Inspraakreactie meneer Verbeek + bijlage
Tekst van het document
Brummen, 4 april 2024.
Geachte leden van de raad. U maakt deel uit van het hoogste bestuursorgaan in de gemeente. Het is uw taak het college te controleren. U neemt de beslissingen die voor de gemeente van belang zijn. U vertolkt emoties en opvattingen van inwoners en neemt besluiten op basis van wat in het algemeen belang van gemeente en inwoners is, u bepaalt de koers op alle onderwerpen en u controleert het college. Raadslid word je niet zomaar. Daarvoor dien je de wil en de overtuiging te hebben om bij te willen dragen aan de gemeenschap waar je deel van uitmaakt. Vanuit een persoonlijke overtuiging waarmee je lid bent geworden van een politieke partij waar je je thuis voelt. Ieder raadslid vanuit zijn of haar visie. Die zal niet altijd overeenkomen met die van alle andere raadsleden, maar zo werkt het systeem, oftewel democratie. We kunnen van mening verschillen, maar blijven elkaar respecteren. Om uw werk goed te kunnen doen en standpunten te kunnen innemen en verdedigen is het nodig dat u ‘thuis bent in de materie’. Gemiddeld genomen wordt er van uitgegaan dat u voor uw raadswerk een aantal uren per week hiervoor vrijmaakt. Maar u zult meer tijd investeren wanneer dat gewenst is. Dat kenmerkt uw gedrevenheid. Om uw werk goed te kunnen doen wilt u goed geïnformeerd zijn. U leest ter zake doende informatie en uw ter beschikking gestelde stukken.
U bent daarbij in staat om informatie op waarde te schatten. Waar het college u van informatie voorziet, mag u, of wilt u er op vertrouwen dat deze volledig en juist is… …
en daarin
schuilt de aanleiding van mijn wens gebruik te willen maken van mijn inspreekrecht.
De ‘Raadsinformatiebrief stand van zaken doorstroomlocatie Michëlshoeve’, d. d. 6 maart jl. begint met de zin: ‘Langs deze weg informeren wij u over de stand vanzaken’. Dit stuk is, naar mijn volle overtuiging, incompleet en bevat pertinent onjuiste informatie. Ik zou de mij beschikbare inspreektijd ruim overschrijden als ik u hierin volledig zou bijpraten. Daar ben ik trouwens alleszins toe bereid op ieder moment dat u schikt. Laat ik me hier beperken tot twee punten: 1.
2.
De brief spreekt over een uitspraak van de voorzieningenrechter, gedaan in 2014. U krijgt hiermee wellicht de indruk dat het huisvesten van statushouders in de huurperiode (TGO & Doorstroomlocatie) passend is binnen het bestemmingsplan. Wat niet vermeld wordt is de uitspraak van de voorzieningenrechter, gedaan in het kort geding van 8 maart jl. De rechter oordeelt letterlijk: zie gearceerde tekst in het vonnis. De brief spreekt over een reguliere BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit), die zo staat letterlijk vermeld ‘met een paar dagen te verlenen is’. Dit is pertinent onjuist. Het verlenen van een BOPA vereist een procedure met alle rechtsbeschermingsmiddelen. Informeren is verplicht, bezwaar maken moet mogelijk zijn.
Ik mag niet voor u oordelen, maar als ik raadslid zou zijn, zou ik me met deze brief van het college: -
Op het verkeerde been gezet voelen. Met een kluitje in het riet gestuurd voelen. Het bos in gestuurd voelen.
het zacht uit te drukken. Persoonlijk zou ik een zwaardere negatieve kwalificatie gebruiken, die ik hier fatsoenshalve achterwege laat. ..
om
Ik volg de gangen van het college in dit dossier al enige tijd. Ben ook de initiatiefnemer achter een tweetal kort gedingen. Het eerste kort geding is in overleg met de wethouder RO uitgesteld (en afgesteld), maar leidde o. a. tot het collegebesluit van 5 maart (constructie TGO & Doorstroomlocatie). Daarmee een andere aanleiding dan het college in haar brief doet vermoeden. Deze aanpassing van het college ging ons niet ver genoeg. Vandaar het tweede kort geding, dat we door hebben laten gaan op 8 maart, met de uitspraak, waaruit ik zojuist citeerde.
Ik dank u voor uw aandacht.
Naschrift: In reactie op mijn bijdrage vroeg dhr. Steinweg mij om het gewezen vonnis in het kort geding van 8 maart via de griffie toe te sturen, omdat, zo zei hij, de raad hierover niet beschikte. Graag voldoe ik aan zijn verzoek en concludeer daarmee dat, de gemeenteraad door het college opnieuw niet geïnformeerd is en de spreektijd waar ik gebruik van mocht maken niet voor niets is geweest.
Voor de beantwoording van verdere vragen en een toelichting op mijn observaties in dit dossier (vanaf 15 februari jl. ) ben ik te allen tijde bereid.
Vriendelijke groet,
Piet Verbeek 06-53761810
PietVbk @hotmail.com
LSfL de
Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
Ixl AANTEKENEN | | PER
POST
[x] EMAIL
Hans Hermsen Advocaat
Team
bestuursrecht Arnhem
tav de heer mr. J.H. Hermsen
Kerkhof 16 7201
DM
Zutphen bezoekadres
Walburgstraat 2-4 6811
CD Arnhem
correspondentieadres Postbus 9030 datum
onderdeel
19
maart
6800
2024
VV/V2
doorkiesnummer ons
kenmerk
088 361 2000 zaaknummer ARN
uw
kenmerk
D100537
24
/ 1353 OWHAND
Veilig mailen; rechtspraak.nl/contact/GLD www.rechtspraak.nl
619
bijlage(n) het verzoek
Arnhem
t088 361 2000
contactpersoon
dhr D.J. Janssen
onderwerp
EM
(geanonimiseerd) vane
Bij beantwoording
de datum en kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief
Brummen
ons
behandelen.
Geachte heer, Over het verzoek
voorlopige voorziening met zaaknummer ARN 24 / 1353 OWHAND 619 deel ík u mee dat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Ik stuur u een kopie van de uitspraak. Indien in deze uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak met een ECLI-nummer, is de tekst van de betreffende uitspraak onder dat nummer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. om
Tegen deze uitspraak
een
staat geen rechtsmiddel
open.
Als u naar aanleiding van deze brief vragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer. belt of schrijft, verzoek ik u het zaaknummer te vermelden.
BEO91
Uw
persoonsgegevens en indien van toepassing die van registratiesystemen van de Rechtspraak
uw
cliënt
worden,
voor zover
nodig,
voor een
goede procesvoering verwerkt in de
van
de
proces-verbaal uitspraak RECHTBANK
Zittingsplaats
GELDERLAND Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN
24/1353 OWHAND
proces-verbaal van
de
2024 op het verzoek
om
mondelinge uitspraak van
de
voorzieningenrechter van 8 maart voorlopige voorziening in de zaak tussen
(geanonimiseerd) (verzoeker 1), P. Verbeek (verzoeker 2) n KN (geanonimiseerd) WN (verzoekster),
allen uit
(gemachtigde:
mr.
J.H.
Brummen, Hermsen),
hierna
gezamenlijk te noemen:
verzoekers
en
het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen, (gemachtigden: mr. J.H. Meier en (geanonimiseerd)
het
college
Zitting voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 maart 2024 op zitting behandeld. Verzoekers, gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting. In
De
de
2.
Na
afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt. Inleiding 3.
Deze
uitspraak gaat over de tijdelijke opvang van 25 statushouders en 1 asielzoeker in het paviljoengebouw Heliant op het terrein van de Michaelshoeve aan de Zutphensestraat 175/177 te Brummen (hierna: het pand). Het pand wordt vanaf 1 1 maart 2024 in gebruik genomen als opvanglocatie. 3.1.
Het
college heeft bij besluit van 5 maart 2024 besloten om een tijdelijke gemeentelijke opvang (TGO) van statushouders te realiseren in het pand en om een overeenkomst aan te gaan met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en het ministerie van Justitie en Veiligheid om de gemaakte afspraken daarover te waarborgen. Verzoekers hebben op 7 maart 2024 tegen deze beslissing bezwaar gemaakt en daarnaast hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de opvang per 11 maart
2024 te voorkomen. Omdat
het besluit
van
5 maart 2024
geen besluit is waar
bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen openstaat,! heeft het college het bezwaarschrift !
Zie artikel 8:3, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2
zaaknummer: ARN 24/1353
van7 maart 2024 aangemerkt als verzoek om handhavend opte treden wegens het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van een omgevingsplanactiviteit. 2 Bij besluit van 7 maart 2024 heefthet college het handhavingsverzoek afgewezenenhet bezwaarschrift,dat oorspronkelijk gericht was tegen het besluit van 5maart 2024, aangemerkt als bezwaarschrift gericht tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek. Om die reden heeft ook devoorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening aangemerkt als zijnde gericht tegen het besluit van 7maart 2024 (hetbestreden besluit).
Beoordeling door de voorzieningenrechter Wel een inhoudelijke beoordeling van het verzoek 4. De voorzieningenrechter heeft zich allereerst afgevraagd of verzoekers belanghebbende3 zijnbij het bestreden besluit. Omals belanghebbende aangemerktte kunnen worden, moet er sprake zijn vaneen objectief persoonlijk,eigen, rechtstreeks en actueel belang bij het besluit, waarmee de betreffende persoon zich onderscheidtvan anderen. 4 Naar het voorlopig oordeel van devoorzien ingenrechter zijn verzoeksteren verzoeker 2niet alsbelanghebbende aan te merkenbij hetbestreden besluit. Het minderjarig kind vanverzoekster volgt onderwijsop een nabij deopvanglocatie gelegen school, maar de voorzieningenrechter acht datop voorhand onvoldoende om vaneen rechtstreeksbij het bestreden besluit betrokken belang tespreken. Verzoeker 2heeft op zitting toegelicht dathij geen omwonende is,maardat hijzich als inwoner van degemeente Brummen nauw betrokken voelt bij ontwikkelingen inde gemeente. Ookdat isnaar het voorlopigoordeel van devoorzieningenrechter onvoldoende omals belanghebbende aangemerkt tekunnen worden. Verzoeker 2onderscheidt zich namelijk onvoldoende van willekeurigeandere inwoners van de gemeente Brummen, waardoor er geen sprake is van een persoonlijk belang bijhet besluit.
Omdat inieder geval verzoeker 1 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter welbelanghebbende isbij het bestreden besluit, beslist de voorzieningenrechter inhoudelijk op het verzoek.
Deinhoudelijke bezwaren van verzoekers
5. Verzoekers hebben zich in dekern op hetstandpunt gesteld dat de opvang van de statushouders en asielzoeker in strijd is met hettijdelijk deel vanhet omgevingsplan, omdat de opvangnietpast binnen hetbestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’. Verzoekers beargumenteren ditdoor erop tewijzen dater enkel gezondheid-en welzijnszorgis toegestaan op de betreffende locatie endat deopvang van statushouders en een asielzoeker niet als zodanig kwalificeert. Het college daarentegen stelt -kort samengevat- datde opvang wel past binnen het tijdelijk deel vanhet omgevingsplan, omdat erter plaatse huisartsenzorg wordt verleend en daarnaastdoor de ‘Stichting Welzijn Brummen’ op locatie begeleiding plaatsvindt(zoals begeleiding bij het inburgeren). Volgens het college is de opvang daarom welte kwalificeren als gezondheid- enwelzijnszorg. Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel, wel een belangenafweging 6. Het verzoekom een voorlopige voorzieningisinde namiddagop 7maart 2024 bij de voorzieningenrechter ingediend. De voorzieningenrechter heeft er zorg voor gedragen dat isin strijd metartikel 5. 1, eerste lid,aanhef en onder a, van deOmgevingswet. Voor uitgebreidere weergave van het wettelijk kader wordt verwezen naar rechtsoverweging 7. Als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, vande Awb. 1 Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:20 13:2174. 2 Dit
een
zaaknummer: ARN 24/13 53
het verzoek opzeerkortetermijn,namelijk op 8maart 2024,op zitting behandeld kon worden metals doel datdevoorzieningenrechter nogvddrdathetpand op1 1maart 2024 in gebrtiikwordtgenomen,duidelijkheid kangevenoverof de opvang perdie datum kan plaatsvinden. Vanwege de grotemate vanspoedvoerthet te ver omderechtmatigheidvan het bestreden besluitvolledig te beoordelen in hetkader vandeze procedure. De voorzieningenrechtervolstaatdaarom met een belangenafweging. In diebelangenafweging weegtdevoorzieningenrechterdebelangen die pleiten v6érhettreffen vaneenvoorlopige voorzieningen de belangen die pleiten tegen het treffen daarvantegenelkaaraf. Zoalsonder 4is weergegeven, merkt de voorzieningenrechter enkelverzoeker 1aanalsbelanghebbende. De voorzieningenrechter zaldaarom enkel de belangen van verzoeker 1 betrekken indeze belangenafweging. 6. 1. Ondanks dat devoorzieningenrechter geen(volledig)voorlopig rechtmatigheidsoordeel geeft zal zij hetinhoudelijke bezwaar, daterindekernopneerkomt dat de opvang in strijdis methet tijdelijke deel van hetomgevingsplan, welbeperkt beoordelen en betrekken inhet kader vandebelangenafweging. Devoorzieningenrechter zietdaarom aanleiding om, voordat zijbelangentegenelkaarafweegt, kort hetwettelijk kaderteschetsen. Het wettelijk kader 7. Op1 januari2024 isde Omgevingswetinwerkinggetreden. Met de
inwerkingtredingvandeze wetheeftelkegemeente directeenomgevingsplanvan rechtswege dat regels geeft over de fysiekeleefomgeving voorhet gehele grondgebied van degemeente. Dat omgevingsplan bestaatvoornuuiteentijdelijkdeel, waarinondermeer allebestemmingsplannenzijnopgenomen dievéér1januari2024 golden. 5Ophetperceel waar de opvang gerealiseerd wordt,was v66r 1januari 2024het bestemmingsplan ‘Buitengebied2008’vankracht. Datbestemmingsplan maaktdusonderdeeluitvan het tijdelijk deelvan hetomgevingsplan vandegemeenteBrummen. Opgrond van artikel5. 1, eerste lid, aanhef enondera,van deOmgevingswetishetverboden omzonder omgevingsvergunningeenomgevingsplanactiviteit teverrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meereenactiviteitdie in strijdis met het (tijdelijkdeel van)het omgevingsplan. 6 Belangenafweging 8. Niet in geschil is dat degemeentenietbeschiktovereen omgevingsvergunning vooreen omgevingsplanactiviteit. Hetcollegesteltzichnamelijk ophetstandpuntdatdie omgevingsvergunningnietvereist is. Devoorzieningenrechter overweegtdatzijernstig twijfeltof de opvang zoals deze door de gemeente wordtgerealiseerd past binnen het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Hethuisvestenvanstatushouders en een asielzoeker lijkt opvoorhand namelijk niet primair gerichtophetverlenen gezondheids-en/of welzijnszorg, maar eerder ophuisvesting/bewoning.
Bewoning vanhetpandis opgrond van de planregels van hetBestemmingsplan Buitengebied2008 inieder geval niet toegestaan. Het isdaarom op voorhand in zijngeheel niet uitte sluiten datdegemeenteartikel 5. 1, eerstelid,aanhefenonder a, vande Omgevingswet overtreedt. Dat aspect weegt de voorzieningenrechterdaarom in hetvoordeel van verzoeker 1 mee. Zie artikel22. 1, aanhefenonder a, van de Omgevingswet insamenhang metartikel4. 6, eerste lid, vandeInvoeringswetOmgevingswet. 6 Dit volgt uit bijlage Abehorend bijartikel1. 1vandeOmgevingswet, waarinhetbegrip ‘omgevingsplanactiviteit’isgedefinieerd.
3
zaaknummer: ARN 24/13 53
4
8. 1.
Verder heeft verzoeker 1opzittingtoegelicht dat hijvreest vooreen onveilig gevoelinde buurtalsdeopvang wordtgerealiseerd. Verzoeker 1 heeftin datkader aangegevendat eerder arbeidsmigranten inhetpandgehuisvest werden,waar hijoverlasten eenverminderdveiligheidsgevoel door heeftervaren. Hijvreest hetzelfdealshetpand gebruikt gaatwordenvoor de opvangvan statushoudersenasielzoekers. Ookdatbelang weegt de voorzieningenrechter meeinhetkader vande belangenafweging. Het collegeheeftop zitting toegelicht datereengrootmaatschappelijk belangis bijhetopvangenvan statushouders, geletopde opvangcrisis. Datbelangerkentde voorzieningenrechter. Daarnaastgaathet naarhetoordeel van de voorzieningenrechter om een beperkte enrelatief geringe afwijking vanhetomgevingsplan, omdat bijvoorbeeld een verslavingsinstelling (voor dagen nachtopvang) welmogelijk isop grondvan dat plan. Ook gaathetom een(relatief)korte periode van 3 maanden. Nadietermijn isdegemeente weliswaarvan planominhetpand een doorstroomlocatie voorstatushouders terealiseren maardaarvoorwordt weleen omgevingsvergunningvoor eenbuitenplanse omgevingsp lanactiviteitaangevraagd. Daartegen kunnenrechtsmiddelen worden aangewend. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat het omeenrelatiefklein aantal gaatvan 25 statushouders en1asielzoeker. Tot slotweegt mee dater veiligheidsmaatregelen wordengenomen.
Zozaler24uurper dag en 7 dagenperweek toezicht zijnenisereen locatiemanageraangewezen, waarmeeoverlegd kanwordenalser wel overlastofeen onveiliggevoel ervaren zouworden. 8. 2.
8. 3. De voorzieningenrechter isvanoordeeldatde belangen vandegemeente bijhet per11maart2024 opvangenvanstatushouders en een asielzoeker inditspecifieke geval zwaarderwegen. De voorzien ingenrechter begrijptdewens vanverzoekersdathet college
eerstde benodigdevergunning(en) moet verlenen,maarkentaan hetgrotemaatschappelijk belangbijhet (zosnelmogelijk) opvangenvan statushouders inde gemeenteeengroter belang toe. Daarbij heeft devoorzieningenrechter ookinogenschouw genomen dat het indit gevalomeenrelatief kleinaantalopte vangenpersonen gaat, de opvangmaar vanbeperkte duurisenhetomeen relatief beperkte afwijkingvanhetomgevingsplan gaat. Het belang vanverzoekererkent devoorzieningenrechter welmaar kent daar, te meeromdat er veiligheidsmaatregelen wordengenomen, mindergewicht aan toe. Conclusie engevolgen De voorzieningenrechter wijsthetverzoek daaromaf. Vooreen proceskostenveroordeling en eenvergoeding vanhetgriffierecht bestaatdanookgeen aanleiding. 9.
10. Devoorzieningenrechter heeft medegedeeld dattegendezeuitspraak geenhoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing Devoorzieningenrechter wijst het verzoekomeen voorlopigevoorziening af.
zaaknum m e r : A R N 2 4 / 1353
5
De z e u i tspr aa k is u it gespr ok e n in het o p enb aa r op 8 m a a rt 2 0 24do o r mr. A . L. M. Steineb ach d e Wit, v o o rzien in g e n r e c h t e r, in aa n w e z i g h e i d van mr. A. Go l d e b e l d , g r i ff i e r . -
griffier
voorzieninge nrechter
Een afsch ri f t van d i tp ro ces-v er b a a l is v e r z o n d e n aan p a rtij en Te g e n d e z e u itspraas k ta a t g e e n h o g e r b e roe p
op:
o f ver z e t o p e n.
9 NAARÏ 2024