CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente Brunssum37.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:10 worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. AFDELING 4. BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3:15 Wijziging beheer 1. Indien een beheerder, bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.

Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. AFDELING 5. OVERIGE BEPALINGEN Artikel 3:16. Verbodsbepalingen klanten 1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostitué(e) van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij/zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksinrichting is verleend. 2. Het is verboden op of aan de weg of op of aan een andere openbare plaats gebruik te maken van de diensten van een prostitué(e).

HOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE AFDELING 1. VOORKOMEN OF BEPERKEN VAN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING Artikel 4:1 definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; b. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; c. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; g. onversterkte muziek: muziekgeluid afkomstig uit akoestische instrumenten en andere attributen, die gebruikt worden voor het produceren van geluid (waaronder ook de menselijke stem) zonder dat dit geluid elektronisch wordt versterkt. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

Als collectieve festiviteit worden aangewezen: Carnavalszaterdag tot en met carnavalsdinsdag, Koningsdag, Oudejaarsavond en eenmaal in de vier jaar de dagen dat de Worldfestival Parade Brunssum plaats vindt. 2. De geluidsnormen bedoeld in afdeling 2.8 Geluidhinder van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet ten tijde van de collectieve festiviteiten bedoeld in het eerste lid. 3. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht, bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 4. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 5. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 20 dB(A) boven de reguliere grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedragen. 6. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 7.

Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in afdeling 2.8 Geluidhinder van het Activiteitenbesluit milieubeheer, uiterlijk om 2.00 uur beëindigd. Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in afdeling 2.8 Geluidhinder van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting mag niet meer dan 20 dB(A) boven de reguliere grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedragen. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in afdeling 2.8 Geluidhinder van het Activiteitenbesluit milieubeheer, uiterlijk om 2.00 uur beëindigd. 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Vervallen.

Artikel 4:5 Geluidhinder van technische/mechanische apparaten Voor het in de buitenlucht in gebruik hebben van een of meer technische en/of mechanische installaties waaronder in ieder geval inbegrepen een warmtepomp en airco-, die niet vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Bouwbesluit, dient aan de volgende regels te worden voldaan: a. het gemiddelde geluidsniveau LAr,LT, op de gevel van een naastgelegen gevoelig gebouwwaaronder in ieder geval wordt verstaan een woning- of op 5 meter van het apparaat als het gevoelige gebouw verder weg staat, mag niet meer bedragen dan 30 dB(A); b. de in a genoemde waarde op de gevel geldt ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de controle op de voorschriften vindt plaats conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, met uitzondering van de toeslag totaal. Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Omgevingsverordening Limburg 2014. AFDELING 2. BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel 4:7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

AFDELING 3 BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN Artikel 4:10 Bescherming bomen Vervallen. AFDELING 4 BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA Artikel 4:11 Bescherming groenvoorzieningen Vervallen. Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege Vervallen. AFDELING 4. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.

Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Limburg 2014. Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen Vervallen. Artikel 4:15 Reclame 1.Voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding dient aan de volgende regels te worden voldaan: a. Het verkeer mag niet in gevaar worden gebracht. b. De handelsreclame dient hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving te voldoen aan de redelijke eisen van welstand. c. Er mag geen ernstige hinder ontstaan voor de omgeving. d. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3.

van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame Vervallen.

AFDELING 5. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan of beheersverordening is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing. Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.

Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid. HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE AFDELING 1. PARKEEREXCESSEN Artikel 5:1 Definities Vervallen. Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren; binnen een cirkel met een straal van vijfentwintig meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is op een openbare plaats in de gehele gemeente Brunssum verboden meer dan één auto per huishouden te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Omgevingsverordening Limburg 2014. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:7 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:8 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op de openbare weg binnen de bebouwde kom. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het openbaar parkeerterrein gelegen aan de Molenvaart. 3.

Het verbod in het eerste lid is verder niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 uur tot 18.00 uur.

4. Het verbod in het eerste lid is ook niet van toepassing op: a. campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden b. touringcars van gezelschappen die Brunssum bezoeken; c. voertuigen die ingezet worden ten behoeve van calamiteitenbestrijding op de weg. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen Vervallen. Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen Vervallen. AFDELING 2. COLLECTEREN Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurswerving 1. Voor het houden van een openbare inzameling van geld of goederen of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd, dient aan de volgende regels te worden voldaan: a. Er moet uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan de collecte of werving melding zijn gedaan aan het college. b. Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving is het slechts toegestaan te collecteren in de vrije periodes van dat rooster en voor zover het gaat om een Brunssumse aangelegenheid. c.

De collectanten of wervers moeten minstens 14 jaar zijn, voorzien zijn van een legitimatiebewijs en beschikken over een document van de organisatie waarvoor zij collecteren. d. Collecteren of werven is toegestaan op maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 uur en 21.00 uur. e. Indien collectebussen worden gebruikt, dienen deze te zijn verzegeld en voorzien te zijn van een opschrift.

f. Indien wordt gecollecteerd met behulp van enveloppen dient hierop duidelijk te zijn vermeld waarvoor wordt gecollecteerd. g. Na de inzameling dienen de bussen of de giften-enveloppen in het bijzijn van twee personen en onder rechtstreekse leiding van de organisator te worden geopend en de opbrengst te worden geteld. h. Binnen een week na afloop van de collecte moet de opbrengst hiervan worden medegedeeld aan het college. i. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden. 4. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. AFDELING 3. VENTEN Artikel 5:14 Definitie 1.

In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis; 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. Artikel 5:15 Venten 1. Voor het venten dient aan de volgende regels te worden voldaan: a. Er moet uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het venten melding zijn gedaan aan het college. b. De venter moet minstens 18 jaar zijn en voorzien zijn van een legitimatiebewijs. c. Venten is toegestaan op maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 uur en 21.00 uur; op zondag tussen 09.00 uur en 21.00 uur is venten toegestaan indien het betreft voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken. d.

De venter mag geen overlast veroorzaken voor winkelend publiek en overige voetgangers en gebruikers van de openbare ruimte. e. De venter mag zich niet ophouden op of nabij hoeken van wegen. f. De venter mag zich niet ophouden binnen een afstand van 50 meter, gemeten langs de straat, van een winkel of een standplaats die dezelfde of soortgelijke waren, goederen of diensten aanbiedt als waarmee wordt gevent. g. Er mag geen gebruik worden gemaakt van een geluidsinstallatie of megafoon. h. De venter is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden. i. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

3. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:16 Afbakeningsbepalingen Vervallen. AFDELING 4. STANDPLAATSEN Artikel 5:17 Definitie 1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan of beheersverordening. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b.

een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg 2014. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Artikel 5: 21 Vervallen. AFDELING 5. SNUFFELMARKTEN Artikel 5:22 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen. 2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Voor het organiseren van een snuffelmarkt dient aan de volgende regels te worden voldaan: a. Er moet uiterlijk tien werkdagen voorafgaand aan de snuffelmarkt melding zijn gedaan aan de burgemeester waarbij in ieder wordt vermeld: 1. naam en adres van de organisator; 2. adres van het gebouw waar de snuffelmarkt wordt gehouden; 3. de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden; 4. de frequentie van het houden van de snuffelmarkt; 5. het soort van de goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld; 6. het aantal standplaatsen; en 7. het te verwachten aantal bezoekers. b. De snuffelmarkt mag niet in strijd zijn met het geldend bestemmingsplan of beheersverordening. c. De organisator is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden. d. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. 2.

De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van de snuffelmarkt als bedoeld in het eerste lid te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt dan wel bepaalde voorschriften hieraan te verbinden. 3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 4. De burgemeester kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. AFDELING 6. OPENBAAR WATER Artikel 5:24 Vervallen. Artikel 5:25 Vervallen. Artikel 5:26 Vervallen. Artikel 5:27 Vervallen. Artikel 5:28 Vervallen. Artikel 5:29 Vervallen. Artikel 5:30 Vervallen. Artikel 5:31 Vervallen.

AFDELING 7. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b.

binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg 2014 aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. AFDELING 8. VUURVERBOD Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden, 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg 2014. AFDELING 9. ASVERSTROOIING Artikel 5:35 Definitie In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5:36 Verboden plaatsen 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a. 4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:37 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Artikel 5:38 Gedoogplicht aanduidingen Vervallen Artikel 5: 39 Verwijdering en dergelijke aanduidingen Vervallen HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6:1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde alsook het niet opvolgen van krachtens deze verordening gegeven politiebevelen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 eerste lid en 2:11 eerste lid als er sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit. Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de buitengewone opsporingsambtenaren die in dienst zijn van de gemeente Brunssum en zijn beëdigd op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar. 2.

Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekend gemaakt. 2. Op dat moment vervalt de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Brunssum 2021, vastgesteld bij raadsbesluit van 6 juli 2021. Artikel 6:5 Overgangsbepalingen 1. Besluiten die van kracht worden op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Brunssum 2021 en waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening 2. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning is ingediend waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, dan wordt daarop deze verordening toegepast.

Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Brunssum 2021, eerste wijziging. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van De Raad voornoemd, voorzitter. griffier.

1 Raadsvoorstel 99 (bijlage) Toelichting wijziging APV 2021 - APV 2022.docx

Toelichting wijziging APV 2021 APV 2022. Bijlage bij raadsvoorstel 2021/99 1. Invoering specifiek lachgasverbod Artikel 2:48a Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). 2. Maatregelen tegen misbruik van -jeugdige- prostitué(e)s.

Naar aanleiding van controles op mensenhandel, in het bijzonder in de prostitutiebranche, wordt geconcludeerd dat het zeer wenselijk is om als gemeente te beschikken over instrumentarium gericht op bescherming van -jeugdige- prostitué(es). We willen meer kunnen doen tegen misbruik. Omdat de behandeling van het Wetsvoorstel regulering sekswerk, die op dit thema ziet, stilligt, gaan we in afwachting van de inwerkingtreding van die wet, toch alvast lokaal enkele zaken regelen. Dit doen we door de artikelen 3:8a en 3:16 in onze APV op te nemen. Artikel 3:8a. Leeftijd en verblijfstitel prostitué(e)s; verbod werken voor onvergunde seksinrichting 1. Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostitué(e) die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. 2. Het is een exploitant verboden een prostitué(e) voor of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; 1

b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. 3. Het is een prostitué(e) verboden: a. te handelen in strijd met het eerste lid; b. werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksinrichting is verleend. Met dit voorschrift wordt – net als voor de exploitant van een seksinrichting – een leeftijdseis voor prostitué(e)s geïntroduceerd. Met name jonge prostitué(e)s zijn vatbaar voor en slachtoffer van misstanden als dwang, misbruik en mensenhandel zijn. Bovendien zijn prostitué(e)s van 21 jaar en ouder weerbaarder dan zeer jonge prostituees en is de kans groter dat ze over een startkwalificatie beschikken, waarmee de eventuele economische druk om te kiezen voor de prostitutie lager is en bovendien een eventuele gewenste uitstap vergemakkelijkt wordt. Het stellen van een leeftijdgrens wordt als passend en noodzakelijk middel beschouwd om deze misstanden te bestrijden. Daarmee is het onderscheid naar leeftijd objectief gerechtvaardigd door een legitiem doel. Bovendien zijn de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk. Hierdoor levert het onderscheid naar leeftijd geen strijd op met het verbod van leeftijdsdiscriminatie.

Uit het tweede lid volgt dat de exploitant moet voorkomen dat er bij zijn bedrijf prostitué(e)s werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Daarnaast mag ook van de prostitué(e) worden verlangd dat hij/zij een bijdrage levert aan sanering van de seksbranche. Als de prostitué(e) bewust ervoor kiest om in strijd met de leeftijdseis aan de slag te gaan of om te werken in de illegale prostitutie, dan moet ook hij/zij daarvoor aansprakelijk kunnen worden gehouden (derde lid). Artikel 3:16. Verbodsbepalingen klanten 1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostitué(e) van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij/zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksinrichting is verleend. 2. Het is verboden op of aan de weg of op of aan een andere openbare plaats gebruik te maken van de diensten van een prostitué(e). Dit artikel richt zich niet tot exploitanten of prostitué(e)s, maar tot hun (potentiële) klanten en is daarmee complementair aan enkele andere bepalingen van hoofdstuk 3, die zich richten tot de exploitant en de prostitué(e). Kort gezegd is het verboden om gebruik te maken van de diensten van een prostitué(e) die werkzaam is in het illegale circuit.

Het in het eerste lid opgenomen verbod kan enkel aan de klant worden tegengeworpen voor zover hem enig verwijt kan worden gemaakt, bijvoorbeeld als de seksuele handelingen (zullen) plaatsvinden in een kennelijk onvergunde seksinrichting, hetgeen uit de wijze van adverteren kan worden afgeleid. 3. Wijziging artikel 2:78 APV inzake woonoverlast Een wijziging van artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet, waarbij de zinsnede «aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven» vervalt, betekent dat we diezelfde wijziging doorvoeren in artikel 2:78 in de APV. De burgemeester kan een gedragsaanwijzing opleggen aan de verhuurder als deze zich niet, of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder. De burgemeester kan dit direct doen en hoeft daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Eerder kon een 2

gedragsaanwijzing al aan verhuurders worden opgelegd, als hun huurders niet waren ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Denk aan toeristen en arbeidsmigranten die korter dan 4 maanden in Nederland verblijven. Nu is het ook mogelijk voor alle verhuurders, ongeacht wel of geen BRP-inschrijving van hun huurders. Dus ook voor huisjesmelkers en uitzendbureaus die panden verhuren en waar huurders ernstige en herhaaldelijk overlast veroorzaken. Artikel 2:78 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratiepersonen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan bij schending van deze zorgplicht aan de overtreder een last onder bestuursdwang of onder dwangsom opleggen. Daarbij kunnen aanwijzingen worden gegeven over wat de overtreder doet of nalaat om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van zijn bevoegdheid. 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij: a. ernstige en herhaalde geluid- of geurhinder; b.

ernstige en herhaalde hinder van dieren; c. ernstige en herhaalde hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn; d. ernstige en aanhoudende overlast door vervuiling of verwaarlozing van de woning of het erf; e. intimidatie van derden vanuit de woning of op of vanaf het erf. 4. Heling. Art. 2:67 Voor het tegengaan van heling wordt binnen SVBBL het project Digitaal Opkopers Register (DOR) en Digitaal Opkopers Loket (DOL) uitgevoerd. In het DOL schrijven opkopers zich digitaal als zodanig in. In het DOR moeten zij de gegevens noteren van producten die zij opkopen en verkopen. Momenteel mogen zij dit nog schriftelijk bijhouden. Voordeel van het digitale systeem is dat de politie direct kan controleren op geregistreerde gestolen goederen. In het kader van het project gaan we de ondernemers informeren en hen stap voor stap meenemen in de overgang. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister. 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in het Digitaal Opkopers Register (DOR) en daarin op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c.

een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. een duidelijke kleurenfoto van een goed dat geen of een onleesbaar uniek serienummer, of een ander herleidbaar uniek kenmerk, bezit; e. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en f. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 1. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 2. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 3

5. Verduidelijking artikel 6:5. Overgangsbepalingen 1. Besluiten of daarop genomen bezwaarschriften, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 1. Besluiten die van kracht waren op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Brunssum 2021 en waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning is ingediend waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, dan wordt daarop deze verordening toegepast.

4

1 Raadsvoorstel 99 (bijlage) Notitie inzake het invoeren van een verbod op carbidschieten tijdens de jaarwisseling 2021.docx

Notitie ten behoeve van de raad inzake het invoeren van een verbod op carbidschieten tijdens de jaarwisseling 2021-2022 Onderwerp: Verbod op carbidschieten opnemen bij komende actualisering van de APV in december. Aanleiding Binnen de Veiligheidsregio Zuid-Limburg hebben de burgemeesters besproken dat het wenselijk is om bij de komende jaarwisseling in aanvulling op het landelijk vuurwerkverbod een verbod op carbidschieten te hebben door opname daarvan in de Algemene plaatselijke verordening (APV). Probleemstelling Eind 2020 is een verbod op carbidschieten in de APV opgenomen, maar omdat de raad bepaalde dat dat eenmalig zou zijn, is dat verbod in juli 2021 weer uit de APV gehaald. Als we zo’n verbod voor de komende jaarwisseling willen invoeren dan moet de APV hierop worden aangepast. Nu is al een raadsvoorstel tot actualisering van de APV in procedure richting de raadsvergadering van 21 december. Het verbod op carbidschieten kan hierin nog worden meegenomen. Het is dezelfde regeling als vorig jaar. Doel Het is de bedoeling om aan de reeds voorziene actualisering van de APV in december 2021 een verbod voor carbidschieten toe te voegen. Dat kan door het opnemen van artikel 2:73a in de APV. Zie hierna. Argumenten en overwegingen - Het rijk heeft in verband met de ontwikkelingen rondom de coronapandemie ook voor de komende jaarwisseling een landelijk vuurwerkverbod ingesteld.

Met het verbod wil de regering de zorg en handhaving ontlasten. Carbid wordt niet als vuurwerk aangemerkt en het schieten ermee valt dan ook niet onder dit landelijk verbod. Maar ook bij carbidschieten kunnen slachtoffers vallen, waardoor de druk op de zorg nog meer toeneemt. En daarnaast kan het groepsvorming opleveren, wat weer coronabesmettingen tot gevolg kan hebben. - Binnen het verband van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg hebben de burgemeesters besproken dat het wenselijk is om in alle gemeenten in Zuid-Limburg een verbod op carbidschieten te hebben en voor zover nodig de raden voor te leggen om dit in te voeren. - Het verbod biedt de politie een extra handvat om op te treden in aanvulling op bestaande regelingen, die in de praktijk minder gemakkelijk toepasbaar zijn.

Opties en keuzes Het is aan de raad, die beslist over het opnemen van het verbod in de APV. Als dat verbod niet wordt opgenomen dan: - wordt de lijn van het landelijk vuurwerkverbod voor carbidschieten niet doorgetrokken. - wijken we als gemeente af van de lijn die door de burgemeesters in de Veiligheidsregio ZL als bijzonder wenselijk is in de huidige omstandigheden. Zie ook onder argumenten en overwegingen.

1

Voorstel Een verbod op carbidschieten in de Algemene Plaatselijke Verordening opnemen:

Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een bus, container of opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2. Het is verboden om in de open lucht met carbid te schieten. 3. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben enig voorwerp, waarvan gelet op zijn aard of de omstandigheden waaronder dat wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit is bestemd voor carbidschieten. 4. Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Toelichting artikel 2:73a Carbidschieten Carbidschieten valt niet onder het Vuurwerkbesluit en is daarom niet verboden. In Brunssum kwam tot nog toe carbidschieten niet veel voor en er is ook geen vereniging of groep die dat jaarlijks organiseert. Nu er een landelijk vuurwerkverbod is afgekondigd, is het wenselijk om in aanvulling daarop een verbod op carbidschieten in te voeren. Mogelijk vindt er een verschuiving plaats naar carbidschieten als alternatief voor vuurwerk afschieten.

In een dichtbebouwde woongemeente als Brunssum is het schieten met carbid (en soortgelijke stoffen) niet alleen overlast gevend maar ook gevaarlijk voor personen, dieren en goederen. In het derde lid is een verbod opgenomen om de desbetreffende spullen te vervoeren of bij zich te hebben, als zij zijn bestemd voor carbidschieten.

2

1 Raadsbesluit 99 (versie 2) vaststelling Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Brunssum 2021, eerste wijziging.pdf

9 gemeente

Brvnssim

Raadsvoorstel Collegeverg. d.d. Registratiekenmerk Gemeentebladnr. Afdeling opsteller Naam opsteller Bereikbaar onder Portefeuillehouder Raadsvergadering d.d. Uiterlijke datum

: 16 november 2021 :2001526 : 2021/99 versie 2 : Bestuurszaken : Marian de Jong, de : +31455278653, marian.de.jong@brunssum.nl : Wilma van der Rijt, van der : <Vul hier de vergaderdatum in> : Niet van toepassing

Aan de raad,

1.

Onderwerp

Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Brunssum 2021; vaststelling Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Brunssum 2021, eerste wijziging.

2.

Uitgangssituatie (WAAROM?)

a.

Aanleiding

In juli 2021 heeft de raad een geactualiseerde Algemene Plaatselijke Verordening (APV) vastgesteld. Er is aanleiding om -tussentijds- enkele aanpassingen in deze APV door te voeren en derhalve de APV opnieuw te actualiseren. Dat betreft met name: 1. Een specifiek verbod op overlast gevend lachgasgebruik. De VNG doet een voorstel hiervoor. In Brunssum bestaat de bestuurlijke/politieke wens om een dergelijke regeling in de APV op te nemen. 2. Enkele bepalingen gericht op het tegengaan van misbruik van -jeugdige- prostitué(e)s. Naar aanleiding van geconstateerde misstanden bij controles in het kader van aanpak mensenhandel is het wenselijk om te beschikken over bestuursrechtelijke maatregelen om hiertegen op te treden. In de APV leggen we hiervoor de basis.

b.

Huidige situatie/probleemstelling

1. Een specifiek verbod op overlast gevend lachgasgebruik is een bestuurlijke/politieke wens. Omdat een landelijk verbod op het oneigenlijk gebruik van lachgas op zich laat wachten, wordt bij het optreden hiertegen gebruik gemaakt van bestaande juridische regelingen. Ook de APV van Brunssum bevat enkele bepalingen waarmee optreden mogelijk is. Op verzoek van een aantal gemeenten heeft de VNG afgelopen jaar nogmaals gekeken naar de mogelijkheid van een specifieke regeling in de gemeentelijke APV. Die is gepresenteerd. De bestuurlijke/politieke wens bestaat om deze regeling ook in onze APV op te nemen.

gemeente

Bnpnssifm

2. We willen meer kunnen doen tegen misbruik van -jeugdige- prostitué(e)s. Naar aanleiding van controles op mensenhandel, in het bijzonder in de prostitutiebranche, concluderen we dat het meer dan wenselijk is om te beschikken over bestuursrechtelijke maatregelen gericht op bescherming van -jeugdige- prostitué(es). De basis hiervoor leggen we in twee nieuwe bepalingen in onze APV. 3. Een wijziging van het eerste lid van artikel 151d van de Gemeentewet maakt het noodzakelijk om in de lokale regeling inzake woonoverlast in artikel 2:78 APV dezelfde wijziging door te voeren. 4. Verder is een wijziging van artikel 2:68 (heling) nodig in verband met de invoering van een digitaal opkopersregister, en een verduidelijking van het eerste lid van artikel 6:5 (overgangsbepalingen).

3.

Gewenste situatie (WAT?

a.

Wat willen we bereiken?

We willen dat Brunssum beschikt over: a. een actuele APV, die voldoet aan hogere wet- en regelgeving; een APV die goed leesbaar is en voorschriften bevat, die in voorkomend geval een rechterlijke toets kunnen doorstaan; b. een APV, die het geschikte instrumentarium biedt voor de realisering van het gemeentelijk beleid op gebied van leefbaarheid en veiligheid. De thans voorliggende voorstellen betreffen: - Een specifiek verbod op overlastgevend lachgasgebruik. Nieuw artikel 2:48a. - Twee nieuwe bepalingen die het de gemeente mogelijk maken om op te treden tegen misbruik van jeugdige prostitué(e)s. Artikel 3:8a richt zich tot de prostitué(e) en de exploitant van een seksinrichting. Artikel 3:16 richt zich tot potentiële klanten. - Een wijziging van het eerste lid van artikel 151d van de Gemeentewet maakt het noodzakelijk om de lokale regeling inzake woonoverlast in artikel 2:78 APV op datzelfde punt te wijzigen. - Een aanpassing van artikel 2:67 (heling) in verband met de invoering van een digitaal opkopersregister. - Een verduidelijking van de formulering van artikel 6:5 lid 1 inzake overgangsbepalingen.

b.

Kaders

1. 2.

Eerdere besluitvorming (traject tot dusverre): Nvt Rol/ bevoegdheden college van B en W: het college bereidt een voorstel aan de raad voor. De raad besluit over de APV. Algemene beleidskaders (landelijk/ provinciaal/ lokaal): Gemeentewet en diverse specifieke wetten. Past het voorstel in de strategische visie/ relatie met uitvoeringsagenda? Ja Relatie met programmabegroting/ financiële gevolgen: Er zijn geen extra kosten gemoeid met de invoering van de wijzigingen in de APV. Evenmin zijn er aanwijsbare risico's.

3. 4. 5.

gemeente

Brvnssvm

« c. Argumenten en overwegingen De belangrijkste wijzigingen betreffen 1. Een specifiek verbod op oneigenlijk gebruik van lachgas dat leidt tot overlast in een nieuw artikel 2:48a. Er wordt, naar de bestuurlijke/politieke wens, een voorstel gedaan om een specifiek verbod op het oneigenlijk gebruik van lachgas in de APV op te nemen, in artikel 2:48a. Omdat een landelijk verbod op het oneigenlijk gebruik van lachgas nog even op zich laat wachten, wordt bij het optreden hiertegen gebruik gemaakt van bestaande juridische regelingen. Ook de APV van Brunssum bevat enkele bepalingen waarmee optreden mogelijk is. Op verzoek van een aantal gemeenten heeft de VNG nogmaals gekeken naar de mogelijkheden van een specifieke regeling in de gemeentelijke APV. Die is gepresenteerd. Bestuurlijk/politiek bestaat de wens om een dergelijke regeling ook in onze APV op te nemen. 2. De nieuwe artikelen 3:8a en 3:16, die het de gemeente mogelijk maken om op te treden tegen misbruik van jeugdige- prostitué(e)s. Artikel 3:8a richt zich tot de prostitué(e) en de exploitant van een seksinrichting. Artikel 3:16 richt zich tot potentiële klanten. We willen meer kunnen doen tegen misbruik van -jeugdige- prostitué(e)s.

Naar aanleiding van controles op mensenhandel, in het bijzonder in de prostitutiebranche, concluderen we dat het meer dan wenselijk is om te beschikken over bestuursrechtelijke maatregelen gericht op bescherming van -jeugdige- prostitué(es). De basis hiervoor leggen we in de artikelen 3:8a en 3:16 in onze APV. Dit doen we ook omdat we verwachten dat inwerkingtreding van de Wet regulering sekswerk nog zeker enige tijd zal duren. 3. Wijziging artikel 2:78 APV inzake woonoverlast. In het eerste lid van artikel 2:78 APV wordt de zinsnede "aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven" geschrapt. De wijziging heeft tot gevolg dat de burgemeester in alle gevallen direct de verhuurder aan kan spreken bij zeer ernstig overlast gevend gedrag van huurders. De burgemeester kan dit direct doen en hoeft daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. In de bijlage Toelichting wijziging APV 2021------>APV 2022 wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de voorgestelde wijzigingen. d. Opties en keuzes Het is aan de raad om te oordelen over de voorstellen voor wijziging van de APV. In de voorafgaande paragrafen en in de bijlage "Toelichting wijzigingen APV 2021 —>a APV 2022" zijn motivering en overwegingen beschreven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=7f5d5477-2dd2-4ba6-adce-3e02658f6233