Raadsbesluit 103 (bijlage) Verordening Individuele inkomenstoeslag ISD BOL 2023.pdf
Tekst van het document
Verordening Individuele inkomenstoeslag ISD BOL 2023
De raad van de gemeente Brunssum; Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 november 2022, met
overneming van de daarin vermelde motieven; gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede lid van de Participatie
wet BESLUIT:
-In te trekken de: Verordening Individuele Inkomenstoeslag ISD BOL 201 8 -vast te stellen de: Verordening Individuele Inkomenstoeslag ISD BOL 2023 Artikel 1
Begrippen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. Inkomen: totaal van inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet en de
algemene bijstand; b. Peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c. Referteperiode: periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum;
d. In deze verordening wordt verstaan onder het in aanmerking te nemen vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.
e. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet de Wet inkomens
voorziening
oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(lOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (lOAZ), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. f. Dagelijks Bestuur: Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst
Brunssum en Landgraaf. Artikel 2 Indienen verzoek
Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt
ingediend middels een door het Dagelijks Bestuur vastgesteld formulier. Artikel 3 Langdurig laag inkomen
l.Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste
lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 1 00% van de toepasselijke bijstandsnorm.
2.Onder laag inkomen zoals bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de geldende bijstandsnorm van het betreffende beoordelingsjaar.
1
Pagina 2/6 Artikel 4 Recht op individuele inkomenstoeslag
1. Recht op de individuele inkomenstoeslag op grond van de wet en deze
verordening heeft de belanghebbende die: a. langdurig een laag inkomen heeft; b. in de referteperiode voorafgaand aan de peildatum geen in aanmerking te nemen vermogen, zoals bedoeld in art 34 van de Participatiewet.
c. geen zicht heeft op inkomensverbetering.
2. Het Dagelijks Bestuur stelt bij nadere regeling vast aan welke aanvullende voorwaarden voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor de indi viduele inkomenstoeslag.
Artikel 5 Hoogte individuele inkomenstoeslag
1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 425 voor een alleenstaande
b. € 490 voor een alleenstaande ouder; c. € 300 voor een gehuwde;
2. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de aanvraagdatum bepalend. 3. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomens toeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, kan de rechthebbende echtgenoot in aanmerking komen voor een individuele inkomens toeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou
gelden. 4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeen komstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
5. De individuele inkomenstoeslag wordt in één keer uitbetaald. Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel
l.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de verordening Individuele inkomenstoeslag ISD BOL 201 8.
2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomens
toeslag ISD BOL 2023.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 december 2022. De raad van de gemeente Brunssum.
rzi:ter,
Pagina 3/6
Toelichting
Algemeen Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van
(categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit
betekent dat het Dagelijks Bestuur een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het Dagelijks Bestuur kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbe
tering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen aan wie in de
referteperiode
een
maatregel
is
opgelegd
wegens
een
schending
van
een
arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks
kas bekostigd onderwijs volgen.
Vast te leggen regels in verordening De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag
inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatie
wet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een
individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen'. Op grond van deze
verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het Dagelijks Bestuur kan in (wet
interpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel
8, tweede lid, van
de
Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36,
Pagina 4/6 tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder
geval worden gerekend: - de krachten en bekwaamheden van de persoon, en - de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
komen.
Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 1
Begrippen
Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling
van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als
inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoe
slag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag
in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben
dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Peildatum
De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandighe den van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de aanvraagdatum. De peildatum kan in beginsel niet
liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele
inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie
rondom artikel 44 van de Participatiewet. Referteperiode
Pagina 5/6 Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3 onder 'Langdurig’.
Indienen verzoek
Artikel 2
Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
(artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te
worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
gedaan middels een door het Dagelijks Bestuur vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het
gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1
van de Awb) die wordt
ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de
aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de
gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een
verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.
Artikel 3
Langdurig laag inkomen
Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.
Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening.
Laag inkomen
Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstands norm op basis van de kostendelersnorm op grond van artikel 22a van de Participatiewet.
De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 1 00% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal
niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een persoon
Pagina 6/6
gedurende (een
deel
van) de
referteperiode
de toepasselijke
bijstandsnorm
maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een
individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten. Artikel 4
Recht op individuele inkomenstoeslag
Eerste lid (ad b)
Er wordt voor wat betreft de vermogensbepaling in het kader van het recht op de
individuele inkomenstoeslag wordt uitgegaan van de peildatum. Eerste lid (ad c)
De wettelijke toelichting geeft als voorbeeld van aanvragers die zicht hebben op
inkomensverbetering: studenten met een uitkering op grond van de WSF. Deze doelgroep heeft vanwege het volgen van hun studie zicht op inkomensverbetering (zij kunnen in staat worden geacht na hun opleiding een zekere inkomensverbete ring te bereiken) en hebben derhalve geen recht op de individuele inkomenstoeslag. Tweede lid
In de beleidsregel individuele inkomenstoeslag zijn aanvullende voorwaarden opgenomen waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor
de individuele inkomenstoeslag. Artikel 5 Hoogte individuele inkomenstoeslag
Hoogte bedragen per 1-1-23 eensluidend vastgesteld binnen Parkstad.