CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 202602896 (bijlage) Verordening Leerlingenvervoer Gemeente Brunssum 2026 Versie 2

Raadsvergadering 10 maart 2026, gemeente BrunssumBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening leerlingenvervoer 202619.518 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening leerlingenvervoer gemeente Brunssum 2026 Inleiding In de gemeente Brunssum vinden we het belangrijk dat jeugdigen zo kansrijk mogelijk kunnen meedoen in de maatschappij en in staat worden gesteld om zo passend mogelijk onderwijs te volgen. Een deel van de Brunssumse jeugdigen kent voldoende uitdagingen gedurende zijn/haar leven. Uitdagingen die allereerst zelf opgelost kunnen worden, eventueel met behulp van anderen. We zetten in op een sterke sociale basis waarbij we geloven in de eigen kracht van de Brunssummers, waarbij we naar elkaar omzien en elkaar ondersteunen. Dit doen we vanuit de overtuiging dat eigen regie voeren over het leven, in het licht van de uitdagingen op fysiek, sociaal of mentaal vlak, de basis vormt voor een goed welzijn en welbevinden. Indien de hulpvraag niet op eigen kracht of met behulp van anderen opgelost kan worden, hebben we in Brunssum een breed scala aan algemene voorzieningen die uitkomst kunnen bieden voor (een deel van) de hulpvraag. Daarnaast is het leerlingenvervoer onderdeel van een zorgstelsel waarbij er meerdere zorgwetten zijn, het is dus ook mogelijk dat er andere wettelijke voorzieningen zijn voor de hulpvraag. Als ook dit niet toereikend is voor het oplossen van de hulpvraag, kan de gemeente meedenken richting een oplossing en waar nodig gerichte ondersteuning inzetten.

De gemeente kijkt dan naar uw situatie op alle relevante leefgebieden. In deze verordening zijn de regels die we hanteren als het gaat over hulpvragen binnen het leerlingenvervoer vastgelegd. Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, treintaxi of bustaxi of touringcar; - afstand: afstand, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, gemeten met de ANWB-routeplanner langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; - begeleider: gezaghebbende ouder of persoon die door de gezaghebbende ouder(s) wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; - buitenschoolse opvang: de buitenschoolse opvang, bedoeld in artikel 1.1, van de Wet kinderopvang, van de leerling waar de leerling voor of na afloop van de lestijd op school verblijft; (moet binnen gemeente Brunssum) - deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige, of de in het OOGO bepaalde onafhankelijk deskundige; - college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum; - eigen vervoer: vervoer per eigen

motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; - handelingsbekwaam: het juridische vermogen om zelfstandig geldige rechtshandelingen te verrichten (zoals het aanvragen van leerlingenvervoer) zonder toestemming van anderen; iedereen vanaf 18 jaar is in principe handelingsbekwaam, tenzij de rechter dit beperkt heeft (curatele). - inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; - leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school;

1

- leerling met extra behoeften: een leerling, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, communicatieve, psychische ondersteuningsbehoefte niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken; - ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, special onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de gezaghebbende ouder(s) is opgesteld; - OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op primair onderwijs en artikel 2.47, tiende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020; - openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken; - gezaghebbende ouder(s): met gezag over de leerling belaste ouder(s), pleegouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; - persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel

mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen; - reistijd: totale tijdsduur van de reis naar school die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft. En de totale tijdsduur terug die ligt tussen het eind van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer. - samenwerkingsverband: 1°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; - school: 1°. Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. School voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 3°.

School voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; - schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids; - toegankelijke school: dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school gerespecteerd wordt; - vervoerstraining: een aanvullende voorziening ter ondersteuning van het zo zelfstandig mogelijk reizen naar en van school; - vervoersvoorziening: 1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; 2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; 3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of 4°. Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider;

2

- woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Artikel 2 OOGO met het samenwerkingsverband 1. Het college neemt het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO met het samenwerkingsverband. 2. Het college spant zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken te maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt; c. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan gezaghebbende ouder(s); e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: a.

de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b. de wijze waarop situaties als genoemd in artikel 12, derde lid, kunnen worden voorkomen, dan wel op te heffen en dit onderwijs bij de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, aangeboden kan worden. Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraag 1. Het college stelt een aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast. 2. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling feitelijk verblijft. Deze aanvraag wordt gedaan door indiening van een volledig ingevuld daartoe bestemd papieren of digitaal formulier bij het college. Dit formulier is ondertekend door de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 3. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. Artikel 4. Onderzoek 1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

De mogelijke afstemming van de vervoersvoorziening met andere in het kader van het sociaal domein aan de leerling of het gezin verstrekte voorzieningen maakt ook deel uit van het onderzoek. 2. Het college kan in een gesprek met de gezaghebbende ouder(s) en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening (nader) onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een deskundige uit het OOGO of een deskundige uit een ander domein aansluiten. 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4. Wanneer de leerling de leeftijd van 9 jaar bereikt, kan het college, in overleg met de gezaghebbende ouder(s) en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen. Artikel 5. Inzet deskundige 1. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht. 2. De gezaghebbende ouder(s) en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. Artikel 6. Beslistermijn

3

1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Artikel 7. Ingangsdatum voorziening Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum. Artikel 8. Besluit 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 2. Het college stelt, als zij dat noodzakelijk acht, een vervoersontwikkelingsplan op. Dit vervoersontwikkelingsplan wordt dan als bijlage toegevoegd aan het besluit. Een vervoerstraining kan onderdeel zijn van het vervoersontwikkelingsplan. 3. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria Artikel 9. Algemene bepalingen 1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de gezaghebbende ouder(s) voor het schoolbezoek van hun kinderen. 2.

Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die in de gemeente woont, kent het college aan de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij is de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt. 3. De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij gezaghebbende ouder(s), tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de gezaghebbende ouder(s) of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. 4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de gezaghebbende ouder(s). 5. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: a. per fiets; b. per openbaar vervoer; c. met eigen vervoer; d. met aangepast vervoer. Artikel 10. Afwijzingsgronden 1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 km. Deze grens geldt niet voor leerlingen met extra behoeften. 2. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: a.

er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een ondersteuningsbehoefte niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of b. de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke ondersteuningsbehoefte niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. 3. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 27.1, onderdeel f en g van deze verordening. Artikel 11. Andere oplossing 1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening. Dit geldt ook bij voorzieningen waarbij zorg voorliggend is op onderwijs.

4

2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening. Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt. 2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woningen: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als gezaghebbende ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen; of b.

een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en gezaghebbende ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen. 3. Als de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en b. aan het college is door de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel 13. Schooltijden en wachttijden 1.

Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling (als aanvrager) naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele ondersteuningsbehoefte van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. 4. Ook wanneer een leerling op de betreffende school voor, tijdens of na schooltijd een zorgbehandeling krijgt, blijven de schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer. Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de gezaghebbende ouder(s) van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b.

in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.

5

3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, gezamenlijk besluiten dat het college van burgemeester en wethouder(s) van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert. Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat 1. Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende gezaghebbende ouder(s) van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de gezaghebbende ouder(s) een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de gezaghebbende ouder(s) en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties. 3. Het college kent aan de gezaghebbende ouder(s) een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties.

De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de gezaghebbende ouder(s) eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie. 4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele ondersteuningsbehoefte of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. 5. Het college kan toestaan dat de gezaghebbende ouder(s) de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de gezaghebbende ouder(s) aanspraak zouden maken. 6. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer: a. openbaar vervoer geheel ontbreekt; of b. het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijft in een internaat of pleeggezin en wegens zijn structurele ondersteuningsbehoefte niet zelfstandig en ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2.

De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning naar de school of is gelegen binnen een door het college te bepalen maximaal aantal kilometers van de woning of de school 3. De in het derde lid, onder b, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is. 4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 5. Het college kan het stagecontract opvragen. Artikel 17. Vervoer tussen de buitenschoolse opvang en de school 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening van de woning naar een school en terug kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van de buitenschoolse opvang naar de school of terug. 2.

De vervoersvoorziening van de buitenschoolse opvang naar de school of terug wordt alleen verstrekt als deze wordt opgegeven als tweede opvangadres binnen de gemeente Brunssum. Artikel 18. Vervoerstraining

6

1. Het college kan, naast een vervoersvoorziening, ook een groepsgerichte vervoerstraining inzetten ter versterking van de zelfredzaamheid van de leerling, waardoor deze na de training niet langer zal zijn aangewezen op een vervoersvoorziening, of door de training gebruik leert te maken van een goedkopere vervoersvoorziening. 2. De vervoerstraining sluit aan op het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan. Artikel 19. Vervoersvergoeding voor de leerling 1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 2. Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de gezaghebbende ouder(s) de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt de helft van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer langs de kortste route. Artikel 20. Vervoersvergoeding voor de begeleider 1.

Het college verstrekt aan de gezaghebbende ouder(s) van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de leerling als: a. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft jonger dan 11 jaar is; b. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft gezaghebbende ouder dan 11 jaar is en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. 2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking. 3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden. 4. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt de helft van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer langs de kortste route. Artikel 21. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de gezaghebbende ouder(s) georganiseerd vervoer 1.

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de gezaghebbende ouder(s) vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. 2. Gezaghebbende ouder(s) kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer kinderen zelf te vervoeren. 3. De vergoeding voor het door gezaghebbende ouder(s) zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag indien het een alternatief voor aangepast vervoer betreft. 4. Als gezaghebbende ouder(s) bij een indicatie openbaar vervoer + begeleiding geen gebruik willen maken van het openbaar vervoer, kunnen zij in aanmerkingen komen voor een tegemoetkoming voor het eigen vervoer. Wanneer gezaghebbende ouder(s) hiervan gebruik maken is het bedrag dat gezaghebbende ouder(s) kunnen aanvragen voor het organiseren van eigen vervoer maximaal het bedrag van de kosten die de gemeente maakt voor het gebruik van openbaar vervoer. 5.

Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de gezaghebbende ouder(s) is verleend, vergoedt het college aan de gezaghebbende ouder(s) die meer dan één kind tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling. 6. Aan de gezaghebbende ouder(s) die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere gezaghebbende ouder(s) die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt. 7. Als gezaghebbende ouder(s) in samenwerking met andere gezaghebbende ouder(s) besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het tweede lid, hierin toestemmen, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Artikel 22. Aangepast vervoer

7

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: a. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en openbaar vervoer ontbreekt; c. aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 20 en naar het oordeel van het college als voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de gezaghebbende ouder(s) of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden; d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken; of e. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Artikel 23. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de gezaghebbende ouder(s) een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten Artikel 24. Drempelbedrag 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de gezaghebbende ouder(s) van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan het in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs genoemde inkomensbedrag van € 31.500,-, de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 9 bepaalde afstand van 6 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de gezaghebbende ouder(s) in rekening gebracht. 2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag is vastgesteld voor schooljaar 2025/2026 en wordt met ingang van schooljaar 2026/2027 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. 3. Op verzoek van gezaghebbende ouder(s) kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. 4. Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met extra behoeften. Artikel 25. Draagkrachtafhankelijke bijdrage 1.

Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de gezaghebbende ouder(s) van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de gezaghebbende ouder(s) verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de gezaghebbende ouder(s). De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen in schooljaar 2025/2026: Inkomen in euro’s 0 – 42.000 42.000 – 50.000 50.000 – 58.000 58.000 – 65.000 65.000 – 74.500 74.500 – 81.500 81.500 – voor elke 5.000 erbij

Eigen bijdrage in euro’s Nihil 185 820 1520 2230 2990 715

8

3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. 4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 5. Op verzoek van gezaghebbende ouder(s) kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. 6. Het drempelbedrag genoemd in artikel 24 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin. 7. Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met extra behoeften. Hoofdstuk 5 Rechtmatigheid Artikel 26 Doorgeven van wijzigingen De gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.

Artikel 27 Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening 1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; d. gezaghebbende ouder(s) weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 24 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; e. gezaghebbende ouder(s) weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 25 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; f. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling en/of gezaghebbende ouder(s) gedurende het aangepast vervoer; of g. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer. 2.

De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding. Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 28. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 29. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel 30. Nadere regelgeving Het college is bevoegd nadere regels te stellen ter uitwerking van onderdelen van deze verordening. Artikel 31. Intrekking oude regeling en overgangsrecht 1. De verordening Leerlingenvervoer gemeente Brunssum 2014 wordt ingetrokken per 01-04-2026. 2. De uitvoeringsregels leerlingenvervoer 2022 gemeente Brunssum worden ingetrokken per 01-042026.

9

3. Aanvragen leerlingenvervoer betreffende vervoer gedurende het schooljaar 2025-2026 worden afgehandeld op grond van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Brunssum 2014 en de Uitvoeringsregels leerlingenvervoer 2022 gemeente Brunssum. 4. Aanvragen leerlingenvervoer betreffende vervoer gedurende het schooljaar 2026-2027 en daarna worden afgehandeld op grond van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Brunssum 2026. Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 01-04-2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Brunssum 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10-03-2026. De voorzitter, De griffier,

10

Toelichting Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele ondersteuningsbehoefte niet zelfstandig naar school. Gezaghebbende ouder(s) kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer. Ook meerderjarige leerlingen kunnen, nadat zij meerderjarig zijn geworden, een beroep doen op de verordening. In deze verordening verstaan we onder meerderjarige leerling een leerling van 18 jaar en gezaghebbende ouder. Wettelijke plicht De raad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo), artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: Wec) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: Wvo 2020), heet het: een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2 onderwijs (zie voor informatie over clusters 1 t/m 4 toelichting bij definitie “school”). De Verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur.

Naast voorschriften voor de wijze waarop gezaghebbende ouder(s) en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan het college kan beoordelen of de gezaghebbende ouder(s) of de meerderjarige leerling aanspraak maken/maakt op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de gezaghebbende ouder(s) blijft. De Verordening leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vervoersvoorziening wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke voorziening wordt verstrekt. Naast de verplichte onderdelen bevat deze verordening ook onderdelen die niet verplicht zijn op grond van de Wpo, de Wec, of de Wvo 2020. Dan gaat het bijvoorbeeld om het aanbieden van vervoerstraining. Vervoersvoorziening In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn ondersteuningsbehoefte geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.

Als gezaghebbende ouder(s) aangeven hun kind zelf te willen vervoeren en hiervoor in aanmerking te komen voor een vergoeding, dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de gezaghebbende ouder(s) voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten of als de toestemming leidt tot een aantasting van de instandhouding van het aangepast vervoer. Zelfstandigheid en zelfredzaamheid De Verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren kan de aanvraag met gezaghebbende ouder(s) worden besproken. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.

1

Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities Aangepast vervoer Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer, maar ook om bijvoorbeeld taxivervoer in individueel of groepsverband. Afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand de ANWB-routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer. Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg. Begeleider Wanneer een leerling tijdens het vervoer begeleiding nodig heeft, is dat een verantwoordelijkheid van de gezaghebbende ouder(s). Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van gezaghebbende ouder(s) of anderszins ontslaat gezaghebbende ouder(s) niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer gezaghebbende ouder(s) zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of gedeeltelijk overneemt. Buitenschoolse opvang De wet spreekt alleen van het vervoer tussen de woning en de school. Er wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de leerling vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag elders wordt opgevangen.

Met het toevoegen van de buitenschoolse opvang als mogelijke locatie voorziet de verordening in een mogelijkheid voor het toekennen van een vervoersvoorziening in deze situatie. In de definitie wordt aangesloten bij de wettelijke definitie uit de Wet kinderopvang. College Het college van Burgemeester en wethouder(s) van de gemeente Brunssum. Deskundige Een deskundige beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie. Dit kan een arts, psychiater of psycholoog zijn, die inzicht kan geven in de mate waarin de leerling door een ondersteuningsbehoefte is beperkt, maar ook bijvoorbeeld een politiefunctionaris die als verkeersdeskundige kan beoordelen of een route voldoende begaanbaar en veilig is. Eigen vervoer Vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; Leerling met extra behoeften Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische ondersteuningsbehoefte niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een leerling met extra behoeften in de zin van de Verordening leerlingenvervoer. ‘Centraal staat het feit dat de leerling vanwege een ondersteuningsbehoefte niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de ondersteuningsbehoefte is daarbij ondergeschikt’ (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3, p. 5).

Wanneer een leerling, ondanks zijn ondersteuningsbehoefte wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening leerlingenvervoer géén leerling met extra behoeften. De beperking die de leerling door de ondersteuningsbehoefte ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de Wpo (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding

2

van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen (het bepaalde belastbare loon). Bij het opvragen van de Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de Wpo). In het derde lid van artikel 39 van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de gezaghebbende ouder(s) kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat gezaghebbende ouder(s) van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking Wpo). Gezaghebbende ouder(s) van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Ontwikkelingsperspectief Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna: pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen. Het ontwikkelingsperspectief wordt in overleg met gezaghebbende ouder(s) vastgesteld. Het bevat de onderwijsdoelen van de leerlingen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding).

OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten met elkaar een Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een ondersteuningsplan vast te stellen. Het samenwerkingsverband en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over: • de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen; • het leerlingenvervoer; • de leerplicht; • de onderwijshuisvesting. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Openbaar vervoer Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor een ieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd. De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1, Wet personenvervoer 2000. Gezaghebbende ouder(s) De omschrijving volgt de begripsbepaling uit de Wvo 2020 en maakt aanvullend expliciet duidelijk dat ook met het gezag belaste pleegouder(s) onder het gezaghebbende ouderbegrip vallen.

De definitie wijkt daarmee iets af van de Wpo en Wec, waarin het hebben van gezag geen onderdeel vormt van de begripsbepaling.

3

Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan Om de leerling in staat te stellen zelfstandig naar en van school te reizen kan het nodig zijn om de leerling aanvullende vaardigheden aan te leren. Het hiervoor op te stellen plan is het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan, dat door het college, waar nodig op basis van deskundig advies, wordt opgesteld. Reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a). De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend.

Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag wachten tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Indien meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen. De totale tijd, dat een leerling aan het einde van de schooldag moet wachten op of in het aangepast vervoer kan op deze manier flink oplopen. In de aanbesteding Leerlingenvervoer Parkstad is de eis gesteld, dat de wachttijd per leerling niet meer bedraagt dan ongeveer twintig minuten (inclusief de toegestane wachttijd van maximaal vijftien minuten op de eigen school van de leerling).

Samenwerkingsverband Onder 1° Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a, van de Wpo alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a van de Wpo kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

Onder 2° Artikel 28a, van de Wec verwijst naar het samenwerkingsverband genoemd in het tweede lid van artikel 18a, van de Wpo waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten, en naar het samenwerkingsverband genoemd in artikel 2.47, tweede lid, van de Wvo 2020 waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a, van de Wpo en het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband Onder 3° Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens het tweede lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd,

4

behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School Onder 1° In de Wpo gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs. Onder 2° In de Wec gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel geondersteuningsbehoeftete kinderen, lichamelijk geondersteuningsbehoeftete kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig geondersteuningsbehoeftete kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

De Wec onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel geondersteuningsbehoeftete kinderen dan wel meervoudig geondersteuningsbehoeftete kinderen met deze ondersteuningsbehoefte, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig geondersteuningsbehoeftete kinderen met een van deze ondersteuningsbehoeftes, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke ondersteuningsbehoefte, lichamelijk geondersteuningsbehoeftete kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig geondersteuningsbehoeftete kinderen met een van deze ondersteuningsbehoeftes en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke ondersteuningsbehoefte, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. Onder 3° In de Wvo 2020 gaat het om scholen voor vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs. Ook de op grond van artikel 2.86, van de Wvo 2020 bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen instellingen vallen er onder. Toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school.

In het tweede lid, van artikel 4, van de Wpo staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4 Wpo bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de gezaghebbende ouder(s) berustende keuze van een school, moet eerbiedigen. In de Wpo is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de Wpo). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen. De Wvo 2020 kent ook een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 2.47, zevende lid, onder c, van de Wvo 2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen. Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de Wec is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de

5

instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de Wec). Vervoerstraining Een aanvullende voorziening ter ondersteuning van het zo zelfstandig mogelijk reizen naar en van school. Vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, dan wel doen verzorgen. Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt in verschillende varianten. Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de gezaghebbende ouder(s) en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn (ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249). Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de gezaghebbende ouder(s) geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Artikel 2. OOGO met het samenwerkingsverband Eerste en tweede lid In de Wet passend onderwijs is bepaald dat samenwerkingsverbanden over het ondersteuningsplan OOGO voeren met de gemeente(n).

Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van gemeenten kan over en weer gevolgen hebben. Zo is de gemeente, behalve voor het leerlingenvervoer, ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Bovendien is de gemeente sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd. Het leerlingenvervoer is één van de thema’s die bij het OOGO ter sprake komt. In het ondersteuningsplan wordt aangegeven op welke scholen extra ondersteuning wordt geboden en welke tussenvoorzieningen er worden gecreëerd. Hiervan is een helder overzicht nodig, waaruit duidelijk valt op te maken wat de gevolgen zijn voor het vervoer van leerlingen. Gemeenten zijn bij het op overeenstemming gerichte overleg én bij de voorbereiding daarvan met de scholen in gesprek. De partijen zijn zodoende van elkaars inspanningen en beleid op de hoogte. Advies van deskundigen Het is voor een gemeente bij een aanvraag om een vergoeding leerlingenvervoer niet altijd duidelijk wat een kind met het oog op zelfstandig reizen kan. Het onderzoek daarnaar kan bepalend zijn voor het recht op een vergoeding en in andere gevallen bepalend zijn voor de vraag welke vervoerskostenvergoeding er wordt verstrekt. Daarmee is het een belangrijk onderdeel van de behandeling van een aanvraag.

De mening van gezaghebbende ouder(s) en het advies van de school helpen niet altijd in voldoende mate. Een onafhankelijk onderzoek is hiervoor soms noodzakelijk. Eventuele kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente. Adviezen kunnen worden gegeven door: • een pedagogisch deskundige; • de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4; • de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen van cluster 1 en cluster 2; • de ambulante begeleider van de leerling; • de directeur van de school; • het samenwerkingsverband; • de jeugdgezondheidsdienst; • de geneeskundige dienst; • een sociaal-medische adviesdienst; • een medicus gespecialiseerd in de betreffende ondersteuningsbehoefte; • een orthopedagoog; • kinderpsycholoog, e.a.

6

Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden te motiveren. Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer – bijvoorbeeld over de vraag of de route veilig is – kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld de (verkeers)politie. Derde lid Naast het wettelijk verplichte OOGO, waar beleidsmatige afspraken worden gemaakt, spreekt het college met het samenwerkingsverband een periodiek uitvoerend overleg af. In dit overleg houden beiden elkaar op de hoogte van de ontwikkelingen in beleid en uitvoering (bijvoorbeeld ontwikkelingen rondom (jonge kind)arrangementen en observaties). Dit overleg versterkt de onderlinge samenwerking. Wanneer het samenwerkingsverband een leerling een schoolverwijzing geeft, waardoor de leerling ver moet reizen (bijvoorbeeld voor arrangementen of symbiose-onderwijs), wordt in dit overleg besproken, wat er op korte en lange termijn gedaan kan worden om het specifieke onderwijsaanbod dichter bij huis te organiseren. Slechts door het maken van afspraken hierover kan een gemeente besluiten het vervoer naar de (tijdelijke) ver weg gelegen school te vergoeden (artikel 8, vierde lid). Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=b0dd8b0d-5989-4bc6-9fea-8694612b6dc6