Raadsvoorstel 100 (bijlage versie 2) Verordening Wmo 2022 gemeente Brunssum.docx
Tekst van het document
Verordening
Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2022
2e Versie (de rode tekst/wijzigingen zijn aangepast in zwart)
Verordening Wmo 2022
1
Versie definitief (4 november 2021)
Verordening Wmo 2022
2
Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2020 De raad van de gemeente Brunssum: gelezen het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders d.d. 16 november 2021;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste,
tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde
lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
gelet op de door de raad van de Gemeente Brunssum vastgestelde Addendum op het
Beleidskader ‘Op eigen kracht’ 2014 t/m 2017 en het Masterplan sociaal domein “Wij zijn Brunssum”.
overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij
hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel
samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat
het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het
noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;
besluit: vast te stellen de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2022.
Verordening Wmo 2022
3
HOOFDSTUK 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor
mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;
- andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;
- financiële tegemoetkoming: een geldbedrag dat een inwoner van Brunssum krijgt als niet kostendekkende (forfaitaire) tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren, zoals een verhuiskostenvergoeding;
- financiële tegemoetkoming meerkosten: een financiële tegemoetkoming die tot doel
heeft om mensen die meerkosten hebben in verband met hun beperking of chronisch probleem financieel te ondersteunen, waardoor zij zich kunnen handhaven in de samenleving;
- gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
- hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
- melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
- primaat van verhuizen: het verstrekken van een voorziening voor verhuizing inrichting (verhuiskostenvergoeding) heeft voorrang op een woningaanpassing en/of woonvoorziening;
- voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;
- wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- woningaanpassingen: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte. Ze worden aard- en nagelvast aangebracht;
- woonvoorzieningen: woonvoorzieningen zijn roerende goederen, ze zijn niet aard- en nagelvast.
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader of deels worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 2. Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen
1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Was- en strijkservice b. Wijkbelbus
c. Boodschappenplusbus
d. Dagopvang (huiskamertref)
e. Sociale eettafels en maaltijdvoorziening f. Beweegprogramma’s
g. De scootmobiel- en rolstoelpool
Verordening Wmo 2022
4
h. Algemeen maatschappelijk werk i. Open inloop (algemeen en GGZ)
2. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Hulp bij het huishouden
b. Begeleiding (individueel, groep en dagbesteding) c. Vervoer (van en naar de dagbesteding)
d. Taxi en Rolstoeltaxivervoer (collectief vraagafhankelijk vervoer) e. Kortdurend verblijf, logeeropvang, respijtzorg f. Hulpmiddelen
g. Woningaanpassing
h. Verhuiskostenvergoeding i. Autoaanpassing
Verordening Wmo 2022
5
HOOFDSTUK 2: Melding onderzoek en aanvraag Artikel 3. Procedureregels aanvraag maatschappelijke opvang en beschermd wonen
Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een voorziening voor opvang of beschermd wonen in aanmerking komt. Artikel 4. Melding hulpvraag
1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.
3. In spoedeisende gevallen, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet, verstrekt het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Artikel 5. Cliëntondersteuning
1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 6. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1.
2.
Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en
bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de
cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de 3.
4.
identificatieplicht ter inzage.
Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in
overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem
gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 7. Gesprek en onderzoek 1.
Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de degene door of
namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk
met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen
Verordening Wmo 2022
6
gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale
netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het
verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn
zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en
zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en
j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt 2.
in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten
4.
Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde
en plichten en de vervolgprocedure.
in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.
Artikel 8. Advisering
1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek,
degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:
a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.
b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.
2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:
a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 7 is gevoerd.
b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 7 heeft gevoerd, maar waarvan de
Verordening Wmo 2022
7
medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. c. Het college dat overigens gewenst vindt. Artikel 9. Verslag
1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.
2. Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt zo spoedig mogelijk een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.
3. Opmerkingen of latere aanvullingen kunnen door of namens de cliënt aan het verslag
worden toegevoegd voordat de cliënt of diens vertegenwoordiger het verslag tekent voor gezien.
HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 10. Aanvraag
1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.
2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.
Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorziening
1. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening neemt het college het verslag van het onderzoek als uitgangspunt.
2. Alle mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met
gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te regelen dat hij geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek eerst beoordeeld.
3. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 4. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden in ieder geval de volgende uitgangspunten:
Verordening Wmo 2022
8
a. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in Hoofdstuk 2, artikel 7 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. b. De maatwerkvoorziening is een compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. c.
het college kent in beginsel, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst adequate voorziening toe;
d. De maatwerkvoorziening dient langdurig noodzakelijk te zijn; e.
Er is geen sprake van voorzienbaarheid. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie.
f.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
5. Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en b. het betreft een van de volgende voorzieningen: 1°. Verhuiskostenvergoeding; 2°. Bezoekbaar maken van een woning. c. de hoogte van de verhuiskostenvergoeding en het bezoekbaar maken van een woning wordt bij nadere regels bepaald. Artikel 12. Weigeringsgronden 1.
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
a.
Voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval
aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.
Verordening Wmo 2022
9
b.
c. d. e. f.
Voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg
of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen.
Voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de
beperkingen kan wegnemen.
Indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;
als cliënt geen ingezetene is van de gemeente Brunssum, met uitzondering
van beschermd wonen en opvang;
als het een voorziening betreft die de cliënt voor, dan wel, na de melding en
vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak
g.
achteraf nog kan worden vastgesteld
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan een cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als
gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij h.
i.
de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten,
Voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare
meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie.
Voor zover een cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende
zorg op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te
j. 2.
werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.
Indien een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
a.
b. c.
Voor zover er geen sprake is van beperkingen in het normale gebruik van de
woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.
Voor zover de beperkingen in de woning voortvloeien uit de aard van de in de
woning gebruikte materialen.
Ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en
gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en d.
inrichting.
Voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, met
uitzondering van automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders, het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de
e.
gemeenschappelijke ruimte, of een voorziening voor verhuizing.
Indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een
verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is.
Verordening Wmo 2022
10
f.
g.
Indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk
toestemming is verleend door het college.
ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder
3.
noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.
Een cliënt kan voor een voorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een
persoonsgebonden budget in aanmerking worden gebracht wanneer beperkingen,
chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een
collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is. Artikel 13. Inhoud beschikking
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval
aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt
verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden aangewend;
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget.
4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt belanghebbende daarover in de beschikking geïnformeerd.
Artikel 14. Regels voor PGB 1. 2.
Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.
Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voor, dan wel, na de melding en voor datum van de beschikking heeft gerealiseerd of
geaccepteerd tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de 3.
noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld.
De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in het plan zoals bedoeld in het vierde lid onder a:
a. waarom voor cliënt een persoonsgebonden budget nodig is, en;
Verordening Wmo 2022
11
b. waarom voor cliënt zorg in natura niet passend is, en;
c. waar middels het persoonsgebonden budget de ondersteuning zal worden ingekocht, en;
d. op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen tot de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is, en;
e. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de
belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
f. hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig,
doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van
belang dat degene die de diensten verleent voor aanvang van de dienstverlening over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens beschikt, die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de organisatie, ondernemer of de cliënt 4.
ging werken.
De hoogte van een pgb: a.
wordt mede gebaseerd aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over
hoe hij het pgb gaat besteden;
b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de
maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en
c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.
5.
De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a)
een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben
ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en
b)
verzekeringskosten;
hulp bij het huishouden door een niet daartoe opgeleid persoon op basis van de volgende componenten:
i. de kosten van de beroepskracht; ii. vakantiegeld;
iii. vakantiedagen;
iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; c)
v. reis- en opleidingskosten.
hulp bij het huishouden door een daartoe opgeleid persoon, in opdracht van de cliënt dan wel in dienst bij een zorginstelling op basis van de volgende componenten:
i. de kosten van de beroepskracht; ii. vakantiegeld;
iii.vakantiedagen;
Verordening Wmo 2022
12
iv.indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v.reis- en opleidingskosten. d)
vi.werkgeverslasten
individuele begeleiding uitgevoerd door een niet daartoe opgeleid persoon, op basis van op basis van de volgende componenten; i. de kosten van de beroepskracht; ii. vakantiegeld;
iii. vakantiedagen;
iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; e)
v. reis- en opleidingskosten.
individuele begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in
opdracht van de cliënt dan wel in dienst bij een zorginstelling op basis van de volgende componenten:
i de kosten van de beroepskracht; ii. vakantiegeld;
iii. vakantiedagen;
iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten. f)
vi. werkgeverslasten.
groepsbegeleiding en dagbesteding: uitgevoerd door een daartoe opgeleid
persoon in opdracht van de cliënt dan wel in dienst bij een zorginstelling op
basis van het tarief zoals vastgesteld door Zorginstituut Nederland voor PGB bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg.
g)
kortdurend verblijf- en respijtzorg: op basis van het tarief dat hiervoor wordt
h)
vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het tarief dat hiervoor wordt
gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg;
gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren;
i)
taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke
j)
een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke
k)
tarief, uitgaande van maximaal 1500 kilometers per jaar;
aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd wanneer deze in natura zou worden verstrekt;
het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdende met de keuze
6.
van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer.
Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen,
woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als: a.
deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van
b.
een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 van de
het vierde en vijfde lid gehanteerde tarief, en
Uitvoeringsregeling Wmo 2015 kan voor op onverplichte basis verleende
Verordening Wmo 2022
13
maatschappelijke ondersteuning, in de vorm van kortdurend verblijf, een
tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand worden betaald. Dit bedrag kan beschikbaar gesteld worden voor maximaal 1 persoon uit het sociaal netwerk van
7.
c.
de belanghebbende.
tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.
Bij ondersteuning geleverd door een andere aanbieder dan personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
a. de norm voor verantwoorde zorg zoals omschreven in het kwaliteitskader; b. gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak als onderdeel van verantwoorde zorg;
c. systematische kwaliteitsbewaking; 8.
9.
d. een meldplicht ten aanzien van calamiteiten en geweld.
Bij ondersteuning geleverd door personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarde te zijn voldaan:
a. een meldplicht ten aanzien van calamiteiten en geweld.
Het is de budgethouder niet toegestaan het administratieve beheer van het pgb en de bemiddeling en/of levering van de voorziening (zorg) uit te besteden aan dezelfde organisatie.
Artikel 15. Weigeringsgronden PGB
Een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt door het college indien de cliënt niet voldoet aan de in artikel 14 lid 3, 7 en 8 gestelde voorwaarden.
Artikel 16. Controle 1.
2. 3.
Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van de persoonsgebonden budgetten. Het gestelde in artikel 19 is van overeenkomstige toepassing.
Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen
worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
Het college stelt in het Besluit nadere regels met betrekking tot de controle op de
besteding.
Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1.
Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke
bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een
maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van 2.
misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of
onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot
3.
heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.
Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in
artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
Verordening Wmo 2022
14
a.
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van
b.
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;
d.
de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden
c.
juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; voorwaarden, of
e.
de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel
f.
Indien binnen een periode van twee jaar nadat de verhuiskostenvergoeding is
gebruikt.
verleend, de verhuizing en herinrichting niet heeft plaatsgevonden, is het college bevoegd het recht op de tegemoetkoming in te trekken.
4.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
5.
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk
heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.
6.
Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid onder b tot en met e
heeft herzien of ingetrokken, kan het college van de cliënt geheel of gedeeltelijk de
geldswaarde terugvorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.
7.
Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
Artikel 18. Opschorting betaling uit het pgb
1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van
betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is
gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
2. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van
maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en rechten doelmatigheid daarvan.
Artikel 20. Primaat van verhuizen
Vanaf de start van de melding wordt het alternatief van verhuizen (primaat van verhuizen) meegenomen indien de overwogen woningaanpassing(en) naar verwachting duurder zal/zullen zijn dan € 5.000,- . Bij de bepaling van de kosten van de woningaanpassing(en)
Verordening Wmo 2022
15
wordt rekening gehouden met de voorzieningen die nu en binnen afzienbare tijd noodzakelijk zijn.
HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten
Artikel 20. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van:
a. De was- en strijkservice, ter hoogte van het bedrag per gewassen en/of gestreken was.
b. De wijkbelbus: abonnement € 1,75 per maand en een ritprijs van € 1,80
c. De boodschappenplus bus: abonnement € 3,50 per maand en per activiteit wordt een vergoeding gevraagd. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit;
d. Dagopvang (huiskamertref), de bijdrage bedraagt € 1,60 per deelname.
e. Sociale eettafels en maaltijdvoorziening, de bijdrage bedraagt € 5,65 per hoofdgerecht en € 0,90 per voorgerecht en € 0,75 voor een nagerecht.
f. Beweegprogramma’s, een bijdrage per maand. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit.
2. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.
3. Op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder a. is een korting van 100% van toepassing, voor cliënten met een indicatie hulp bij het huishouden.
4. De in het eerste lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2019 en
worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex.
5. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.
Artikel 21. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1.
2.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen
algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij
overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid van de wet, of hoofdstuk 3 van het 3. 4.
uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.
In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is geen bijdrage verschuldigd voor
een rolstoel met op de cliëntgerichte aanpassingen.
In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen
bijdrage voor de maatwerkvoorziening in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) € 0,85 per zone, waarbij tevens altijd een opstapzone ad € 0,85 in rekening wordt gebracht.
Verordening Wmo 2022
16
5.
6.
De in het vierde lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2022 en
worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand de ontwikkeling van de Landelijke Tariefindex (LTI). De kostprijs van een:
a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;
b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.
c. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt 7.
8.
tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening.
In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b,tweede lid, van de wet, worden de bijdragen
voor een maatwerkvoorziening of pgb door Centraal Administratie Kantoor vastgesteld en geïnd.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de
onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die 9.
anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
Het college stelt bij nadere regeling regels de wijze waarop zorg wordt gedragen voor de uitvoering van het abonnementstarief zoals bepaald in lid 2.
Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een
dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
2.
a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de
b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en
2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en
b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel
2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt
3.
en de betrokken hulpverleners.
Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten;
c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte;
d. indirecte tijd als gevolg van scholing en werkoverleg;
e. reis- en opleidingskosten;
f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor
Verordening Wmo 2022
17
4.
aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren
die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het 5.
college verantwoording af aan de gemeenteraad.
Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
Artikel 23. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.
Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:
a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;
c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van
het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen
en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende
2.
keurmerken.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks
cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 24. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.
2.
3.
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.
De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 25. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.
Cliënten kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen
voor het ontvangen van een jaarlijks blijk van waardering voor de mantelzorger(s) van cliënten. Een cliënt kan maximaal één aanvraag per kalenderjaar doen voor de
2.
waardering zoals vermeldt in lid 2 onder b en c..
De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit:
Verordening Wmo 2022
18
a.
een uitnodiging voor de dag van de mantelzorger en wordt jaarlijks in overleg
b.
een financiële waardering, het mantelzorgcompliment, van ten hoogste €70,00.
c. 3.
met het steunpunt mantelzorg en de SMO-raad georganiseerd.
Een praktische vorm van waardering via het project een mantelzorger verdient een betere buur (in de vorm van kleine klusjes in en om het huis)
Het college kan bij nadere regeling regels stellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Artikel 26. Financiële tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
1. Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1.7 van de wet verstrekken aan
ingezetenen die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben.
2. De financiële tegemoetkoming meerkosten kan in ieder geval worden verstrekt voor de meerkosten voor een voorziening, dan wel een aanpassing aan een voorziening voor sportbeoefening.
3. De hoogte van de financiële tegemoetkoming meerkosten voor een sportvoorziening/rolstoel wordt bij nadere regels bepaald.
HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 27. Klachtregeling 1.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten
2.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving
aanzien van de door hen verstrekte voorzieningen/diensten.
van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 28. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.
2.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over
voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door hen verstrekte voorzieningen/diensten.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving
van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 29. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke
ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 30. Hardheidsclausule
Verordening Wmo 2022
19
1.
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening
2.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de
niet voorziet, beslist het college.
bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 31. Nadere regels
Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening. Artikel 32. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.
De Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente
2.
Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de
Brunssum 2020 wordt ingetrokken.
Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het
3.
besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening individuele voorzieningen
maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2020 en waarop nog niet is
beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
4.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening individuele
voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2020, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
5. Art. 19 lid 1 sub a jo. lid 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning
Gemeente Brunssum 2017 geldt tot 1 juli 2020 voor cliënten die op 31 december
2019 gebruik maakten van de korting op de algemene voorziening huishoudelijke hulp niveau I. Vanaf 1 januari 2020 zijn deze cliënten geen eigen bijdrage verschuldigd voor deze voorziening. Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel 1. 2.
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brunssum 2022.
Aldus besloten te Brunssum, d.d. 21 december 2021. De Griffier,
Verordening Wmo 2022
De Voorzitter,
20
Toelichting
Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure (cliënt en maatwerker) daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder.
Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1.
Verordening Wmo 2022
21
Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.
Verordening Wmo 2022
22
Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1: Begrippen
Ad Artikel 1. Begripsbepalingen
Een algemeen gebruikelijke voorziening is bijvoorbeeld een elektrische fiets. ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook de wettelijke definitie hieronder.
Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink
aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.
- aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; - algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; - begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; - cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; - cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; - gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; - maatschappelijke ondersteuning: 1°.
bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,
Verordening Wmo 2022
23
3°. bieden van beschermd wonen en opvang; - maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; - mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; - participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; - persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; - sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie
onderhoudt; - vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; - voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; - zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die
voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek
van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). Artikel 2. Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen
De gemeente vindt het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijke aanbod aan voorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand
duidelijk is welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘maatwerkvoorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor
iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen’). Daarom zijn in dit artikel de vormen van maatschappelijke ondersteuning die door de gemeente worden geboden
opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van cliënt.
Verordening Wmo 2022
24
HOOFDSTUK 2: Melding onderzoek en aanvraag
Ad Artikel 3. Procedureregels aanvraag maatschappelijke opvang en beschermd wonen
Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in aanmerking komt.
Daartoe heeft het college van de gemeente Brunssum de “Nadere regels Wmo opvang en
beschermd wonen Gemeente Brunssum 2017” vastgesteld. In deze nadere regels is te lezen dat de toegang ten aanzien van beschermd wonen en opvang is geregeld via het Regionaal Team Opvang en Beschermd Wonen (TOBW). Ad Artikel 4. Melding hulpvraag
Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden
gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij
verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.
In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze
melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een
melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding)
onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.
Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en
kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college.
In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg
geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.
In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een
afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt
hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 10, tweede lid.
In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid,
slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken.
Verordening Wmo 2022
25
Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel
2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.
In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor
spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen
een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.
Als een cliënt zich direct ‘meldt’ bij de aanbieder van een algemene voorziening, dan zal deze een ‘lichte toets’ uitvoeren. In ieder geval wordt dan getoetst of iemand onder de Wmo-doelgroep valt, of de cliënt de voorziening kan betalen en of bij de cliënt niet
overduidelijk is dat de algemene voorziening geen passende bijdrage zal leveren aan zijn zelfredzaamheid of participatie. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan vragen over
algemene eigenschappen, zoals of iemand een bewoner is van de gemeente of iemand een
bepaalde leeftijd heeft, en de vraag aan de cliënt of hij de voorziening kan betalen. Zodra de aanbieder constateert dat meer onderzoek nodig is of de cliënt aangeeft dat er geen
passende ondersteuning wordt geleverd met de algemene voorziening, zowel in termen van inzet als in verband met de financiële haalbaarheid door de verschuldigde bijdrage, verwijst de aanbieder de cliënt door naar de gemeente. Ad Artikel 5. Cliëntondersteuning
Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is
toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de
cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van