Raadsbesluit 103 (bijlage) Participatieverordening ISD BOL 2023.pdf
Tekst van het document
Participatieverordening ISD BOL 2023
De raad van de gemeente Brunssum
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 november 2022;
gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vijfde lid en zevende lid, van de Participatiewet, artikel 36 lOAW en artikel 36 lOAZ;
besluit vast te stellen de Participatieverordening Participatiewet, lOAW en lOAZ ISD BOL 2023 Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1.
In deze verordening wordt verstaan onder: a.
doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;
b.
korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs
mogelijk binnen één jaar; c.
grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs
niet mogelijk binnen één jaar; d. wet: Participatiewet; e.
het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brunssum
en Landgraaf. Hoofdstuk 2.
Opdracht dagelijks bestuur
Artikel 2.
Algemene voorzieningen
1.
Het dagelijks bestuur kan aan belanghebbenden voorzieningen bij participatie bieden voor zover
deze voorzieningen door het dagelijks bestuur voor de participatie noodzakelijk worden geacht. Deze kunnen onder meer bestaan uit:
a) beschut werk b) ondersteuning bij leer-werk traject; c) persoonlijke ondersteuning; d) loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel lOd van de wet; e) premies en persoonsgebonden stimuleringsbudget;
f) werken met behoud van uitkering; g) sociale activering;
h) scholing;
1
2.
Het dagelijks bestuur kan de voorzieningen, bedoeld in artikel 2 onderdelen f en g, aanbieden aan
personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt;
3.
Het dagelijks bestuur maakt een afweging van de individuele mogelijkheden, omstandigheden,
functionele beperkingen, competenties en capaciteiten van een belanghebbende, en biedt aan de
hand van deze afweging ondersteuning aan belanghebbende. De omstandigheden hebben in elk geval betrekking op de zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de
doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a) de opvang van ten laste komende kinderen tot 5 jaar;
b) de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4.
Het dagelijks bestuur kan bij het bepalen van de wijze waarop de ondersteuning wordt
vormgegeven, prioriteiten stellen in verband met de beschikbare financiële middelen alsmede de
maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 5.
Onverminderd het bepaalde in het vijfde lid draagt het dagelijks bestuur zorg voor een evenwichtige verdeling van de middelen over de doelgroep zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a van de wet.
6.
Het dagelijks bestuur doet jaarlijks eenmaal, of zoveel vaker aan de gemeenteraad verslag over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.
Artikel 3. 1.
Voorwaarden voorzieningen
Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover
geen bepalingen in deze verordening zijn opgenomen. 2.
Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen als:
a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en
17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de lOAW of de artikelen 13 en 37 van de lOAZ niet nakomt;
b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening,
tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 2 van de wet;
d. naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening onvoldoende bijdraagt aan
arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet meer geschikt is voor de
persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de
aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in
deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
2
3.
Het dagelijks bestuur kan, in aanvulling op de verplichtingen die zijn verbonden aan de inkomensvoorziening waar een belanghebbende aanspraak op maakt, nadere verplichtingen
verbinden aan het besluit tot het aanbieden van een voorziening.
Artikel 4. 1.
Scholing
Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject
aanbieden indien dit noodzakelijk wordt geacht voor duurzame arbeidsinschakeling. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7 lid 3 onderdeel a van de wet.
3.
Nadere regels ten aanzien van deze voorziening worden door het dagelijks bestuur vastgelegd in beleidsregels.
Artikel 5. Beschut werk 1.
Het college biedt de voorziening beschut werk aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze
alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon:
a.
Behoort tot de doelgroep; of
b.
Een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.
2.
Om de in artikel 10b lid 1 van de wet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, biedt het
college de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan: a.
persoonlijke ondersteuning; en/of
b. fysieke werkplekaanpassingen;
c. loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel lOd van de wet. 3.
Het college biedt een maatwerk voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment
waarop de dienstbetrekking beschut werk aanvangt. Artikel 6 Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het dagelijks bestuur persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele
begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te
verrichten. Artikel 7 Loonkostensubsidie 1. Het dagelijks bestuur kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, uiterst kwetsbare of gehandicapte werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. Het dagelijks bestuur stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 3. Het dagelijks bestuur besluit of ten aanzien van een persoon advies wordt ingewonnen bij een externe organisatie aan welke minimumeisen de methode ter bepaling van de loonwaarde worden gesteld. 4. Het dagelijks bestuur stelt beleidsregels vast over de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. 3
5. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 1 jaar werkloos is geweest. 6. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. 7. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aansprak maakt op de financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer
Hoofdstuk 3.
Slotbepalingen
Artikel 8.
Intrekken oude verordening en overgangsrecht
1.
De Participatieverordening ISD BOL 2018 wordt ingetrokken per 1 januari 2023.
2.
De verordening LKS en loonwaarde ISD BOL 2018 wordt ingetrokken per 1 januari 2023.
3.
De voor de intrekking van de Participatieverordening en LKS verordening ISD BOL 2018 toegekende voorzieningen worden gehandhaafd voor de duur waarvoor zij zijn toegekend.
4.
Het dagelijks bestuur kan na afloop van de in het derde lid bedoelde periode besluiten dat een
voorziening verder wordt voortgezet. 5.
De Participatieverordening en/of de LKS verordening ISD BOL 2018 blijft van toepassing ten
aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het vierde lid.
Artikel 9. Hardheidsclausule Het dagelijks bestuur kan, indien de toepassing van bepalingen in deze verordening in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende aard leidt, voor zover het de bevoegdheid betreft die
voortvloeit uit deze verordening, afwijken van deze verordening. Artikel 10.
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023.
Artikel 11.
Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Participatiewet, lOAW en lOAZ ISD BOL 2023.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 december 2022 De raad van de gemeente Brunssum. A
4 •e vo rzi ter,
0 4
Toelichting
Algemeen Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de
opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
blijken dat er aandacht is voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het dagelijks bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen
afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de Participatieverordening. Daarom is ervoor
gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden.
Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: ■ persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en 10, eerste lid, van de Participatiewet); ■ scholing of opleiding als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); ■ de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid. Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); en ■ participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet). Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.
Artikel 1. Begrippen Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.
Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:
die algemene bijstand ontvangen;
personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en
36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten 5
jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel lOd is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; personen
met een
nabestaanden- of wezen
uitkering op grond van
de Algemene
nabestaandenwet (hierna: ANW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: lOAW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: lOAZ); Niet uitkeringsgerechtigden.
en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening.
Korte afstand tot de arbeidsmarkt Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen
één jaar geschikt (te maken) is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie voor een verdere toelichting
artikel 2 van deze verordening. Grote afstand tot de arbeidsmarkt Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet
binnen één jaar geschikt (te maken) is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie voor een verdere
toelichting artikel 2 van deze verordening.
Artikel 2 Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen vastleggen,
waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.
Artikel 2 lid 1 a.
Beschut werk
Voor een nadere toelichting zie artikel 5. b.
Leer-werk plek
Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het dagelijks bestuur moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel
6
10 en volgt uit artikel lOf van de Participatiewet. Artikel lOf van de Participatiewet bepaalt voorts dat het dagelijks bestuur uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen; ■ van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of ■ van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leerwerktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en lOf van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.
c.
Persoonlijke ondersteuning
Voor een nadere toelichting zie artikel 6
d.
Loonkostensubsidie
Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon
ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het dagelijks bestuur een loonkostensubsidie aan de werkgever
verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.
In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij: - personen die algemene bijstand ontvangen; - personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel lOd is verleend; - personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; - personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en - personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. - personen die werken op een beschutte werkplek (artikel 10b, negende lid, van de Participatiewet). e. Premies en persoonsgebonden stimuleringsbudget Een premie dient ertoe belanghebbenden te stimuleren tot het aanvaarden van een baan. Met het
persoonsgebonden stimuleringsbudget (PSB) kan het dagelijks bestuur aan personen die een uitkering
ontvangen op grond van de wet en die werkzaamheden verrichten binnen een project die ten goede komen aan de maatschappij en de samenleving, een premie maatschappelijke participatie toekennen
in de vorm van een persoonsgebonden stimuleringsbudget. Het PSB wordt in essentie ingezet als een
stimuleringspremie. Vooral gericht op het stimuleren en realiseren van kans vergroting op uitstroom 7
naar regulier werk. Hiertoe kan door belanghebbende individueel, zélf voorgesteld maatwerk worden ingezet.
Werken met behoud van uitkering
f.
De voorziening "werken met behoud van uitkering" houdt in dat de uitkeringsgerechtigde arbeid
verricht met behoud van uitkering, maar zonder dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bij
werken met behoud van uitkering vindt namelijk geen loonbetaling plaats. Daarom kan er bij werken met behoud van uitkering ook geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. De werkzaamheden die in het kader van de voorziening werkervaringsplaats worden uitgevoerd betreffen altijd additionele werkzaamheden bij een werkgever. Daarnaast is deze voorziening altijd van
zeer beperkte duur. De voorziening werkervaringsplaats leidt derhalve niet tot verdringing op de
arbeidsmarkt. Bij
het
aanbieden
van
"werken
met
behoud
van
uitkering"
als voorziening gericht
op
arbeidsinschakeling dient het dagelijks bestuur steeds dit verschil in karakter tussen de rechten en
plichten bij het ontvangen van bijstand en de verhouding tussen werkgever en werknemer in het kader van een dienstbetrekking voor ogen te houden. Een en ander betekent concreet onder meer dat de
aangeboden werkzaamheden onder de noemer "werken met behoud van uitkering" altijd vervat
moeten zijn in een individuele beschikking. g.
Sociale activering
De voorziening sociale activering is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk
gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten
van
onbeloonde
maatschappelijk
zinvolle
activiteiten
gericht
op
arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c. Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe
begeleiding,
verrichten
van
vrijwilligerswerk of deelnemen
aan
activiteiten in de wijk of buurt. Het dagelijks bestuur kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij
op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening (artikel 5, eerste lid). Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen
geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel 8
personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het
einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering. h. Scholing Voor een nadere toelichting zie artikel 4. Artikel 2 lid 2 Korte afstand tot de arbeidsmarkt
Onder korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt (te maken) is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Mensen die korter dan een jaar een uitkering hebben, blijken volgens onderzoek van de inspectie SZW met een lichte
ondersteuning door de gemeente makkelijker toe te leiden zijn naar de arbeidsmarkt. Eventuele belemmeringen worden doorgaans als relatief gemakkelijk te overbruggen ervaren. Het dagelijks
bestuur kan aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt voorzieningen als bedoeld in artikel 2 lid 1 letter f (detacheringsbanen) aanbieden. Artikel 2 lid 3 Grote afstand tot arbeidsmarkt
Om meer mensen uit de bijstand aan het werk te krijgen, kunnen gemeenten nauwkeuriger bepalen
wie hulp nodig heeft bij het vinden van werk en wie niet. Mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben er veel baat bij als de gemeente hen helpt bij het vinden van werk. Maatwerk is
een belangrijk element in de dienstverlening. Uit het onderzoek van de inspectie SZW komt ook naar voren dat bijna alle mensen die na drie jaar nog een uitkering hebben, belemmeringen ervaren die van
invloed zijn op hun re-integratie. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om fysieke of psychische
belemmeringen, schuldenproblemen en/of een verslaving. Na drie jaar wegen deze problemen nog zwaarder dan in het eerste jaar van de bijstandsuitkering.
Het dagelijks bestuur biedt voorzieningen als bedoeld bij lid 1, letter f (werken met behoud van uitkering) en g (sociale activering) aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote
afstand tot de arbeidsmarkt.
Artikel 2 lid 4 Individuele omstandigheden Het dagelijks bestuur moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, lid 3, is opgenomen waarmee het dagelijks bestuur in ieder geval rekening moet houden. Artikel 2 lid 7 Verslaglegging Het dagelijks bestuur doet verslag over de doeltreffendheid en een evenwichtige verdeling van
de middelen van het re-integratiebeleid, dit is geregeld in artikel 2, zesde lid.
Artikel 3 Voorwaarden voorzieningen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het dagelijks bestuur aan moet
9
bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang
de afstand op de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van
vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). In het eerste lid staan een aantal voorzieningen benoemd die het dagelijks bestuur kan aanbieden in het
kader van re-integratie. Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een
werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de
eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid,
onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel lOd is
verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het dagelijks bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel lOd van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn
gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient dan te geschieden op grond van het Burgerlijk
Wetboek. Artikel 4 Scholing
Startkwalificatie
Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of Vwo-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder
een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie.
Jongeren Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde 10
onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).
Artikel 5 Beschut werk Het college biedt ambtshalve of op verzoek de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie
is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon behoort tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt (eerste lid). Het college is verplicht om iemand de
voorziening beschut werk aan te bieden wanneer die persoon daarop aangewezen is (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Deze verplichting geldt tot wanneer de vastgestelde aantallen beschut werkplekken zijn bereikt (artikel 10b, zesde lid, van de Participatiewet).
Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk (eerste lid) zijn in deze
verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (tweede lid) en welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt (derde lid).
Stap 1: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort, verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor het college de werkzaamheden ten behoeve van
die vaststelling en adviseert het college hierover. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit of een persoon behoort tot de doelgroep beschut werk (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht de werkzaamheden ten behoeve van de
vaststelling of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort ook op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Een dergelijk verzoek kan alleen door de persoon zelf worden gedaan en niet door
een andere belanghebbende zoals een werkgever. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot
de doelgroep beschut werk behoort, adviseert UWV het college waar de betreffende persoon staat
ingeschreven. Stap 2: besluit college Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist het college of
iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan het college
besluiten het advies niet te volgen.
Stap 3: dienstbetrekking beschut werk
11
Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt het college ervoor dat
deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Het college kan zelf bepalen waar de beschut werkplek wordt georganiseerd. Dat kan zijn binnen de
gemeente, maar ook bij de bestaande sw-bedrijven, of bij een andere, aan de gemeente gelieerde organisatie. Het kan zijn dat een reguliere werkgever bereid is de benodigde
beschutte
omstandigheden te bieden. Het toekennen van een beschut werkplek is een besluit in de zin van de Awb. Artikel 6 Persoonlijke Ondersteuning
In artikel 6 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer
met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.
Een voorbeeld van persoonlijke ondersteuning kan zijn dat het dagelijks bestuur besluit om
aan een persoon ten aanzien van wie het redelijk vermoeden bestaat dat hij niet of niet in
voldoende mate de Nederlandse taal beheerst (daarmee wordt niveau IF bedoeld), een
voorziening aanbiedt die noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Als een taalvoorziening wordt aangeboden, dan wordt dit vastgelegd in een taalplan. Belanghebbende kan door middel van ondertekening van dit taalplan zich bereid verklaren om
te beginnen met het verwerven van vaardigheden in de Nederlandse taal. De ondertekening van het taalplan wordt aangemerkt als bereidverklaring als bedoeld in artikel 18b lid 6
Participatiewet. In het taalplan wordt in ieder geval vastgelegd in welke vorm de ondersteuning wordt aangeboden en de manier waarop de voortgang van de beheersing van
de Nederlandse taal wordt beoordeeld.
De Wet taaleis legt gemeenten geen verplichting op tot financiële ondersteuning van belanghebbende bij het verbeteren van diens taalvaardigheid. Dat laat onverlet dat het dagelijks
bestuur een belanghebbende wel kan ondersteunen bij het leren van de Nederlandse taal. Artikel 7 Vaststelling loonwaarde In artikel lOd, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het dagelijks bestuur van ISD BOL de loonwaarde van die persoon vaststelt.
12
In artikel 7, vierde lid wordt verwezen naar nader vastgestelde beleidsregels met betrekking tot de loonwaarde-methodiek, welke voldoet aan de minimumeisen die aan de methode ter bepaling van de loonwaarde zijn gesteld.
Artikel 8 Intrekken oude verordening en overgangsrecht In artikel 8 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen
een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude Participatie- of LKS
verordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze verordening. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude Participatie of LKS verordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 8, derde lid, geregeld
dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Dit uiteraard voor
zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Participatieverordening Participatiewet, lOAW
en lOAZ ISD BOL of de verordening LKS en loonwaarde 2018.
Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.
Voortzetten toegekende voorzieningen
Toegekende voorzieningen op grond van de Participatieverordening of de LKS en loonwaarde
verordening ISD BOL 2018 worden dus in beginsel behouden na inwerkingtreding van deze verordening.
13