Raadsvoorstel 34 (bijlage) Nota Openbare Speelvoorzieningen oktober 2008.pdf
Tekst van het document
Nota Openbare Speelvoorzieningen
Dienst Beleid & Strategie Oktober 2008
Inhoudsopgave.
1. Inleiding…………………………………..
pag. 3
2. Doel van de nota…………………………
pag. 3
3. Ruimtelijk beleid…………………………
pag. 4
4. Randvoorwaarden voor de speelplek……
pag. 6
5. Wet en regelgeving……………………..
pag. 7
6. Speelruimte in Brunssum………………
pag. 8
7. Ruimtelijke spreiding van speelruimte…
pag. 9
8. Proces en rolverdeling………………….
pag. 11
9. Beheer van speeltoestellen……………..
pag. 12
10. Samenvatting………………………….
pag. 14
2
1. Inleiding. Het buiten spelen is van grote betekenis voor de ontwikkeling van kinderen. Buitenspelen is allereerst gezond. Kinderen die veel buiten spelen ontwikkelen meer spieren en behendigheid, hebben minder kans op astmatische aandoeningen en tekort aan vitamine D. De laatste jaren is er een zorgwekkende trend dat jonge kinderen steeds vaker te maken krijgen met overgewicht. Buitenspelen heeft positieve effecten op de cognitieve ontwikkeling: spel bevordert probleemoplossend gedrag, logisch denken, taal en betekenisverwerving, dit alles heeft ook een positieve invloed op de schoolprestaties. Buiten spelen draagt bij aan de sociale ontwikkeling van het kind en de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Zelfwerkzaamheid wordt groter evenals het goed hanteren van sociale interactie. Het spel dat kinderen spelen laat zich onderscheiden in een aantal spelvormen, idealiter biedt een speelgelegenheid één of meerdere mogelijkheden van de diverse spelvormen. Als deze vormen van spel omgezet worden naar functies van spel, dan zijn in grote lijnen de volgende functies te onderscheiden: Beweging: het actief zijn met je lichaam, ontwikkeling van de motoriek.. Socialisatie: het omgaan met anderen/elkaar. Constructie: het maken, bouwen, scheppen. Fantasie/verkenning: het onderzoeken van mogelijkheden en daarbij de fantasie gebruiken.
Niet alleen voor kinderen zijn speelvoorzieningen belangrijk, maar ook voor de ouders. Omdat kinderen door met elkaar te spelen een netwerk opbouwen, komen hierdoor ook de ouders van de kinderen met elkaar in contact. Een buurt waarin de bewoners elkaar kennen vergroot de sociale controle en leefbaarheid. Ook voor de gemeente is het aanbieden van speelvoorzieningen van belang. Speelvoorzieningen maken deel uit van voorzieningen die een wijk aantrekkelijk maken. Deze voorzieningen zijn nodig om de huidige bewoners vast te houden en nieuwe inwoners te trekken. Door speelvoorzieningen aan te bieden, wordt rechtstreeks bijgedragen aan de leefbaarheid in de wijk. 2. Doel van de nota. Het doel van deze notitie is een concreet toetsingskader te hebben om tot een evenwichtige spreiding van openbare speelvoorzieningen te komen, rekening houdend met aantallen kinderen per wijk en landelijk geaccepteerde normeringen voor invloedsferen en oppervlaktebeslag van speelvoorzieningen. Speelruimte is een dynamisch gegeven en de behoefte aan speelruimte zal met de wijk meegroeien. Kinderen worden immers groter en speelwensen zullen in de tijd veranderen. Er kan zelfs een moment aanbreken dat er in een bepaalde buurt geen behoefte meer is aan speelruimte omdat de kinderen volwassen worden. Vervolgens zullen de wijken ook weer verjongen, en zal het proces rond speelruimte zich weer herhalen.
Met een toetsingskader kunnen verzoeken van burgers om speelruimte te realiseren op een objectieve wijze beoordeeld worden. Normen zoals invloedsfeer, aantal kinderen in de wijk, de dekkingsgraad over de gemeente en eisen aan de locatie maken de afweging tot het al dan niet realiseren van een speelplek eenvoudiger. Er daar waar nauwelijks openbare ruimte is, zal het zonder meer lastig zijn om adequate speelruimte te realiseren. Naast ruimtelijke spreiding van speelvoorzieningen, zal ook het beheersaspect aandacht krijgen.
3
3. Ruimtelijk beleid. Informele speelruimte. Kinderen spelen overal en hebben om tot spelen te komen speelaanleidingen nodig. Speelaanleidingen kunnen eenvoudige tot geavanceerde toestellen zijn, maar het kan net zo goed een paaltje of een parkbankje, een hoop grond of zand, een omgevallen boom of tak, een open grasveld of een ondoordringbaar heestervak, een natte plek of een heuvel, onverhard of juist verhard terrein zijn. De groenvoorziening, maar ook de “grijze ruimte” zoals pleinen en kindvriendelijk ingerichte straten kunnen gelden als informele speelruimte. In de inrichting van openbare ruimten moet de kindvriendelijkheid nadrukkelijk betrokken worden. Verkeersluwe straten met verkeersveiligheidsvoorzieningen alsmede de inbreng van groenvoorziening als (potentiële) speelplek zijn basisvoorwaarden voor de kindvriendelijke wijk. In nieuwbouwontwikkelingen is doorgaans sprake van woningverdichting. Voor de kwaliteit van de woonomgeving is het echter van belang dat er in de ontwerpfase al rekening wordt gehouden met speelruimte, waarbij de 3%-norm (advies Minister en “Jantje Beton”) hierbij de leidraad is. Ook voor de jeugd in de leeftijd van 12-18 jaar vervult de informele speelruimte een belangrijke rol als ontmoetingsplaats. Uit oogpunt van mogelijke overlast, kan het in gevallen noodzakelijk zijn hieraan sturing te geven, b.v.
het realiseren van formele jeugdontmoetingsplekken. Formele speelruimte Bestemmingsplannen staan toe dat groenvoorzieningen gebruikt worden voor recreatieve doeleinden zoals speelplekken. Wanneer speeltoestellen geplaatst worden, eventueel met een afrastering, zal sprake zijn van een formele speelplaats. Alsdan ontstaat ook de situatie dat er : -
een investering noodzakelijk is om de speelruimte in te richten;
-
rekening gehouden dient te worden met de regels uit het attractiebesluit (aansprakelijkheid);
-
de speelplek beheerd moet worden.
Dynamiek in speelruimte. Speelvoorzieningen groeien met de wijk of buurt mee. Naarmate de gemiddelde leeftijd van de kinderen in de buurt verandert, zal de behoefte aan speelruimte verschuiven. Vooral door de beperkte invloedssfeer, zijn de speelplaatsen van vooral de jongste leeftijdsgroep onderhevig aan leeftijdsveranderingen in de naaste omgeving. Speelplekken voor de oudere leeftijdsklassen zijn qua behoefte stabieler gezien de invloedssfeer. In deze situaties leert de praktijk dat verandering in behoefte gekenmerkt wordt door het geleidelijk wegvallen van de betrokkenheid van ouders. Niet alleen de jeugd wordt ouder, maar ook oorspronkelijke initiatiefnemers verhuizen of krijgen andere interesses. Alsdan ontstaan er problemen in het beheer en moet in alle redelijkheid overwogen kunnen worden een dergelijke speelplek op te heffen. Nog bruikbare speelattributen worden hergebruikt op speelplekken waar toestellen aan vervanging toe zijn of anderszins onklaar zijn geraakt.
4
3%-norm. In een brief aan de gemeenten heeft minister Dekker een dringend beroep op gemeenten gedaan om bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening te houden met een norm van 3% buitenspeelruimte. In bestaande situaties vraagt ze gemeenten zo mogelijk deze norm alsnog realiseren. De speelruimte voor kinderen in de wijk kan op verschillende manieren zijn ingericht: als formele speelruimte, ingericht met speeltoestellen, maar zeker ook als informele speelruimte zoals pleinen, parken of plantsoenen. Binnen de norm van 3% kan tevens gekeken worden naar het openbaar gebruik van sportvelden en schoolpleinen. Voor bestaande buurten en wijken is de 3%-norm lastig te hanteren. Nemen we voor Brunssum 3% van het openbaar groen (ca.120 ha.,excl. groene randen en sportcomplexen), dan dient3,6 ha. van de groene ruimte een speelfunctie te hebben. Alleen al onze speeltuinen en trapvelden tezamen beslaan een oppervlakte van 3 ha. Hierbij de 28 openbare speelplaatsen betrekkend alsmede de informele speelruimte, moet geconcludeerd worden dat Brunssum de 3% op basis van openbaar groen gemakkelijk haalt. Wanneer we uitgaan we de totale openbare ruimte, dus openbaar groen, straten, wegen en pleinen, dan zou 3% van 270 ha. = 8 ha uit speelruimte moeten bestaan. In dat geval zitten we op iets minder dan de helft, waarbij de informele speelruimte ruimtelijk niet te begrenzen is.
Voor de ruimtelijk spreiding van speelplekken in bestaande situaties is de 3%-norm derhalve een weinig praktisch toetsingskader en is het realistischer om te werken met begrippen als actieradius van kinderen of de invloedssfeer van een speelplek en het aantal speelplekken per X-aantal kinderen. Zie hiervoor het volgende hoofdstuk. Wel is de 3%-norm een goed uitgangspunt voor nieuwbouwsituaties. In de planontwikkeling moet daarom bedongen worden dat 3% van de openbare ruimte geschikt moet zijn voor een speelfunctie en in exploitatietechnische zin zal een bedrag van € 20.000,0 tot € 25.000,- gereserveerd moeten worden om de speelruimte ook als zodanig in te richten..
Kwantitatieve normen. De behoefte aan speelruimte hangt direct samen met de bevolkingsopbouw in de buurt of wijk. De speelgelegenheid zal moeten aansluiten bij de bestaande situatie en rekening moeten houden met eventuele ontwikkelingen in de nabije toekomst. De leeftijdsopbouw van de kinderen in de desbetreffende omgeving is mede bepalend voor de te reserveren oppervlakte speelruimte en de verdeling hiervan .Voor de te reserveren hoeveelheid speelruimte zijn door de NUSO en Jantje Beton een aantal richtlijnen ontwikkeld voor de totale hoeveelheid speelruimte en de minimale ruimtebehoefte per leeftijdscategorie. De leeftijd van de kinderen is mede bepalend voor het spelbereik, het aanbod speelruimte moet afgestemd worden op de gemiddelde actieradius van de verschillende leeftijdsgroepen zoals in onderstaand overzicht wordt aangegeven.
Leeftijd
Actieradius
Minuten lopen
Gewenste opp.
0-6 jaar 6-12 jaar 12-18 jaar
100 meter 200 tot 300 meter 500 meter e.v.
2 5 15
bij de woning/achtertuin 500-2000 m2 1000-3000 m2 (trapvelden, ontmoetingsruimten)
5
Eén speelplek per 100 kinderen. Ook worden er normen gehanteerd die uitgaan van het aantal speelplekken per aantal kinderen. Deze norm wordt in den lande variabel gehanteerd en kan uiteenlopen van 1 speelplek per 50-100 kinderen. Wanneer we in Brunssum uitgaan van een in redelijke mate aanwezige informele speelruimte, kan gesteld worden dat 1 speelplek per 100 kinderen in de behoefte kan voorzien. Enige voorzichtigheid is hierbij op zijn plaats, b.v. een buurt met minder dan 100 kinderen en een geïsoleerde ligging (b.v. verkeerwegen) ten opzichte van overige speelplekken in de wijk, zou onder toepassing van deze norm niet in aanmerking komen voor een speelplek. Eén speelplek per 100 kinderen moet daarom meer gezien worden als richtinggevend bij keuzes, waarbij maatwerk geboden is. Punt van aandacht is de gestapelde bouw. Voor de allerkleinsten (0-6 jaar) wordt in bovenstaand overzicht de directe omgeving van de woning en vooral de achtertuin als speelruimte beschouwd. Punt vqan aandacht hierbij is gestapelde bouw. Daar waar de behoefte wordt geconstateerd, kan in de directe nabijheid van het gebouw kleinschalige voorzieningen aangebracht worden voor kinderen in de kleuterleeftijd.
4. Randvoorwaarden voor de speelplek. Bij de locatiekeuze dient rekening gehouden te worden met de volgende aspecten. Bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan moet de aanleg van een speelplaats mogelijk maken. In de regel kan dit zonder meer binnen de bestemming groenvoorziening gerealiseerd worden. Tot een hoogte van 5 meter kunnen speeltoestellen (b.v. glijbaan) zonder vergunning geplaatst worden. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de privacy van omwonenden. Mits passend binnen deze bestemming is de aanleg van een speelplaats ook toekomstvast. Dit kan b.v. niet het geval zijn wanneer gronden met een bouw- of verkeersbestemming als speelterrein worden ingericht. Bij het realiseren van de bestemming zal de speelplek dan weer moeten wijken.. De omgevingsituatie van de speellocatie is van belang. Een verkeersader kan voor kinderen een wezenlijke barrière vormen en kan de invloedssfeer van een speellocatie aanzienlijk beperken. Verkeerslawaai of luchtvervuiling zijn geen ideale omgevingsvariabelen om lekker te spelen. Voorkomen moet worden dat kinderen al spelend vanuit de speelplaats de straat op kunnen rennen. Om deze reden wordt een speelplaats ook niet aangelegd in de nabijheid van water. De speellocatie moet goed bereikbaar zijn, ook voor kinderen met een lichamelijke beperking.
De looproutes moeten breed genoeg zijn voor een rolstoel of een moeder met kinderwagen. Voor speellocaties voor de wat oudere jeugd moet tevens rekening gehouden worden met de bereikbaarheid per fiets of scooter. Ook stallingsruimte kan van belang zijn. Speelplaatsen moeten ook bereikbaar zijn voor vrachtwagens (beheer/aanvoer zand, speeltoestellen) en de ambulance moet er altijd probleemloos bij kunnen komen. Gezondheidsrisico’s schuilen in de aanwezigheid van b.v. giftige planten en dierlijke uitwerpselen. Alertheid is geboden en speelplekken kunnen voorzien worden van een afrastering om honden te weren. Toezicht op speelplekken moet gegarandeerd zijn. Er moet een vorm van sociale controle zijn om vernielingen en/of het ontstaan van een hangplek tegen te gaan. De speellocatie moet vanuit omringende woningen zichtbaar zijn . Betrokkenheid van de buurt is een voorwaarde. Speelplekken kunnen op initiatief van de buurt gerealiseerd worden.
6
5. Wet en regelgeving. Op speeltoestellen is het volgende van toepassing: -Het Besluit Veiligheid Attractie- en speeltoestellen. Het Attractiebesluit richt zich op veiligheid en aansprakelijkheid en kent verantwoordelijkheid toe aan Zowel de producent van speeltoestellen als aan de beheerder van de toestellen. De producent moet in het ontwerp en materiaalgebruik alle mogelijke gevaren uitsluiten of beperken. Ook verstrekt hij een gebruiksaanwijzing en is een typegoedkeuring verplicht. Voor de beheerder van de speeltoestellen geldt als algemene eis: “De beheerder van een speeltoestel zorgt ervoor dat het toestel zodanig is geïnstalleerd en beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.” De beheerder moet door inspecties en onderhoud, ervoor zorgen dat het toestel veilig blijft. Hij is verplicht hiertoe een logboek bij te houden. De Inspectie Gezondheidsbescherming Keuringsdienst van Waren controleert de beheerders op naleving van het Attractiebesluit. Bij een ongeval wordt het logboek bekeken of zorgvuldig is gehandeld uit oogpunt van veiligheid. Wanneer er een ongeval plaatsvindt met een speeltoestel, is de beheerder de eerst aangewezen persoon of instantie die aansprakelijk zal worden gesteld.
Is het ongeval te wijten aan foutieve installatie of gebrek in het product, dan zal sprake zijn van doorgeleide aansprakelijkheid, naar de producent of de installateur. Ten aanzien van het Attractiebesluit, zijn onderstaande taken en rolverdeling aan de orde: - Speeltuinen (in beheer bij speeltuinverenigingen.) Visuele inspectie: te verrichten door de beheerder en voor rekening van de beheerder. Functionele inspectie: te verrichten door de gemeente en voor rekening van de Gemeente Brunssum Groot onderhoudinspectie te verrichten door de gemeente en voor rekening van de Gemeente Brunssum Het uit de inspectie voortkomend onderhoud is voor rekening van de beheerder, waarbij in de kosten voor het groot onderhoud voorzien wordt via de subsidieverordening. - Openbare speelplaatsen en trapvelden. Alle inspecties worden door en voor rekening van de gemeente uitgevoerd. Uit de inspecties voortkomend groot onderhoud wordt ook door en voor rekening van de gemeente uitgevoerd. Voor het klein onderhoud wordt in principe zoveel als mogelijk een beroep gedaan op de initiatiefnemers (buurt of wijk). De zorg voor trapvelden wordt geheel door of namens de gemeente verricht. Het Bouwbesluit Het Bouwbesluit ziet een speeltoestel als een “bouwwerk zijnde geen gebouw”.
Omdat de maatvoering van speeltoestellen veelal afwijkt van standaard maten, eist het bouwbesluit dat aangetoond moet worden dat er sprake is van “gelijkwaardige veiligheid”. Hiertoe is speciaal voor speeltoestellen een Europese ontwerpnorm (NEN-EN 1176-1) ontwikkeld die de veiligheid van speeltoestellen moet waarborgen Het Bouwbesluit stelt het voldoen aan normen verplicht. Voor een overzicht van alle beschikbare normen is een handboek ontwikkeld.
7
6. Speelruimte in Brunssum. In Brunssum worden vier soorten speelvoorzieningen onderscheiden. 1. Speeltuinen. Speeltuinen onderscheiden zich van openbare speelgelegenheden doordat er sprake is van openings- en sluitingstijden en een vaste vorm van toezicht aanwezig is. Ook wordt van de gebruikers een bescheiden financiële tegemoetkoming verlangd, te voldoen middels een lidmaatschap/contributie of entreegeld. De speeltuin geldt als wijkvoorziening. De speeltuinen zijn ingericht voor de jeugd van 0-14 jaar en bieden voor iedere leeftijd een vorm van spel. Naast speelgelegenheid sec, vervullen de speeltuinen ook een belangrijke sociale functie voor de ouders of zelfs de hele wijk. Het “speeltuingebouwtje” heeft hierin een centrale plaats. 2.Openbare speelplaatsen. Openbare speelgelegenheden zijn in principe vrij toegankelijk en speciaal voor één leeftijdscategorie aangelegd. Ze zijn vooral op buurtniveau georiënteerd en kennen vaak ook een of andere vorm van toezicht en eenvoudig beheer uit de buurt. Qua ruimtebeslag zijn deze speelvoorzieningen beperkt en sluiten aan bij de leeftijdsontwikkeling in de buurt. Hierdoor kan het zijn dat de functie voor de buurt op een gegeven moment verloren gaat doordat het niet meer aansluit bij de leeftijd of aantal kinderen in de buurt. De behoefte zal dan meer verschuiven naar b.v. een trapveld. 3. Speelweiden of trapvelden.
Deze voorzieningen richten zich in het bijzonder op de wat oudere jeugd, in de regel tussen de 12 en 18 jaar. Het zijn grasveldjes waarop meestal doelen zijn geplaatst en, wanneer noodzakelijk, ook ballenvangers. Trapveldjes zijn voor de jeugd die ook een ruimere actieradius hebben en worden hierdoor beschouwd als wijkvoorziening. 4. Bovenwijkse speel-/sportvoorzieningen Bovenwijkse speelvoorzieningen hebben geen directe relatie met de wijk, maar hebben een functie voor de jeugd uit heel Brunssum. Doorgaans betreft het initiatieven op sportief vlak die zich als hype of als blijvende sport manifesteren. Voorbeeld van een hype was de toenmalige fietscrossbaan BrunssumNoord; van meer blijvende aard is de skatebaan in het Kerkeveld. Als bijzondere vorm van bovenwijkse voorzieningen gelden de speeltoestellen in het Promenadegebied, geplaatst met de bedoeling om de verblijfsduur van het publiek in het centrum op te rekken. Bovenwijkse voorzieningen vragen een eenmalige investering in aanlegkosten. Zeker met betrekking tot de skatebaan Kerkeveld zijn de verdere beheer- en vervangingskosten vrij hoog.
8
7. Ruimtelijke spreiding van speelruimte. Speeltuinen. De gemeente kent vier speeltuinen, waarvan de ruimtelijke spreiding over de wijken goed genoemd kan worden. Speeltuin Klaver-4 heeft het Noord- en noordwestelijk deel van de gemeente als verzorgingsgebied, de speeltuin Treebeek heeft een functie voor het westelijk deel van de gemeente, de Buschkesberg verzorgt het centrum en zuidelijk deel van Brunssum en de speeltuin Schutterspark heeft Brunssum-Oost als verzorgingsgebied. Voor Brunssum-Oost is het van belang dat de wijkfunctie van deze speeltuin Schutterspark blijft bestaan naast het regionaal belang in het kader van de toeristisch/recreatieve ontwikkeling van het park. Openbare speelplaatsen. Openbare speelplaatsen functioneren op buurtniveau en zijn gericht op de leeftijdsgroep van 6 tot 12 jaar. Kenmerk van deze speelplaatsen is kleinschaligheid en sobere inrichting, waarin het aanbod van speelvoorzieningen niet moet concurreren met de speeltuinen. De speeltuin moet gezien worden als hoofdvoorziening, de openbare speelplaats is aanvullend en voorziet in speelbehoefte op de momenten dat de speeltuinen gesloten zijn. Voor openbare speelplaatsen is het niet mogelijk een algemeen spreidingsbeleid toe te passen.
Weliswaar zijn er normen ontwikkeld betreffende de invloedssfeer, maar in de spreiding spelen ook factoren als de ruimtelijke mogelijkheden om een speelplaatsje te realiseren en het aantal kinderen in de buurt. In een kinderrijke buurt kunnen meerdere kleine speelplekken aanwezig zijn (b.v. Rozengaard). Dekkingsgraad. Wat betreft spreiding door Brunssum, zijn er in de gemeente 28 formele openbare speelplaatsen. W.b. inrichting zijn er verschillen ten aanzien van de leeftijdsgroepen. Uitgaande van een maximale invloedssfeer van 300 meter en barrières zoals verkeerswegen, worden er, uitgaande van het kaartbeeld, in de gebiedsdekking manco’s geconstateerd in de buurten de Streek, Op gen Haen, Hokkelenberg, Koutenveld, Kruisberg, Haansberg en Langeberg-zuid. Wanneer we in praktische zin op deze wijken inzoomen, ontstaat ten aanzien van speelruimte het volgende beeld: Haansberg: Gemiddeld aantal kinderen. Speeltuin aanwezig (volgens openingstijden). Trapveld aanwezig. Hemelderpark/informele speelruimte in nabijheid. Langeberg zuid/In de Struyken: Kleine speelplek in LimburgiaParc (buurtfunctie). Trapveld ongunstig gelegen uit oogpunt van sociale controle. Wijk is kinderrijk. Rembrandtstraat en Akerstraat ernstige verkeersbarrières De Streek/Op gen Haen Aantal kinderen gemiddeld. Kennedylaan vormt verkeersbarrière in de relatie met Brunssum-Noord.
Op de Vaard/Koutenveld Aantal kinderen relatief gering. Geen informele speelruimte aanwezig. Relatief beperkte ruimte voor speelplekken. Trapveld aanwezig.
9
Wanneer we het aantal speelplekken beschouwen aan de hand van het uitgangspunt van 1 speelplek per 100 kinderen, ontstaat het volgende beeld.
WIJK
AANTAL speelplekken KINDEREN vlg richtlijn
West Klingelsberg Op de Vos Treebeek- Zuid Emma Amstenraderveld Treebeek- Noord
93 204 220 104 109 233
1 2 2 1 1 2
Noord Klingbemden Rozengaard De Kling Op den Haan Lemmender De Streek Heufke Bexdelle
86 189 118 127 85 149 92 46
1 2 1 1 1 1 1 1
Oost Op Gen Hoes Oeloven Egge Schuttersveld De Kleikoelen
55 143 314 93 35
1 1 3 1 1
312 182
84 49 10 21 64 184 118 69 362
Zuid Langeberg De Struiken Limburgia Centrum Hofpoel Op de Vaard Koutenveld Centrum Kerkeveld Kruisberg Haansberg Rumpenerbeemden Hemelder TOTAAL AANWEZIG:
aanwezige speeltuin
1
aanwezige speelplek 1 1 1 3 1 1
1 3 1 0 1
aanwezige tekort trapveldjes
1 2 1 1 1
1 1 1 1 1
0 0 1
1 1
1 1 1 3 1
1 1 1 2
3 2
2 0 1
1 1 1
1 1 1 1 1 2 1 1 4
1
1
1 0 0 1 0 1
4
1 1 1 2 1 1
1 1
1 2
28
16 16
10
Getoetst aan normen ten aanzien van gebiedsdekking in relatie tot aantal kinderen in de wijk, kan geconcludeerd worden dat vooral Langeberg-Zuid/In de Struyken en De Streek/Op gen Haen als manco’s in de dekkingsgraad zijn aan te merken. Deze manco’s kunnen vooral teruggevoerd worden op ruimtelijke beperkingen om een speelplek aan te leggen. Kansen voor speelruimte liggen voor deze wijken binnen de herstructureringsprojecten zoals op termijn aan de orde komen in de Poorterstraat, Europalaan. Voor In de Struyken zijn combinaties denkbaar met de komst van de Brede School. Het aantal speelplekken getoetst aan het aantal kinderen in de wijk (1 speelplek per 100 kinderen) geeft in principe nog ruimte om 16 speelplekken in te richten, waarbij enige nuancering aan de orde is, b.v. de aanwezigheid van een trapveld in Op de Vaard betekent nog niet dat er voor de leeftijdsgroep van 612 jaar voldoende speelruimte is. Als algemene conclusie kan gelden dat normen een goed hulpmiddel zijn om te bepalen in hoeverre er al dan niet voldoende speelruimte in de wijk/buurt aanwezig is, maar oog voor maatwerk blijft geboden. Trapvelden. Trapveldjes zijn bedoeld voor de wat oudere jeugd. Zij zijn mobieler en verkeersbarrières spelen voor deze leeftijdsgroep een mindere rol. Uitgaande van een invloedssfeer van 500 meter, is de verdeling van trapvelden nagenoeg gebiedsdekkend.
Brunssum-Oost en een deel van Langeberg-West kunnen als manco aangemerkt worden. Opgemerkt wordt dat het trapveld Langeberg uit oogpunt van sociale veiligheid minder gunstig gelegen is. 8. Proces en rolverdeling. Speelplekken kennen diverse belanghebbenden met eigen rollen en verantwoordelijkheden. Bewoners en de Wijkteams. Bewoners zijn veelal de initiatiefnemers voor de realisatie van speelvoorzieningen en in principe kan iedere burger de gemeente verzoeken om een speelplek aan te leggen. Alle verzoeken die de gemeente bereiken, worden gekanaliseerd via het betreffende Wijkteam. De communicatie verloopt vervolgens ook via het Wijkteam. De Wijkteams onderzoeken met name of er draagvlak is voor een speelvoorziening, zodat sociale controle en basisonderhoud door bewonersgroep (schoonhouden, evt. gras maaien) ook geregeld is. De gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor het speelvoorzieningenbeleid en bestemt ruimte als speelplek, richt de plek in en draagt zorg voor het onderhoud van de speeltoestellen. De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid van de speelplek (Attractiebesluit). De gemeente draagt bij aan de aanleg en zoekt cofinanciering vanuit Wijkteam of projecten (bouw, civieltechnisch). Intern wordt de volgende procedure gehanteerd: 1. Intern is het Team Voorzieningen verantwoordelijk voor de openbare speelplekken.
Op het moment dat er een verzoek tot realisatie of uitbreiding van een speelplek bij de gemeente binnenkomt, wordt dit in eerste instantie in behandeling genomen door Team Voorzieningen. Team Voorzieningen legt de verzoeken vast in een register en verstrekt een ontvangstbewijs alsmede een korte procedurebeschrijving aan de aanvrager. 2. Het verzoek wordt doorgeleid naar de wijkmanagers die zorg dragen voor behandeling in het Wijkteam. Wanneer blijkt dat het verzoek door het wijkteam gedragen wordt en Team Voorzieningen heeft beoordeeld of het verzoek al dan niet past binnen het speelruimtebeleid, wordt de Dienst Projecten/Team Civiele Techniek ingeschakeld.
11
3. Team Civiele Techniek verzorgt de technische invulling van de speelplek, maakt een begroting en geeft de financieringsmogelijkheden aan. Hierbij wordt nauw overleg gepleegd met de bewonersgroep en het Wijkteam. In het ontwerpproces wordt teruggekoppeld met Team Voorzieningen. Van belang is, dat in de ramingen ook de beheers- en vervangingskosten inzichtelijk gemaakt worden en ook een doorvertaald worden naar de beschikbare budgetten. 4. Wanneer een plan voldoende uitgewerkt is, wordt dit door Team Voorzieningen aan het College voorgelegd ter goedkeuring. 5. De realisatiefase wordt opgedragen aan het Team Civiele Techniek. 6. Na aanleg wordt de speelplek in beheer overgedragen aan Team Voorzieningen. Het beheer omvat: o de periodieke veiligheidskeuringen en het bijhouden van het logboek; o de zorg voor het onderhoud van de speeltoestellen; o de zorg voor vervanging van beschadigde of verouderde toestellen. Voor het terreinonderhoud, zoals maaien, snoeien en onkruidbestrijding, geldt dat dit door de gemeente wordt verzorgd, tenzij de speelplek omheind is. Alsdan behoort het terreinonderhoud tot taak van de initiatiefnemers. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij het ook het basisonderhoud (schoon houden) voor hun rekening nemen. De praktijk leert dat dit in de eerste jaren na aanleg doorgaans goed werkt, maar op zeker moment door diverse omstandigheden kan wegebben.
Teneinde te voorkomen dat een speelplaats hierdoor in het ongerede raakt, neemt de gemeente in dergelijke gevallen het beheer over, waarbij het tevens een overweging kan zijn om de speelplek in goed overleg met het Wijkteam op te ruimen. Wordt er nog wel gespeeld? Hoe is de staat van de speeltoestellen? Woningcorporaties De coöperaties dragen mede zorg voor een leefbare woonomgeving, waarvan speelplekken wezenlijk bijdragen aan de kwaliteit hiervan. Uit deze optiek zijn er mogelijkheden dat vanuit de corporaties wordt bijgedragen in de aanleg van speelvoorzieningen op buurt- en wijkniveau. Zeker in nieuwbouw kan zulks in de exploitatie betrokken worden. Alsdan is overigens ook de hierboven omschreven interne procedure aan de orde.
9. Beheer van speeltoestellen. Het Team Voorzieningen verzorgt het beheer van 313 speeltoestellen, verdeeld over 28 locaties in de gemeente. Het totale budget voor openbare speelplekken bedraagt € 72.687,- , vaste lasten en personeelskosten inbegrepen. Voor de directe uitvoering (“aankoop overige goederen/diensten”) is € 48.786,- beschikbaar. Gezien het de inkoop van goederen en diensten betreft, is het jaarlijks toepassen van een inflatiecorrectie noodzakelijk om de kwaliteit van speelplekken op peil te houden. Globaal worden binnen dit budget de inspecties verzorgd, met inschakeling van gespecialiseerde Licom-medewerker , de uit de inspectie voorkomende reparaties en de uit veiligheidsoogpunt noodzakelijke vervangingen uitgevoerd, alsmede het regulier onderhoud. Uiteraard fluctueren deze bedragen. Opgemerkt wordt dat in 2009 nieuwe veiligheidsnormen (Attractiebesluit) worden geïntroduceerd. Deze hebben met name betrekking op valdempende ondergronden bij bewegende speeltoestellen. Dit zal uiteraard tot aanpassingen noodzaken, hetgeen niet uit het bestaande budget bekostigd kan worden.
12
Globaal zijn de uitgaven als volgt: Inspecties: € 5.000,- (uitgaande van inschakeling o,6 fte Licom medewerker) Reparaties n.a.v. inspecties en vandalisme: € 30.000,- (b.v. alleen skatebaan in 2008: € 20.000,-) Onderhoud: € 10.000,Vervangingen: € 3.000,Veiligheid van de speelplekken staat voorop. Niet altijd is reparatie van een speeltoestel mogelijk. Uit veiligheidsoverwegingen wordt dan gekozen voor het verwijderen van het toestel, waarbij het onderhoudsbudget onvoldoende ruimte heeft om alle onherstelbare speeltoestellen te vervangen. Dit betekent in de praktijk dat de kwantiteit van speeltoestellen achteruit gaat. Zeker bij houten speeltoestellen is dit het geval. Aanscherpen van veiligheidseisen zal hierin een extra belasting gaan vormen. Ten aanzien van het onderhoud wordt het hoogst noodzakelijke uitgevoerd, maar kan geen ideaal onderhoud gerealiseerd worden (b.v. zand aanvullen, wortel- en onkruidvrijd houden van de ondergrond). Afschrijving en vervanging. Ten behoeve van vervanging van speeltoestellen wordt een afschrijvingstermijn van 10-15 jaar gehanteerd, afhankelijk van locatie en soort speelobject. Trapvelden worden over een periode van 15 jaar afgeschreven. Gerekend is met een jaarlijkse indexering van 3%. Voor de periode 2008- 2016 bedraagt de gemiddelde afschrijving € 17.000,- per jaar.
2008 is een absolute piek met € 28.000,-, daarna geleidelijk aflopend naar € 12.500,- om vervolgens in 2016 weer een piek te hebben van € 20.500,-. Deze fluctuaties kunnen verklaard worden uit het gegeven dat er in bepaalde jaren veel speelplekken zijn ingericht, of dat dure voorzieningen, zoals de skate-baan, in boekhoudkundige zin zijn afgeschreven. Het betreft hier overigens de boekhoudkundige afschrijving welke niet synchroon hoeft te lopen met de technische afschrijving. Toestellen die na de afschrijvingstermijn nog uitstekend functioneren behoeven uiteraard geen vervanging, anderzijds kan b.v. vernielzucht de afschrijvingstermijn aanmerkelijk verkorten. Met deze plussen en minnen zal in de praktijk derhalve enige afvlakking van pieken mogelijk zijn. Gezien bovenstaande, blijkt dat het beschikbare budget voorziet in het dagelijks onderhoud en in veilige staat houden van de speelplaatsen, echter niet in die mate dat sprake kan zijn van een duurzaam beheer van het huidige aantal speeltoestellen, omdat de financiele ruimte voor vervanging a.g.v. vernieling alsmede afschrijving in onvoldoende mate aanwezig is. Het beschikbare budget laat tevens geen ruimte om financieel bij te dragen in nieuwe initiatieven en het beheer hiervan veilig te stellen.
Uitgaande van duurzaam beheer van de ruim 300 speeltoestellen, inclusief het inspelen op verdergaande veiligheidseisen in de komende jaren, zal het budget voor de directe uitvoering in stappen opgehoogd dienen te worden van € 48.000,- per jaar tot € 75.000,- jaarlijks. Om ook in cofinanciering van nieuwe speelplekken (incl. beheer) te kunnen voorzien, zal additioneel met een jaarlijks bedrag van € 10.000,- gerekend moeten worden, uiteraard afhankelijk van initiatieven. Met de extra middelen ad € 7500,- zoals door de Raad ter beschikking zijn gesteld ingaande 2010, zal primair ingezet worden op het in veilige staat behouden van de speeltoestellen; verder benodigde middelen zullen successievelijk bij de begrotingsbehandeling aan de orde dienen te komen. Afhankelijk van de mate van teniet gaan van speeltoestellen (vernieling) en noodzakelijke reparaties ingevolge veiligheidseisen, dient er voor 2009 rekening mee gehouden te worden dat verzoeken voor nieuwe speelplekken niet of nauwelijks gehonoreerd kunnen worden.
13
10. Samenvatting. Speelruimte is onmisbaar voor de ontwikkeling van kinderen en voorziet in: Beweging: het actief zijn met je lichaam, ontwikkeling van de motoriek.. Socialisatie: het omgaan met anderen/elkaar. Constructie: het maken, bouwen, scheppen. Fantasie/verkenning: het onderzoeken van mogelijkheden en daarbij de fantasie gebruiken. Het doel van de nota is om tot een ruimtelijk toetsingskader te komen voor de spreiding van speelruimte over de gemeente alsmede inzicht te verschaffen in het proces om tot realisatie van speelplekken te komen. Tevens worden de beheersaspecten belicht. De speelruimte bestaat uit de informele- en de formele speelruimte. Onder de formele speelruimte wordt de openbare ruimte gerekend die al dan niet aanleiding kan geven tot spelen of ontmoeting van jeugd. De formele speelruimte is ingericht met speeltoestellen, doelpalen, ballenvangers etc. Als formele speelruimte kent de gemeente Brunssum de wijkspeeltuinen en 28 speelplekken, waaronder ook de trapveldjes. Hoeveel speelplekken er moeten zijn en hoe deze verspreid in de gemeente moeten liggen, wordt in normen uitgedrukt. Veelgenoemd is o.a. de “3%-norm”, inhoudende dat 3 % van de openbare ruimte uit speelruimte dient te bestaan. Gezien interpretatieverschillen is deze norm voor bestaande situaties niet praktisch hanteerbaar.
Voor nieuwbouwsituaties is de 3%-norm wel een hanteerbaar uitgangspunt. In de planontwikkeling moet daarom bedongen worden dat 3% van de openbare ruimte geschikt moet zijn voor een speelfunctie en in exploitatietechnische zin zal een bedrag van € 20.000,0 tot € 25.000,- gereserveerd moeten worden om de speelruimte ook als zodanig in te richten. Voor de bestaande buurten en wijken is het werken met invloedssferen van een speelplek c.q. de actieradius van kinderen alsmede het aantal kinderen in de wijk een beter uitgangspunt voor de beoordeling of een speelplek in de behoefte zal voorzien. Als toetsingsnorm kunnen gelden: 1 speelplek per 100 kinderen. Deze norm is een goed hulpmiddel om te bepalen in hoeverre er al dan niet voldoende speelruimte in de wijk/buurt aanwezig is, maar oog voor maatwerk blijft geboden. Voor de actieradius gelden de volgende uitgangspunten Leeftijd
Actieradius
Minuten lopen
Gewenste opp.
0-6 jaar 6-12 jaar 12-18 jaar
100 meter 200 tot 300 meter 500 meter e.v.
2 5 15
bij de woning/achtertuin 500-2000 m2 1000-3000 m2 (trapvelden, ontmoetingsruimten)
Wanneer onze voorraad speelruimte aan deze normen getoetst wordt, blijkt speelruimte over het algemeen gebiedsdekkend aanwezig te zijn. De speeltuinen liggen verspreid over Brunssum en hebben de wijken als verzorgingsgebied. Opgemerkt wordt dat de speeltuin Schutterspark naast een toeristisch-/recreatieve functie tevens de wijkfunctie moet blijven behouden.
14
In de gebiedsdekking van openbare speelplekken blijken De Streek, Op gen Haen en Langeberg-zuid/In de Struyken onvoldoende speelruimte te hebben. Kansen voor speelruimte liggen voor deze wijken binnen de herstructureringsprojecten zoals op termijn aan de orde komen in de Poorterstraat, Europalaan. Voor In de Struyken zijn combinaties denkbaar met de komst van de Brede School. Wanneer we de speelplekken afzetten tegen het aantal kinderen in de wijk, getoetst aan de norm “1 speelplek per 100 kinderen”, dan is er binnen deze norm nog ruimte voor 16 speelplekken. Een speelplek kan niet zonder meer op iedere plek gerealiseerd worden. Aan de locatiekeuze worden randvoorwaarden gesteld: - het bestemmingsplan moet een (duurzame) speelplek mogelijk maken - een speelplek wordt niet in de buurt van een drukke weg of in de nabijheid van water aangelegd. - De locatie moet goed bereikbaar zijn, ook voor kinderen met een lichamelijke beperking. - Toezicht/sociale controle moet gegarandeerd zijn. Wat de betreft de veiligheid van speeltoestellen is het Attractiebesluit en het Bouwbesluit van toepassing. Periodieke keuringen van speeltoestellen worden consequent uitgevoerd. De in dit kader ontwikkelde veiligheidsnormen laten geen ruimte voor interpretatie en worden consequent nageleefd.
Het proces en de rolverdeling rond aanvragen voor nieuwe speelplekken wordt als volgt voorgesteld: Bewoners en de Wijkteams. Bewoners zijn veelal de initiatiefnemers voor de realisatie van speelvoorzieningen en in principe kan iedere burger de gemeente verzoeken om een speelplek aan te leggen. Alle verzoeken die de gemeente bereiken, worden gekanaliseerd via het betreffende Wijkteam. De communicatie verloopt vervolgens ook via het Wijkteam. De gemeente. Intern wordt de volgende procedure gehanteerd: 1. Intern is het Team Voorzieningen verantwoordelijk voor de openbare speelplekken. Op het moment dat er een verzoek tot realisatie of uitbreiding van een speelplek bij de gemeente binnenkomt, wordt dit in eerste instantie in behandeling genomen door Team Voorzieningen. 2. Het verzoek wordt doorgeleid naar de wijkmanagers die zorg dragen voor behandeling in het Wijkteam. Wanneer blijkt dat het verzoek door het wijkteam gedragen wordt en Team Voorzieningen heeft beoordeeld of het verzoek al dan niet past binnen het speelruimtebeleid, wordt de Dienst Projecten/Team Civiele Techniek ingeschakeld. 3. Team Civiele Techniek verzorgt de technische invulling van de speelplek, maakt een begroting en geeft de financieringsmogelijkheden aan. Hierbij wordt nauw overleg gepleegd met de bewonersgroep en het Wijkteam. In het ontwerpproces wordt teruggekoppeld met Team Voorzieningen.
Van belang is, dat in de ramingen ook de beheers- en vervangingskosten inzichtelijk gemaakt worden en ook een doorvertaald worden naar de beschikbare budgetten. 4. Wanneer een plan voldoende uitgewerkt is, wordt dit door Team Voorzieningen aan het College voorgelegd ter goedkeuring. 5. De realisatiefase wordt opgedragen aan het Team Civiele Techniek. 6. Na aanleg wordt de speelplek in beheer overgedragen aan Team Voorzieningen. Beheer.
Globaal worden binnen het onderhoudsbudget de inspecties verzorgd, de uit de inspectie voorkomende reparaties en de uit veiligheidsoogpunt noodzakelijke vervangingen uitgevoerd, alsmede het regulier onderhoud. Opgemerkt wordt dat in 2009 nieuwe veiligheidsnormen (Attractiebesluit) worden geïntroduceerd. Dit zal uiteraard tot aanpassingen noodzaken, hetgeen niet uit het bestaande budget bekostigd kan worden.
15
Het beschikbare budget voorziet in het dagelijks onderhoud en in veilige staat houden van de speelplaatsen, echter niet in die mate dat sprake kan zijn van een duurzaam beheer van het huidige aantal speeltoestellen, omdat de financiele ruimte voor vervanging a.g.v. vernieling alsmede afschrijving in onvoldoende mate aanwezig is. Het beschikbare budget laat tevens geen ruimte om financieel bij te dragen in nieuwe initiatieven en het beheer hiervan, veilig te stellen. Uitgaande van duurzaam in stand houden van de ruim 300 speeltoestellen, inclusief het inspelen op verdergaande veiligheidseisen in de komende jaren, zal het budget voor de directe uitvoering in stappen opgehoogd dienen te worden van € 48.000,- per jaar tot € 75.000,- jaarlijks. Om ook in cofinanciering van nieuwe speelplekken (incl. beheer) te kunnen voorzien, zal additioneel met een jaarlijks bedrag van € 10.000,- gerekend moeten worden, uiteraard afhankelijk van initiatieven. Met de extra middelen ad € 7500,- zoals door de Raad ter beschikking zijn gesteld ingaande 2010, zal primair ingezet worden op het (in veilige staat) behouden van de speeltoestellen; verder benodigde middelen zullen successievelijk bij de begrotingsbehandelingen voorgelegd worden.
Afhankelijk van de mate van teniet gaan van speeltoestellen (vernieling, slijtage) en noodzakelijke reparaties ingevolge veiligheidseisen, dient er voor 2009 rekening mee gehouden te worden dat verzoeken voor nieuwe speelplekken niet of nauwelijks gehonoreerd kunnen worden.
16