Raadsvoorstel 87 (bijlage) Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Bijlagen bij de toelichting -
Oostflank Gemeente Brunssum
BESTEMMINGSPLAN - Bijlagen bij de toelichting -
Oostflank Gemeente Brunssum
IDN-nummer:
NL.IMRO.0899.BpOostflank-VA01
Status:
vastgesteld
Datum:
2 november 2021
Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen
Locatie Vught Parklaan 21 5261 LR Vught
024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1
Ruimtelijke onderbouwing wijziging groeve Swelsen
6
Bijlage 2
Aanmeldnotitie m.e.r.
430
Bijlage 3
Verslag van vooroverleg en ambtshalve wijzigingen
462
bestemmingsplan Oostflank
3
4
bestemmingsplan Oostflank
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Oostflank
5
Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing wijziging groeve Swelsen
6
bestemmingsplan Oostflank
Ruimtelijke onderbouwing/uitvoerbaarheid Uitbreiding bestaande Groeve Swelsen Definitief (v2) d.d. 28 september 2021
Het initiatief: Bestaande huidige ontgronding Groeve Swelsen uitbreiden Het initiatief betreft het uitbreiden van de huidige ontgronding Groeve Swelsen op de percelen kadastraal bekend als gemeente Brunssum, sectie(s) H, nummer(s) 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 39, 256 en 277, zoals op de kadastrale tekening is aangegeven. De ontgrondingsvergunning van 3 oktober 2019 met kenmerk 2019/73453, welke vergunning op 24 juni 2020 ambtshalve is gewijzigd (kenmerk 2020/73885), op de percelen, kadastraal bekend gemeente Brunssum, sectie H, nummers 14, 15, 16, 17, 256 en 277 is bij besluit van Gedeputeerde Staten van 10 juni 2021 (kenmerk 2021/34902) gewijzigd. In de ontgrondingsvergunningen voor de huidige groeve en aanvraag voor de uitbreiding (vergunning uitbreiding d.d. 10 juni 2021) is gemotiveerd dat het initiatief beoogd de bedrijfsactiviteiten te kunnen continueren om daarmee de regionale markt te kunnen blijven voorzien van grondstoffen.
De betreffende locatie kende op grond van het vervallen ‘Hoofdzakenplan Schinveld 1e herziening’ (1964) de bestemming ‘Mijnindustrie’. In de huidige groeve vindt thans nog een ontgronding plaats. De percelen waarvoor een ontgrondingsvergunning is aangevraagd (en inmiddels verleend) zijn altijd bedoeld voor
mijnbouw/ontgronding en ook altijd als zodanig door initiatiefnemer beheerd. Er is dus ook sprake van voortzetting van bestaand “gebruik”, met dien verstande dat op de onderhavige (direct naast de huidige groeve gelegen) percelen nog niet feitelijk sprake was van ontgronding. In dit bestemmingsplan wordt aan de gronden de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met een specifieke aanduiding toegekend die ontgronding mogelijk maakt. In het eindplan van de ontgronding is voorzien dat het gebied wordt ontwikkeld tot een bedrijventerrein. Gelet op de looptijd van de mijnbouwactiviteit, ca 33 jaar, wordt voor de invulling van het bedrijventerrein te zijner tijd het Omgevingsplan gewijzigd. Planologie en ontgrondingenbeleid POL2014 De terreinen in kwestie zijn in het POL2014 aangeduid als ‘Bedrijventerrein’, vallend onder de categorie ‘Bebouwd gebied’. De ontgronding en het daarbij voorgeschreven eindplan zullen (op termijn) invulling gaan geven aan deze bestemming. Gezien de meervoudige doelstelling, waarbij met name een bijdrage wordt geleverd aan de gebiedsontwikkeling Oostflank, past de onderhavige ontgrondingsaanvraag naar het oordeel van de Provincie Limburg binnen het ontgrondingenbeleid.
Ruimtelijke en milieueffecten De ruimtelijke en milieueffecten van de uitbreiding van de groeve zijn beoordeeld in het kader van de Ontgrondingsvergunning en de Omgevingsvergunning (uitvoeren werken en milieu), Ten behoeve hiervan is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (zie de bijlagen). Hieruit blijkt dat het project geen MER plichtige activiteit is. Ten behoeve van de vergunningen zijn tevens de effecten luchtkwaliteit, geluid, trillingen, waterhuishouding, bodemkwaliteit, hinder bedrijvigheid, externe veiligheid en vliegverkeer beschouwd. Vast staat dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor de activiteit. Er is derhalve geen belemmering de activiteit uit te voeren in het gebied en kan op basis daarvan dat deze aspecten in het kader ven een goede ruimtelijke ordening geen belemmering vormen. Archeologie en cultuurhistorie Uit de bij de aanvraag voor de Ontgrondingsvergunning gevoegd Archeologisch onderzoek blijken er geen belemmeringen voor het initiatief. Wet natuurbescherming Uit de ontgrondingsvergunning van 3 oktober 2019 met kenmerk 2019/73453, de op 10 juni 2021 verleende wijziging van die vergunning en uit de bij de aanvraag voor de ontgrondingsvergunning gevoegde Natuurtoets blijkt dat kan gesteld worden dat significant negatieve effecten op de natuur (flora en fauna, soortenbescherming, gebieden) op voorhand niet aan de orde zijn.
In de aanvraag voor de Ontgrondingsvergunning (bijlage) is ook gemotiveerd dat de kans op significant negatieve effecten op enig Natura 2000-gebied als gevolg van stikstofdepositie op voorhand niet aan de orde zijn. Het beoogde gebruik van de groeve is daarmee niet vergunningsplichtig in het kader van de wet Natuurbescherming (Wnb). Houtopstanden In de ontwerp-Ontgrondingsvergunning voor de uitbreiding is het volgende opgenomen.: De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de kap van circa 0,7 hectare bos. De houtopstanden zijn beschermd op grond van hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Voor het kappen van de houtopstanden dient minstens zes weken voor het daadwerkelijk vellen een kapmelding ingediend te worden bij de provincie. De
gekapte houtopstanden moeten op een bosbouwkundig verantwoorde wijze binnen drie jaar worden herbeplant. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met de provincie. Het aspect houtopstanden vormt hiermee geen belemmering voor het project. Overige belangen In het gebied is een hoogspanningsverbinding gelegen in eigendom en beheer van Tennet. Ten behoeve van de bescherming van deze hoogspanningsverbinding heeft Tennet een zakelijk recht gevestigd met daarin opgenomen de beperkingen voor de eigenaar van de percelen. Het bestemmingsplan doorkruist dit zakelijk recht niet en voorziet in een dubbelbestemming ten behoeve van de goede en veilige werking van de verbinding. Economische en Financiële uitvoerbaarheid Met het verlenen van de Ontgrondingsvergunning heeft de provincie de haalbaarheid van het project afgewogen. Het project ziet op een continuering van het leveren van hoogwaardige bouwstoffen. De ontgronding geschiedt geheel voor rekening en risico van initiatiefnemer. Ten behoeve van de afwerking van de groeve, gereed voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein, is een zekerheid in de vorm van een bankgarantie gesteld. De gemeente loopt derhalve geen enkel financieel risico. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief en het plan voldoen aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening.
Bijlagen 1 2 3 4
Vigerende Ontgrondingsvergunning van 3 oktober 2019 met kenmerk 2019/73453 en de ambtshalve wijziging daarvan van 24 juni 2020 met kenmerk 2020/73885 Aanvraag Ontgrondingsvergunning voor de uitbreiding van de groeve, gedateerd 1 december 2020 Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg d.d. 10 juni 2021 met kenmerk 2021/34902, waarmee de ontgrondingsvergunning van 3 oktober 2019 met kenmerk 2019/73453 is gewijzigd Aanvraag wijziging omgevingsvergunning activiteit ‘milieu’, gedateerd 8 april 2021
BIJLAGE 1 Vigerende Ontgrondingsvergunning van 3 oktober 2019 met kenmerk 2019/73453 en de ambtshalve wijziging daarvan van 24 juni 2020 met kenmerk 2020/73885
BIJLAGE 2 Aanvraag Ontgrondingsvergunning voor de uitbreiding van de groeve, gedateerd 1 december 2020
BIJLAGE 3 Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg d.d. 10 juni 2021 met kenmerk 2021/34902, waarmee de ontgrondingsvergunning van 3 oktober 2019 met kenmerk 2019/73453 is gewijzigd
BIJLAGE 4 Aanvraag wijziging omgevingsvergunning activiteit ‘milieu’, gedateerd 8 april 2021
Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg
Ontgrondingenwet en Omgevingsverordening Limburg Groeve Swelsen te Brunssum Zaaknummer: 2019-202017
Kenmerk: 2019/73453 Verzonden: 7 oktober 2019
d.d. 3 oktober 2019
INHOUDSOPGAVE 1
De aanvraag
3
2
Gegevens
3
2.1
Doel van de ontgronding
3
2.2
Beoogde werkzaamheden
3
2.3
Situatie van het terrein
4
2.4
Eigendomssiutatie
4
3
4
Terinzagelegging
4
3.1
4
Adviezen en zienswijzen
Belangenafweging
6
4.1
Planologie
6
4.2
Ontgrondingenbeleid
6
4.3
Natuur
8
4.4
Hydrologie
9
4.5
Verkeersaantrekkende werking
9
4.6
Archeologie
10
4.7
Vliegverkeer
10
5
Fasering
10
6
Besluit
11
7
Rechtsbescherming
11
8
Voorschriften
12
9
Vergunningstekening
18
10
Ondertekening
19
11
Afschriften
19
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
2019/73453
2
1
De aanvraag
Bij brief van 8 februari 2019, ingekomen op 11 februari 2019, heeft Royal HaskoningDHV namens Gebr. Swelsen Klei- en Zandexploitatie B.V., Oude Lakerweg 30, 6101 AA te Echt (hierna: aanvrager) een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Brunssum, sectie H, nummers 14, 15, 16, 17, 256 en 277, zoals op de bij dit besluit behorende kadastrale tekening in hoofdstuk 8 met zwarte omlijning is aangegeven. Op 11 februari 2019 is de aanvraag door aanvrager aangevuld met aanvullende gegevens. Tevens is aanvrager op 28 maart 2019 verzocht om aanvullende gegevens. Naar aanleiding van dit verzoek is de aanvraag op 1 april 2019 aangevuld. Het te ontgronden terrein heeft een grootte van circa 9 hectare.
2
Gegevens
2.1
Doel van de ontgronding
De ontgronding van het terrein in kwestie heeft ten doel het winnen van oppervlaktedelfstoffen. De aanvraag betreft een aanvullende ontgraving van Brunssum klei tot grotere diepte dan de reeds eerder uitgevoerde ontgronding. Bij de voorgenomen ontgronding zal in totaal volgens aanvrager 65.000 m³ specie worden vergraven. Het betreft een verzoek om een nieuwe ontgrondingsvergunning voor een groeve waarvoor reeds ontgrondingswerkzaamheden plaatsgevonden hebben. Op 14 september 2004 is hiervoor aan aanvrager een ontgrondingsvergunning met kenmerk 2002/27637 afgegeven door ons college met een looptijd voor het winnen van specie van 10 jaren. De winningstermijn van 10 jaar is verlopen.
2.2
Beoogde werkzaamheden
Het ligt in de bedoeling van de aanvrager om de terreinen te ontgronden tot op een diepte van maximaal + 62, 5 meter NAP en een waterbassin tot + 61,0 meter NAP. Het te vergraven materiaal zal grotendeels van het perceel worden afgevoerd. Het niet vermarktbare deel circa 20.500 m3 (vulzand) zal in de groeve blijven en als afdeklaag gebruikt worden. De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd met behulp van een hydraulische graafmachine. De afvoer zal plaatsvinden per as. Om de groeve geschikt te maken voor de eindinrichting zijnde een bedrijventerrein, wordt de groeve aangevuld tot aan het omringend maaiveld en in eerste instantie ingericht als schraalgrasland met groenzones. De kleiwinning vindt in een beperkt deel van de groeve plaats. In het overige deel kan parallel aan de kleiwinning de aanvulling, volgend op de ontgraving die hier reeds plaats heeft gevonden, voortgezet worden. De aanvrager spreekt de verwachting uit, dat het totaal van deze werkzaamheden (ontgronden, aanvullen en herinrichten) een tijdvak van 16 jaar zal beslaan.
2019/73453
3
2.3
Situatie van het terrein
Het terrein waarvoor de ontgrondingsvergunning is aangevraagd, heeft een grootte van ongeveer 9 ha. De te ontgronden percelen zijn momenteel als ontgrondingslocatie in gebruik. De groeve maakt onderdeel uit van het ontwikkelingsgebied ‘de Oostflank’ en vormt aan de noordzijde de rand van het bedrijventerrein ‘Ora et Labora’. De groeve is plaatselijk bekend als “groeve Swelsen” en is gelegen in de gemeente Brunssum.
2.4
Eigendomssiutatie
Het terrein dat wordt afgegraven en wordt heringericht is geheel in eigendom van aanvrager.
3
Terinzagelegging
De aanvraag wordt afgehandeld met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag om vergunning en het ontwerpbesluit hebben van 26 juli 2019 tot en met 5 september 2019 ter inzage gelegen in het gouvernement te Maastricht en in het gemeentehuis van de gemeente Brunssum. Gedurende deze termijn kon eenieder bij het college van Gedeputeerde Staten schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen inbrengen. Het ontwerp-besluit en de kennisgeving konden in genoemde periode tevens worden geraadpleegd via de internetsite van de provincie Limburg (www.limburg.nl/bekendmakingen).
3.1
Adviezen en zienswijzen
Bij schrijven van 4 september 2019, ingekomen op 6 september 2019 zijn zienswijzen ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Brunssum. De ingebrachte zienswijzen, welke betrekking hebben op het onderhavige besluit, zijn onderstaand door ons samengevat. Aansluitend is onze overweging met betrekking tot de desbetreffende zienswijze weergegeven. 1. Winningstermijn verlopen Op pagina 3 onder “2.1 Doel van de ontgronding” wordt opgemerkt dat de winningstermijn van 10 jaar is verlopen. Dit zou moeten zijn dat de in 2004 vergunde winningstermijn van 10 jaar met 5 jaar is overschreden. Overweging: Onder paragraaf 2.1 is door ons aangeven dat de winningstermijn zijnde 10 jaar, gerekend vanaf het jaar 2004 waarin de ontgrondingsvergunning is afgegeven, is verlopen of in andere woorden is beëindigd. De winningstermijn is derhalve 5 jaar geleden verlopen danwel beëindigd. De onderhavige aanvraag betreft dan ook een verzoek om een nieuwe ontgrondingsvergunning en geen verzoek om verlenging van de ontgrondingsvergunning uit 2004. 2. Maximalisering winningstermijn Eveneens op pagina 2 onder “2.2 Beoogde werkzaamheden” is opgemerkt dat de aanvrager de verwachting uitspreekt, dat het totaal van deze werkzaamheden (ontgronden, aanvullen en herinrichten) een tijdvak van 16 jaar zal beslaan. Hierbij komt de vraag op of op deze plek in
2019/73453
4
de aanvraag niet moet worden gesteld dat de termijn gemaximeerd moet zijn. De tekst zou ons inziens moeten zijn: “Ondanks het feit dat de aanvrager de verwachting uitspreekt, dat het totaal van deze werkzaamheden (ontgronden, aanvullen en herinrichten) een tijdvak van 16 jaar zal beslaan, wordt de termijn gemaximeerd op 16 jaar.” Overweging: De termijn voor ontgronden, aanvullen en herinrichten wordt door onderhavig besluit op 16 jaar gemaximeerd. Voorschrift 1. ‘Gedigheidsbepalingen’ geeft aan dat de termijn voor het ontgronden wordt gesteld op maximaal 5 jaren, ingaande op de dag dat het onderhavige besluit in werking treedt en de afwerking en inrichting van de terreinen maximaal 16 jaar mag bedragen, ingaande op de dag dat het besluit in werking treedt. 3. Invulling bestemming Op pagina 5 onder “4.2 Ontgrondingenbeleid” staat in de laatste zin voor “Meerwaarde” “De ontgronding geeft invulling aan deze bestemming.”. Dit klopt niet. De ontgronding leidt tot het uitstellen van de invulling van de bestemming bedrijventerrein. Het aanvullen en herinrichten zal invulling kunnen geven aan de beoogde bestemming, echter pas na 16 jaar. Overweging: Ter verduidelijking zal de zin ‘De ontgronding geeft invulling aan deze bestemming’ als volgt worden aangevuld: De ontgronding en het daarbij voorgeschreven eindplan zullen invulling gaan geven aan deze bestemming. 4.
Vaststellingsovereenkomst De laatste zin op pagina 6 onder “Ad. 2. Gebiedsontwikkeling Oostflank” is niet correct: dit moet zijn: Met de gemeente is in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat een financiële bijdrage zal worden geleverd voor de verbetering van de (her)inrichting van de Oostflank (waaronder het Schutterspark).“ Overweging: De zin “Met de gemeente is in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat een financiële bijdrage zal worden geleverd ten behoeve van de inrichting van het nabijgelegen Schutterspark” zal worden vervangen door de zin: “Met de gemeente is in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat een financiële bijdrage zal worden geleverd voor de verbetering van de (her)inrichting van de Oostflank (waaronder het Schutterspark).“ Tevens zijn bij schrijven van 30 augustus 2019, ingekomen op 3 september 2019 zienswijzen ontvangen van C. Bouwman, Waubacherweg 9, 6442 PW te Brunssum. De ingebrachte zienswijzen, welke betrekking hebben op het onderhavige besluit, zijn onderstaand door ons samengevat. Aansluitend is onze overweging met betrekking tot de desbetreffende zienswijze weergegeven. 5. De opslag van klei- en zandproducten. Momenteel ligt een hoeveelheid van ca. 500 kuub klei opgeslagen op het terrein van de firma Swelsen op een afstand van ca. 5 meter het woonhuis Waubacherweg 9.
Van deze klei wordt regelmatig geladen door een graafmachine. Hetgeen trillingsoverlast veroorzaakt. Bij hevige regenval komt veel water van de klei omlaag welke vervolgens dagenlang blijft liggen tussen woonhuis en klei-opslag. In de zomer veroorzaakt dit veel stofoverlast en in de winter veel vochtoverlast. Wat kan worden gedaan tegen deze trillingsoverlast, stofoverlast en vochtoverlast?
2019/73453
5
Overweging De aangehaalde hinder aspecten (geluid, stof, vocht en trillingen) als gevolg van de opslag van zand en klei zijn aspecten welke zullen worden afgewogen in de (nog te verlenen) omgevingsvergunning. De gemeente Brunssum is het bevoegd gezag voor wat betreft de bescherming van de belangen in het kader van een besluit over een omgevingsvergunning.
4
Belangenafweging
Het voornemen van de aanvrager is door ons getoetst aan de daaraan verwante belangen en beleidregels.
4.1
Planologie
De terreinen hebben in het bestemmingsplan ‘Hoofdzaken Schinveld eerste herziening’ vastgesteld op 29 april 1964, de bestemming ‘Mijnindustrie’. De voorgenomen ontgronding past hier in. Gelet op het vorenstaande is het voornemen afdoende planologisch geregeld.
4.2
Ontgrondingenbeleid
Het rijksbeleid voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen zoals opgenomen in de op 13 maart 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is door ons overgenomen en nader uitgewerkt in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014). Het op 12 december 2014 vastgestelde POL2014 is op 16 januari 2015 in werking getreden en vormt vanaf laatstgenoemde datum het provinciale beleidskader voor onder meer de grondstoffenvoorziening. In het POL2014 is verwoord dat bij ontgrondingsinitiatieven, in navolging van het rijksbeleid, de kwalitatieve benadering doorslaggevend is bij de beoordeling. Ontgrondingen vinden plaats op basis van een goede afweging van alle betrokken belangen en als onderdeel van projecten met een meervoudige doelstelling. In paragraaf 8.4.3. van het POL2014 is onder meer aangegeven dat voor elke ontgronding (met of zonder winning van oppervlaktedelfstoffen) als voorwaarde geldt voor het verkrijgen van een vergunning dat zij bijdraagt aan het realiseren van een maatschappelijk gewenste functie of aan het verbeteren van het functioneren van een maatschappelijk gewenste functie. De terreinen in kwestie zijn in het POL2014 aangeduid als ‘Overige bedrijventerreinen, Ora et Labora Brunssum’, vallend onder de categorie stedelijke bedrijventerreinen. De ontgronding en het daarbij voorgeschreven eindplan zullen invulling gaan geven aan deze bestemming.
Meerwaarde In het provinciaal beleid, zoals weergegeven in het POL2014, is verwoord dat bij ontgrondingsinitiatieven, in navolging van het rijksbeleid, de kwalitatieve benadering doorslaggevend is bij de beoordeling. De provincie beschouwt de winning van grondstoffen als een instrument om andere doeleinden (zoals natuurontwikkeling, waterberging en recreatie) te realiseren. De provincie verwacht daarbij van het ontgrondend bedrijfsleven dat het zich richt op de ontwikkeling van kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten in nauwe samenwerking met de betrokken partijen. Dit ter
2019/73453
6
voldoening aan de meervoudige doelstelling, die maatschappelijke compensatie vraagt als tegenprestatie van zandwinning. De maatschappelijke meerwaarde van het te realiseren project ligt besloten in de verwezenlijking van de navolgende doelen: 1. het leveren van een bijdrage aan het ontwikkelen van bedrijventerrein Ora et Labora, 2. het leveren van een bijdrage aan de integrale gebiedsontwikkeling van de Oostflank 3. het voorzien van een regionale behoefte aan (bouw)grondstoffen en het behoud van werkgelegenheid in deze sector. Aanvrager heeft zich door de vaststellingsovereenkomst welke gesloten is met de gemeente Brunssum op 16 juli 2019, verbonden om de maatschappelijke meerwaarde (welke gedeeltelijk gerealiseerd zal worden buiten de groeve) ook daadwerkelijk te realiseren. Daarenboven dient op grond van voorschrift 5 van onderhavig besluit, het eindplan de maatschappelijke meerwaarde binnen de groeve duidelijk te omschrijven (eindinrichting) als extra waarborg ter realisering van de maatschappelijke meerwaarde. Ad. 1. Bedrijventerrein Ora et Labora De gevraagde vergunning biedt de mogelijkheid het bestaande ontgrondingsgebied op een dusdanige wijze af te werken dat daardoor mogelijkheden gecreëerd worden voor de door de gemeente Brunssum nagestreefde ruimtelijke invulling van het gebied. De aangevraagde terreinen zijn gelegen op het industrieterrein Ora et Labora.
Op 13 december 2017 is door de gemeente Brunssum de “Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg” vastgesteld. Deze structuurvisie is voor gemeenten een belangrijke leidraad voor het opstellen van toekomstige bestemmingsplannen en is het toetsingskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen het gemeentelijk grondgebied. De Structuurvisie geeft ruimte voor het verder optimaliseren van de huidige structuren van de bestaande bedrijventerreinen langs de Buitenring. Ora et Labora is in deze structuurvisie opgenomen als ‘bedrijventerrein’. De gemeente Brunssum geeft in de kadernota Economie & Toerisme 2017-2024 aan dat bedrijventerreinen dienen te worden geherstructureerd en gemoderniseerd. Afvalverwerking, grondverzet en recycling dienen te worden geconcentreerd op het bedrijventerrein Ora et Labora. Om de groeve geschikt te maken voor het gebruik als bedrijventerrein wordt de locatie aangevuld tot aan het maaiveld conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit voor grootschalige toepassingen. Het terrein zal in eerste instantie vanwege het beheer en ter voorkoming van ecologische ontwikkelingen welke ongewenst zijn in verband met de toekomstige ontwikkeling als bedrijventerrein, ingericht worden als schraal grasland. Ad. 2.
Gebiedsontwikkeling Oostflank In de programmabegroting 2019 van de gemeente Brunssum onderschrijft de gemeente het belang van de gebiedsontwikkeling van de Oostflank met als uitgangspunten bedrijvigheid, toerisme en recreatie, natuur en duurzaamheid. In de kadernota Economie & Toerisme 2017-2024 wordt door de gemeente aangegeven dat de Oostflank kansen biedt om Brunssum verder te profileren op het gebied van toerisme en recreatie. De functies van het Schutterspark moeten sterker en integraler worden neergezet. Met de gemeente is in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat een financiële bijdrage zal worden geleverd voor de verbetering van de (her)inrichting van de Oostflank (waaronder het Schutterspark).
2019/73453
7
Ad.3. Regionale grondstoffen voorziening en ruimte creëren voor economische dragers en werkgelegenheid. Het voorzien in de behoefte aan bouwgrondstoffen in de regio, het behoud van werkgelegenheid en het zicht op continuering van de bedrijfsvoering wordt door de aanvrager gezien als een belangrijke doelstelling. Tevens gaan geen kostbare grondstoffen verloren door het optimaal uitbaten van een reeds bestaande groeve. Conclusie Gezien de meervoudige doelstelling, waarbij met name een bijdrage wordt geleverd aan de gebiedsontwikkeling Oostflank, past de onderhavige ontgrondingsaanvraag naar ons oordeel binnen het ontgrondingenbeleid.
4.3
Natuur
Ten einde vast te kunnen stellen in hoeverre in het kader van de Wet natuurbescherming belangen worden geschaad, is door Royal HaskoningDHV namens aanvrager een natuurtoets uitgevoerd. Het rapport ‘Geactualiseerde natuurtoets Groeve Swelsen’ d.d. 8 februari 2019 is als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Gebiedsbescherming Aan de hand van de natuurtoets, blijkt dat een Wet natuurbeschermingsvergunning (Wnb) aangevraagd moet worden omdat er sprake is van handelingen die een verstorend effect (stikstofdepositie) zouden kunnen hebben op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. De aanvraag om een Wnb vergunning is door aanvrager op 29 maart 2019 ingediend. Uit de aanvraag en de aanvullende gegevens blijkt dat zicht is op vergunningverlening Wnb. Soortenbescherming Uit de natuurtoets blijkt dat voor de hazelworm, zandhagedis en levendbarende hagedis vooral de randen van de groeve geschikt zijn als leefgebied evenals de verruigende delen van de groeve welke niet geroerd worden. Ten aanzien van broedvogels, vleermuizen en dassen treden geen ontheffing plichtige activiteiten op. De effecten zijn volledig te mitigeren door zorgvuldig conform het ecologisch werkplan te werken. Ten aanzien van de rugstreeppad is d.d. 24 april 2017 een ontheffing Wnb verleend. In dit kader is reeds een biotoop met water- en landhabitat gerealiseerd als compensatie voor het verlies van het leefgebied.
Het door Royal HaskoningDHV namens de aanvrager uitgevoerde natuuronderzoek alsmede de daarin gedane aanbevelingen en de getrokken conclusies worden door ons college onderschreven. Houtopstanden Mede uit de door Royal HaskoningDHV namens aanvrager d.d. 8 april 2019 ingediende aanvullende gegevens, is ons gebleken dat in de huidige groeve geen bomen verwijderd hoeven te worden. Conclusie Gezien de omstandigheid dat de voorgenomen activiteiten geen significante invloed zullen hebben op flora en fauna in en buiten het plangebied, danwel vergunbaar zijn, vormt het natuurbelang geen belemmering voor vergunningverlening.
2019/73453
8
4.4
Hydrologie
De aanvraag betreft een aanvullende ontgraving van Brunssum klei tot grotere diepte dan de reeds eerder uitgevoerde ontgronding. Brunssum klei is slecht doorlatend materiaal en vanuit het oogpunt van bescherming van de grondwaterkwaliteit in het onderliggende watervoerend pakket, is in eerdere ontgrondingsvergunningen een maximale ontgravingsdiepte voorgeschreven van tenminste 1 meter boven de onderkant van het pakket Brunssum klei. In absolute zin betrof dit een maximale ontgravingsdiepte van 66 meter +NAP met dien verstande dat overal een laag Brunssum klei van tenminste 1 meter dik onaangeroerd zou blijven. Teneinde de hydrologische gevolgen van de geplande ontgraving in beeld te krijgen is in opdracht van de aanvrager door Royal HaskoningDHV een hydrologisch onderzoek uitgevoerd (Hydrologisch onderzoek Swelsen, d.d. 30 maart 2015, referentie RDCHW_BC5781-111-101_R0002_902451_f).Dit onderzoeksrapport is aan de aanvraag toegevoegd. Middels het verrichten van boringen en het bestuderen van eerder verrichtte boringen in de directe omgeving, is vastgesteld dat de onderkant van het pakket Brunssum klei in noord-oostelijke richting naar beneden helt. Op basis van de geconstateerde dieptes van de Brunssumklei is een maximale ontgraving tot 2 meter boven de onderkant van de Brunssum klei uitgewerkt en in de aanvraag toegelicht c.q.
vastgelegd middels een overzichtskaart en dwarsprofielen waarin de maximale ontgraving is vastgelegd. Teneinde te borgen dat er geen ontgraving tot onder bedoeld maximaal ontgravingsniveau plaats zal vinden hebben wij een voorschrift hiertoe opgenomen waarin verwezen wordt naar genoemde kaart en dwarsprofielen. In het bovengenoemde onderzoek is een beschouwing opgenomen met betrekking tot mogelijke effecten op in de nabijheid gelegen hydrologisch gevoelige natuurgebieden. De stijghoogte in het Waubachzand zakt al jaren als gevolg van de bruinkoolwinning in Duitsland. Momenteel bedraagt de stijghoogte ter plaatse van de geplande ontgraving 58 à 59 m +NAP. De ontgraving zal deze stijghoogte niet beïnvloeden. Daarnaast is in het als bijlage bij de aanvraag gevoegd onderzoek door P. van Rooijen (Hydrologische effecten van een uitbreiding van de ontgronding Swelsen te Brunssum, d.d. 16 februari 2000) vastgesteld, dat de in de nabijheid gelegen hydrologisch gevoelige natuurgebieden niet gevoed worden met grondwater dat afkomstig is van de ontgrondingslocatie. Conclusie De geplande ontgraving zal, mits uitgevoerd volgens voorschrift 4.4. geen negatieve hydrologische effecten teweegbrengen op het onderliggende watervoerende pakket of de in de nabijheid gelegen hydrologisch gevoelige natuurgebieden.
4.5
Verkeersaantrekkende werking
Van de onderhavige ontgrondingslocatie gaat een zekere mate van verkeersaantrekkende werking uit. Van verkeershinder ten gevolge van verkeersaantrekkende werking is sprake zo lang het vrachtverkeer nog duidelijk akoestisch herkenbaar is als zijnde op weg naar of afkomstig van de ontgrondingslocatie. Het vrachtverkeer van en naar de ontgrondingslocatie zal uitsluitend via de onverharde wegen komen en gaan welke deel uit maken van het industrieterrein Ora et Labora. Gelet op de ligging van de ontgrondingslocatie, zal het verkeer van en naar de groeve reeds na de eerste splitsing ter plaatse van de Boschstraat en de Waubacherweg in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen. Hierbij is het van belang dat in de directe nabijheid van deze twee splitsingen zowel aan de Boschstraat als aan de Waubacherweg geen woningen gelegen zijn. Gezien voorgaande zal er geen verkeershinder ter plaatse
2019/73453
9
van woningen wegens het verkeer van en naar de ontgrondingslocatie worden ondervonden welke aan de ontgrondingslocatie kan worden toegerekend. Conclusie Gezien de omstandigheid dat de voorgenomen activiteiten geen verkeershinder zullen opleveren voor de directe omgeving, vormt dit belang geen belemmering voor vergunningverlening.
4.6
Archeologie
De terreinen in kwestie hebben lage archeologische verwachtingswaarde. Derhalve achten wij archeologisch onderzoek niet noodzakelijk, mede gelet op het feit dat een deel van de groeve reeds ten behoeve van de ontgronding in gebruik genomen is.
4.7
Vliegverkeer
De (tijdelijke) plas welke is bedoeld om overtollig regenwater op te vangen, is het grootste deel van het jaar zeer ondiep (enkele centimeters), niet permanent watervoerend en valt regelmatig droog. Zowel de huidige als de toekomstige inrichting van het gebied zal derhalve niet leiden tot een negatieve beïnvloeding van het veiligheidsbelang van het vliegverkeer. Conclusie Gezien de omstandigheid dat de voorgenomen activiteiten geen hinder zal opleveren voor het vliegverkeer, vormt dit belang geen belemmering voor vergunningverlening.
Eindconclusie Alles afwegende, is ons college van oordeel dat de gevraagde vergunning kan worden verleend. De vergraving valt binnen de relevante beleidskaders. Er is sprake van een kwalitatief goed project waarmee met betrekking tot diverse aspecten een duidelijke meerwaarde wordt bereikt. De betrokken belangen worden door de ontgronding niet aangetast of worden door het stellen van voorschriften voldoende beschermd.
5
Fasering
Omdat slechts in een gedeelte van de groeve kleiwinning zal plaatsvinden (fase 2, tekening, bijlage 1), is het tegelijkertijd aanvullen in dit gebied logistiek gezien niet mogelijk. Wel kan gelijktijdig met de kleiwinning, welke gedurende 5 jaar zal plaatsvinden, in het oostelijk deel van de groeve (fase 1, tekening, bijlage 1) gedurende 5 jaar met 176.000 m3 worden aangevuld. Na beëindiging van de kleiwinning dient het resterende gedeelte (fase 2, tekening, bijlage 1) met 389.000 m3 te worden aangevuld. Ter voldoening aan de opvulplicht en ter waarborging van de voortgang hiervan is een voorschrift opgenomen.
2019/73453
10
6
Besluit
Gedeputeerde Staten van Limburg besluiten, Gelet op het bepaalde in de Ontgrondingenwet en de Omgevingsverordening Limburg, alsmede gelet op voornoemde overwegingen, 1. Aan Gebr. Swelsen Klei- en Zandexploitatie B.V., Oude Lakerweg 30, 6101 AA te Echt, een vergunning onder voorschriften (zoals opgenomen in hoofdstuk 7 te verlenen tot het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Brunssum, secties sectie H, nummers 14, 15,16, 17, 256 en 277, zoals deze op de bij dit besluit behorende kadastrale tekening (hoofdstuk 8) met zwarte omlijning zijn aangegeven; 2. Dat de onder 1. genoemde vergunning, de aan Gebr. Swelsen Klei- en Zandexploitatie B.V., Oude Lakerweg 30, 6101 AA te Echt, bij besluit van 14 september 2004, kenmerk 2002/27637, (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 december 2008, kenmerk 2008/29892) verleende ontgrondingsvergunning vervangt, met ingang van het tijdstip waarop de onder 1. genoemde vergunning in werking treedt, en
3. Dat voor zover nog niet is voldaan aan de verplichtingen die gelden op grond van de bij besluit van 14 september 2004, kenmerk 2002/27637, verleende ontgrondingsvergunning, (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 december 2008, kenmerk 2008/29892), deze verplichtingen eerst vervallen op het tijdstip waarop de onder 1. genoemde vergunning onherroepelijk is en met gebruikmaking van deze vergunning wordt ontgrond.
7
Rechtsbescherming
Als dit besluit uw belang rechtstreeks raakt en u het met de inhoud van dit besluit niet eens bent, kunt u, tegen betaling van de verschuldigde griffierechten, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet dan binnen zes weken na de dag waarop dit besluit ter inzage is gelegd een beroepschrift indienen. Op deze procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het beroepschrift moet worden ondertekend en ten minste bevatten: de naam en het adres van de indiener; de datum; een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht alsmede de redenen van het beroep (motivering). Het beroepschrift moet worden gericht aan: Raad van State; Afdeling bestuursrechtspraak; Postbus 20019; 2500 EA Den Haag. Als u een beroepschrift heeft ingediend, dan kunt u tevens de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de internetpagina van de Raad van State, www.raadvanstate.nl. Klik op ‘ONZE WERKWIJZE’. Klik op ‘Bestuursrechtspraak’.
2019/73453
11
8
Voorschriften
1.
Geldigheidsbepalingen
1.1
a. Het ontgronden wordt toegestaan voor een termijn van 5 jaren, ingaande de dag, waarop dit besluit ingevolge artikel 16 van de Ontgrondingenwet in werking treedt. Met ontgronden wordt bedoeld het roeren van nog onaangeroerde specie. b. De afwerking (opvullen) en inrichting van de terreinen dient te zijn gerealiseerd binnen 16 jaar nadat dit besluit ingevolge artikel 16 van de Ontgrondingenwet in werking is getreden. c. De vergunning is geldig totdat aan alle verplichtingen voortvloeiende uit deze vergunning is voldaan. In afwijking hiervan kunnen bepaalde voorschriften eerder komen te vervallen mits dat in de desbetreffende voorschriften is vermeld. d. Van het tijdstip waarop met de ontgronding wordt begonnen dient door de houder van de vergunning ten minste 10 werkdagen van tevoren schriftelijk kennis te worden gegeven aan ons college.
1.2
Onverminderd het bepaalde in voorschrift 1.1, is het ontgronden op basis van deze vergunning alleen toegestaan nadat: een financiële zekerheid is gesteld als bedoeld in voorschrift twee; een werkplan als bedoeld in voorschrift 6 door ons college is goedgekeurd;
2.
Bepalingen terzake van het stellen van financiële zekerheid
2.1
Met de ontgronding mag eerst worden begonnen nadat de vergunninghouder, ter verzekering van de afwerking en de inrichting, ten behoeve van de provincie Limburg een financiële zekerheid heeft gesteld ter hoogte van € 188.500 die de provincie zal behouden voor zover niet aan de verplichtingen voortvloeiende uit deze vergunning is voldaan.
2.2
Als financiële zekerheid voor de verplichtingen in voorschrift 8 (Nazorg) dient de vergunninghouder een aparte zekerheid te stellen ter hoogte van € 5.000.
2.3
Bij in gebreke blijven van de vergunninghouder voor wat betreft de tijdige opvulling, afwerking, inrichting en nazorg, kan de provincie Limburg de gestelde financiële zekerheid, zo nodig en voor zoveel mogelijk, aanwenden om de kosten te bestrijden, welke voor rekening van de vergunninghouder behoren te komen.
2.4
Op verzoek van vergunninghouder kan, telkens wanneer een vulfase, zoals hiernavolgend beschreven in voorschrift 4.10 naar het oordeel van de provincie afdoende is afgerond, een deel van de financiële zekerheid vervallen. Dit kan, afhankelijk van de gekozen wijze van financiële zekerheid oftewel door het terugstorten van een deel van de waarborgsom oftewel door het vervangen van de gestelde bankgarantie door een lagere bankgarantie of het retourneren van een ter hoogte van de vervallen last gestelde bankgarantie. Voor een naar oordeel van de provincie afdoende afgeronde vulfase (1) van 2,5 jaar kan de financiële zekerheid met € 16.050 worden verlaagd. Voor een naar oordeel van de provincie afdoende afgeronde vulfase (2) van 2 jaar kan de financiële zekerheid met € 30.380 worden verlaagd.
2019/73453
12
Na beëindiging van de ontgronding en na de schriftelijke oplevering van de terreinen door de provincie Limburg, omdat de terreinen naar diens oordeel zijn afgewerkt en ingericht, zal de resterende financiële zekerheid zoals bedoeld onder voorschrift 2.1 worden geretourneerd aan vergunninghouder, eventueel verminderd met de kosten als bedoeld in voorschrift 2.3.. De financiële zekerheid zoals bedoeld onder voorschrift 2.2 zal de provincie behouden totdat aan het gestelde onder voorschrift 8 (Nazorg) is voldaan. Als na afloop van de nazorgperiode schriftelijk door de provincie Limburg is bevestigd dat aan de nazorgverplichtingen is voldaan, zal ook deze financiële zekerheid aan vergunninghouder worden geretourneerd, eventueel verminderd met de kosten als bedoeld in voorschrift 2.3. 3.
Taakstellende voorschriften
3.1
Binnen zes maanden na het in werking treden van dit besluit overeenkomstig artikel 16 van de Ontgrondingenwet, dient het plan van de eindtoestand zoals bedoeld in voorschrift 5, bij ons college ter goedkeuring ingediend te zijn in zesvoud.
3.2
De vergunninghouder dient de bedrijfsadministratie zodanig in te richten dat hieruit de gewonnen hoeveelheden naar soort delfstof verifieerbaar zijn. De vergunninghouder is verplicht om jaarlijks vóór 1 april aan ons college opgave te verstrekken van de in het voorafgaande kalenderjaar gewonnen en afgevoerde hoeveelheden oppervlaktedelfstoffen, alsmede de binnen de vergunningsgrens gelegen voorraden oppervlaktedelfstoffen. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt naar soort oppervlaktedelfstof. De hier bedoelde jaaropgave dient te geschieden door gebruik te maken van het daartoe door de provincie Limburg beschikbaar gestelde inventarisatieformulier, dat digitaal benaderbaar is via: https://formulieren.limburg.nl/provincielimburg/formulier_primaire_grondstoffen. Na beëindiging, afwerking en/of inrichting van de ontgronding blijft de verplichting tot aanlevering van een jaarrapportage over het voorgaande kalenderjaar gelden totdat de opgave over het laatste jaar, waarin oppervlaktedelfstoffen zijn gewonnen, opgeslagen en/of afgevoerd, door ons college is ontvangen. De in de jaaropgave te verstrekken gegevens worden beschouwd als bedrijfsgegevens en worden derhalve vertrouwelijk behandeld. De gegevens worden gebruikt voor het opstellen van provinciale inventarisaties. Deze inventarisaties zijn openbaar.
3.3
Ten behoeve van de veiligheid op openbaar toegankelijke (toegangs)wegen en paden in de nabijheid van de ontgronding dient met de wegbeheerder afstemming plaats te vinden over de specifieke veiligheidsvoorzieningen die ter plaatse getroffen moeten worden. De met de wegbeheerder gemaakte afspraken moeten door de vergunninghouder schriftelijk worden vastgelegd en voor aanvang van de ontgrondingswerkzaamheden aan ons college worden gezonden.
4.
Voorschriften terzake van de uitvoering van de ontgronding
4.1
De vergunninghouder dient de vergunningsgrens van de voor ontgronding en het opvullen in gebruik genomen terrein(del)en vóóraf in het terrein te hebben vastgelegd aan de hand van duidelijk zichtbare markeringen. Deze markeringen dienen te worden gehandhaafd gedurende de vergunningstermijn totdat de desbetreffende terrein(del)en, wat betreft afwerking en inrichting,
2019/73453
13
schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 2.5 of 2.6 en de daarvoor gestelde financiële zekerheid is geretourneerd. De markeringen dienen te zijn uitgezet aan de hand van kadastrale coördinaten van het Rijksdriehoekstelsel. 4.2
In een strook van 5 meter aangrenzend aan de vergunningsgrens mogen geen ontgrondingen worden verricht: a. tot onder het niveau van het maaiveld van direct aangrenzende percelen; b. als de vergunninggrens grenst aan een in uitvoering zijnde exploitatie op Duits gebied. Geen ontgrondingen mogen plaatsvinden binnen een afstand van 5 meter uit Rijksgrenspalen.
4.3
De toegangsweg mag, met inbegrip van de bermen, een breedte hebben van ten hoogste 10 meter.
4.4
De diepte van de ontgronding mag niet meer bedragen dan +62, 5 meter NAP en + 61,0 meter NAP ter plaatse van het waterbassin met een oppervlakte van maximaal 3.600 m2 . De ontgraving dient plaats te vinden conform de bij de vergunning behorende tekening (kenmerk BE 5390-111-900B d.d. 5-2-2019), bijlage 2, met de daarbij behorende dwarsprofielen (kenmerk BE5390-111-900D d.d. 5-2-2019), bijlage 3, met dien verstande dat een laag Brunssumklei ter dikte van ten minste 2 meter onaangeroerd blijft.
4.5
De taluds, die de overgang vormen van de ontgronding naar gronden welke ingevolge de vergunning niet mogen worden ontgrond, alsmede de taluds langs de toegangsweg/toegangswegen, mogen geen steilere helling dan 1:1 hebben.
4.6
De ontgronding dient te worden uitgevoerd conform het door ons college goedgekeurde werkplan, zoals bedoeld onder voorschrift 6.
4.7
Het aanvullen van de ruimte welke door ontgronding is ontstaan tot aan oorspronkelijk maaiveld dient in de volgende vulfases te worden uitgevoerd: -
-
-
4.8
Vulfases tijdens ontgronding à 2,5 jaar: Gelijktijdig met het ontgronden, dient in twee aaneengesloten tijdvakken van elke 2,5 jaar het oostelijk deel van de groeve, zoals aangeduid op de tekening in bijlage 1, genoemd fase 1, te worden aangevuld, waarbij per tijdvak 50% van het totaal in fase 1 te vullen volume wordt gevuld. Vulfases na ontgronding à 2 jaar: Na afloop en aansluitend op de ontgronding, dient in 5 aaneengesloten tijdvakken van elk 2 jaar het westelijk deel van de groeve, zoals aangeduid op de tekening in bijlage 1, genoemd fase 2, te worden aangevuld, waarbij per tijdvak 20% van het totaal in fase 2 te vullen volume wordt gevuld. Binnen 2 maanden na afloop van een vulfase dient de vergunninghouder aan de Provincie aan te tonen dat in betreffende vulfase voldoende is aangevuld. Dit dient te gebeuren door het overleggen van volumeberekeningen welke gebaseerd zijn op landmeetkundige opnames welke gemaakt zijn bij start en einde van de betreffende vulfase. De opnamedatum mag maximaal 20 werkdagen afwijken van de exacte start of einddatum van de te beoordelen vulfase.
De ontgronding dient te worden afgewerkt en ingericht conform het door ons college goedgekeurde plan van de eindtoestand zoals bedoeld onder voorschrift 5.
2019/73453
14
4.9
Het terreingedeelte fase 1, zoals genoemd in voorschrift 4.7, dient na voltooiing van de aanvulling als bedoeld in voorschrift 4.7 uiterlijk in het eerstvolgend plantseizoen te worden ingezaaid met gras in afwachting van de definitieve inrichting als omschreven in het plan van de eindtoestand.
5.
Het plan van de eindtoestand
5.5
Het door de vergunninghouder ten behoeve van de inrichting/afwerking van het te ontgronden terrein in zesvoud in te dienen plan van de eindtoestand, dient te zijn gebaseerd op het bij de aanvraag behorende schetsplan van de eindtoestand met nummer BE5390-111-900C, d.d. 5-22019. Het plan van de eindtoestand dient een schaal te hebben van tenminste 1:2000 en dient te zijn voorzien van lengte- en dwarsprofielen met alle relevante hoogtematen, waarbij het begin- en eindpunt van deze profielen in x-, y- en z-coördinaten is vastgelegd. Het plan van de eindtoestand dient te worden opgesteld in overleg met ons college, de gemeente Brunssum en voor zover bekend is, de toekomstige eindbeheerder.
5.6
Indien van deze vergunning geen gebruik gemaakt wordt, is de houder van de vergunning verplicht de reeds op basis van de aan deze vergunning voorafgaande vergunning d.d. 14 september 2004, kenmerk 2002/27637, (laatstelijk gewijzigd d.d. 11 december 2008, kenmerk 2008/29892) ontgronde terreinen, in een door Gedeputeerde Staten te bepalen toestand te brengen conform het voor deze terreinen opgestelde en op 24 juni 2008 goedgekeurde eindplan (met kenmerk 2008/24650) horende bij het besluit van 14 september 2004 kenmerk 2002/27637, (laatstelijk gewijzigd d.d. 11 december 2008, kenmerk 2008/29892).
6.
Het werkplan Voor aanvang van de ontgronding en vervolgens tenminste vier maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het alsdan vigerende werkplan, dient een nieuw werkplan aan ons college ter goedkeuring te zijn ingediend, waarin voor de duur van de geldigheid van het werkplan dient te worden aangegeven:
6.1.1. de tijdvakken waarbinnen de diverse terreingedeelten worden ontgraven en ingericht, weergegeven voor zowel de duur van de vergunning en meer specifiek voor de geldigheidsduur van het werkplan; 6.1.2. de plaats en de aard van de voorzieningen als bedoeld in voorschrift 7 ter voorkoming van onveilige situaties; 6.1.3. de vergunningsgrensmarkeringen daar waar in de komende jaren ontgrondingen worden uitgevoerd en de recente toestand van de exploitatie, waaronder begrepen de hoogten en diepten van het terrein en de waterplas, gemeten dan wel gepeild op afstanden van 20 meter; 6.1.4. de inmeting van de vergunningsgrensmarkeringen en de recente toestand van het terrein. Deze inmeting dient te geschieden in de (x,y) coördinaten van het Rijksdriehoeksstelsel en in hoogten/diepten in NAP. De meetonnauwkeurigheid mag voor de x- en y-coördinaten niet meer bedragen dan 3 cm en voor de hoogten/diepten in NAP niet meer dan 5 cm. De resultaten van deze inmetingen dienen digitaal en analoog te worden aangeleverd; digitaal als autocadtekening (DWG-3D) van release 14 of hoger op een geschikte digitale informatiedrager en analoog op papieren plots. Bovendien moeten de x-, y- en z-coördinaten van de vergunningsgrens in tabelvorm worden meegeleverd; 6.1.5. de nodige voorzieningen die worden getroffen ten behoeve van een goede ontwatering.
2019/73453
15
De in te dienen werkplannen dienen te zijn gebaseerd op het bij de aanvraag behorende globale werkplan en de voorschriften behorende bij deze vergunning. Indien ons college aan de werkplannen (deels) de goedkeuring onthoudt, dienen binnen een door ons college te bepalen termijn na het besluit omtrent de (gedeeltelijke) onthouding van de goedkeuring, de naar aanwijzing van ons college geformuleerde maatregelen te worden nageleefd. Zodra alle vergunde terreinen, wat betreft afwerking en inrichting, schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 5.5 of 5.6, komt de verplichting tot het indienen van een nieuw werkplan te vervallen. 7.
Voorschriften terzake de veiligheid
7.1
Om onbevoegde betreding door derden te voorkomen, dient in de toegang tot het voor ontgronding in gebruik genomen terrein, een deugdelijke voorziening aanwezig te zijn, dat bij beëindiging van de dagelijkse werkzaamheden moet worden afgesloten.
7.2
Om onbevoegde betreding door derden te voorkomen, dient het voor ontgronding in gebruik genomen terrein, door middel van een deugdelijke afrastering danwel een gelijkwaardige voorziening ontoegankelijk te worden gemaakt en gehouden.
7.3
Ter plaatse van de toegangen tot de voor ontgronding in gebruik genomen terreinen, alsmede rondom deze terreinen, dienen op gepaste tussenafstanden, de nodige waarschuwingsborden met de duidelijke vermelding: “GEVAARLIJK TERREIN" en “Verboden Toegang voor onbevoegden” (Art. 461 Wetboek van Strafrecht) opvallend en duidelijk zichtbaar te worden geplaatst.
7.4
Enkel met schriftelijke goedkeuring van ons college mag van het gestelde onder voorschrift 7.1 t/m 7.3 afgeweken worden. De houder van de vergunning dient daartoe door middel van het onder voorschrift 6 genoemde werkplan een gelijkwaardig voorstel ter goedkeuring bij ons college in te dienen.
7.5
Voor zover terreinen of terreindelen, wat betreft afwerking en inrichting, schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 2.5 of 2.6, komen de verplichtingen uit de voorschriften 8.1 t/m 8.3 voor de desbetreffende terrein(del)en te vervallen.
7.6
Het is verboden toestemming te verlenen aan derden om de voor ontgronding in gebruik genomen terreinen/terreindelen te betreden, voor zover dat voor de uit te voeren ontgrondings- en aanvul-werkzaamheden niet noodzakelijk is. De vergunninghouder blijft te allen tijde verantwoordelijk en aansprakelijk voor alle personen die zich, bevoegd of onbevoegd, binnen het concessiegebied van de ontgronding bevinden. . Nazorg
8.
De vergunninghouder dient tot uiterlijk 2 jaren nadat de terreinen, wat betreft afwerking en inrichting, schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 5.5 of 5.6, zonodig dan wel op aanwijzing van ons college:
2019/73453
16
1. 2. 3.
nazakkingen in het terrein en van de taluds, alsmede uitspoeling hiervan, te herstellen volgens het gestelde in voorschrift 4 en 5; maatregelen te nemen voor herstel dan wel verbetering van de ontwatering en/of afwatering; niet aangeslagen dan wel afgestorven beplanting in het eerstvolgende plantseizoen te vervangen.
9.
Overige voorschriften
9.1
De vergunninghouder is verplicht het redelijkerwijs mogelijke te doen ten einde te voorkomen dat chemische afvalstoffen, aardolieproducten, giftige stoffen, puin, afval of verontreinigde grond en dergelijke op het terrein, waarvoor de vergunning geldt, zullen geraken dan wel wegvloeien. Indien door welke oorzaak dan ook deze stoffen toch op het terrein terecht zijn gekomen, dan dient de vergunninghouder daarvan onverwijld ons college in kennis te stellen en dient de vergunninghouder de door ons college nodig geachte maatregelen te treffen.
9.2
Indien er zich calamiteiten, van welke aard dan ook, voordoen op het vergunningsterrein, dan dient de vergunninghouder daarvan onverwijld ons college in kennis te stellen en dient de vergunninghouder de door ons college nodig geachte maatregelen te treffen.
2019/73453
17
9
2019/73453
Vergunningstekening
18
10
Ondertekening
Gedeputeerde Staten van Limburg namens dezen,
drs. M.G.P.I. Arts clustermanager a.i. Vergunningen, Toezicht en Handhaving, team Vergunningen
11
Afschriften
Een afschrift van dit besluit hebben wij gezonden aan:
Gebr. Swelsen Klei- en Zandexploitatie B.V., Postbus 284 ECHT, als beschikking op de aanvraag; Burgemeester en Wethouders van de gemeente Brunssum, Postbus 250, 6440 AG BRUNSSUM, ter kennisneming; Het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, Postbus 2207, 6040 CC ROERMOND, ter kennisneming; TenneT TSO B.V., Utrechtseweg 310, 6812 AR ARNHEM, ter kennisneming; Transport en Aannemingsbedrijf J.B. Rutte B.V., Nauerna 1, 1566 PB ASSENDELFT, ter kennisneming; Vossenberg Verhuur B.V., Pijler 39, 6446 AX BRUNSSUM, ter kennisneming; NATO E-3A Component, Attn: Office of the Legal Adviser, Mr. S. Kaiser, Postbus 43006, D-52511 GEILENKIRCHEN, Bundesrepublik Deutschland, ter kennisneming; Het Ministerie van Defensie, Commando DienstenCentra, Postbus 412, 5000 AK TILBURG, ter kennisneming; Mineralen Kollée B.V. Brunssum, Waubacherweg 7a, 6442 PW BRUNSSUM, ter kennisneming; XXXX Afvalzorg Locatie Brunssum, Waubacherweg 11, 6442 PW BRUNSSUM, ter kennisneming.
2019/73453
19
Bijlage 1
2019/73453
20
Ambts halve wijz Ow verg 2019-202017 Swelsen BV mja.rosing@prvlimburg.nlInkomendAanvullende gegevens
Gebr. Swelsen Klei- en Zandexploitatie B.V. Oude Lakerweg 30 6101 AA ECHT
Ons kenmerk
DOC-00073885
Maastricht
24 juni 2020
Zaaknummer
2020-203991
Verzonden
24 juni 2020
Bijlage(n)
Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg
1
Inleiding
Op 3 oktober 2019, kenmerk 2019/73453, is een nieuwe (vervangende) vergunning verleend aan Gebr. Swelsen Klei- en Zandexploitatie B.V (hierna: Swelsen) voor het ontgronden van diverse percelen in de gemeente Brunssum.
2
Vergunningstekening en voorschriften
2.1
Vergunningstekening
Tijdens de planmatige toezichtscontrole op 29 mei 2020, is gebleken dat de vergunningsgrens zoals deze wordt weergegeven op de vergunningstekening onder 9 van het besluit d.d. 3 oktober 2019 met kenmerk 2019/73453, niet overeenkomt met de vergunningsgrens zoals deze wordt weergegeven op de tekening in bijlage 1van dit besluit. Het noordelijke deel van het kadastrale perceel BSM02 H17 en het noordoostelijke deel van het kadastrale perceel BSM02 H277, zijnde onderdelen van de zogenaamde fase 1 zoals aangegeven in bijlage 1 van dezelfde vergunning, zijn niet in de vergunningscontour meegenomen. Dit zou betekenen dat delen van de percelen H17 en H277 buiten de contour van de vorengenoemde vergunning vallen, terwijl het wel de bedoeling is dat deze percelen geheel en niet gedeeltelijk onderdeel hiervan uitmaken. Deze percelen maken immers deel uit van de aanvraag zoals deze op 8 februari 2019, door Swelsen is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Brunssum, sectie H, nummers 14, 15, 16, 17, 256 en 277.
Na afweging van alle belangen en toetsing aan beleid en regelgeving hebben wij op 3 oktober 2019 besloten om aan Swelsen een vergunning te verlenen tot het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Brunssum, secties sectie H, nummers 14, 15, 16, 17, 256 en 277, zoals deze op de bij dit besluit behorende kadastrale tekening met zwarte omlijning zijn aangegeven. Door een administratieve omissie zijn de
Limburglaan 10 6229 GA Maastricht
Postbus 5700 6202 MA Maastricht
+ 31 43 389 99 99 www.limburg.nl
vergunningsgrenzen op deze tekening echter onjuist weergegeven en zijn de percelen H17 en H277 niet volledig meegenomen. Gezien voorgaande zullen wij overgaan tot het wijzigen van de vergunningstekening. 2.2
Voorschriften
Tevens is tijdens de toezichtscontrole gebleken dat in enkele voorschriften een foutieve nummering opgenomen is. In voorschrift 2.4 van de op 3 oktober 2019 aan Swelsen, verleende vergunning met kenmerk 2019/73453, wordt verwezen naar voorschrift 4.10. Verwezen moet echter worden naar voorschrift 4.7. In de voorschriften 4.1. en 7.5 van de op 3 oktober 2019 aan Swelsen, verleende vergunning met kenmerk 2019/73453, wordt verwezen naar de voorschriften 2.5 en 2.6. Verwezen moet echter worden naar de voorschriften 5.5. en 5.6. Tevens moet de verwijzing in voorschrift 7.5 naar voorschrift 8.1 t/m 8.3 een verwijzing naar voorschrift 7.1 t/m 7.3 zijn. Gezien voorgaande zullen de voorschriften 2.4, 4.1 en 7.5 zullen door ons gewijzigd worden.
3
Procedure
Gezien het feit dat de voorliggende administratieve wijziging geen belangen schaadt die met een ontgronding gemoeid zijn, wordt de beslissing op deze aanvraag, overeenkomstig artikel 6.1.2, vierde lid, van de Omgevingsverordening Limburg, voorbereid met de procedure zoals beschreven in titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht.
4
Besluit
Gedeputeerde Staten van Limburg besluiten, Gelet op het bepaalde in de Ontgrondingenwet en de Omgevingsverordening Limburg, alsmede gelet op voornoemde overwegingen, de bij besluit van 3 oktober 2019, kenmerk 2019/73453, aan Gebr. Swelsen Klei- en Zandexploitatie B.V., Oude Lakerweg 30, 6101 AA te Echt, verleende vergunning als volgt te wijzigen: 1. De vergunningstekening zoals opgenomen onder ‘ 9 Vergunningstekening’ wordt vervangen door:
DOC-00073885
2
DOC-00073885
3
2. Voorschrift 2.4 luidende: “Op verzoek van vergunninghouder kan, telkens wanneer een vulfase, zoals hiernavolgend beschreven in voorschrift 4.10 naar het oordeel van de provincie afdoende is afgerond, een deel van de financiële zekerheid vervallen. Dit kan, afhankelijk van de gekozen wijze van financiële zekerheid oftewel door het terugstorten van een deel van de waarborgsom oftewel door het vervangen van de gestelde bankgarantie door een lagere bankgarantie of het retourneren van een ter hoogte van de vervallen last gestelde bankgarantie. Voor een naar oordeel van de provincie afdoende afgeronde vulfase (1) van 2,5 jaar kan de financiële zekerheid met € 16.050 worden verlaagd. Voor een naar oordeel van de provincie afdoende afgeronde vulfase (2) van 2 jaar kan de financiële zekerheid met € 30.380 worden verlaagd.” Komt als volgt te luiden: “Op verzoek van vergunninghouder kan, telkens wanneer een vulfase, zoals hiernavolgend beschreven in voorschrift 4.7 naar het oordeel van de provincie afdoende is afgerond, een deel van de financiële zekerheid vervallen. Dit kan, afhankelijk van de gekozen wijze van financiële zekerheid oftewel door het terugstorten van een deel van de waarborgsom oftewel door het vervangen van de gestelde bankgarantie door een lagere bankgarantie of het retourneren van een ter hoogte van de vervallen last gestelde bankgarantie.
Voor een naar oordeel van de provincie afdoende afgeronde vulfase (1) van 2,5 jaar kan de financiële zekerheid met € 16.050 worden verlaagd. Voor een naar oordeel van de provincie afdoende afgeronde vulfase (2) van 2 jaar kan de financiële zekerheid met € 30.380 worden verlaagd. 3. Voorschrift 4.1 luidende: “De vergunninghouder dient de vergunningsgrens van de voor ontgronding en het opvullen in gebruik genomen terrein(del)en vóóraf in het terrein te hebben vastgelegd aan de hand van duidelijk zichtbare markeringen. Deze markeringen dienen te worden gehandhaafd gedurende de vergunningstermijn totdat de desbetreffende terrein(del)en, wat betreft afwerking en inrichting, schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 2.5 of 2.6 en de daarvoor gestelde financiële zekerheid is geretourneerd. De markeringen dienen te zijn uitgezet aan de hand van kadastrale coördinaten van het Rijksdriehoekstelsel.” Komt als volgt te luiden: “De vergunninghouder dient de vergunningsgrens van de voor ontgronding en het opvullen in gebruik genomen terrein(del)en vóóraf in het terrein te hebben vastgelegd aan de hand van duidelijk zichtbare markeringen.
Deze markeringen dienen te worden gehandhaafd gedurende de vergunningstermijn totdat de desbetreffende terrein(del)en, wat betreft afwerking en inrichting, schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 5.5 of 5.6 en de daarvoor gestelde financiële zekerheid is geretourneerd.
DOC-00073885
4
De markeringen dienen te zijn uitgezet aan de hand van kadastrale coördinaten van het Rijksdriehoekstelsel.” 4. Voorschrift 7.5 luidende: “Voor zover terreinen of terreindelen, wat betreft afwerking en inrichting, schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 2.5 of 2.6, komen de verplichtingen uit de voorschriften 8.1 t/m 8.3 voor de desbetreffende terrein(del)en te vervallen” Komt als volgt te luiden: “Voor zover terreinen of terreindelen, wat betreft afwerking en inrichting, schriftelijk door de provincie Limburg zijn opgeleverd op basis van de voorschriften 5.5 of 5.6, komen de verplichtingen uit voorschrift 7.1 tot en met 7.3 voor de desbetreffende terrein(del)en te vervallen.”
5
Rechtsbescherming
Als dit besluit uw belang rechtstreeks raakt en u het met de inhoud van dit besluit niet eens bent, kunt u bezwaar maken. U moet dan binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is verzonden een bezwaarschrift indienen. Op deze procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten: de naam en het adres van de indiener, de datum, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht alsmede de redenen van het bezwaar (motivering). Het bezwaarschrift moet worden gericht aan: Gedeputeerde Staten van Limburg, Juridische Zaken en Inkoop, team Rechtsbescherming, Postbus 5700, 6202 MA Maastricht. Voor meer informatie verwijzen wij u naar www.limburg.nl.
6