CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 56 (bijlage) Toelichting op wijzigingsvoorstellen APV 2020 - APV 2021.docx

Raadsvergadering 6 juli 2021, gemeente BrunssumBij agendapunt: Actualisatie APV; Gemeenteblad 2021/564.650 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wijziging APV 2020 APV 2021 Voorstellen tot wijziging van de APV Brunssum van 2020 Voorstellen vanuit de lokale driehoek Binnen het verband van de Lokale Driehoek SVBBL zijn voorstellen voor actualisering en aanvulling van de Algemene plaatselijke verordeningen van de 5 gemeenten ontwikkeld. De voorstellen zijn leidend voor de lokale regelingen, maar voor elke gemeente is er ruimte voor maatwerk en afstemmen op specifieke lokale behoeften. De voorstellen hebben betrekking op: 1. het tegengaan van ondermijnende criminaliteit 2. bestuursrechtelijke aanpak van potentiële inbrekers 3. lachgasverbod: geen specifiek verbod opnemen. Bestaande instrumentarium voldoet. 4. verbod op carbidschieten 1. Aanpak van ondermijnende criminaliteit Aanpak van ondermijnende criminaliteit lukt alleen als dat integraal gebeurt. Als het gaat om de bijdrage van gemeenten biedt naast het wettelijk instrumentarium van bijvoorbeeld de Wet Bibob en de Opiumwet ook de APV de mogelijkheid voor regulering. In de Brunssumse APV zijn al eerder dergelijke ondermijningsbepalingen1 opgenomen. Daaraan voegen we bij de actualisering van de APV enkele nieuwe artikelen toe: a. Een sluitingsbepaling voor publiek toegankelijke lokalen op grond van ondermijnende activiteiten.

Op grond van het reeds geldende artikel 2:30 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Dat kan ook het geval zijn indien er situaties zijn, waarbij een inrichting een sleutelrol vervult bij ondermijnende activiteiten. Deze sluitingsgronden worden specifiek benoemd in een nieuw artikel 2:30a. Artikel 2:30a. Sluiting van voor publiek toegankelijke lokalen wegens ondermijnende activiteiten of andere activiteiten die ernstig gevaar opleveren voor de openbare orde. 1. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

1 a. Afdeling 13 regelt een vergunningstelsel voor bedrijfsmatige activiteiten in door de burgemeester aan te

wijzen gebouwen of gebieden met als doel om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat tegen te gaan. b. Een regeling voor vechtsportevenement en –gala’s, om inmenging van organisatoren van bedenkelijk niveau en onveilige en malafide praktijken te voorkomen Art 2:25A

1

b. Bestuurlijke handhaving civiele verboden OMG’s Diverse Outlaw Motorgangs –denk aan Bandidos en Satudarah- zijn door de burgerlijke rechter verboden verklaard vanwege de criminele aard, de ontwrichtende werking van de betreffende organisaties en het daaruit voortvloeiende gevaar voor de openbare orde. De noodzaak van het verbod is helder. Er is daarom alle reden om handhavend op te treden. Dat kan strafrechtelijk, maar ook met bestuursrechtelijke middelen, zoals het sluiten van een clubhuis en het weigeren van een vergunning voor een horecabedrijf of evenement. Een andere mogelijkheid is het om in de APV een verbod op te nemen op het voeren van uiterlijke kenmerken van een verboden OMG in de openbare ruimte. Door opname in de APV is er bij niet naleving direct sprake van een overtreding en kan de politie meteen overgaan tot handhaving in plaats van eerst een waarschuwing af te geven. Voorgesteld wordt om artikel 2:26 aan te vullen met lid 2 tot en met 4, en een nieuw artikel 2:50 a in de APV op te nemen. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. 3.

Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 4. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid. Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. 2. Het aanpassen van de bepaling vervoer inbrekerswerktuig en hulpmiddelen voor winkeldiefstal, ten behoeve van bestuurlijke handhaving.

Artikel 2:44 De Politie heeft verzocht om aansluiting te zoeken bij de praktijk dat steeds meer gemeenten een last onder dwangsom inzetten om inbraak tegen te gaan. Met dit bestuurlijk instrument kan potentiële inbrekers een stevige dwangsom opgelegd worden wanneer zij inbrekerswerktuigen vervoeren. Het voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen werd tot 2014 alleen bestraft met een OM-afdoening. Deze - meestal kleine - geldboete had echter nauwelijks een afschrikkende werking, met hoge recidive als gevolg. Om inbrekers toch te ontmoedigen, legt een aantal gemeenten tegenwoordig een last onder dwangsom op, als aanvulling op het strafrecht. Het bedrag van zo’n dwangsom kan in sommige gevallen wel oplopen tot 10.000 euro. Het handhavingsbeleid om bestuursrechtelijk te kunnen optreden tegen inbrekers valt binnen de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders en wordt in een nadere beleidsregel uitgewerkt. 2

Om te beschikken over het juiste juridische kader voor bedoelde handhaving is het noodzakelijk dat het huidige artikel 2:44 van de APV iets wordt aangepast. Het artikel komt dan aldus te luiden: Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuig en hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben een werktuig, gereedschap of andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels een voorwerp een tas of een andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, die er kennelijk toe dient om het plegen van diefstal uit winkels winkeldiefstal te vergemakkelijken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op degenen die ter plaatse en ten genoegen van een ambtenaar van politie aannemelijk maken dat bedoelde werktuigen of voorwerpen bestemd zijn of gebezigd worden voor andere handelingen dan die welke in het eerste en tweede lid worden genoemd. 3. De verboden gelden niet als aanstonds aannemelijk is dat de in het eerste en tweede lid bedoelde zaken niet bestemd zijn voor de daar bedoelde handelingen. 3. Lachgas.

Geen specifiek verbod voor gebruik opnemen, het bestaande instrumentarium voldoet. Het oneigenlijk gebruik en de verkoop van lachgas vormt een niet te onderschatten probleem bij voornamelijk jongeren. Het geeft gezondheidsrisico’s en veroorzaakt hinder en overlast. Bij de vorige actualisering van de APV was de vraag of en hoe we als gemeente het gebruik van lachgas konden verbieden. De raad heeft toen het voorstel overgenomen om geen specifieke regeling met betrekking tot het gebruik van lachgas op te nemen, gegeven de beperkte omvang van de problematiek in Brunssum en het reeds bestaande instrumentarium in de APV, waaronder de evenementenvergunning. Daarbij was de verwachting dat er eind 2020 een landelijke verbod op het oneigenlijk gebruik van lachgas zou komen. Het wetgevingsproces duurt echter langer dan voorzien. Vanwege de demissionaire status van het kabinet zal het besluit over het tot stand brengen van regelgeving op het gebied van het voorgenomen lachgasverbod worden overgelaten aan een nieuw kabinet. Dit betekent dat de verwachting vanuit het rijk vooralsnog is dat er geen aangepaste regelgeving zal worden ingevoerd voor het voorjaar van 2022. Dit vormt een knelpunt in de effectieve(re) aanpak van de lachgasproblematiek.

Een aantal gemeenten in den lande heeft intussen op voorstel van de VNG in de APV een specifiek verbod op het gebruik van lachgas opgenomen, indien dat leidt tot overlast of andere gedragingen, die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Dit artikel luidt: Artikel 2:48a Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied

3

distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Toelichting op voorbeeldartikel Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt.

In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). In de brief van 12 mei 2021 aan de gemeenten komt de VNG hierop terug en stelt voor dat artikel in te trekken of niet op te nemen, omdat strafrechtelijke handhaving -bewijslast- de politie veel tijd kost. In het palet aan regelingen dat een gemeente in handen heeft, is er nog een, die nog niet eerder duidelijk in beeld was. Dat is een artikel over openlijk drugsgebruik. De VNG stelt voor om dit artikel in de APV op te nemen, als gemeenten dat nog niet eerder hebben gedaan. Het artikel valt onder de afdeling die over drugsoverlast gaat.

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Lachgas kan worden gevat onder “daarop gelijkende waar”. In de Brunssumse APV is zo’n artikel al eerder opgenomen. Bij de invoering daarvan was lachgasgebruik nog geen probleem en we hebben toen niet expliciet overwogen, dat hiermee ook lachgasgebruik zou kunnen worden aangepakt. Dat doen we nu wel en nemen dat als toelichting bij het artikel mee. Toelichting op artikel 2:74a Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Daarom hebben we al enkele jaren geleden een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden. Het 4

artikel heeft inmiddels de rechterlijke toets doorstaan, waarbij de overweging is dat zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst van verboden drugs op grond van de Opiumwet voorkomen, en waartegen wel moet worden opgetreden, of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. Achter deze notitie is een overzicht opgenomen van het bestaande juridisch instrumentarium voor de aanpak van het gebruik van lachgas. Zie pag. 8 e.v. 4. Intrekken verbod op Carbid schieten. Art. 2:73a In verband met de handhaving van coronamaatregelen is in december 2020 in de APV een verbod op carbidschieten opgenomen. Daarbij heeft de portefeuillehouder toegezegd, dat het een tijdelijke regeling betreft die bij de eerstvolgende gelegenheid zou worden ingetrokken. Het betreft artikel 2:73a. De overige voorstellen. 5. Heling. Art. 2:68 Voor het tegengaan van heling wordt binnen SVBBL het project Digitaal Opkopers Register (DOR) en Digitaal Opkopers Loket (DOL) uitgevoerd. In het DOL schrijven opkopers zich digitaal als zodanig in. In het DOR moeten zij de gegevens noteren van producten die zij opkopen en verkopen.

Momenteel mogen zij dit nog schriftelijk bijhouden. Voordeel van het digitale systeem is dat de politie direct kan controleren op geregistreerde gestolen goederen. In het kader van het project gaan we de ondernemers informeren en hen stap voor stap meenemen in de overgang. De Brunssumse APV voldoet al aan de richtlijnen die nodig zijn, er zijn twee kleine aanpassingen wenselijk. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: 1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging en de naam van de desbetreffende onderneming; b. van een verandering van de onder 1º, bedoelde adressen; c. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. 2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; 3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; D4 een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

6. Vuurwerk. Art. 2:73 In de geldende APV hebben we de mogelijkheid gebieden aan te wijzen waar het verboden is vuurwerk af te steken, de vuurwerkvrije zones. Bij de wijziging van het Vuurwerkbesluit (Stb 2019, 378; inwerkingtreding 29 november 2019) heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en waterstaat 5

toegelicht dat het Vuurwerkbesluit niet in de weg staat om het gehele grondgebied van de gemeente vuurwerkvrij te maken. Het is dus mogelijk om de regeling om te draaien in die zin, dat er een algemeen vuurwerkverbod geldt, maar dat er gebieden worden aangewezen waar wel vuurwerk mag worden afgestoken. Binnen de politieregio Limburg hebben de burgemeesters, politie en Openbaar Ministerie met elkaar afgesproken, dat wordt geprobeerd eenzelfde lijn in de aanpak van vuurwerkoverlast op te stellen. In afwachting van binnen dit gremium ontwikkelde voorstellen, wordt voorgesteld de huidige regeling van artikel 2:73 vooralsnog te handhaven. 7. Wijziging eisen aan exploitant/leidinggevende openbare inrichtingen. Art. 2:28a De VNG stelt voor om als weigeringsgrond voor een exploitatievergunning in het derde lid van artikel 2:28a op te nemen dat de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Dit is sterker dan de huidige regeling waarin een verklaring omtrent het gedrag bij de vergunningaanvraag moet worden overlegd. De toevoeging is ontleend aan de gemeentelijke praktijk. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het verstandig dat de burgemeester beleidsregels vaststelt Artikel 2:28 a Exploitatievergunning openbare inrichting 1.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling. 3. De burgemeester weigert de vergunning, als de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of geldende beheersverordening, of als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven of als de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 5.

Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds bloot staat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 6. De burgemeester kan de vergunning voor de andere openbare inrichtingen dan die waarin alcoholhoudende dranken worden geschonken, weigeren of intrekken, als de leidinggevende(n) niet voldoet (n) aan de eisen die worden gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Drank en Horecawet. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 8. Loslopende honden op openbare plaatsen. Art. 2:57 Voorgesteld wordt om het verbod voor niet-aangelijnde honden uit te breiden tot openbare plaatsen binnen de bebouwde kom. Hierdoor geldt het verbod ook voor andere plaatsen binnen de bebouwde

6

kom, zoals parken, plantsoenen, openbare begraafplaatsen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Artikel 2: 57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op de weg een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; d. op de weg een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a en, b en c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 9. Verbod op crossen ook buiten wedstrijdverband. Art. 5:32 Het crossverbod in artikel 5:32 beperkt zich tot wedstrijden of de voorbereiding daarvan. Voorgesteld wordt crossen buiten wedstrijdverband aan de verbodsbepaling in het eerste lid toe te voegen.

Zo kan worden opgetreden indien een terrein (in het buitengebied) wordt gebruikt voor puur recreatief crossen, dat tot (geluids)overlast leidt. Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buitenwedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

7

Bijlage bij wijzigingsvoorstellen APV 2020 ->2021 Bestaand juridische instrumentarium waarmee overlast door gebruik van lachgas kan worden aangepakt. 1. APV Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade: • Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen • Artikel 2:49 Verboden gedrag in of bij gebouwen • Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Deze drie bepalingen bevatten meer algemene verboden. Deze verboden gelden op openbare plaatsen, bij gebouwen en in publiek toegankelijke ruimten en deze plekken hoeven dus niet in een afzonderlijk besluit eerst te worden aangewezen: het is zonder meer verboden om daar hinderlijk of verboden gedrag te vertonen. Ook hoeft niet afzonderlijk te worden onderbouwd dat het hinderlijk of verboden gedrag is veroorzaakt door de verkoop of het gebruik van lachgas. Afdeling 11. Drugsoverlast: • Artikel 2:74 Drugshandel op straat • Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Deze bepalingen zijn geschreven met het oog op de handhaving van de openbare orde/het voorkomen van overlast. Het gaat hierbij uitdrukkelijk (alleen) om overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt.

Daarom hebben we al enkele jaren geleden een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden. Het artikel heeft inmiddels de rechterlijke toets doorstaan, waarbij de overweging is dat zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst van verboden drugs op grond van de Opiumwet voorkomen, en waartegen wel moet worden opgetreden, of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. Afdeling 3. Evenementen • Artikel 2:25 Evenementenvergunning Bij evenementen waarvoor een vergunning is vereist, kan in de voorschriften een verbod op verkoop en gebruik van lachgas in de voorschriften worden opgenomen met als motivering hinder en overlast. Bij evenementen waarvoor een vergunningplicht geldt, kan de burgemeester een verbod op verkoop van lachgas in de vergunning opnemen. Dat kan hij bijvoorbeeld motiveren met het belang van het voorkomen van hinder, aantasting van de openbare orde en/of milieu of het belang van de volksgezondheid. Als niet wordt voldaan aan het vergunningvoorschrift (verbod op verkoop van lachgas), dan kan de burgemeester daartegen optreden of de vergunning intrekken. Afdeling 4.

Toezicht op openbare inrichtingen (in samenhang met Drank en Horeca Wet, per 1 juli Alcoholwet) Er kunnen verschillende bepalingen worden ingezet bij het tegengaan van verkoop of gebruik van lachgas in openbare inrichtingen/horecabedrijven. 8

Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen horeca-inrichtingen waar alcohol mag worden geschonken (natte horeca) en inrichtingen waar dit niet mag (droge horeca). Beide soorten horeca zijn op grond van de APV aan te merken als openbare inrichting. Voor beide soorten horeca kan zijn geregeld dat een exploitatievergunning verplicht is. • Artikel 2:28: Exploitatie openbare inrichting De exploitatievergunning is vooral een overlastvergunning. Er kan dus (preventief) worden getoetst of de exploitatie van een inrichting zich verdraagt met het woon- en leefmilieu en of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Aan de exploitatievergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Met het oog op het voorkomen van hinder en overlast of aantasting van de openbare orde, of ter bescherming van het woon- en leefklimaat of het milieu kunnen langs deze weg beperkingen worden opgelegd aan de verkoop en het (oneigenlijk) gebruik van lachgas. Verder geldt dat bij inrichtingen waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, een DHW-vergunning is vereist ex artikel 3 van de DHW.

Intrekking van die vergunning is mogelijk als de vergunninghouder in of vanuit de inrichting kleinhandel bedrijft (lees: lachgas verkoopt) of als zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid (artikel 31, leden 1, onder c, en 2, DHW).  Artikel 2:29 Sluitingstijd Dit artikel biedt de mogelijkheid om sluitingstijden vast te stellen, zodat overlast in de late uren door het gebruik van lachgas (deels) kan worden tegengegaan. 2. Alcoholwet.  Artikel 14, lid 2 De Alcoholwet (die van toepassing is op de natte horeca) verbiedt in artikel 14, lid 2, kleinhandel vanuit een horecalokaliteit. Als in een horecalokaliteit lachgas wordt verkocht kan op grond van dit artikel worden gehandhaafd, mits die verkoop als kleinhandel kan worden aangemerkt.  Artikel 31, lid 1, sub c Dit artikel maakt het mogelijk dat de burgemeester de alcoholvergunning intrekt als in de inrichting dingen zijn gebeurd die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. De verkoop van lachgas in de inrichting kan bij overlast door gebruik van lachgas worden gesanctioneerd. 3.

Winkeltijdenverordening Gemeenten kunnen zich niet bemoeien met de verkoop van lachgas in winkels binnen de reguliere openingstijden (6:00 tot 22:00 uur). In de Winkeltijdenwet worden (in artikel 3, eerste en tweede lid) beperkingen gesteld aan de openingstijden van winkels. Voor de late/nachtelijke uren gebeurt dit met name met het oog op de openbare orde en veiligheid. Voor winkelopening tijdens deze uren kan soms vrijstelling of ontheffing worden verleend. Een verleende ontheffing kan op grond van artikel 5 van de Verordening winkeltijden (2013) worden ingetrokken (of gewijzigd) als de exploitatie van de winkel gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat ter plaatse. Dit biedt de mogelijkheid om bij ernstige verstoring van de openbare orde, veiligheid of ernstige overlast voor de woonomgeving, die (mede) is veroorzaakt door de verkoop van lachgas bij een nacht-/avondwinkel de ontheffing van deze winkel in te trekken of te wijzigen. 4. Wet Milieubeheer De Gemeente Arnhem pakt de overlast van verkoop van lachgas in inrichtingen mede op grond van de Wet milieubeheer (Wm) aan. Artikel 9.2.1.2 van de Wm behelst een zorgplicht voor diegene die 9

beroepshalve een stof aan een ander ter beschikking stelt om (mogelijke) gevaren voor mens of voor het milieu te voorkomen of te beperken. Gelet op de gevaren voor de mens en het milieu wordt de ondernemer in Arnhem die in strijd met dit artikel handelt indien hij lachgas in ballonnen afkomstig uit tanks aanbiedt, aangepakt. Handhaving op grond van artikel 9.2.1.2 Wm is echter uitsluitend mogelijk indien 'lachgas' niet wordt gezien als een erkend genotmiddel. Arnhem kwalificeert lachgas als een genotmiddel waarvoor geen specifieke (stofgerichte) wet- en/of regelgeving geldt en heeft zich op het standpunt gesteld dat het daarom onder het bereik van artikel 9.2.1.2 van de Wm kan vallen.

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=a8651ea0-6bb4-4b29-b616-03ce9d86e28c