Raadsvoorstel 100 (bijlage) De Was Wordt tabel met wijzigingen van de Verordening.docx
Tekst van het document
VOORSTEL TOT WIJZIGINGING VERORDENING WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE BRUNSSUM 2020
WAS (Geldende Verordening 2020)
WORDT
(Voorstel tot 1e wijziging van de geldende Verordening
2020) HOOFDSTUK 1, ARTIKEL 1 Begripsbepalingen
Woningaanpassingen: Bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte. Ze worden aard- en nagelvast aangebracht. Woonvoorzieningen: Woonvoorzieningen zijn roerende goederen. Ze zijn niet aard- en nagelvast. Financiële tegemoetkoming: Een geldbedrag dat een inwoner van Brunssum krijgt als niet kostendekkende (forfaitaire) tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren, bijvoorbeeld in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Financiële tegemoetkoming meerkosten heeft tot doel om mensen die meerkosten hebben in verband met hun beperking of chronisch probleem financieel te ondersteunen, waardoor zij zich kunnen handhaven in de samenleving Primaat verhuizen: Het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting (verhuiskostenvergoeding) heeft voorrang op een woningaanpassing en/of woonvoorziening. HOOFDSTUK 1, ARTIKEL 2 Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen
HOOFDSTUK 1, ARTIKEL 2 Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen
1
TOELICHTING (Op de wijziging van de Verordening) Deze relevante begrippen worden toegevoegd en toegelicht in artikel 1 ter verduidelijking. Dit is het gevolg van het opnemen en/of wijzigen van artikelen waarop deze begrippen betrekking hebben.
De maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding wordt toegevoegd, daarop wordt artikel 2, lid 2
Lid 2. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Hulp bij het huishouden b. Begeleiding (individueel, groep en dagbesteding) c. Vervoer (van en naar de dagbesteding) d. Taxi en Rolstoeltaxivervoer (collectief vraagafhankelijk vervoer) e. Kortdurend verblijf, logeeropvang, respijtzorg f. Hulpmiddelen g. Woningaanpassing h. Autoaanpassing
Lid 2. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Hulp bij het huishouden b. Begeleiding (individueel, groep en dagbesteding) c. Vervoer (van en naar de dagbesteding) d. Taxi en Rolstoeltaxivervoer (collectief vraagafhankelijk vervoer) e. Kortdurend verblijf, logeeropvang, respijtzorg f. Hulpmiddelen g. Woningaanpassing h. Verhuiskostenvergoeding i. Autoaanpassing
sub h. aangepast. Het geldende sub h. autoaanpassing verschuift naar sub i..
HOOFDSTUK 3, ARTIKEL 11 Criteria voor maatwerkvoorziening
HOOFDSTUK 3, ARTIKEL 11 Criteria voor maatwerkvoorziening
Hoofdstuk 3, de formulering en indeling van artikel 11 is aangepast vanuit het oogpunt van de leesbaarheid.
1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 2. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen. i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp;
1. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening neemt het college het verslag van het onderzoek als uitgangspunt. 2. Alle mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te regelen dat hij geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek eerst beoordeeld. 3. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale 2
Toegevoegd in lid 5 zijn specificaties van de maatwerkvoorzieningen (financiële tegemoetkomingen) zoals een verhuiskostenvergoeding en het bezoekbaar maken van een woning. De Verordening biedt zodoende een ‘kapstok’ naar de Nadere regels waarin de verhuiskostenvergoeding (Hoofdstuk 4, Artikel 17 lid 1 sub c) en het bezoekbaar maken van de woning nader is uitgewerkt (Hoofdstuk 4, artikel 17, lid 1 sub b). In de huidig geldende Verordening zijn de verhuiskostenvergoeding en het bezoekbaar maken van de woning
b.
iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of v. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of vi. met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 7 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of v. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.
problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 4. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in Hoofdstuk 2, artikel 7 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
3
weggeschreven als tegemoetkomingen in de meerkosten. De tegemoetkoming in de meerkosten heeft het karakter van een inkomensondersteunende maatregel. Bij een tegemoetkoming in de meerkosten hoeft er voorafgaand aan de toekenning geen onderzoek te worden uitgevoerd en dient de tegemoetkoming ook niet als compensatie in de zelfredzaamheid of participatie. In de praktijk blijkt echter dat de verhuiskostenvergoeding niet wordt toegepast als tegemoetkoming in de meerkosten, maar als (financiële) maatwerkvoorziening (ook wel genoemd financiële tegemoetkoming). Team WMO kent de verhuiskostenvergoeding namelijk toe: a. na een onderzoek; en b. met als doel compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. Voorgesteld wordt de regels hierop aan te passen. De verhuiskostenvergoeding is in dit artikel een forfaitair (vooraf vastgesteld) bedrag. Een nadere uitwerking hiervan is opgenomen in de Nadere regels (zie lid 5, sub c.).
3.
4.
5.
6.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 7 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt bovendien dat deze naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequaat wordt aangemerkt. Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt bovendien dat deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn; Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte
b.
c. d. e.
f.
participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De maatwerkvoorziening is een compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. het college kent in beginsel, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst adequate voorziening toe; De maatwerkvoorziening dient langdurig noodzakelijk te zijn; Er is geen sprake van voorzienbaarheid. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, de cliënt geheel of 4
maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 5. Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en b. het betreft een van de volgende voorzieningen: 1°. Verhuiskostenvergoeding; 2°. Bezoekbaar maken van een woning. c. de hoogte van de verhuiskostenvergoeding en het bezoekbaar maken van een woning wordt bij nadere regels bepaald.
HOOFDSTUK 3, Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
HOOFDSTUK 3, Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: 5
Om oneigenlijk gebruik van de verhuiskostenvergoeding te voorkomen, wordt voorgesteld aan artikel 17, lid 3 sub f toe te voegen.
a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. f. Indien binnen een periode van twee jaar nadat de verhuiskostenvergoeding is verleend, de verhuizing en herinrichting niet heeft plaatsgevonden, is het college bevoegd het recht op de tegemoetkoming in te trekken. HOOFDSTUK 3, ARTIKEL 20 Primaat van verhuizen Vanaf de start van de melding wordt het alternatief van verhuizen (primaat van verhuizen) meegenomen indien de overwogen woningaanpassing(en) naar verwachting duurder zal/zullen zijn dan € 5.000,- . Bij de bepaling van de kosten van de woningaanpassing(en) wordt rekening gehouden met de voorzieningen die nu en binnen afzienbare tijd noodzakelijk zijn.
6
Artikel 20 in Hoofdstuk 4 is nieuw toegevoegd als ‘kapstok’ voor het toepassen van het primaat van verhuizen. In de praktijk is behoefte aan regels voor het toepassen van dit primaat met een grensbedrag als ‘handvat’. Indien de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan € 5.000 worden belangen van een cliënt uitgebreid getoetst, bijvoorbeeld een kostenvergelijking tussen verhuizen of aanpassen, sociale omstandigheden, etc. Het grensbedrag is gebaseerd op de gemoeide kosten hoger dan één gemiddelde aanpassing (bijvoorbeeld een
traplift of een badkameraanpassing). De combinatie van dubbele woningaanpassingen komen in de praktijk steeds meer voor en middels het grensbedrag kan deze casuïstiek nauwgezetter worden behandeld. Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen en lichaamsreiniging, en essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, en het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Onder woonvoorzieningen vallen naast aanpassingen in de woning ook vergoedingen, waaronder een financiële tegemoetkoming bij een verhuizing (verhuiskostenvergoeding). Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden c.q. een voorziening moet worden toegekend dan biedt het college deze door de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken. Voorwaarde om voor een woonruimteaanpassing in aanmerking te komen is dan ook dat er 7
geen goedkoper alternatief realiseerbaar is door verhuizing of aangepaste inrichting. Uitgangspunt is dat verhuizen het primaat heeft. Als een meer geschikte woonruimte beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, de kosten van de aanpassing zullen echter aanzienlijk lager zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen. Of een woning aangepast wordt, is mede afhankelijk van de vraag of aangepaste of geschikte woningen beschikbaar zijn, van de sociale omstandigheden maar ook van de beoordeling of aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn en welke voorziening de goedkoopst adequate is. Een verhuizing is adequaat als op redelijke termijn een woning beschikbaar komt. Ligt het in de verwachting dat de persoon met beperkingen binnen een redelijke termijn in aanmerking komt voor een geschiktere woning, dan is het niet doelmatig om zijn woning aan te passen. Het is ook mogelijk om door te stromen naar een meer geschikte woning. Dat is een woning die niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast.
8
HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten Artikel 20. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen. 1.
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van: a. De was- en strijkservice, ter hoogte van het bedrag per gewassen en/of gestreken was. b. De wijkbelbus: abonnement € 1,75 per maand en een ritprijs van € 1,80 c. De boodschappenplus bus: abonnement € 3,50 per maand en per activiteit wordt een vergoeding gevraagd. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit; d. Dagopvang (huiskamertref), de bijdrage bedraagt € 1,60 per deelname. e. Sociale eettafels en maaltijdvoorziening, de bijdrage bedraagt € 5,50 per hoofdgerecht en € 0,75 per voorgerecht en € 0,75 voor een nagerecht. f. Beweegprogramma’s, een bijdrage per maand. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit.
HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten Artikel 20. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen. 1.
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van: a. De was- en strijkservice, ter hoogte van het bedrag per gewassen en/of gestreken was. b. De wijkbelbus: abonnement € 1,75 per maand en een ritprijs van € 1,80 c. De boodschappenplus bus: abonnement € 3,50 per maand en per activiteit wordt een vergoeding gevraagd. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit; d. Dagopvang (huiskamertref), de bijdrage bedraagt € 1,60 per deelname. e. Sociale eettafels en maaltijdvoorziening, de bijdrage bedraagt € 5,65 per hoofdgerecht en € 0,90 per voorgerecht en € 0,75 voor een nagerecht. f. Beweegprogramma’s, een bijdrage per maand. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit.
9
Een aanpassing van de tarieven voor de bijdrage van de maaltijdvoorziening waarvan de kostprijs wordt verhoogd in 2022. Met de aanpassing van deze twee tarieven wordt de kostprijs niet overstegen.
HOOFDSTUK 4, Artikel 21. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 4. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) € 0,80 per zone, waarbij tevens altijd een opstapzone ad € 0,80 in rekening wordt gebracht. 5. De in het vierde lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2019 en worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand de ontwikkeling van de NEA-index.
HOOFDSTUK 4, Artikel 21. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 4. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) € 0,85 per zone, waarbij tevens altijd een opstapzone ad € 0,85 in rekening wordt gebracht. 5. De in het vierde lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2022 en worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand de ontwikkeling van de LTI-index.
Uit overleg van Omnibuzz met alle betrokken gemeenten in 2020 blijkt dat er veel draagvlak is voor het in lijn brengen van de tarieven voor collectief vraagafhankelijk vervoer met die van het openbaar Vervoer (OV) in Limburg. De gemeenten in regio Zuid-Limburg, waaronder de gemeente Brunssum hanteren al klanttarieven die daar bij aansluiten. In het OV wordt de Landelijke Tariefindex (LTI) gehanteerd. Door vanaf 11-2022 dezelfde index toe te passen als in het OV wordt de relatie met het OV-tarief structureel gewaarborgd.
HOOFDSTUK 6, ARTIKEL 26. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. De tegemoetkoming voor: a. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel; b. het bezoekbaar maken van een woning;
HOOFDSTUK 6, ARTIKEL 26 Financiële tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1.7 van de wet verstrekken aan ingezetenen die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben. 2. De financiële tegemoetkoming meerkosten kan in ieder geval worden verstrekt voor de meerkosten voor een voorziening, dan wel een aanpassing aan een voorziening voor sportbeoefening.
Artikel 26, Financiële tegemoetkoming in de meerkosten zoals opgenomen in de geldende Verordening wordt opgesplitst. De verhuiskostenvergoeding en het bezoekbaar maken van een woning valt in de gewijzigde situatie onder Artikel 11 (Hoofdstuk 3) omdat het een maatwerkvoorziening betreft.
10
Onder artikel 26 valt o.a. nog de financiële tegemoetkoming meerkosten ten aanzien van sportbeoefening. Dit betreft namelijk geen maatwerkvoorziening, daardoor is er bij de toegang geen uitgebreid onderzoek
c. de ondersteuning gericht op verhuizing. 3. De in het tweede lid genoemde tegemoetkoming in de meerkosten worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. 4. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. 5. Het college zorgt voor de kenbaarheid van de gestelde bedragen bij nadere regeling.
3. De hoogte van de financiële tegemoetkoming meerkosten voor een sportvoorziening/rolstoel wordt bij nadere regels bepaald.
nodig en daarover is de cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd. In de Nadere regels wordt de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de meerkosten bepaald (lid 3).
Wijzigingen van de artikelsgewijze toelichting op de Verordening Hoofdstuk 3 1. Ad Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorziening wordt als volgt gewijzigd: In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt.
De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.
11
Het tweede lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet. Het gebruik van ‘of’ tussen de twee onderdelen van het tweede lid maakt duidelijk dat deze onderdelen niet cumulatief zijn bedoeld. In lid 3 4 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. Sub c. van het vierde Het derde lid kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuisverkostengoeding (zie in dit artikel het vijfde lid, sub b.). De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert (zie artikel 20 in Hoofdstuk 3). In lid 4 sub d. wordt onder langdurig noodzakelijk verstaan: a. Noodzakelijk om de beperkingen te compenseren, hetgeen uit medisch advies dient te blijken; en b. Langdurig noodzakelijk: de cliënt moet voor langere tijd aangewezen zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt niet voor een voorziening in aanmerking komt. In de WMO-verordening kan de gemeenteraad bepalen dat een voorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Lid 54 sub e. In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.
148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn 12
beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat met artikel 8, derde lid, nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24).
Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vijfde vierde lid sub e. voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag1 In de WMO-verordening kan de gemeenteraad bepalen dat een voorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Onder woonvoorzieningen vallen naast aanpassingen in de woning ook vergoedingen, waaronder een financiële tegemoetkoming bij een verhuizing (verhuiskostenvergoeding), zie hiertoe het vijfde lid. Een financiële tegemoetkoming is een maatwerkvoorziening, hetgeen betekent dat op basis van onderzoek wordt bepaald of de of deze voorziening passend is bij de (situatie van de) cliënt. Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden c.q. een voorziening moet worden toegekend dan biedt het college deze door de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken.
Voorwaarde om voor een woonruimteaanpassing in aanmerking te komen is dan ook dat er geen goedkoper alternatief realiseerbaar is door verhuizing of aangepaste inrichting.
1 Zie in dit kader ook de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018, waarin de CRvB oordeelt dat de Wmo 2015, evenals de Wmo deed, ruimte biedt om van burgers te
eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. De Wmo 2015 biedt echter evenmin als de Wmo ruimte, zo stelt de CRvB verder, om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. De op deze uitleg gebaseerde overwegingen in het bestreden besluit zijn daarom ondeugdelijk (ECLI:NL:CRVB:2018:2603).
13
2. Ad Artikel 20. Primaat van verhuizen, toe te voegen: Het primaat van verhuizen vloeit voort uit de (gedachtegang) van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Indien de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan € 5.000,- worden de belangen van een cliënt uitgebreid afgewogen, bijvoorbeeld een kostenvergelijking tussen verhuizen of aanpassen, sociale omstandigheden, is de cliënt huurder of eigenaar van een woning, is een passende (geschikte) woning beschikbaar etc. Het grensbedrag is gebaseerd op de gemoeide kosten hoger dan één gemiddelde aanpassing (bijvoorbeeld een traplift of een badkameraanpassing). Als blijkt uit de belangenafweging dat de cliënt door middel van het primaat van verhuizen niet of onvoldoende wordt gecompenseerd, moet het college hiervan afwijken en een andere compenserende woonvoorziening verstrekken, bijvoorbeeld door de woning aan te passen. Uitgangspunt is dat verhuizen het primaat heeft.
Als een meer geschikte woonruimte beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, de kosten van de aanpassing zullen echter aanzienlijk lager zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen. Een verhuizing is adequaat als op redelijke termijn een woning beschikbaar komt. Ligt het in de verwachting dat de persoon met beperkingen binnen een redelijke termijn in aanmerking komt voor een geschiktere woning, dan is het niet doelmatig om zijn woning aan te passen. Het is ook mogelijk om door te stromen naar een meer geschikte woning. Dat is een woning die niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast. Hoofdstuk 4 3. Ad Artikel 21, de 4e alinea komt als volgt te luiden: De wet maakt een uitzondering voor de kosten van (collectief) vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. De gemeente moet in de verordening aangeven of het (collectief) vervoer wel of niet onder het abonnementstarief valt. In lid vier is de eigen bijdrage in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer uitgezonderd van het abonnementstarief. De gemeente heeft in de verordening opgenomen (zie lid 4 en 5) hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald.
Daartoe is in lid 5 opgenomen de Landelijke Tariefindex (LTI) die met ingang van 2022 geldt. Het onder lid 4 vermelde tarief van € 0,85 per zone is hierop gebaseerd. De kostprijs wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling (bruikleen/lease, huur of koop (zesde lid sub c). 14
Hoofdstuk 6 4. Ad Artikel 26. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen, komt de 4e alinea te luiden: Het college bepaald bij nadere regeling de bedragen voor de tegemoetkomingen en maakt deze kenbaar door middel van publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad.
15