Raadsvoorstel 100 (bijlage) Verordening Wmo 2022 gemeente Brunssum.docx
Tekst van het document
cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook
uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.
In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het
college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.
Ad Artikel 6. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan
Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet
worden belast met vragen over zaken die al bij de gemeente bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook
Verordening Wmo 2022
25
het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor
het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.
De verplichting tot het overleggen van stukken voorafgaand of tijdens het gesprek, zoals
vermeld in het tweede lid, is opgenomen in het verlengde van de artikelen 2.3.2, zevende lid, en 2.3.4 van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van
een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.
In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor
het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 7, tweede lid. De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook
opgenomen in artikel 2.3.2 van de wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de
volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals ingevoegd.
Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een amendement (TK 2013-
2014, 33841 nr. 70). Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt
zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen. Ad Artikel 7. Gesprek en onderzoek
Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden
gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij
verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten en te verrichten handelingen.
De onderdelen in het eerste lid zijn in overwegende mate overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de
aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling
(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig
onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid van artikel 7 bepaalt
daarom dat in het kader van het onderzoek (als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
wet) een gesprek plaatsvindt tussen de betrokkenen (degene door of namens wie de melding
Verordening Wmo 2022
26
is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel dienst
vertegenwoordiger) en deskundigen (namens het college). Een precieze vorm van het
onderzoek en gesprek wordt hiermee niet voorgeschreven. Tijdens het gesprek komen de
onderwerpen genoemd in de onderdelen a tot j ter sprake, voor zover het (nog) nodig is dit in persoon te bespreken. Waar het betreft de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet dient echter zonder meer – in enige mate – onderzoek plaats te vinden. In bepaalde gevallen is hiervoor een gesprek in persoon echter niet (meer) nodig.
Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig
zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.
In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar
aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de
beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of
participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal” In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het
college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Overeenkomstig het derde lid wordt de cliënt geïnformeerd over de gang van zaken bij het gesprek, dienst rechten en plichten – onder andere ten aanzien van de verwerking van zijn (bijzondere) persoonsgegevens – en de vervolgprocedure.
Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie
het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Zoals aangegeven, waar het betreft de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, ontslaat dit het college niet van diens
onderzoeksverplichting in algemene zin. In sommige gevallen kan dit echter op basis van al beschikbare informatie en hoeft het niet tijdens het gesprek nogmaals inhoudelijk besproken worden.
Ad Artikel 8. Advisering
Dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens
huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer
daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening.
Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige
algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of
Verordening Wmo 2022
27
krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.
In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college kan één of meer
adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.
Het college kan dus extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij
een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Ad Artikel 9. Verslag
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet
opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze
verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in
beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een
juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel
beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe
onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn
zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die
daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.
Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten
worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom wordt in het tweede lid aangegeven dat het college zo spoedig mogelijk een verslag van de uitkomsten van het
onderzoek verstrekt. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan
meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen tijd na het gesprek nuttig.
Verordening Wmo 2022
28
HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Ad Artikel 10. Aanvraag
Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke
wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het
college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze
verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag
tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de
toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 4 en de toelichting
daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken. Ad Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorziening
In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals
uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.
In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een
maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in
aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening
op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is.
Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke
maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke
gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.
Verordening Wmo 2022
29
Het tweede lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet. Het gebruik van ‘of’ tussen de twee onderdelen van het tweede lid maakt duidelijk dat deze onderdelen niet cumulatief zijn bedoeld.
In lid 4 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst
compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in
principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten
bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst
compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen
middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. Sub c. van het vierde lid kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een
verhuisverkostengoeding (zie in dit artikel het vijfde lid, sub b.). De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert (zie artikel 20 in Hoofdstuk 3).
In lid 4 sub d. wordt onder langdurig noodzakelijk verstaan:
a. Noodzakelijk om de beperkingen te compenseren, hetgeen uit medisch advies dient te blijken; en
b. Langdurig noodzakelijk: de cliënt moet voor langere tijd aangewezen zijn op de
desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt niet voor een voorziening in aanmerking komt. Lid 4 sub e.
In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II
2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:
“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot
zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets,
schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over
algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet
het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs
Verordening Wmo 2022
30
van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen,
bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.”
Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele
gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan
heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere
memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder
dat met artikel 8, derde lid, nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden –
beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24).
Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde
wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol
speelt. Het vierde lid sub e. voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag1
In de WMO-verordening kan de gemeenteraad bepalen dat een voorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is.
Onder woonvoorzieningen vallen naast aanpassingen in de woning ook vergoedingen, waaronder een financiële tegemoetkoming bij een verhuizing (verhuiskostenvergoeding), zie hiertoe het vijfde lid. Een financiële tegemoetkoming is een maatwerkvoorziening, hetgeen
betekent dat op basis van onderzoek wordt bepaald of de of deze voorziening passend is bij de (situatie van de) cliënt. Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden c.q. een voorziening moet worden toegekend dan biedt het college deze door de goedkoopst
adequate voorziening te verstrekken. Voorwaarde om voor een woonruimteaanpassing in aanmerking te komen is dan ook dat er geen goedkoper alternatief realiseerbaar is door verhuizing of aangepaste inrichting.
1 Zie in dit kader ook de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018, waarin de CRvB oordeelt dat de
Wmo 2015, evenals de Wmo deed, ruimte biedt om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een
aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs
te verwachten ontwikkeling hiervan. De Wmo 2015 biedt echter evenmin als de Wmo ruimte, zo stelt de CRvB verder, om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die
tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. De op deze uitleg gebaseerde overwegingen in het bestreden besluit zijn daarom ondeugdelijk (ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Verordening Wmo 2022
31
Ad Artikel 12. Weigeringsgronden
In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er
een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van
rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn
rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.
Ad. a
De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten.
Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot
ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.
Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt
aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587
WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de
voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011,
nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 1904-2010, nr. 09/1082 WMO).
Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende
voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Ad. d
Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan
gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook
als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-072001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).
Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een
algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of
de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:
Is de voorziening gewoon te koop?
Verordening Wmo 2022
32
Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?
Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Ad. f
Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden
meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden
geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee
is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Ad. g
In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of
verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de
eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen
voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Ad. h
In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na het optreden van een
beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de conclusie dat het optreden van die beperking geen meerkosten/extra kosten met zich meebrengt. Ad. j
De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominentere rol in de Wmo, getuige bijvoorbeeld CRvB 21-5-2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel j is opgenomen om de eigen verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven in de verordening zodat het kan dienen als beoordelings- en afwijzingsgrond.
In het tweede lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een
maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden. Lid 2
Ad a.
Er is geen aanleiding om het begrip ‘normale gebruik van de woning’ onder de Wmo anders
uit te leggen dan onder de Wmo 2007 (en daarvoor de Wvg). Om deze reden is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wmo 2007 blijkt dat maatschappelijke participatie een synoniem is voor het begrip ‘normale’ deelname aan
Verordening Wmo 2022
33
het maatschappelijke verkeer' en dat daaronder in ieder geval ‘het normale gebruik van de woning’ wordt verstaan (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65). Noch de Wmo 2007 noch de
parlementaire geschiedenis hiervan waren duidelijk wat verstaan moet worden onder het normale gebruik van de woning. Wel heeft de jurisprudentie invulling gegeven aan dat
begrip. In de jurisprudentie wordt onder het normale gebruik van de woonruimte verstaan: •
De toegankelijkheid van de woning
•
Het gebruik maken van de keuken
• • • • •
Het verrichten van elementaire woonfuncties: Slapen, eten en lichaamsreiniging (CRvB 24-12-1999, 98/7777 WVG).
Het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals het doen van de was
en het strijken en opbergen ervan.
Het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van de verzorging door
een cliënt afhankelijke baby.
Dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen.
Ad b.
Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Ad c.
Een woonvoorziening voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de Huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Ad d.
Een woonvoorziening wordt niet verstrekt voor zover het voorzieningen betreft in
gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, anders dan automatische deuropeners,
hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van
drempelhulpen en vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van
de gemeenschappelijke ruimte. Dit zal gebeuren in nauw overleg en met afstemming met de woningbouwcorporaties, daar zij hier in het kader vanuit het woonhuisvestingsbeleid ook een verantwoordelijkheid in hebben.
Een uitzondering op deze bepaling is mogelijk een voorziening voor verhuizing, waarbij het gaat om de noodzaak tot het verhuizen en niet het verkrijgen van een tegemoetkoming hiervoor. Ad e.
Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar ‘zin’ in heeft.
Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een andere, mindere of
ongeschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen.
Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten ‘belangrijke reden’. Daarbij kan gedacht worden aan een verhuizing vanwege bijvoorbeeld het aanvaarden van werk elders.
Verordening Wmo 2022
34
Ad f.
Er wordt bij een persoon met beperkingen die verhuisd, er vanuit gegaan dat hij zoekt en
verhuisd naar een woning die in relatie tot die beperkingen zo geschikt mogelijk is. Het is
niet de bedoeling dat deze persoon verhuisd naar een ongeschikte woning en vervolgens een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in het kader van wonen bij de gemeente indient. Met het begrip ‘verhuizen’ wordt hier overigens niet alleen gedoeld op een feitelijke
verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-/ huur- of erfpachtcontract, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende woning zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.
In het derde lid heeft het primaat van collectief vervoer een grondslag gekregen. Ad Artikel 13. Inhoud beschikking
Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget.
Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.
Tweede, onder b, en derde lid, onder e: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.
Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 21 lid 7 en artikel 2.1.4, zesde
lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Ad Artikel 14. Regels voor PGB
Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle
wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit
gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b van de wet). Met behoud van de
motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is
om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Vroomen c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103.
Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.
In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de
hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In
de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 32) is vermeld dat
Verordening Wmo 2022
35
de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate
ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening
bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Daarbij geldt de
verplichting voor eenieder die diensten verleent (ook iemand uit het sociaal netwerk) om
voor aanvang van de dienstverlening over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in
artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens te beschikken en die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de organisatie, ondernemer of de cliënt ging werken.
Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het
aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel
geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college
voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege
inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoersof opvangvoorzieningen.
Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de
verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.
Het vijfde lid geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte en de bedragen voor
pgb’s voor afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. Bij de onderdelen b tot en met f maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een vrijwilliger
of persoon die niet is opgeleid voor de betreffende werkzaamheden, wordt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb een lager tarief gehanteerd dan voor een daarvoor opgeleid
persoon. Waar bijzondere deskundigheid is vereist, wordt in sommige gevallen nog weer een ander tarief gehanteerd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis van het laagste
tarief per uur, resultaat of dagdeel dat voor de te leveren hulp – rekening houdende met de
kwalificaties van degenen die deze leveren – zou worden gehanteerd als deze door een door
de gemeente gecontracteerde aanbieder zou worden geleverd. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning (onderdeel k) wordt rekening gehouden of de cliënt al dan niet gebruik zal maken van een erkende aannemer. In
aanvulling hierop gelden op grond van het zesde lid voorwaarden waaronder de ontvanger van een pgb een voorziening kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale
Verordening Wmo 2022
36
netwerk. Hieruit kan volgen dat de cliënt in aanmerking komt voor een lager tarief dan berekend overeenkomstig het vijfde lid.
Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit
sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de
beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt
aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen,
woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden
verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).
Ad Artikel 15: Weigeringsgronden PGB
In artikel 15 is aangegeven dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een
persoonsgebonden budget wordt geweigerd indien aan één of meer van de in artikel 14 lid 3 gestelde voorwaarden niet is voldaan. Ad Artikel 16. Controle
Op grond van artikel 2.1.3 vierde lid dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen of
persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.
Ad Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat een poging om dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en
plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen
hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.
Verordening Wmo 2022
37
Het tweede, derde en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de
verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt met de
bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het persoonsgebonden budget nog geen voorziening is getroffen,
heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).
In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten
opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde)
terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij
dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft
bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.
In het zevende lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen. Ad Artikel 18. Opschorting betaling uit het pgb
Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in
combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden.
In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding
van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het
verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Middels opschorting kan ruimte
geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de
toekenningsbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:
1) de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
2) de cliënt niet voldoet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; of;
3) de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Verordening Wmo 2022
38
Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op
verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten,
hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de
daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de
SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden
opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg.
Ad Artikel 19: Onderzoek naar de kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s
Net als artikel 17 betreft deze bepaling grotendeels een uitwerking van de
verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de
verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte
ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er
aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning
van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed na te kijken. Daarom is artikel 18
toegevoegd. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek
overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een
rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een
onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door de aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Ad Artikel 20. Primaat van verhuizen Het primaat van verhuizen vloeit voort uit de (gedachtegang) van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een
voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. De
achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan.
Verordening Wmo 2022
39
Indien de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan € 5.000,- worden de belangen
van een cliënt uitgebreid afgewogen, bijvoorbeeld een kostenvergelijking tussen verhuizen of aanpassen, sociale omstandigheden, is de cliënt huurder of eigenaar van een woning, is een passende (geschikte) woning beschikbaar etc. Het grensbedrag is gebaseerd op de
gemoeide kosten hoger dan één gemiddelde aanpassing (bijvoorbeeld een traplift of een badkameraanpassing).
Als blijkt uit de belangenafweging dat de cliënt door middel van het primaat van verhuizen
niet of onvoldoende wordt gecompenseerd, moet het college hiervan afwijken en een andere compenserende woonvoorziening verstrekken, bijvoorbeeld door de woning aan te passen. Uitgangspunt is dat verhuizen het primaat heeft. Als een meer geschikte woonruimte
beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, de kosten van de aanpassing zullen echter aanzienlijk lager zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen.
Een verhuizing is adequaat als op redelijke termijn een woning beschikbaar komt. Ligt het in de verwachting dat de persoon met beperkingen binnen een redelijke termijn in aanmerking komt voor een geschiktere woning, dan is het niet doelmatig om zijn woning aan te passen.
Het is ook mogelijk om door te stromen naar een meer geschikte woning. Dat is een woning die niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast.
HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten
Ad Artikel 20 en artikel 21 Bijdrage in de kosten van een algemene voorziening, maatwerkvoorzieningen en pgb’s
De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een
duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en
de hulpverlener (hierna: bij verordening aangewezen algemene voorzieningen) enerzijds en algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie anderzijds. Artikel 20
Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame
hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot
maximaal de kostprijs. De gemeente moet van iedere algemene voorziening waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd de hoogte van deze eigen bijdrage in de verordening
opnemen. De gemeente kan er ook voor kiezen om bepaalde algemene voorzieningen wel onder het abonnementstarief te laten vallen. Daarbij zal de afweging moeten worden
gemaakt of de kosten van het abonnementstarief niet te hoog zijn als de cliënt alleen
gebruik maakt van de algemene voorziening. Ook bij algemene voorzieningen kan de
gemeente ervoor kiezen om voor bepaalde inkomensgroepen een lagere eigen bijdrage te bepalen. Het is van belang dat voor het gebruik van algemene voorzieningen zo min mogelijk financiële drempels worden opgeworpen.
Verordening Wmo 2022
40
Artikel 21
Wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, geldt voor
maatwerkvoorzieningen en pgb’s een voor bij verordening aangewezen voorzieningen het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per maand (lid één en twee).
In de gemeente Brunssum zijn geen bij verordening aangewezen algemene voorzieningen. Bij een bij verordening aangewezen algemene voorzieningen is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de
hulpverlener hetgeen niet van toepassing is bij een algemene voorziening. Met ingang van 1 januari 2020 is de huishoudelijke toelageregeling, die als per verordening aan te wijzen
voorziening kon worden gezien, beëindigd waardoor er geen per verordening toe te wijzen
algemene voorzieningen meer aanwezig zijn. De gemeente heeft de mogelijkheid het bedrag van € 19,00 voor alle cliënten naar beneden bij te stellen of de eigen bijdrage voor bepaalde inkomenscategorieën op nihil te zetten.
In het derde lid is bepaald dat er geen eigen bijdrage verschuldigd is voor een rolstoel met cliëntgerichte aanpassingen. Hiermee wordt ook eventuele rijondersteuning voor de cliënt bedoeld. De duwondersteuning voor degene die de rolstoel duwt wordt niet als een cliëntgerichte aanpassing gezien. Deze ondersteuning is immers niet direct ter
ondersteuning van de cliënt maar bijvoorbeeld van diens partner. De duwondersteuning
wordt daarom gezien als een apart hulpmiddel waarvoor wel een bijdrage verschuldigd is. De wet maakt een uitzondering voor de kosten van (collectief) vervoer, zowel in de vorm van
een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. De gemeente moet in de verordening aangeven of het (collectief) vervoer wel of niet onder het abonnementstarief valt. In lid vier is de eigen bijdrage in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer
uitgezonderd van het abonnementstarief. De gemeente heeft in de verordening opgenomen hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. Daartoe is in lid 5 opgenomen de
Landelijke Tariefindex (LTI) die met ingang van 2022 geldt. Het onder lid 4 vermelde tarief van € 0,85 per zone is hierop gebaseerd. De kostprijs wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling (bruikleen/lease, huur of koop (zesde lid sub c). Vaststellen kostprijs
De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel
2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde
zesde lid, tweede slotzin, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in tweede lid van artikel 20, en artikel 21, zesde lid (door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder).
In het nieuw toegevoegde zesde lid onder c van artikel 21 is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom. Het is van belang dat de eigen bijdrage van € 19,00 per maand de kostprijs van de
voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst
Verordening Wmo 2022
41
wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of
woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs. De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen.
Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt.
Voor de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang kan de gemeente een andere instantie aanwijzen dan het CAK. De gemeente kan bepalen dat een eigen bijdrage van de onderhoudsplichtige ouders is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of
woningaanpassing voor een minderjarige cliënt (achtste lid). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze (lid 7).
HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid
Ad Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Algemeen
Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de
rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4,
eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede
verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden
gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter
waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen.
Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.
De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en
continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).
Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de wet
zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit
artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een
maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het
college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het
Verordening Wmo 2022
42
toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een
opdracht voor een dienst. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 19 zien dan ook niet toe op subsidies. Denk hierbij aan veelal kleine welzijnssubsidies die een
gemeente verstrekt aan bewoners of vrijwilligersorganisaties. Vanzelfsprekend kan het
college bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik maken van de genoemde kostprijselementen.
Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het
derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële
prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. De kostprijselementen waar het
college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 19. Het betreft de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Voor de
uitvoeringspraktijk zijn handreikingen2 over de normering van kostprijselementen
beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de
beroepskracht (artikel 3, derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk
persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de
toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als
werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke
verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat
een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid,
onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs
vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de
algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van
toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat
het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te
2 Bijvoorbeeld Handreiking aanbesteding Wmo, de wet Basistarieven en als onderdeel daarvan het Hulpmiddel
onderbouwing bepaling tarief. Publicatie ActiZ, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2013 en de Code verantwoordelijk marktgedrag thuisondersteuning (Kamerstukken II 2014/15, 34 104, nr. 70, blg-576970). Verordening Wmo 2022
43
hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te
motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij
een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese
Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve
arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte
kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid,
onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde
kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals
gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen.