Raadsvoorstel 202530830 (Bijlage) OAB 2025-2030 Versie 2
Tekst van het document
1
Inhoudsopgave Inleiding ..................................................................................................................................................4 1. Kansrijke ontwikkelpaden in Brunssum ...............................................................................................5 1.1 Vroege kindertijd (0–4 jaar) – De basis voor kansengelijkheid .............................................................7 1.2 Kinderfase (4–12 jaar) – Ruimte om te groeien en leren ......................................................................8 1.3 Vroege adolescentie (12–16 jaar) – Ruimte, richting en relatie .........................................................10 1.4. Jongvolwassenheid (16–20 jaar) – Op eigen benen, met een vangnet .............................................12 2. VVE - Doelgroep en Bereik .................................................................................................................13 2.1 Achtergrond en Doelstelling ...............................................................................................................13 2.2 Doelgroepdefinitie en criteria onderwijsachterstand .........................................................................14 2.3 Toeleiding naar VVE en Realisatie van het Bereik...............................................................................15 3.
Ouderbetrokkenheid en ouderverbondenheid ..................................................................................17 3.1 Achtergrond en doelstelling................................................................................................................17 3.2 Van betrokkenheid naar verbondenheid ............................................................................................17 3.3 Aanpak in Brunssum ...........................................................................................................................18 3.4 Rol van de gemeente ..........................................................................................................................18 4.
VVE - Resultaatafspraken kwaliteit ....................................................................................................19 4.1 Resultaatafspraken en doelstellingen .................................................................................................19 4.1.1 Warme overdracht ......................................................................................................................20 4.1.2 Groei Peuters ...............................................................................................................................20 4.1.3 Groei Kleuters ..............................................................................................................................21 4.1.4 Gezamenlijke activiteiten koppels ...............................................................................................21 4.1.5 Gezamenlijke thema’s koppels ....................................................................................................22 4.2 Samenwerking, uitvoering en monitoring ..........................................................................................22 4.2.1 Werkwijze en gezamenlijke uitvoering van VVE ..........................................................................22 4.2.2 Monitoring en evaluatie van resultaten ......................................................................................23
4.2.3 Structurele kwaliteitsverbetering VVE-aanbod ...........................................................................23 4.2.4 Werken aan verbeterplannen .....................................................................................................24 4.3 Gezamenlijk bewaken van de kwaliteit...............................................................................................24 4.3.1 Interne kwaliteitszorg bij voor- en vroegscholen ........................................................................24 4.3.2 Externe toetsing door de GGD.....................................................................................................25 5. VVE aanbod in Brunssum...................................................................................................................26 5.1 Achtergrond en Doelstelling ...............................................................................................................26 5.2 Afspraken rond plaatsing en toewijzing VVE-plekken ........................................................................27
2
5.3 Gemeentelijke aanpak en uitvoering ..................................................................................................28 6. Ondersteuning voor Nieuwkomers en NT2-Peuters ...........................................................................29 7. Aanvullende projecten en initiatieven ...............................................................................................30 7.1 Rupsjes: van vroegsignalering naar vroegaanpak ...............................................................................30 7.2 Startklas versus inclusieve instroomgroep .........................................................................................30 7.3 Voor- en Vroegcoaches .......................................................................................................................31 7.4 Schoolmaatschappelijk werk (SMW) ..................................................................................................32 7.5 Logopedische Screening en Taalstimulering in Brunssum ..................................................................32 7.6 Project Dyslexie in Transitie ................................................................................................................33 7.7 Dyscalculie: preventieve aanpak en pilot ...........................................................................................33 7.8 Gezondheid en
Bewegen ....................................................................................................................34 8. Afstemming, verantwoording en financiën Onderwijsachterstandenbeleid .......................................35 8.1 Budget Onderwijsachterstandenbeleid (OAB) ....................................................................................36 8.2 Budgetten 2025 en verder ..................................................................................................................37 8.3 Kosten Onderwijsachterstandenbeleid...............................................................................................38 8.4 Argumenten/overwegingen inzake uitbreiden budget onderwijsbeleid ............................................39 8.5 Begroting 2025 onderwijs ...................................................................................................................41 Bijlage: Toelichting op LEA en OAB ........................................................................................................43 Bijlage: Infographic doorgaande lijn OAB ..............................................................................................44 Bijlage: Overige budgetten onderwijs (programma 5 gemeentebegroting) ............................................45
3
Inleiding Ieder kind verdient vanaf het allereerste begin optimale ontwikkelkansen. Onderwijsachterstanden ontstaan wanneer deze kansen niet toereikend zijn of onvoldoende aansluiten bij de individuele behoeften en levenslijn van het kind. Daarom moet de inzet van OAB-middelen niet alleen gericht zijn op het vergroten van bereik, maar vooral op het verbeteren van de kwaliteit, passend bij de unieke ontwikkeling van ieder kind. Daarmee voorzien we in een juiste aansluiting met de onlangs aangenomen kaders “Herijking van het sociaal domein” en het “Koerskompas”. Binnen de regio wordt, daar waar mogelijk, aangesloten op gezamenlijke lijnen, maar de lokale focus blijft leidend. Monitoring, jaarlijkse evaluatie en eventuele bijstellingen vinden plaats in nauwe samenwerking met betrokken kindpartners. In de Wet op het primair onderwijs (artikel 165 e.v.) zijn de regels omtrent de aanpak van onderwijsachterstanden vastgelegd. Niet alleen schoolbesturen ontvangen hiervoor bekostiging, ook gemeenten krijgen vanuit het Rijk middelen om onderwijsachterstanden te voorkomen en terug te dringen, met een primaire focus op voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Intensieve samenwerking met kinderopvangorganisaties, het primair onderwijs, de jeugdgezondheidszorg en andere partners is hierbij essentieel.
Specifiek voor de doelgroep van 2½ tot 4 jaar is de inzet sinds 1 augustus 2020 geïntensiveerd, met ruimte voor gemeenten om lokaal maatwerk te bieden. Het OAB-beleid is nadrukkelijk onderdeel van een bredere beweging: de ontwikkeling van de Brunssumse Educatieve Agenda (BEA) 2025–2035. Hierin staat duurzame kansengelijkheid centraal. Vanuit de herijking van het sociaal domein en de toenemende integratie van beleidsterreinen (onderwijs, jeugd, zorg) wordt ingezet op een samenhangende aanpak. De ontwikkeling van kinderen voltrekt zich over de grenzen van domeinen heen en vraagt om gezamenlijke, integrale ondersteuning die hun talenten en mogelijkheden versterkt. Kinderen groeien op in een steeds diverser wordende samenleving, maar ervaren nog te vaak uitsluiting op basis van afkomst, taalachterstand, sociaaleconomische status of ondersteuningsbehoeften. Dit vraagt niet alleen om brede maatschappelijke samenwerking en gerichte ondersteuning in de vroege kindertijd, maar ook om een andere manier van denken en werken, gericht op de ontwikkelkansen van ieder kind. Het vergroten van inclusie vormt één van de grootste uitdagingen binnen het onderwijsveld voor de komende tien jaar. Vanuit gemeentelijk perspectief betekent dit dat we actief investeren in de juiste randvoorwaarden en samenwerking duurzaam versterken.
Daarnaast tonen meerdere studies (onder andere Heckman, 2006; Onderwijsraad, 2024) aan dat vroegtijdig en integraal investeren in jonge kinderen, met name in kwetsbare situaties, het hoogste maatschappelijke rendement oplevert. Elke geïnvesteerde euro vertaalt zich later in betere schoolprestaties, hogere arbeidsdeelname en een lagere vraag naar zorg- en uitkeringsvoorzieningen. In samenwerking met kinderopvang, basisonderwijs, jeugdgezondheidszorg en regionale partners is gekozen voor gedeelde, professionele uitgangspunten. Deze zijn ambitieus maar haalbaar, en sluiten aan bij de kaders van de BEA. Verdere uitwerking volgt in de uitvoeringsagenda’s. Zo bouwen we samen aan een samenleving waarin álle kinderen zich optimaal kunnen ontwikkelen en hun plek vinden.
4
1. Kansrijke ontwikkelpaden in Brunssum Brunssum bouwt aan een toekomst waarin álle kinderen en jongeren zich kunnen ontwikkelen tot veerkrachtige, betrokken burgers, ongeacht hun achtergrond, begeleidingsbehoefte of postcode. Die ambitie sluit aan bij de koers die is uitgezet in het Koerskompas, waarin kansengelijkheid, talentontwikkeling en verbondenheid met de samenleving tot de kernopgaven behoren. We investeren in de kracht van kinderen en jongeren door hen niet alleen onderwijs en zorg te bieden, maar ook de mensen en relaties die hen laten groeien. Ieder kind verdient een omgeving waarin het zich gezien voelt, zich kan ontwikkelen en op steun kan rekenen van ouders, professionals en de gemeenschap. Onderwijs was ooit bedoeld als 4D van het sociaal domein, maar bij de transitie van de 3D’s vanuit het rijk naar de gemeenten is deze later nagekomen. Binnen de herijking van het Sociaal Domein, zal onderwijs een prominentere rol gaan krijgen om de koers van het koerskompas te kunnen borgen. Het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) vormt een belangrijk uitvoeringsinstrument in het realiseren van deze ambitie. Het verbindt onderwijs, zorg, welzijn en opvoeding in een integrale aanpak, met als doel het vergroten van kansen tot ontwikkeling vanaf de vroegste levensfase. Daarbij richten we ons op een warme, kansrijke start voor ieder kind.
De Brunssumse Educatieve Agenda De Brunssumse Educatieve Agenda (BEA) biedt het inhoudelijke kader voor het OAB en de bredere inzet op talentontwikkeling. De BEA is opgebouwd rond drie centrale doelstellingen: 1. Gelijke kansen vanaf de start, inclusie als uitgangspunt - We streven naar een samenleving waarin elk kind een kansrijke start krijgt en gelijke ontwikkelkansen ervaart. 2. Doorlopende ontwikkeling in een gezonde en veilige leefomgeving - Kinderen leren en ontwikkelen zich in samenhang. Daarom zorgen we voor een doorlopende ontwikkellijn waarin welzijn, leren en brede vorming met elkaar verweven zijn. 3. Versterken van betrokkenheid en eigenaarschap - Samen opvoeden, samen leren: Kinderen bloeien op wanneer ouders, professionals en de gemeenschap samen werken aan hun ontwikkeling. Deze ambities krijgen de komende jaren concrete invulling via opeenvolgende uitvoeringsagenda’s, waarin per ontwikkelfase (0–20 jaar) en per thema gerichte projecten en samenwerkingen worden uitgewerkt. Speerpunten in beleid en uitvoering (BEA en Koerskompas) • Samenwerking: De kracht van onze doelen ligt in het samen willen bijdrage aan de doelstelling in het Koerskompas. In de samenwerking tussen álle partners – onderwijs, opvang, zorg, welzijn en ouders – niet vanuit verplichting, maar vanuit wat we écht willen voor onze kinderen.
Vanuit gedeelde verantwoordelijkheid werken we aan gelijke kansen • Ouderbetrokkenheid: Actieve betrokkenheid van ouders draagt aantoonbaar bij aan de ontwikkeling van kinderen. Voor de gemeente is dit een belangrijk aandachtspunt binnen het streven naar kansengelijkheid en het tegengaan van onderwijsachterstanden. • Inclusief en rechtvaardig onderwijs: We versterken het onderwijs in Brunssum door vanuit netwerksturing te werken aan talentontwikkeling, vanuit vertrouwen en betrokkenheid. Interventies als de inzet van vroegcoaches en schoolmaatschappelijk werk maken hier deel van uit.
5
• Samen gezond en verbonden opgroeien: We verkleinen gezondheidsachterstanden door integraal (domeinoverstijgend) samen te werken aan een gezonde leefomgeving. Gezinnen worden hierbij ondersteund door een netwerk van zorgzame volwassenen in de school, de buurt en de samenleving. • Sociaal kapitaal versterken: We bouwen aan duurzame relaties en netwerken die bijdragen aan de veerkracht van onze jeugd. Iedereen – van leerkracht tot sportcoach, van buurvrouw tot werkgever – kan een verschil maken in het leven van een kind. • Voorzieningenniveau behouden en versterken: Via gerichte programmering en verbinding behouden en versterken we het onderwijsaanbod en de randvoorwaarden daaromheen. Met deze aanpak realiseren we stap voor stap een omgeving waarin ieder kind in Brunssum de ruimte en ondersteuning krijgt om zijn of haar talenten te ontdekken en tot bloei te brengen. Ontwikkelpad voor kinderen en jongeren We kiezen nadrukkelijk voor een ontwikkelingsgerichte benadering, met het kind en zijn leefomgeving centraal. Daarom hanteren we in dit hoofdstuk de vier levensfasen zoals uitgewerkt in de ontwikkellijn jeugd 0–20 jaar: • Vroege kindertijd (0–4 jaar) • Kinderfase (4–12 jaar) • Vroege adolescentie (12–16 jaar) • Jongvolwassenheid (16–20 jaar) Per fase beschrijven we hoe de gemeente Brunssum bijdraagt aan een stevige pedagogische en educatieve basis.
We geven inzicht in de bestaande voorzieningen, domeinoverstijgende inzet en nieuwe ontwikkelrichtingen. Zo ontstaat een samenhangend ontwikkelpad voor kinderen en jongeren, als voorbereiding op de educatieve projecten en de verdiepende inzet op VVE in de volgende hoofdstukken. In de bijlage is een infographic opgenomen die de ontwikkelingslijn van kinderen en jongeren in Brunssum weergeeft. Hierin zijn de OAB-projecten en VVE-initiatieven per leeftijdsfase geplaatst. Nieuwe projecten uit de uitvoeringsagenda’s kunnen hieraan worden toegevoegd, zodat de infographic een actueel overzicht blijft bieden van de totale inzet.
6
1.1 Vroege kindertijd (0–4 jaar) – De basis voor kansengelijkheid De eerste levensjaren vormen de basis voor hoe een kind zich later ontwikkelt. In deze periode ontstaan taalgevoel, nieuwsgierigheid, motorische vaardigheden en zelfvertrouwen. Net zo belangrijk zijn het gevoel van veiligheid, plezier in contact met anderen en het gevoel erbij te horen. Alles komt hier samen: spelend leren, lichamelijke gezondheid en emotionele groei. Wat in deze jaren ontbreekt, is later moeilijk in te halen. Wetenschappers noemen de eerste 5 à 6 jaar (de eerste 2000 dagen) niet voor niets onvervangbare jaren¹. In deze fase wordt in het brein de basis gelegd voor denken, voelen en samenleven. Daarom moet het onderwijsachterstandenbeleid zich niet alleen richten op school, maar ook op de jongste kinderen en hun gezinnen. De gemeente Brunssum kiest ervoor om in deze belangrijke fase zichtbaar en dichtbij te zijn. We investeren in spelend leren, taalontwikkeling, ondersteuning aan gezinnen en in het versterken van de band tussen ouders en professionals. Daarbij staat de relatie centraal: kinderen ontwikkelen zich vooral in veilige, betekenisvolle relaties waarin ze zich gezien weten². Niet het gedrag van het kind, maar de erkenning van het kind als persoon vormt het vertrekpunt.
Of het nu gaat om ouders, pedagogisch medewerkers of iemand uit de buurt: kinderen groeien op in verbinding met mensen die in hen geloven. Zo bouwen we in Brunssum samen aan een stevige basis voor gelijke kansen – vanaf de allereerste dag. Voorschoolse educatie en educatief partnerschap In Brunssum krijgen alle peuters toegang tot voorschoolse educatie via meerdere erkende aanbieders. Voor kinderen bij wie extra ondersteuning de ontwikkeling kan versterken, biedt de gemeente een stimulerend aanbod dat aansluit bij de wettelijke verplichtingen (voor- en vroegschoolse educatie, VVE) en gericht is op het benutten van talenten en het voorkomen van achterstanden (zie hoofdstuk 2 en verder). In deze voorzieningen wordt gewerkt met programma’s die de brede ontwikkeling van het jonge kind centraal stellen. Aandacht voor taal en rekenen gaat hand in hand met het versterken van motoriek, zelfvertrouwen, sociaal-emotionele vaardigheden en hechting. Pedagogisch medewerkers volgen de ontwikkeling nauwgezet en stemmen hun begeleiding af op wat ieder kind nodig heeft. Voor kinderen die extra begeleiding nodig hebben, is er de groep Rupsjes een kleinschalige voorziening binnen de peuteropvang, waarin kinderen met bijvoorbeeld een taalachterstand, motorische problematiek of andere ontwikkelvragen intensieve begeleiding krijgen.
De samenwerking tussen VVE-locaties, basisscholen en de gemeente vormt een stevig lokaal netwerk. Hierin stemmen professionals af over de doorgaande ontwikkellijn, worden zorgen vroegtijdig gesignaleerd en ontstaat gedeeld eigenaarschap voor een inclusieve start. Partners als maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg en logopedie maken deel uit van dit netwerk, waardoor begeleiding toegankelijk en afgestemd plaatsvindt. Ook de bibliotheek is een structurele partner binnen dit educatieve netwerk. Via BoekStart maken jonge kinderen al in de eerste levensjaren kennis met boeken, taal en verhalen. Culturele instellingen bieden binnen de gemeente ook aanvullend activiteiten aan waarin jonge kinderen op een speelse manier in aanraking komen met muziek, dans en beeldende kunst. Deze brede benadering draagt bij aan expressie, verwondering en een rijke taalontwikkeling.
1 Mieras, M. (2015). Het geheime leven van het jonge brein. Amsterdam: Nieuw Amsterdam.
2 Wienen, B. (2022). Dewelbevinden ruimte van het kind. Naar eenleefomgeving pedagogiek van de erkenning. Antwerpen: Garant. Gezondheid, en
7
Een kind kan pas tot leren komen als het zich fysiek én emotioneel goed voelt. Daarom investeert de gemeente Brunssum bewust in een gezonde, stimulerende en toegankelijke leefomgeving. Deze inzet sluit aan bij de Zuid-Limburgse trendbreuk en het regionale streven naar positieve gezondheid vanaf de vroegste levensfase. Kinderopvangorganisaties stimuleren dagelijks bewegen, bieden structureel groente en fruit aan (project van de gemeente) en zorgen voor een gebalanceerd dagritme. Ook de fysieke omgeving draagt bij aan een gezonde ontwikkeling. Opvanglocaties zijn in elke wijk aanwezig, vaak geïntegreerd met het primair onderwijs in ‘kindcentra’ en met gedeelde voorzieningen. Buiten spelen, natuurbeleving en vrij bewegen maken onlosmakelijk deel uit van het dagelijks aanbod; de gemeente investeert hierin actief via projecten zoals de aanleg van voedselbosjes en de vergroening van schoolpleinen. De gemeente werkt daarnaast aan veiligheid in en om scholen, voldoende en veilige speelplekken en verkeersluwe zones, zodat kinderen veilig en vrij kunnen bewegen in hun directe leefomgeving. Ondersteuning van gezinnen en sociale omgeving Voor ouders is het kunnen opvoeden vanuit vertrouwen en verbondenheid essentieel. Daarom ondersteunt Brunssum ook het informele netwerk rondom gezinnen.
In KansKracht ontmoeten ouders elkaar bij initiatieven als Kids & Koffie, Voorleespret of andere toegankelijke ouder-kindactiviteiten (zoals VVE-thuis bijeenkomsten). De bibliotheek biedt aanvullend begeleiding aan ouders op het gebied van (voor)lezen en taalstimulering, en helpt gezinnen om het aanbod optimaal te benutten. Programma’s als VoorZorg en Stevig Ouderschap bieden daarnaast gerichte begeleiding aan gezinnen die onder druk staan. Door informele steun, vroegsignalering en professionele begeleiding met elkaar te verbinden, ontstaat in de wijk een sociaal netwerk waarin niemand er alleen voor staat. De jeugdgezondheidszorg vormt een verbindende schakel in de begeleiding van het jonge kind. Al vanaf de zwangerschap staan jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen naast ouders – via prenatale huisbezoeken, consulten op maat en extra contactmomenten bij zorgen. Zij volgen de ontwikkeling, bieden advies en schakelen waar nodig met andere betrokken professionals. Het consultatiebureau is hierbij geen losstaand loket, maar een herkenbaar ankerpunt in het netwerk rondom het jonge kind: dichtbij, toegankelijk en met als doel normaliseren in plaats van problematiseren.
1.2 Kinderfase (4–12 jaar) – Ruimte om te groeien en leren Tussen vier en twaalf jaar ontwikkelen kinderen zich razendsnel. Ze leren niet alleen lezen, schrijven en rekenen, maar vormen ook hun sociale identiteit, moreel kompas en leerhouding. In deze fase staat de basisschool centraal, maar het kind leert ook daarbuiten: thuis, op straat, bij de sportclub, in de bibliotheek en in contact met leeftijdsgenoten en andere volwassenen. De leefwereld en leeromgeving is dus breder dan het klaslokaal alleen. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind(eren). Samen met school en wijk dragen zij bij aan een stevige, inclusieve pedagogische basis. Onderwijs, talentontwikkeling en educatief partnerschap De overgang naar de basisschool De overgang van peuter naar kleuter wordt in Brunssum zorgvuldig begeleid. Behalve de integrale samenwerking tussen de VVE-locaties (VVE-koppels: peuteropvang en onderbouw van de basisschool), vormt ook de inzet van voor- en vroegcoaches een belangrijke schakel in de doorgaande lijn tussen opvang en onderwijs. Deze coaches signaleren ontwikkelbehoeften, begeleiden warme overdrachten,
8
voeren driehoeksgesprekken met ouders en ondersteunen het onderwijsteam in de onderbouw. Zij dragen bij aan normalisering van lichte problematiek en zorgen voor samenhang in begeleiding. Het onderwijs staat voor een grote opgave: door landelijke beleidswijzigingen werken scholen toe naar inclusief onderwijs. In de praktijk betekent dit dat kinderen in hun eigen wijk naar school gaan, met ruimte voor maatwerk, zolang de ondersteuningsbehoefte niet onder het speciaal onderwijs valt. Dit vraagt om een andere aanpak binnen scholen, die goed aansluit bij het Koerskompas. Scholen kunnen dit niet alleen; ook de gemeente neemt verantwoordelijkheid en sluit actief aan. Ondersteuning bij ontwikkeling basisvaardigheden De gemeente ondersteunt scholen bij het organiseren van begeleiding in en om de klas. In samenwerking met een van de partners wordt gewerkt aan taalstimulering en logopedische screening in de onderbouw (en bij 3-jarigen), zowel binnen de school als via overdracht vanuit de peuteropvang. Ook heeft de gemeente Brunssum projecten voor dyslexie en dyscalculie opgezet, waarin onderwijs en zorg samenwerken aan vroegsignalering, preventie en maatwerkinterventies. Deze pilots versterken de deskundigheid op scholen en bieden kinderen passende begeleiding binnen hun eigen leeromgeving.
Daarnaast wordt actief ingezet op burgerschapsontwikkeling: kinderen leren deelnemen aan de samenleving, omgaan met verschillen en verantwoordelijkheid nemen. Een concreet voorbeeld hiervan is de kindergemeenteraad, waarin leerlingen spelenderwijs kennismaken met democratie, besluitvorming en de betekenis van actief burgerschap. Diverse projecten vanuit deze vorm van kinderparticipatie komen hieruit voort, zoals de kidsreporters en kinderambassadeurs (zoals de junior klimaat coaches en een boekenclub). De kindergemeenteraad is betrokken bij beleidsvorming en besluitvorming door de gemeenteraad. Ondersteuning bij talentontwikkeling In lijn met de nieuwe BEA stimuleert de gemeente brede talentontwikkeling en het zichtbaar maken van leren binnen en buiten school. De basisschool vormt de kern van de leeromgeving, maar kinderen leren ook via culturele instellingen, sportclubs en bibliotheken. De bibliotheek organiseert taalbevorderende activiteiten, leesbevordering en digitale vaardigheden, zowel op school als in de wijk. Culturele instellingen zoals Loge 3 Theater brengen kinderen in aanraking met kunst, muziek en expressie, wat bijdraagt aan een brede ontwikkeling. Met het programma “Meer Harmonie in de Samenleving” draagt de gemeente daarnaast bij aan het streven om iedere leerling wekelijks muziekonderwijs te bieden van een professionele muziekdocent.
Ondersteuning bij sociaal-emotionele ontwikkeling Schoolmaatschappelijk werk vormt een toegankelijke schakel tussen gezin, onderwijs en jeugdhulp. Schoolmaatschappelijk werkers begeleiden leerlingen bij onder andere weerbaarheid, faalangst of complexe thuissituaties en nemen deel aan Knooppunten op school. Ze zijn zichtbaar via spreekuren en verzorgen trainingen zoals Rots & Water en het Vriendenprogramma. Ook begeleiden zij kwetsbare leerlingen bij de overstap naar het voortgezet onderwijs, om uitval te voorkomen. KansKracht biedt daarnaast een laagdrempelige ontmoetingsplek voor en door ouders, waar opvoedingsvragen bespreekbaar worden en ervaringen worden gedeeld, een waardevolle aanvulling op de pedagogische basis rond het kind.
9
Gezondheid, welbevinden en leefomgeving Een veilige, gezonde en stimulerende omgeving is cruciaal om tot leren te komen. De gemeente investeert daarom in gezonde schoolomgevingen met aandacht voor voeding, beweging en mentaal welzijn. Op alle basisscholen en vve-locaties is een gezonde pauze met groente en fruit ingevoerd of in voorbereiding. Sportconsulenten ondersteunen scholen bij beweegactiviteiten en stimuleren sportdeelname. Via JOGG wordt gewerkt aan een gezonde leefstijl, ook buiten school, met aandacht voor voeding, beweging en slaap. De Gezonde School-aanpak met de GGD zorgt voor structurele aandacht voor o.a. relaties en weerbaarheid. JORS richt zich op een gezonde en veilige leefomgeving rond de school, zoals verkeersveiligheid en speelmogelijkheden. De fysieke leefomgeving is van groot belang voor de ontwikkeling van kinderen. De gemeente heeft recent een nieuw veiligheidsprotocol opgesteld voor in en om de school. Daarnaast wordt gezorgd voor veilige loop- en fietsroutes, verkeersveilige schoolomgevingen en speelplekken in de wijk die ontmoeting en beweging stimuleren. Ook de vergroening van schoolpleinen draagt bij aan de ontwikkeling van scholen richting een gezonde leeromgeving. Het stimuleert sociaal gedrag, concentratie en ontspanning en biedt ruimte aan ieder kind om op zijn of haar manier te spelen en talenten te ontwikkelen.
Ook draagt de vergroening bij aan biodiversiteit, het voorkomen van wateroverlast en het tegengaan van hittestress. Daarmee sluiten groene schoolpleinen niet alleen aan bij het spelend leren, maar ook bij bredere ambities van de BEA op het gebied van welzijn, gezondheid en duurzaamheid. Ondersteuning van gezinnen en sociale omgeving In de basisschoolleeftijd blijft de rol van ouders onverminderd belangrijk. De gemeente ondersteunt gezinnen via toegankelijke en preventieve voorzieningen. CMWW, KansKracht, Home-Start, Home Support en Buurtgezinnen helpen ouders om opvoedvragen te delen, sociale netwerken op te bouwen en de thuissituatie te versterken. Ouders worden benaderd als medeopvoeders: betrokken bij school, aanspreekbaar in de wijk en ondersteund waar nodig. Schoolmaatschappelijk werkers bieden daarnaast laagdrempelige spreekuren voor ouders en kunnen helpen bij opvoedkundige vragen of signalen van overbelasting. Ook wordt samengewerkt met Bureau Leren en Doorstromen Parkstad. Dit bureau helpt jongeren en ouders om schooluitval te voorkomen en ondersteunt bij het maken van passende keuzes in de leerloopbaan. Jongeren worden begeleid bij het leren én bij de stap naar werk, zodat zij het beste uit zichzelf kunnen halen. Zo bouwen we samen aan het fundament voor een succesvolle toekomst, voor elk kind en elk gezin.
Mocht doorstroom toch niet mogelijk blijken, dan wordt per jongere bekeken welk passend alternatief wél haalbaar is.
1.3 Vroege adolescentie (12–16 jaar) – Ruimte, richting en relatie De vroege adolescentie is een periode waarin jongeren volop experimenteren met hun identiteit, relaties en toekomstbeelden. Deze zoektocht gaat gepaard met onzekerheid, groepsdruk en een sterke behoefte aan erkenning en erbij horen. Juist dan is een ondersteunende omgeving van groot belang. Jongeren hebben ruimte nodig om zichzelf te ontdekken, maar ook grenzen en richting om zich veilig te kunnen ontwikkelen. Onderwijs, talentontwikkeling en educatief partnerschap De gemeente speelt in deze fase slechts een beperkte rol op het gebied van educatieve ondersteuning. Scholen zijn primair verantwoordelijk voor het leerproces van jongeren. De gemeente ondersteunt wel jongerenparticipatie via projecten waarin leerlingen kennismaken met democratie en besluitvorming, bijvoorbeeld door lessen in de raadszaal van het gemeentehuis.
10
Waar de gemeente ook een rol in vervult, is het ondersteunen van scholen bij sociaal-emotionele begeleiding en het creëren van een veilige en kansrijke omgeving waarin jongeren tot leren kunnen komen. Schoolmaatschappelijk werk is beschikbaar op de middelbare scholen waar Brunssumse jongeren naartoe gaan. De schoolmaatschappelijk werkers bieden begeleiding bij sociale of emotionele problemen, versterken de verbinding tussen school en thuis en maken onderdeel uit van de bredere zorgstructuur op school. De overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs wordt eveneens ondersteund, zowel op praktisch vlak als sociaal-emotioneel door middel van een warme overdracht, vooral voor leerlingen met extra begeleidingsbehoeften. Daarnaast zijn in het speciaal (basis) onderwijs (SBO en SO) en voortgezet speciaal onderwijs (VSO) zogenaamde doelgroeparrangementen (DGA’s) beschikbaar, die collectieve begeleiding mogelijk maken binnen de klascontext. Welbevinden, gezondheid en leefomgeving Het versterken van het welbevinden van jongeren vraagt om een omgeving waarin zij zich vrij kunnen bewegen, gehoord worden en zich veilig voelen. In dit kader is het convenant VIOS (Veiligheid In en Om de School) een belangrijk instrument.
Hierin maken gemeenten, onderwijsinstellingen, politie en andere veiligheidspartners afspraken over signalering, preventie en samenwerking bij incidenten of risico’s. Brunssum nam hierin het voortouw en zet zich nog steeds actief in voor een veilige en ondersteunende schoolomgeving. Daarnaast speelt het signaleringssysteem Handle with Care PO en VO een belangrijke rol: wanneer er een melding binnenkomt bij Veilig Thuis, wordt de betreffende school via een kort bericht op de hoogte gebracht, zodat het kind in de klas even gezien wordt en er gericht aandacht naar uit kan gaan. Brunssum zet in op een netwerk van betrokken professionals die jongeren in hun leefwereld ontmoeten en ondersteunen. Jeugd- en jongerenwerkers zijn actief aanwezig in wijken, op straat en in jongerencentra, waar zij signalen oppikken, jongeren begeleiden en verbinden met passende ondersteuning. Straatcoaches vullen dit aan door jongeren aanspreekbaar te maken, structuur te bieden en bij te dragen aan de leefbaarheid in de wijk. De POH Jeugd (praktijkondersteuner huisarts jeugd) fungeert als laagdrempelige schakel tussen jeugd, gezin en hulpverlening, waardoor jongeren vroegtijdig ondersteuning krijgen zonder direct in de zwaardere jeugdhulp terecht te komen.
Om mentale gezondheid bespreekbaar te maken en te normaliseren, worden op school en in de vrije tijd programma’s ingezet over groepsdruk, middelengebruik en mediawijsheid. Ook op het gebied van lichamelijke gezondheid werkt de gemeente samen met scholen. Via de Regeling Schoolmaaltijden wordt op veel locaties dagelijks groente en fruit aangeboden. Scholen die hier geen gebruik van kunnen maken, worden via de gemeente voorzien van groente, fruit en krentenbollen. Ondersteuning van gezinnen en sociale omgeving Ook in deze fase blijven ouders en opvoeders van grote betekenis. Zij worden via schoolmaatschappelijk werk, opvoedbegeleiding en wijkgerichte initiatieven ondersteund in het begeleiden van hun kind. Het jongerenwerk werkt outreachend, in contact met jongeren op straat, online en in de wijk. Door deze nabijheid ontstaat vertrouwen, en wordt voorkomen dat kleine zorgen uitgroeien tot grote problemen. In samenwerking met het CMWW en andere ketenpartners wordt gewerkt aan een sluitende aanpak rondom opvoeding, veiligheid en participatie. Voor jongeren van 8 tot 27 jaar wordt bovendien gewerkt volgens de aanpak Preventie met Gezag. Deze richt zich op het voorkomen van afglijden door vroegtijdig in te grijpen en samen met ouders, scholen, jongerenwerk en veiligheidspartners jongeren perspectief te bieden en hun omgeving te versterken.
11
1.4. Jongvolwassenheid (16–20 jaar) – Op eigen benen, met een vangnet De overgang naar volwassenheid is een belangrijke en vaak intensieve levensfase. Jongeren maken keuzes over opleiding, werk, zelfstandigheid, relaties en hun rol in de samenleving. Sommigen vinden zelfstandig hun weg, anderen hebben tijdelijk of langdurig ondersteuning nodig. Belangrijk is dat elk pad wordt erkend, en dat hulp beschikbaar is zonder drempels of oordeel. Want zelfstandigheid en kwetsbaarheid kunnen naast elkaar bestaan. Brunssum kiest voor een benadering die jongeren ruimte biedt om te groeien én hen ondersteunt wanneer dat nodig is. Dat vraagt om een omgeving die vertrouwen geeft, waarin jongeren mogen oefenen met verantwoordelijkheid en fouten maken zonder dat dit tot uitsluiting leidt. Zoals ook in het Koerskompas is verwoord: ieder kind en iedere jongere verdient mensen en relaties die hen laten groeien. Jongeren die zich gezien en erkend voelen, ontwikkelen veerkracht en perspectief. We benadrukken daarbij het belang van relationele erkenning: jongeren ontwikkelen zich niet alleen via systemen of structuren, maar in verbinding met mensen die in hen geloven en naast hen staan¹. Juist in deze fase maakt het uit wie er wél blijft, ook als het even niet lukt.
De gemeente ondersteunt deze ontwikkeling via diverse routes en voorzieningen, zoals: • Perron 45 / Next Step Perron: een veilige plek voor ontmoeting, coaching en begeleiding voor jongeren van 16–27 jaar; • IPTA-coaching: individuele ondersteuning richting opleiding, werk of dagbesteding; • Jeugd- en jongerenwerk en @Ease: laagdrempelige ondersteuning bij mentale gezondheid; • Preconceptiezorg en Nu Niet Zwanger: begeleiding bij keuzes rond relaties en zelfstandigheid; • Verbinding met vrijwilligerswerk, sport, cultuur en educatie: meedoen en erbij horen als fundament voor toekomstperspectief. Brunssum kiest er bewust voor om jongeren ook na hun 18e te blijven volgen en ondersteunen. Want ontwikkeling stopt niet bij het bereiken van de wettelijke volwassenheid. De Brunssumse Educatieve Agenda (BEA) benadrukt in deze fase het belang van een duurzame ontwikkellijn, met aandacht voor persoonlijke groei, maatschappelijke deelname en perspectief op een toekomst in of buiten Brunssum. Samenhang met andere beleidsvelden Ondersteuning aan jongvolwassenen raakt aan meerdere domeinen.
Een samenhangende aanpak vraagt om afstemming en samenwerking met beleid op het gebied van: • Arbeid en economische zelfstandigheid (arbeidsmarktbeleid) • Inkomen en bestaanszekerheid (armoedebeleid) • Gezonde leefstijl en mentaal welzijn (gezondheidsbeleid) • Sport en cultuur als bindmiddel (sport- en cultuurbeleid) • Integratie en kansengelijkheid (nieuwkomersonderwijs en inburgering) • Jeugdbeleid in de brede zin Door deze verbindingen te leggen, bouwen we samen met jongeren aan een stevige basis voor een toekomst waarin zij kunnen meedoen, groeien en van betekenis zijn.
1 Wienen, B. (2022). De ruimte van het kind. Naar een pedagogiek van de erkenning. Antwerpen: Garant.
12
2. VVE - Doelgroep en Bereik Hoofdstuk 2 tot en met 5 gaan over Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). VVE is bedoeld om jonge kinderen met een risico op onderwijsachterstanden extra ondersteuning te bieden in hun ontwikkeling, zowel thuis als in de voorschoolse opvang en kleuterklas.
2.1 Achtergrond en Doelstelling Brunssum zet zich actief in om onderwijsachterstanden bij jonge kinderen te voorkomen. Deze lokale aanpak sluit aan bij landelijke uitgangspunten over het belang van investeren in voorschoolse ontwikkeling, met positieve effecten op schoolloopbaan en maatschappelijke participatie. Regionale afstemming vindt plaats waar dat ondersteunend is. Vroegtijdige signalering van risicofactoren en het bieden van passende ondersteuning via voorschoolse educatie (VVE) zijn daarin essentieel. Studies van onder andere de Onderwijsraad (2013 en verder) en Sardes & SEO Economisch Onderzoek (2025) bevestigen dat achterstanden die in de vroege kinderjaren ontstaan, zonder interventie moeilijk in te halen zijn. Door tijdig gerichte ondersteuning te bieden, kunnen kansenongelijkheid en segregatie in het onderwijs worden verminderd. Brunssum streeft naar een bereik van minimaal 85% van de doelgroeppeuters. Dit percentage moet jaarlijks behouden blijven of verder verbeteren, zowel op gemeentelijk niveau als in de afzonderlijke wijken en kernen. De peildatum voor het vaststellen van deelnamecijfers is 1 januari, conform de landelijke systematiek en de VVE-monitor van de Inspectie van het Onderwijs. Waar mogelijk wordt afgestemd met de afspraken die binnen Parkstad zijn gemaakt. Bereik Brunssum Jaar Geïndiceerd (JGZ)
Bereikt
2021 2022 2023 2024
93 % 98% 94% 95%
74 62 80 60
Werkwijze Brunssum De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) indiceert de peuters als zij signaleren dat er sprake is van een (risico op) onderwijsachterstanden. Indien de ouders akkoord zijn, worden de gegevens van het kind doorgegeven aan CMWW/peuteropvang, die de ouders benadert om het kind te plaatsen op de peuteropvang (vanaf 2 jaar). Zo kan de ontwikkeling van de doelgroepkinderen worden gevolgd en waar nodig extra interventies worden ingezet. Brunssum zet samen met de jeugdgezondheidszorg, peuteropvangorganisaties en andere partners actief in op: • Vroege signalering en indicatieverlening; • Stimuleren van deelname aan reguliere peuteropvang en VVE; • Bewustwording onder ouders over het belang van voorschoolse educatie; • Monitoring en jaarlijkse evaluatie van het bereik. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op het verminderen van drempels voor deelname. Zo worden extra dagdelen VVE gratis aangeboden om deelname aan een uitgebreid programma toegankelijker te maken.
13
2.2 Doelgroepdefinitie en criteria onderwijsachterstand De doelgroepdefinitie in Brunssum (zie bijlage) volgt de landelijke richtlijnen, maar is verbreed met lokale en regionale kenmerken. Deze regio kent specifieke sociaaleconomische en demografische uitdagingen, zoals een hoger percentage gezinnen met lage inkomens, complexe thuissituaties en een toename van meertaligheid. Er is sprake van een (risico op een) achterstand wanneer een kind zich niet ontwikkelt conform zijn of haar leeftijd, wanneer de ontwikkeling vertraagt, of wanneer factoren in de omgeving de ontwikkeling kunnen belemmeren. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) – via de jeugdarts op het consultatiebureau – ziet vrijwel alle jonge kinderen en kan een indicatie voor voorschoolse educatie (VVE) afgeven. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van de werkinstructie die door de GGD is opgesteld en die aansluit op de landelijke richtlijnen. Deze werkinstructie wordt in de loop van 2025 geactualiseerd. Kinderen die een VVE-indicatie ontvangen, mogen gebruikmaken van gesubsidieerde voorschoolse educatie. De gemeente Brunssum kiest er – net als in de voorgaande beleidsperiode – bewust voor om doelgroeppeuters al vanaf 2 jaar te laten deelnemen (en niet pas vanaf de wettelijke leeftijd van 2,5 jaar).
Door deze kinderen eerder en langer voorschoolse educatie aan te bieden, wordt de kans op een succesvolle schoolloopbaan aanzienlijk vergroot. Ons streven is dat alle geïndiceerde VVE-peuters in de leeftijd van 2 tot 4 jaar deelnemen aan het volledige aanbod van 640 uur per jaar. Om deelname aan vier dagdelen per week te stimuleren, biedt de gemeente het derde en vierde dagdeel gratis aan voor geïndiceerde doelgroepkinderen. Zowel JGZ als de VVE-aanbieders voeren gesprekken met ouders die minder dan vier dagdelen willen afnemen, om het belang van volledige deelname toe te lichten. Indien ouders toch kiezen voor een beperkter aanbod, is gedeeltelijke deelname mogelijk; de gratis dagdelen gelden dan vanaf het derde dagdeel. VVE-criteria Gemeenten hanteren bij de indicatiestelling de criteria die door het Rijk zijn vastgesteld. Een VVE-indicatie kan worden afgegeven op basis van: • Sociaal-medische factoren (bijvoorbeeld vroeggeboorte, gezondheidsproblemen); • Sociaal-economische factoren (bijvoorbeeld armoede of schuldsanering); • Sociaal-culturele factoren (bijvoorbeeld migratieachtergrond of beperkte taalomgeving thuis); • Sociaal-emotionele factoren (bijvoorbeeld opvoedingsproblemen of hechtingsstoornissen).
Brunssum liep hierin al voorop, maar nu is binnen Parkstad afgesproken om deze VVE-criteria uniform toe te passen, met nadruk op normaliseren en het beperken van onnodige indicaties. Al laat onderstaande afbeelding zien, dat spraakontwikkeling de kern is. Brunssum speelt daarmee samen met ketenpartners in op vroegtijdige ondersteuning en brede deelname aan voorschoolse educatie om onderwijsachterstanden te verkleinen en kansengelijkheid te vergroten.
14
In het volgende overzicht wordt weergegeven hoe de VVE-doelgroep in Brunssum is samengesteld, op basis van de redenen van indicering die door de JGZ zijn geregistreerd. Deze gegevens worden jaarlijks geanalyseerd in samenwerking met de VVE-aanbieders en vormen input voor het beleid en de inzet van aanvullende ondersteuning. Overzicht toeleiding VVE 2024 - Brunssum 2% 7% 12%
Spraaktaalontwikkeling
7%
Spraaktaalontwikkeling en voertaal in gezin Spraaktaalontwikkeling en ontwikkelingsachterstand Spraaktaalontwikkeling en gezinsproblematiek Ontwikkelingsachterstand / sociale indicatie Gezinsproblematiek
23%
3% 46%
Gewichtenregeling
2.3 Toeleiding naar VVE en Realisatie van het Bereik De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) Zuid-Limburg vervult een belangrijke rol bij de toeleiding naar de voorschool. Vrijwel alle kinderen bezoeken het consultatiebureau. Bovendien is het een basistaak van de JGZ om actief spraak- en taalachterstanden bij jonge kinderen op te sporen. Een belangrijk onderdeel bij het signaleren van taal- en ontwikkelingsachterstanden is dat de jeugdgezondheidszorg (JGZ) niet alleen de achterstand vaststelt, maar ook de oorzaak onderzoekt. Een achterstand kan bijvoorbeeld ontstaan door onvoldoende taalaanbod uit de omgeving of door een (taal)ontwikkelingsstoornis bij het kind. Bij de beoordeling kijkt de jeugdarts steeds naar het kind, de ouders en de bredere opvoedingscontext. Soms volstaat een VVE-indicatie; in andere gevallen is een ander (zorg)traject nodig. Met de JGZ (jeugdarts en/of jeugdverpleegkundige) en de VVE-aanbieders (PLUK (de peuteropvangorganisatie van CMWW), Humankind, Flow en Pimpampoentje vindt 2 à 3 keer per jaar regulier overleg plaats over de indicering van doelgroepkinderen, inclusief de beoordeling van de totaalaantallen en ontwikkelingen. Hierin worden de voortgang, de kwaliteit van het proces en eventuele verbeterpunten besproken.
Tijdens de reguliere consultaties stimuleert de JGZ ouders actief om hun kind te laten deelnemen aan peuteraanbod of (indien geïndiceerd) aan een VVE-programma. Voorlichting aan ouders is hierbij essentieel. Daarom is een specifieke VVE-folder voor Brunssum ontwikkeld, die wordt meegegeven bij de inschrijving van een kind in het bevolkingsregister. Na doorverwijzing bewaken de JGZ en de VVE-aanbieder samen of het kind daadwerkelijk wordt ingeschreven. Er zijn afspraken gemaakt om peuters met een VVE-indicatie met voorrang te plaatsen. Ouders zijn echter niet verplicht hun kind deel te laten nemen. In enkele gevallen maken ouders, om moverende redenen, ondanks intensieve begeleiding toch geen gebruik van het aanbod. De gemeente onderhoudt, in overleg met VVE-aanbieders, structureel contact met de JGZ over de toeleiding van doelgroepkinderen en de inspanningen om ouders waar nodig te motiveren tot deelname.
15
Realisatie en borging van het bereik Om het streefdoel van 85% bereik onder doelgroeppeuters te realiseren en te behouden, worden de volgende acties ondernomen: • De JGZ indiceert peuters vanaf een zo vroeg mogelijke leeftijd (vanaf 14 maanden) bij signalering van risico's op onderwijsachterstand. • Bij toestemming van ouders worden gegevens gedeeld met de VVE-aanbieder, die vervolgens de inschrijving oppakt. • Als ouders niet inschrijven, neemt JGZ opnieuw contact op om deelname te stimuleren. • Het bereik van doelgroepkinderen wordt regelmatig besproken in de lokale VVE-projectgroep van de Brunssumse Educatieve Agenda (BEA), waar betrokken partners samen verbeteracties formuleren. De gemeente Brunssum zet in op een verspreid VVE-aanbod via PLUK en commerciële kinderopvangorganisaties, zodat in alle wijken toegankelijk aanbod aanwezig is. De samenwerking met commerciële aanbieders verloopt goed; Meerdere organisaties bieden inmiddels VVE-programma’s aan, een aanpak waar de inspectie complimenten voor gaf. In Brunssum werken peuteropvanglocaties, kinderopvangorganisaties en basisscholen samen binnen brede voorzieningen of in zogenoemde ‘koppels’, structurele samenwerkingen tussen een voorschoolse voorziening (zoals peuteropvang of kinderdagverblijf) en een basisschool (groep 1-2).
Deze samenwerking richt zich op • Gezamenlijke signalering van ontwikkelingsrisico’s; • Afstemming van doorgaande leerlijnen; • Een laagdrempelig en samenhangend aanbod voor ouders en kinderen. De gemeente ondersteunt deze ontwikkeling door het VVE-aanbod breed te subsidiëren, voor alle kinderen die VVE volgen op locatie, ongeacht hun doelgroepstatus.
In 2024 heeft de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) 60 doelgroepindicaties afgegeven voor peuters in de gemeente Brunssum. Dit overzicht toont de plaatsing van de 60 geïndiceerde peuters in Brunssum (bron: Jaarverslag PLUK 2024)
De verdere uitwerking van de peuteropvangstructuur en de samenwerking binnen brede voorzieningen zal de komende jaren plaatsvinden, in overleg met de betrokken partners. Hierbij is nadrukkelijk ruimte voor maatwerk en inspraak.
16
3. Ouderbetrokkenheid en ouderverbondenheid 3.1 Achtergrond en doelstelling Ouderbetrokkenheid is essentieel voor de ontwikkelkansen van jonge kinderen en is een voorwaarde voor een succesvolle (taal)ontwikkeling, een veilige opvoedomgeving en het verkleinen van onderwijsachterstanden. Onder ouderbetrokkenheid verstaan we de actieve deelname van ouders aan onderwijsactiviteiten die de interactie bevorderen, hun interesse in onderwijs vergroten en het gesprek over onderwijs tussen ouder en kind stimuleren. Denk hierbij aan VVE-thuisbijeenkomsten, themabijeenkomsten op de peuteropvang, ouder-kindactiviteiten of informele contactmomenten zoals breng- en haalmomenten. Het is belangrijk om alle ouders te bereiken, inclusief ouders voor wie participatie minder vanzelfsprekend is. We streven ernaar om ondersteuning zo toegankelijk mogelijk te maken, zodat iedere ouder de kans krijgt om betrokken te zijn bij de ontwikkeling van hun kind. Dit uitgangspunt geldt zowel in Brunssum als landelijk.
3.2 Van betrokkenheid naar verbondenheid In lijn met het gedachtegoed van ouderverbondenheid, zoals verankerd in de nieuwe BEA, streven we in Brunssum naar duurzame, gelijkwaardige samenwerking tussen ouders en professionals. Niet alleen deelname aan activiteiten is van belang, maar vooral het versterken van een wederkerige relatie waarin ouders zich gezien, gehoord en gewaardeerd voelen in hun cruciale rol als eerste en blijvende opvoeder van hun kind. Ouders dragen de primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kind. Door dagelijks samen te praten, (voor) te lezen, te zingen en spelenderwijs te leren, leggen zij de basis voor taalontwikkeling, sociaal-emotionele groei en leerplezier. Professionals bieden hierbij ondersteuning en verrijking, zodat ouders worden versterkt in hun essentiële rol. In Brunssum stimuleren we de verbondenheid tussen ouders onderling via het project KansKracht. Deze horizontale verbondenheid speelt een belangrijke rol in het creëren van veilige, inclusieve gemeenschappen waarin ouders elkaar ondersteunen in de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Door het uitwisselen van ervaringen, zorgen en perspectieven ontstaan onderlinge steun, wederzijds begrip en een sterk netwerk rondom het kind.
17
3.3 Aanpak in Brunssum Om het beoogde doel te bereiken worden de volgende activiteiten uitgevoerd: Activiteiten en methoden Brunssum investeert in verschillende vormen van ouderbetrokkenheid, zowel groepsgericht als individueel: • VVE-Thuis: Ouders krijgen via getrainde pedagogisch medewerkers materialen en handvatten om thuis met hun kind aan de slag te gaan rond VVE-thema’s. • VVE-thema-activiteiten op locatie: Ouders worden uitgenodigd om 4 keer per jaar aan te sluiten bij activiteiten die gekoppeld zijn aan de actuele thema’s. • Netwerkvorming rond het kind: Ouderparticipatie krijgt vorm via oudercommissies, mentoroudergesprekken en gezamenlijke verantwoordelijkheid binnen het sociale netwerk van het kind. Aandacht voor diversiteit Er is nadrukkelijk aandacht voor laaggeletterdheid, taalbarrières en digitale vaardigheden. VVE-aanbieders communiceren met ouders op een manier die past bij hun achtergrond, waarbij gebruik wordt gemaakt van visuele materialen en persoonlijke benadering. Breng- en haalmomenten worden benut als laagdrempelige contactmomenten. De hernieuwde invulling van deze momenten na corona wordt door veel ouders als prettig ervaren. Evaluatie en registratie De deelname aan activiteiten wordt bijgehouden in het peutervolgsysteem.
Na afloop van ouderbijeenkomsten wordt geëvalueerd waarom ouders wel of niet aanwezig waren, zodat aanbod en benadering waar nodig kunnen worden aangepast. VVE-aanbieders leveren jaarlijks een rapportage aan met gegevens over ouderdeelname. De gemeente monitort op basis daarvan de voortgang en bespreekt resultaten in het lokale VVE-overleg.
3.4 Rol van de gemeente De gemeente Brunssum heeft een faciliterende en stimulerende rol in het bevorderen van zowel ouderbetrokkenheid als ouderverbondenheid. Dit komt tot uiting in: • Het ondersteunen van VVE-aanbieders met materialen, scholing en tijdsinzet; • Het organiseren van uitwisseling en kennisdeling via het VVE-netwerk en koppeloverleggen; • Het delen van goede voorbeelden en innovatieve werkwijzen; • Het leggen van verbindingen met bibliotheken, vrijwilligersinitiatieven en andere lokale partners die bijdragen aan het versterken van ouderparticipatie. In samenwerking met de betrokken organisaties wordt toegewerkt naar een cultuur waarin ouderbetrokkenheid bij de ontwikkeling van kinderen vanzelfsprekend verweven is in het pedagogisch klimaat van de voorschoolse voorzieningen. Tegelijkertijd blijft ouderverbondenheid – de sterke, veilige band tussen ouder en kind als pedagogische thuisbasis – het fundament waarop verdere ontwikkeling wordt gebouwd.
18
4. VVE - Resultaatafspraken kwaliteit 4.1 Resultaatafspraken en doelstellingen Naast de eerder geformuleerde doelstellingen voor het versterken van het bereik en de ouderbetrokkenheid bij de voorschoolse voorzieningen, worden in deze planperiode ook resultaatafspraken gemaakt over de kwaliteit en opbrengsten van het VVE-aanbod bij zowel voor- als vroegscholen (basisonderwijs). Op basis van landelijke wetgeving (Wet op het Primair Onderwijs, artikelen 167 en 167a) zijn gemeenten verplicht om – samen met hun VVE-partners – na te gaan of de ingezette maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het doel van VVE: terugdringen van onderwijsachterstanden, zodat kinderen met een VVE-indicatie zonder of slechts met beperkte achterstanden kunnen instromen in groep 3. Om dit te realiseren maken we samen met de VVE-partners concrete resultaatafspraken over: • De inzet en uitvoering van VVE-programma’s; • De pedagogische kwaliteit van het aanbod; • De aansluiting tussen peuteropvang en het basisonderwijs; • De evaluatie van ontwikkelingsgroei van kinderen met een VVE-indicatie. Deze afspraken worden jaarlijks op bestuurlijk niveau besproken met het primair onderwijs en de kinderopvang, zoals de wet voorschrijft. Hierbij wordt ook stilgestaan bij de ervaringen, knelpunten en verbeterkansen binnen de lokale samenwerking.
Een goede samenwerking en een stevige doorgaande lijn tussen de voor- en vroegscholen zijn cruciaal voor het behalen van deze doelen. Een audit van BCO onderwijsadvies bracht in 2022-2023 de VVE-kwaliteit in kaart op negen onderdelen, waaronder condities, ouderbetrokkenheid en educatief handelen. Het totaalbeeld was positief: “Er wordt hard gewerkt vanuit het hart voor kinderen en de wil om te verbeteren is duidelijk zichtbaar.” Per locatie (VVE-koppel) zijn echter enkele verbeterpunten benoemd.
Uit de evaluatie van de audit, individuele gesprekken met alle betrokken managers en een gezamenlijk integraal koppelsoverleg kwamen de volgende aandachtspunten naar voren: • Het afstemmen van overlegmomenten tussen peuteropvang en basisonderwijs verloopt moeizaam door verschillen in werktijden; • Er wordt regie gemist op de organisatie van deze afstemming en gezamenlijke bijeenkomsten; • Hoge personeelswisselingen in zowel de kinderopvang als het onderwijs belemmeren duurzame samenwerking; • Er bestaan nog verschillen in visie en pedagogische aanpak tussen organisaties; • De doorgaande lijn in de ontwikkeling van peuter naar kleuter vraagt om meer gezamenlijke afstemming van de verschillende kindvolgsystemen tussen voor- en vroegschool. Tijdens het overleg hebben alle VVE-aanbieders gezamenlijke afspraken gemaakt om de gesignaleerde knelpunten op te pakken. Deze zijn per koppel vastgelegd en vormen input voor de nieuwe projectgroep VVE. Binnen deze groep worden de afspraken verder uitgewerkt en verankerd in de uitvoeringsagenda’s van het OAB en de BEA. De doelen en voorlopige resultaatafspraken geven samen inzicht in de kwaliteit van het aanbod, de uitvoering en de samenwerking tussen partners. In de komende periode worden deze verder uitgewerkt en geformaliseerd bij het opstellen van de nieuwe uitvoeringsagenda. 19
4.1.1 Warme overdracht In de regionale werkwijze1 is afgesproken dat 100% van de doelgroeppeuters voorafgaand aan de overstap naar de basisschool een warme overdracht ontvangt. In Brunssum wordt deze doelstelling al enkele jaren ruimer ingevuld: álle kinderen, zowel doelgroep- als niet-doelgroeppeuters, worden warm overgedragen van de peuteropvang naar de gekoppelde basisschool. Onder een warme overdracht verstaan we een persoonlijk overdrachtsmoment waarbij de pedagogisch medewerker, de leerkracht en de ouder(s) aanwezig zijn, eventueel aangevuld met andere betrokkenen uit het netwerk van het kind, zoals een jeugdverpleegkundige of gezinsondersteuner. Alle VVE-locaties in Brunssum passen de overeengekomen afspraken toe met betrekking tot: • Het gebruik van het peutervolgsysteem; • Het gestandaardiseerde overdrachtsformulier (nog in ontwikkeling); • De betrokkenheid van ouders bij het overdrachtsgesprek. 4.1.2 Groei Peuters In de regionale afspraken is als doelstelling geformuleerd dat minimaal 70% van de peuters zich rond de leeftijd van 3 jaar en 9 maanden ontwikkelt volgens de voor die leeftijd geldende ontwikkelingsnormen. In Brunssum wordt de ontwikkeling van kinderen bovendien al vanaf jongere leeftijd gevolgd, om vroegtijdig kansen en ondersteuningsbehoeften in beeld te brengen.
De aanbieders van peuteropvang en VVE leveren jaarlijks gegevens aan de gemeente over de ontwikkelingsresultaten van peuters. Dit gebeurt op basis van hun eigen kindvolgsystemen, waarin observaties worden vastgelegd op de ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen, sociaal-emotionele ontwikkeling en motoriek. Tot 2024 werd in Parkstad gewerkt met één gezamenlijke peutermonitor (Nipia), wat onderlinge vergelijking van resultaten mogelijk maakte. Inmiddels maken de VVE-aanbieders gebruik van nieuwe systemen, waaronder de VVE-monitor van KidsKonnect. Daarnaast ontwikkelt de gemeente Brunssum eigen parameters om gerichter informatie te verzamelen over de deelname, voortgang en doorstroom van kinderen binnen het VVE-traject die in lijn liggen van het koerskompas De gemeente Brunssum wil in de projectgroep VVE onderzoeken op welke wijze jaarlijks beter inzicht kan worden verkregen in de ontwikkeling van doelgroepkinderen. Denk hierbij aan: • De ontwikkelingskansen en groeilijnen van jonge kinderen; • De krachten en bijdragen van partners binnen het VVE-netwerk; • De ruimte die kinderen krijgen om hun eigen ontwikkeling te volgen.
1 *Regionale afspraken zijn of worden gezamenlijk gemaakt door gemeenten, kinderopvang en onderwijs in de regio
Parkstad, onder meer binnen de Educatieve Agenda Parkstad (Actielijn 2-IV ‘Herijken VVE’). Ze bouwen voort op eerder (gezamenlijk) OAB-beleid en zijn gericht op meer samenhang en samenwerking rond de ontwikkeling van jonge kinderen.
20
4.1.3 Groei Kleuters In eerdere regionale beleidsafspraken is als doelstelling geformuleerd dat minimaal 70% van de kleuters (meetmoment: 5 jaar oud, einde groep 2) zich ontwikkelt volgens de voor die leeftijd geldende ontwikkelingsnormen op de domeinen taal, rekenen en sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast specifiek gevolgd in hoeverre kleuters met een VVE-indicatie een aantoonbare ontwikkelingsgroei laten zien, met bijzondere aandacht voor kansen, groeilijnen en positieve inhaalslagen waar nodig. Een belangrijk knelpunt in de monitoring van de doorgaande ontwikkellijn blijft de overgang van de peuteropvang naar de basisschool. Basisscholen gebruiken verschillende leerlingvolgsystemen, waardoor momenteel geen eenduidig en integraal zicht bestaat op de individuele ontwikkeling van kinderen van peuter naar kleuter. Hierdoor is het lastig om de opbrengsten van voorschoolse educatie structureel en op kindniveau door te volgen tot en met het einde van groep 2. De gemeente Brunssum wil samen met haar VVE-partners verkennen in hoeverre gegevens over de ontwikkeling van kinderen op schoolniveau op geaggregeerde en volledig geanonimiseerde wijze gedeeld kunnen worden. Deze gegevens zouden waardevolle input kunnen leveren voor een beter zicht op wijkgerichte of locatiegebonden verschillen en trends.
Het doel is om, met respect voor privacywetgeving en professionele autonomie, te komen tot een werkbare en gedragen werkwijze waarin ontwikkelgegevens periodiek worden besproken binnen het VVE-netwerk. De gemeente kan op basis hiervan een jaarlijkse rapportage opstellen, die richting geeft aan het gesprek over resultaten, lokale onderwijskansen, doorgaande ontwikkeling en eventuele verbetermaatregelen in het VVE-aanbod. Zo ontstaat een gezamenlijke kennisbasis die bijdraagt aan opbrengstgericht werken, versterkte samenwerking tussen voor- en vroegscholen, en een beter afgestemd aanbod voor kinderen in Brunssum. 4.1.4 Gezamenlijke activiteiten koppels In de eerdere regionale afspraken werd als doelstelling geformuleerd dat gekoppelde voor- en vroegscholen (peuter-/kinderopvang en basisschool) per kalenderjaar gezamenlijk minimaal drie activiteiten organiseren die bijdragen aan de doorgaande ontwikkellijn, ouderbetrokkenheid of wijk- en buurtgerichte initiatieven In Brunssum voeren gekoppelde voor- en vroegscholen regelmatig koppeloverleg, waarin zij de samenwerking afstemmen en gezamenlijke activiteiten plannen. Aan het begin van ieder schooljaar plannen de partners samen minimaal drie activiteiten, die gedurende het jaar in co-creatie worden uitgevoerd.