsgrenzen en maximum bebouwingspercentages. Wanneer regels in onderhavig bestemmingsplan niet goed aansluiten op het planologisch kader in het PIP ontstaan al snel onevenredige belemmeringen voor een goede kavelindeling. Hoewel het leidt tot wat meer complexe regels dan voor de overige delen van het plangebied van toepassing zijn, zijn wij van oordeel met de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen regels juist te voorzien in goede mogelijkheden voor een goede en efficiente kavelindeling. Reclamant stelt overigens terecht dat niet duidelijk is naar welk provinciaal inpassingsplan wordt verwezen en dat geen sprake is van een bouwvlak voor de gronden buiten het plangebied die direct grenzen aan de gronden van reclamant. Parallel aan dit bestemminsplan werkt de Provincie Limburg aan een nieuwe provinciaal inpassingsplan waarin wordt voorzien in een regeling van gelijke strekking, waardoor de eigenaren c.q. gebruikers van percelen niet worden belemmerd in een goede indeling van hun kavels door bevoegdheidsvraagstukken die voortvloeien uit de besluiten tot vaststelling van de huidige PIP’s. Door omstandigheden is dit PIP echter nog niet in procedure gebracht ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. In de regels wordt de verwijzing naar het PIP expliciet gemaakt door te verwijzen naar de juiste plannaam en het bijbehorende planidentificatienummer.
Overigens bevat het ontwerpbestemmingsplan ten aanzien van deze regeling ook een kleine omissie. Sub b en c van artikel 4.2.3 vormen redactioneel namelijk één geheel en worden daarom alsnog samengevoegd. Conclusie De zienswijze is gegrond. Het bestemmingsplan wordt gezien het voorgaande ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zodanig gewijzigd dat in artikel 4.2.3 expliciet de plannaam (Inpassingsplan Veegplan Buitenring Parkstad Limburg 2021) en het planidentificatienummer van het PIP (NL.IMRO.9931.VeegplanBPL2021) worden vermeld, zodat geen verwarring bestaat over welk PIP wordt bedoeld.
9
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan Oostflank
B. Ambtshalve wijzigingen Door voortschrijdend inzicht dan wel door ontwikkelingen die zich hebben aangediend na inzage van het ontwerpbestemmingsplan bestaat ook aanleiding het bestemmingsplan op een aantal punten aan te passen. Deze aanpassingen worden hierna beschreven. Verbeelding De toegang tot Groeve Swelsen vanaf de Waubacherweg is in het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte niet voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – ontgronding 2. Dat is hersteld door het in onderstaande afbeelding rood omrande terreindeel alsnog te voorzien van de betreffende aanduiding.
Bijlage bij de regels Gezien het bepaalde in de Nota van Uitgangspunten, de regels en de toelichting is (nieuwe) detailhandel niet wenselijk. Uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn nog enkele activiteiten geschrapt die in feite detailhandel betreffen en daarom voor verwarring over de uitleg van het plan kunnen leiden. Het betreft de handel in auto’s, vrachtauto’s motors en onderdelen voor auto’s en motors. Reparatie- en servicebedrijven voor auto’s en motors zijn wel toegestaan. Toelichting Na afloop van het vooroverleg is nog een advies ontvangen van de brandweer dat niet meer tijdig kon worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Op dit advies is nu alsnog ingegaan in paragraaf 4.5 (externe veiligheid) en 7.2 (vooroverleg) van de toelichting. Bijlagen bij de toelichting Met betrekking tot de Groeve Swelsen is de ontwerp-ontgrondingsvergunning als onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing opgenomen als bijlage bij de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan. Inmiddels is de ontgrondingsvergunning definitief verleend. De ontwerp-vergunning wordt daarom vervangen door de ‘definitieve’ vergunning.
10