Bijlage: was wordt tabel wmo verordening 2024-09-04
Tekst van het document
Was-wordt tabel m.b.t. de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum Op de volgende pagina’s vindt u de was-wordt tabel die hoort bij de nieuwe versie van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning. In de tabel zijn alleen de inhoudelijke veranderingen opgenomen (hieronder vallen ook veranderingen in de tekst die de leesbaarheid van de verordening verbeteren). Tekstuele aanpassingen die geen invloed hebben op de inhoud of de leesbaarheid van het artikel zijn niet meegenomen om te voorkomen dat de was-wordt tabel te omvangrijk wordt. Daarnaast (zoals ook in de tabel te lezen) is de artikelnummering gewijzigd door toevoegingen en/of het weglaten van artikelen in de nieuwe verordening. Dit hebben we in de tabel benoemd bij artikel 3 van de nieuwe verordening, we hebben ervoor gekozen om het daarna niet bij elk artikel opnieuw te benoemen. Als laatste, er is gekozen om geen was-wordt tabel te maken voor de toelichting op de verordening. We willen vooraf benadrukken dat we in de toelichting, naast tekstuele veranderingen (die geen inhoudelijke gevolgen hebben) om de leesbaarheid te verbeteren, vooral de veranderingen die in onderstaande tabel worden omschreven hebben verwerkt.
Was
Wordt
Toelichting
Artikel 1: Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Artikel 1: Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - algemeen gebruikelijke voorziening: een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel die niet exclusief bedoeld is voor individuen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, feitelijk toegankelijk is, adequaat bijdraagt aan het creëren van een omgeving die zelfredzaamheid of participatie van de client ondersteunt en financieel haalbaar is voor personen met een inkomen op het minimumniveau;
Aanpassing conform besluit van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 20-11-2019, nr. 18/3544 WMO15).
Artikel 4 tot en met 7 in de oude verordening worden vervangen door artikel 3 tot en met 5 in de nieuwe verordening conform de modelverordening VNG. Derhalve verspringt artikelnummering.
Artikel 5. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 3. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de cliënt op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van wet te overhandigen. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een persoonlijk plan. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Artikel 6. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de
Artikel 4. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt
-
algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;
Artikel 4. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. 3. In spoedeisende gevallen, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet, verstrekt het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Eenduidige definitie bepaling.
In essentie veranderd er weinig aan deze artikelen. We hebben de formulering van de modelverordening als uitgangspunt genomen om de leesbaarheid van de verordening te optimaliseren.
cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 7. Gesprek en onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c.
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te
uitgangspunt is, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet en wijst de cliënt en mantelzorgers op de mogelijkheid om hiervan gebruik te maken. Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt indien nodig zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. Voorafgaand aan dit gesprek wordt geïnventariseerd welke gegevens reeds bekend zijn, zodat herhaalde informatieverzoeken worden voorkomen. 2. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk: a. behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met
komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j.
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb), waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 3. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 4. Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel 8. Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 7 is gevoerd. b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 7 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. c.
Het college dat overigens gewenst vindt.
Artikel 6. Advisering 1. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies bij een door hem aangewezen adviesinstantie in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen adviesinstantie als bedoeld in lid 1. 3. Het college informeert de cliënt, zijn mantelzorger en zijn eventuele vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten over de uitkomsten en inhoud van het advies.
Leesbaarheid van het oude artikel is verbeterd in de nieuwe verwoording door herhaling te voorkomen.
Artikel 9. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt zo spoedig mogelijk een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen kunnen door of namens de cliënt aan het verslag worden toegevoegd voordat de cliënt of diens vertegenwoordiger het verslag tekent voor gezien.
Artikel 7. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt zo spoedig mogelijk een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen kunnen door of namens de cliënt aan het verslag worden toegevoegd voordat de cliënt of diens vertegenwoordiger het verslag tekent voor gezien. Indien er geen opmerkingen of latere aanvullingen zijn tekent cliënt het verslag eveneens voor gezien of akkoord en stuurt het naar het college
Toevoeging aan lid 3 ter volledigheid van het proces rondom verslaglegging.
HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 10. Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.
HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 8. Aanvraag 1. Een cliënt, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven. 2. Het college neemt het verslag als bedoeld in artikel 8 als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 3. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. 4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college ambtshalve een besluit nemen tot verstrekking van een voorziening indien het gaat om een aanpassing van een reeds toegekende voorziening.
Lid 1 en 2 uit de oude verordening zijn samengevoegd tot lid 1 in de nieuwe verordening om de leesbaarheid te verbeteren. Lid 2 en 3 van de nieuwe verordening zijn toegevoegd ter volledigheid. Lid 4 van de nieuwe verordening is toegevoegd om gedurende de looptijd van een voorziening maatwerk te kunnen blijven bieden aan de burgers.
Toevoeging artikel 9
Artikel 9. Beschikbare maatwerkvoorzieningen 1. De navolgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Hulp bij het huishouden; b. Begeleiding; c. Vervoer (van en naar dagbesteding); d. Collectief vraagafhankelijk vervoer; e. Kortdurend verblijf, logeeropvang, respijtzorg; f. Hulpmiddelen; g. Woningaanpassingen; h. Verhuiskostenvergoeding.
Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening neemt het college het verslag van het onderzoek als uitgangspunt. 2. Alle mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te regelen dat hij geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek eerst beoordeeld. 3. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere
Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit het sociale netwerk; v. met gebruikmaking van algemene voorzieningen; vi. andere voorzieningen. b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp;
De beschikbare maatwerkvoorzieningen zijn verplaatst om de opbouw van de verordening logisch te laten verlopen. Dit was voorheen onderdeel van artikel 2 van de verordening.
De volgorde van de leden is iets aangepast om de leesbaarheid te verbeteren. Daarnaast zijn een aantal leden weggelaten om herhaling te minimaliseren. Lid 4 en 5 van de nieuwe verordening zijn toegevoegd. Lid 4 was in de oude verordening artikel 12 lid 3. Deze is verplaatst om de indeling zo logisch mogelijk te hebben.
voorzieningen kan verminderen of wegnemen. b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 4. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in Hoofdstuk 2, artikel 7 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. b. De maatwerkvoorziening is een compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. c. het college kent in beginsel, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst adequate voorziening toe; d.
De maatwerkvoorziening dient langdurig noodzakelijk te zijn; e. Er is geen sprake van voorzienbaarheid. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had
iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit het sociale netwerk; v. met gebruikmaking van algemene voorzieningen; vi. andere voorzieningen. 2. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op het voorgaande lid in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. de maatwerkvoorziening levert, met inachtneming van de uitkomsten van het onderzoek zoals bedoeld in hoofdstuk 2, artikel 5, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit ter compensatie voor de beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen, die ertoe leiden dat de cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie; b. het college kent in beginsel, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst adequate voorziening toe; c. de maatwerkvoorziening dient langdurig noodzakelijk te zijn, tenzij het gaat om kortdurende hulp bij het huishouden of begeleiding, en de verstrekking leidt tot het verbeteren van de participatie en zelfredzaamheid, d.
als het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie; 3. Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de
kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. f. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 5. Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en b. het betreft een van de volgende voorzieningen: 1°. Verhuiskostenvergoeding; 2°. Bezoekbaar maken van een woning. c. de hoogte van de verhuiskostenvergoeding en het bezoekbaar maken van een woning wordt bij nadere regels bepaald.
cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en b. het een een van de volgende voorzieningen betreft, waarbij de hoogte bij nadere regels wordt bepaald: 1°. Verhuiskostenvergoeding; 2°. Een tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning; 4. Bij de toekenning van een maatwerkvoorziening voor vervoer ten behoeve van het verplaatsen binnen de regio geniet het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) het primaat boven de verstrekking van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming. Uitzondering hierop zijn de vervoersvoorzieningen die om medische redenen en/of andere zwaarwegende redenen niet ingevuld kunnen worden door de toekenning van een collectieve vervoersvoorziening. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening (in de vorm van CVV) wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, hiertoe wordt een maximale omvang bepaald in de nadere regels.
Artikel 12 weigeringsgronden Lid 1: d. Indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; j. Indien een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.
Artikel 11 weigeringsgronden. lid 1: i. deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; j. de cliënt of zijn huisgenoten bij gebruikelijke hulp onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek en de noodzaak en geschiktheid van de gevraagde voorziening hierdoor niet kan worden vastgesteld conform artikel 2.3.8 lid 3 van de wet; k. in het geval van een vervoersvoorziening: indien een veilige stallingsmogelijkheid ontbreekt en ook niet te realiseren is (met aanpassingen) in eigen woning, op eigen perceel of in het wooncomplex;
3. In afwijking van artikel 14 lid 6 sub k en artikel 2.3.5. lid 6 van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling verblijven slechts één woning bezoekbaar gemaakt worden.
Artikel 13. Onderscheid professionele en informele ondersteuning 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor diensten, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele ondersteuning en informele ondersteuning. 2. Van professionele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen of organisaties, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt dan wel personen woonachtig naast of tegenover de cliënt: a. een aanbieder die door de gemeente Brunssum voor ondersteuning in natura is gecontracteerd voor de betreffende dienstverlening; b. personen die werkzaam zijn bij een instelling die:
Lid 1. d is uit de oude verordening gehaald om herhaling te voorkomen. Lid 1. i is toegevoegd omdat een maatwerkvoorziening in principe gericht is op een individu en dus niet op het collectief. Lid 1. j is anders verwoord om het lid duidelijker en begrijpelijker te maken. Lid 1. k is toegevoegd omdat op het moment dat er geen veilige stallingsmogelijkheid aanwezig is, dit moet worden meegewogen om een naar behoren én daarbovenop een veilige vervoersvoorziening voor de cliënt af te kunnen geven. Lid 3 zoals benoemd in de nieuwe verordening is toegevoegd conform wetgeving (zie hiernaast welke artikelen van de Wmo). Artikel 13 is toegevoegd om het verschil tussen professionele en informele hulp te verduidelijken. Op deze wijze is het duidelijker voor de burger en zijn er duidelijke richtlijnen voor de toegang Wmo.
i.
ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 onderdeel b van het Handelsregisterwet 2007); ii. professionals inzet die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en die een salaris of vergoeding ontvangen dat daarmee overeenkomstig is; iii. werkt conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een erkende/geldende methodiek onderdeel is; iv. voldoet aan de overige kwaliteitseisen die voor de betreffende dienst in natura worden gesteld of door het college is vastgesteld dat de kwaliteit van de geboden dienstverlening daaraan gelijkwaardig is; c. personen die aangemerkt zijn als zelfstandigen zonder personeel (zzp) die:. i. ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 onderdeel b Handelsregisterwet 2007); ii. beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; iii. werken conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een erkende/geldende methodiek onderdeel is; iv. voldoen aan de overige kwaliteitseisen die voor de betreffende dienst in natura worden gesteld of door het college is vastgesteld dat de kwaliteit van de geboden dienstverlening daaraan gelijkwaardig is; 3.
Informele ondersteuning is: a. ondersteuning die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, of personen die (werkzaam zijn
bij een instelling die) niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. ondersteuning die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, of werkzaam zijn bij een aanbieder die voldoet aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt dan wel woonachtig zijn naast of tegenover cliënt; Artikel 14 Regels voor PGB 3. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in het plan zoals bedoeld in het vierde lid onder a: a. waarom voor cliënt een persoonsgebonden budget nodig is, en; b. waarom voor cliënt zorg in natura niet passend is, en; c.
waar middels het persoonsgebonden budget de ondersteuning zal worden ingekocht, en;
d. op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen tot de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is, en; e. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; f.
hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat degene die de diensten verleent voor aanvang van de
Artikel 14 regels voor PGB 3. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in het plan zoals bedoeld in het vierde lid onder a: a. waarom voor cliënt een persoonsgebonden budget nodig is, en; b. waarom voor cliënt zorg in natura niet passend is, en; c. waar middels het persoonsgebonden budget de ondersteuning zal worden ingekocht, en; d. op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen tot de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is, en; e. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel met een curator, mentor of gemachtigde, in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; f. hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat degene die de diensten verleent voor aanvang van de dienstverlening over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens beschikt, die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voorafgaand
Toevoeging extra eisen (PGB vaardigheidslijst o.b.v. de 10 punten pgb-vaardigheid van het ministerie van VWS) t.b.v. de controle aan de voorkant m.b.t. het gebruik van PGB. De PGB vaardigheidslijst is te vinden in de toelichting van de verordening. In het kader van artikel 2.1.3. lid 4 Wmo 2015 regels aan budgetbeheer PGB. Met behulp van VOG is misbruik van het budget beter te voorkomen. Tevens heeft er een splitsing plaatsgevonden. In het nieuwe artikel 15 is opgenomen hoe de hoogte van het PGB wordt vastgesteld. Dit maakt de verordening beter leesbaar.
dienstverlening over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens beschikt, die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de organisatie, ondernemer of de cliënt ging werken.
aan de datum waarop cliënt een melding heeft gedaan. In het geval dat een ander dan de cliënt de beheerder is van het persoonsgebonden budget, dient deze beheerder te beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag, zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voorafgaand aan het moment waarop cliënt een melding heeft gedaan voor het persoonsgebonden budget; g. hoe naar zijn mening adequaat invulling wordt gegeven aan elk van de tien punten van de pgb-vaardigheidslijst; Artikel 15. Hoogte PGB 1. De hoogte van een pgb: a. wordt mede gebaseerd aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; 2. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a.
een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; b. hulp bij het huishouden als er sprake is van informele ondersteuning, op basis van de volgende componenten:
Volledigheidshalve is het artikel in deze tabel weergegeven, zodat duidelijker zichtbaar is wat er is aangepast (met name onderscheid professionele- en informele ondersteuning).
i. de kosten van de beroepskracht conform CAO VVT; ii. vakantiegeld; iii. vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; c. hulp bij het huishouden uitgevoerd door professionele ondersteuning, op basis van de volgende componenten: i. de kosten van de beroepskracht conform CAO VVT; ii. vakantiegeld; iii. tegenwaarde vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; vi. werkgeverslasten; d. individuele begeleiding indien er sprake is van informele ondersteuning, op basis van de volgende componenten: i. de kosten van de beroepskracht conform FWG 40/45 van CAO Gehandicaptenzorg; ii. vakantiegeld; iii. tegenwaarde vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; e. individuele begeleiding uitgevoerd door professionele ondersteuning op basis van de volgende componenten: i. de kosten van de beroepskracht conform FWG 40/45 van CAO Gehandicaptenzorg; ii. ii. vakantiegeld; iii. tegenwaarde vakantiedagen; iv. indirecte tijd als gevolg van scholing en overleg; v. reis- en opleidingskosten; vi. werkgeverslasten; f. groepsbegeleiding en dagbesteding: uitgevoerd door professionele ondersteuning op basis van het tarief zoals vastgesteld door Zorginstituut Nederland voor PGB bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg;
3.
4.
g. kortdurend verblijf- en respijtzorg: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg; h. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren; i. taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 1500 kilometers per jaar; j. een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd wanneer deze in natura zou worden verstrekt; k. het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd aan de hand van de gestandaardiseerde prijslijst die in de nadere regels en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer; Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een informele ondersteuner als: a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het vierde en vijfde lid gehanteerde tarief, en b.
informele ondersteuning kan voor op onverplichte basis verleende maatschappelijke ondersteuning, in de vorm van kortdurend verblijf, een tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand worden betaald. Dit bedrag kan beschikbaar gesteld worden voor maximaal 1 persoon; c. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald; Bij professionele ondersteuning dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
a.
5.
6.
Artikel 13 inhoud beschikking
de norm voor verantwoorde zorg zoals omschreven in het kwaliteitskader; b. gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak als onderdeel van verantwoorde zorg; c. systematische kwaliteitsbewaking; d. een meldplicht ten aanzien van calamiteiten en geweld; Bij informele ondersteuning dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: a. een meldplicht ten aanzien van calamiteiten en geweld. Het college kan nadere regels stellen voor proceskeuzes en aanvullende eisen met betrekking tot pgb.
Artikel 16 inhoud beschikking Lid 3 sub a: welke variant van het persoonsgebonden budget wordt gekozen; Lid 3 sub h: de wijze waarop adequaat invulling wordt gegeven aan elk van de tien punten volgend uit de pgb-vaardigheidstoets;
Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
Lid 3 sub a is toegevoegd ter volledigheid van de beschikking. Lid 3 sub h is toegevoegd in lijn met artikel 14 lid 3g.
Artikel 18. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 4. Het college kan een pgb weigeren indien eerder toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10 van de wet zoals genoemd in lid 3 a, d en e van dit artikel.
Extra weigeringsgrond toegevoegd conform wetgeving (artikel 2.3.10 van de Wmo 2015).
HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten Artikel 21. Aanbod algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Was- en strijkservice b. Wijkbelbus c. Boodschappenplusbus
De beschikbare algemene voorzieningen zijn verplaatst om de opbouw van de verordening logisch te laten verlopen. Dit was voorheen onderdeel van artikel 2 van de verordening.
d. e. f. g. h. i.
Dagopvang (huiskamertref) Sociale eettafels en maaltijdvoorziening Beweegprogramma’s De scootmobiel- en rolstoelpool Algemeen maatschappelijk werk Open inloop (algemeen en GGZ)
Artikel 20. Algemene voorzieningen en bijdrage in de kosten 3. Op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder a. is een korting van 100% van toepassing, voor cliënten met een indicatie hulp bij het huishouden.
Artikel 22. Algemene voorzieningen en bijdrage in de kosten 3. Op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder a van dit artikel, kan een volledige vrijstelling worden toegepast voor cliënten, indien naar het oordeel van het college de (gedeeltelijke) overname van de wasen strijkverzorging noodzakelijk wordt geacht vanuit medisch oogpunt.
Aanpassing n.a.v. andere benadering was- en strijkservice: kijken of een (gedeeltelijke) overname van de wasen strijkverzorging noodzakelijk wordt geacht vanuit medisch oogpunt.
Artikel 21. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
Artikel 23. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 4. Voor een cliënt tot 18 jaar wordt geen eigen bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het eerste lid, gehanteerd voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van een woningaanpassing. De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van een woningaanpassing voor een cliënt tot 18 jaar is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders conform artikel 2.1.5 van de wet.
Toevoeging lid 4 conform wetgeving (artikel 2.1.5 van de Wmo).
Artikel 23. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Hoofdstuk 5: Kwaliteit en veiligheid Artikel 25. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. sub f. beroepskrachten die in contact kunnen komen met cliënten spreken en schrijven de Nederlandse taal op NT2 niveau. 3. Het college kan bij nadere regels aanvullende kwaliteitseisen stellen aan aanbieders in het kader van maatschappelijke ondersteuning.
Toevoeging van lid 1 sub f om de kwaliteit rondom de communicatie tussen hulpverlener en cliënt te stroomlijnen. Gekozen is voor NT2 omdat op dit niveau de vaardigheden beschikbaar zijn om op een basis niveau in het Nederlands te communiceren. Lid 3 is toegevoegd t.b.v. stellen nadere regels met betrekking tot kwaliteitseisen.
Artikel 25. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Cliënten kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor het ontvangen van een jaarlijks blijk van waardering voor de mantelzorger(s) van cliënten. Een cliënt kan maximaal één aanvraag per kalenderjaar doen voor de waardering zoals vermeldt in lid 2 onder b en c. 2. De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit: a. een uitnodiging voor de dag van de mantelzorger en wordt jaarlijks in overleg met het steunpunt mantelzorg en de SMO-raad georganiseerd. b. een financiële waardering, het mantelzorgcompliment, van ten hoogste €70,00. c.
Een praktische vorm van waardering via het project een mantelzorger verdient een betere buur (in de vorm van kleine klusjes in en om het huis)
3. Het college kan bij nadere regeling regels stellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente
Artikel 27. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Cliënten kunnen door middel van een aanvraag bij het college in aanmerking komen voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorger(s) van cliënten. Een cliënt kan maximaal één aanvraag per kalenderjaar doen voor de waardering. 2. Het college kan bij nadere regeling regels stellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners van de gemeente Brunssum.
Lid 3 uit de oude verordening geeft voldoende ruimte om in de nadere regels invulling te geven aan de mantelzorgwaardering. Hierdoor is het niet nodig om in de verordening al uiteen te zetten waaruit de waardering bestaat. Om de leesbaarheid van de verordening te bevorderen zal lid 2 van de oude verordening verwijderd worden.