DEF Concept Beleidsregels WMO 27 mei 2021 ter info Raad
Tekst van het document
Er wordt wel onderzoek gedaan naar de belastbaarheid van het kind: mag gezien de leeftijd worden verwacht dat het kind deze taak doet of gaat doen waarbij rekening wordt gehouden met school, stage, hobby’s, een bijbaantje etc. • Van huisgenoten van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken voor een eenpersoons huishouden verzorgen. • Van een huisgenoot van 23 jaar of ouder wordt meer verwacht. Deze kunnen alle taken in een meerpersoons huishouden verzorgen. • Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen voeren. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten komen niet-uitstelbare taken in aanmerking voor zorgverlening.
5.1.3 Informele hulp/mantelzorger en een schoon en leefbaar huis
Ook bij informele hulp/mantelzorgers kan er sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit kan in twee situaties zich voordoen:
20
1) In de eerste situatie wonen de mantelzorger en de inwoner in dezelfde woning en komt de mantelzorger aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis. De inwoner kan dan mogelijk een beroep doen op de “Vergoedingsregeling persoonlijke zorg (VPZ)”. Dit zal altijd eerst moeten worden aangevraagd. Pas nadat duidelijk is dat een inwoner hiervoor definitief niet in aanmerking komt kan overwogen worden om een voorziening vanuit de gemeente in te zetten. 2) In de tweede situatie woont de mantelzorger ergens anders en komt hij niet toe aan het schoonmaken van zijn eigen huis. Heeft de inwoner een “zorgzwaartepakket (ZZP)”, dan kan hij mogelijk de zorg in natura door het zorgkantoor laten wijzigen in een PGB en dat budget gebruiken om de mantelzorger te betalen, die op zijn beurt met dat geld hulp in eigen huis kan bekostigen. De gemeente beschouwt deze opties als een voorliggende voorziening. Indien aannemelijk is dat er een indicatie via het CIZ kan komen wordt er geen voorziening verstrekt voordat een afwijzing van het CIZ wordt overlegd door de inwoner.
5.1.4 Tijdnormering schoon en leefbaar huis
Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Gemiddeld huishouden Bij een schoon en leefbaar huis gaan we uit van een gemiddeld huishouden. Onder een gemiddelde huishouden wordt verstaan: • een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; • wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; • er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; • de inwoner kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; • de inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; • er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; • er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de inwoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; • de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.
Afbakening ruimtes De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, berging, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke hulp. Afwegingskader Het college hanteert het HHM rapport (normenkader huishoudelijke hulp 2019 Bureau HHM) als leidraad voor onderbouwing van een toekenning voor huishoudelijke hulp. Afwijkend van het HHM rapport heeft het college bepaald dat wasvoorziening onderdeel is van huishoudelijke hulp.
21
Het toekennen van huishoudelijke hulp kan alleen als uit de afweging duidelijk blijkt welke andere mogelijke opties zijn onderzocht en er onderbouwing wordt gegeven voor het toekennen. Hierop vindt toetsing plaats. Op basis van het onderzoek kan het college tot een van de volgende conclusies komen: 1. er is geen hulp nodig: ondersteuning kan uit de eigen omgeving komen. 2. er is hulp nodig: het college kan, als er sprake is van enkelvoudige ondersteuningsvraag, maximaal 2 uur per week toekennen voor het resultaat schoon en leefbaar huis. Kan dus ook minder zijn dan 2 uur. 3. er is sprake van regieproblematiek: het college kan, op basis van een onderbouwing, maximaal 30 minuten extra toekennen voor het resultaat regie op gestructureerd huishouden. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon en leefbaar huis kan in uitzonderlijke situaties, op basis van een uitgebreide analyse en goed onderbouwd, zonodig aanvullende ondersteuning worden ingezet. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, klaarzetten van maaltijden, beschikken over schone kleding of kindzorg. Bij het toekennen van huishoudelijke hulp wordt een totaal aantal uren voor de duur van de beschikking gegeven.
De inwoner kan, in overleg met de zorgaanbieder, invulling geven aan de inhoud en inzet van ondersteuning.
5.2
Leidraad wonen in een geschikt huis
Het beschikken over een woning behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Dit geldt in beginsel ook voor het beschikken over een zo geschikt mogelijke woning. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid om passende maatregelen te nemen behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen. Een woningaanpassing, of ondersteuning bij het vinden van een geschikte woning, wordt in het kader van de Wmo daarom in beginsel alleen verleend indien het ontstaan van beperkingen, verminderde zelfredzaamheid en participatieproblemen het gevolg zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen. Het is de verantwoordelijkheid van de inwoner om tijdens het onderzoek te laten zien en te overtuigen dat ondanks de eigen verantwoordelijkheid om passende maatregelen te nemen behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen, er toch om een voorziening bij de gemeente verzocht wordt. Wanneer er door de inwoner onvoldoende aangetoond wordt dat er sprake is van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen, dan kan het college een verzoek afwijzen.
5.2.1 Extra grote woning of mantelzorgunit
Een extra grote woning of een mantelzorgunit op het erf om mantelzorgtaken op zich te kunnen nemen komt niet in aanmerking voor een vergoeding.
5.2.2 Aard en omvang van de woningaanpassing Bij het bepalen van de aard en omvang van de te verstrekken woningaanpassing gelden de volgende uitgangspunten: 1) Het niveau sociale woningbouw geldt als bovengrens van de geboden oplossing. Dit betekent dat wordt gekozen voor een sobere doch doelmatige noodzakelijke oplossing. Voor een aangepast keukenblok is de standaard 3 onderkasten en twee bovenkasten. Wanneer het nodig is om een slaapkamer en natte cel op de begane grond te creëren, dan wordt beoordeeld of het mogelijk is dit te realiseren binnen de bestaande oppervlakte, 22
bijvoorbeeld door een ruime woonkamer op te delen in meerdere ruimten zodat er een inbouw natte cel geplaatst kan worden. De financiële tegemoetkoming wordt hierop afgestemd. Het staat de inwoner vrij voor een hoger afwerkingsniveau te kiezen dan sociale woningbouw. De meerkosten komen dan voor eigen rekening. 2) Het op de woning van toepassing zijnde bouwbesluit wordt als uitgangspunt genomen voor wat betreft het uitrustingsniveau dat verwacht mag worden. Alleen zaken die dat uitrustingsniveau te boven gaan, kunnen als maatwerkvoorziening worden aangeboden; 3) Aanpassingen aan de eisen van de tijd komen voor eigen rekening van de bewoner dan wel de eigenaar van de woning; 4) Afschrijving van bestaande woonelementen kan worden meegewogen bij het bepalen van de (financiële) omvang van de maatwerkvoorziening; 5) Bij toekenning van de woningaanpassing kunnen afspraken worden gemaakt over (gedeeltelijke) terugbetaling van de woningaanpassing bij verhuizing. Deze afspraken worden vastgelegd in de beschikking.
5.2.3 Verhuizing op advies van de gemeente De mogelijkheid van het verhuizen naar een geschikte woning wordt bij de beoordeling van de goedkoopst adequate oplossing door de gemeente meegewogen. Indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, kan dit worden verlangd zolang dit werkelijk kan plaatsvinden binnen een medisch verantwoorde termijn. Van een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten is alleen sprake bij een door het college vastgestelde mogelijkheid tot verhuizen naar een passende woning. Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt de gemeente rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt geen verhuiskostenvergoeding toegekend. De hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten is vastgelegd in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2020.
5.2.4 Lening toekomstbestendig wonen
Inwoners die eigenaar zijn van een woning (en daarin hun hoofdverblijf hebben) kunnen een lening aanvragen voor het aanpassen van de woning om het makkelijker te maken om maatregelen te nemen om (langer) in de woning te kunnen blijven wonen. De gemeente biedt daarmee inwoners de mogelijkheid om zelf in toekomstige woonbehoeften te faciliteren om langer, comfortabel, veilig en levensloopbestendig te blijven wonen in hun eigen woning.
5.2.5 Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen
1) Er worden geen algemeen gebruikelijke aanpassingen aan woningen vergoed als de belemmeringen te verwachten of te voorspellen zouden zijn. 2) Woonvoorzieningen komen niet voor vergoeding in aanmerking wanneer deze voorzieningen als algemeen gebruikelijk kunnen worden gezien. Het gaat daarbij om voorzieningen en producten die in iedere sanitaire winkel of bouwmarkt verkrijgbaar tegen een redelijke prijs en zijn niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking. Deze voorzieningen worden veelal aangeschaft vanwege gemak/comfort. Er vindt daarom geen vergoeding plaats wanneer iemand de voorziening wil aanschaffen vanwege beperkingen. 3) Woonvoorzieningen voor specifiek ouderen en chronisch zieken komen niet voor vergoeding in aanmerking wanneer verwacht mag worden dat de inwoner hierop tijdig heeft kunnen anticiperen. Bij het verhuizen naar een nieuwe woning kan de inwoner rekening houden met de toekomstige situatie en hier tijdig op anticiperen. Blijft men wonen in de huidige woning, dan is het ook aan de inwoner om hierop te anticiperen. Een inwoner maakt hierin eigen keuzes. Een keuze kan zijn om, ondanks een slechter wordende gezondheid door een chronische ziekte, niet te willen verhuizen. Inherent aan deze keuze is dat de inwoner zelf
23
de verantwoordelijkheid heeft om de gewenste aanpassingen in het huis te regelen en te financieren. 4) Bij het onderzoek voor een woonvoorziening wordt rekening gehouden met afschrijvingen. Voor het gedeelte dat al is afgeschreven wordt geen tegemoetkoming verstrekt, want het wordt door het college als algemeen gebruikelijk beschouwd dat een inwoner hiervoor reserveert in geval van een koopwoning. Afschrijvingsschema’s en restwaardes zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2020.
5.2.6 Algemene voorzieningen
De gemeente streeft ernaar zoveel mogelijk algemene voorzieningen in te zetten. Als er nog geen algemene voorziening beschikbaar is, wordt onderzocht of deze gecreëerd kan worden. Als het opzetten van een algemene voorziening binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden, en deze voorziening is passend voor de inwoner dan wordt er geen maatwerkvoorziening ingezet.
5.2.7 Maatwerkvoorzieningen
Als er uit het onderzoek blijkt dat er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening, dan zal er door de gemeente een plan van aanpak worden opgesteld. Het college kan indien dit nodig wordt geacht, hiervoor een ergonomisch of medisch advies inwinnen bij een daartoe door de gemeente gecontracteerd adviesbureau. De gemeente beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Als de kosten voor de aanpassingen in het huis boven het bedrag uitkomen dat de gemeente maximaal beschikbaar stelt voor verhuis- en herinrichtingskosten dan wordt er geen vergoeding voor aanpassingen verstrekt. Er kunnen de volgende redenen zijn om hiervan af te wijken: a) medische redenen: wanneer er medische redenen een verhuizing in de weg staan, dan kan het college besluiten om wel een voorziening te verlenen. b) wanneer een verhuizing, ondanks anticiperen van de inwoner, niet binnen de redelijke termijn van 6 maanden realiseerbaar is; c) een andere woning is niet in redelijkheid betaalbaar omdat de huur boven de grens voor huurtoeslag ligt terwijl de inwoner gelet op zijn/haar inkomen, wel voor huurtoeslag in aanmerking komt als de huur onder deze grens zou liggen; d) wanneer verhuizing leidt tot onherstelbare aantasting van het sociaal netwerk van de inwoner.
Dit is aan de orde als het verhuizen zou leiden tot het wegvallen van bepaalde vormen van mantelzorg en buurtgebonden vrijwilligerswerk. Het gaat daarbij om niet verplaatsbare mantelzorg die in belangrijke mate de activiteiten van het dagelijks leven ondersteunt en daarmee een besparing oplevert ten opzichte van professionele zorg; e) vermogensverlies: dit kan zich voordoen wanneer de inwoner eigenaar is van de woning, en de verkoopprijs van de woning aanzienlijk lager zal zijn dan de aankoopprijs. Als richtlijn voor ernstig vermogensverlies wordt aangehouden dat er sprake moet zijn van 5% of meer verlies ten opzichte van de aankoopprijs. Bij woningen die al langer in eigendom zijn van de bewoner, zal er doorgaans geen sprake zijn van vermogensverlies, eerder van overwaarde. f) een bedrijf aan huis kan een reden zijn om de woning toch aan te passen. Doorslaggevend hierbij is of het bedrijf al dan niet verplaatsbaar is naar een andere locatie en de kosten die daarmee gemoeid zijn. g) In het belang van de inwoner en de inzet van andere Wmo voorzieningen is het noodzakelijk om tot verlening van de woonvoorziening over te gaan; h) Als bij verhuizing de woonlastenstijging de draagkracht van een inwoner te boven gaat, kan de woning toch aangepast worden. Hierbij moet bedacht worden dat voor veel gehandicapten een hogere huur opgevangen wordt door een hogere huurtoeslag.
De bevoegdheid om een afwijkend besluit te nemen is niet gemandateerd aan Team voor Elkaar. Aanvullende toetsing en advies worden ingezet voordat besluitvorming plaatsvindt. 24
5.3
Leidraad goederen voor primaire levensbehoeften
Iedere inwoner moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften (levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, producten die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden). Het uitgangspunt is dat een inwoner zelf of via zijn/haar eigen sociaal netwerk zorgt dat de noodzakelijke boodschappen gedaan worden. Aanvullend kan er gebruik gemaakt worden van de aanwezige boodschappendiensten van winkels en supermarkten. Is dit niet mogelijk dat wordt er onderzocht of via de algemene voorziening ondersteuning kan worden geboden. Er zijn vele vrijwilligers en “maatjes” die dit kunnen en willen doen. Hiermee is vrijwel uitgesloten dat er een noodzaak is om een maatwerkvoorziening in te zetten. Mocht dit in zeer uitzonderlijke individuele gevallen noodzakelijk zijn dan zal hulp dit beperken tot beschikken over primaire levensbehoeften. Grotere inkopen zoals kleding en huishoudelijk en andere apparaten zijn uitgesloten.
5.3.1 Gebruikelijke zorg voor primaire levensbehoeften
Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht om te voorzien in de primaire levensbehoeften. Onder huisgenoot wordt verstaan: Een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die ondersteuning vraagt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar ook inwonende ouders. Of sprake is van inwonen wordt op basis van concrete feiten vastgesteld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. gedeeld worden Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. • Van kinderen tot 5 jaar wordt niet verwacht dat zij een bijdrage leveren door boodschappen te doen. • In de leeftijd van 5 tot 12 jaar wordt verwacht dat zij naar hun eigen mogelijkheden een bijdrage leveren bij het boodschappen doen. • In de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij naar vermogen helpen bij het doen van boodschappen voor het huishouden. • Van huisgenoten van 18 jaar en ouder wordt verwacht dat zij de boodschappen voor het huishouden doen.
5.3.2 Bereiden van brood- en warme maaltijden
Een inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor het bereiden van brood en warme maaltijden. Wanneer echter objectief is komen vast te staan dat een inwoner door bijvoorbeeld initiatiefverlies niet in staat is om zelf een brood en warme maaltijd te bereiden kan ondersteuning geboden worden. Uiteraard wordt samen met de inwoner besproken of aanspraak doen op de Wet Langdurige zorg aan de orde is. Als helpen met eten of toezicht houden op eten noodzakelijk is hoort deze taak onder de zorgverzekeringswet.
5.4
Leidraad voor het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding
De dagelijkse kleding en het linnengoed moeten met enige regelmaat worden gereinigd. Dit betekent het wassen, drogen, in uitzonderlijke situaties ook strijken, opvouwen en opruimen. We spreken hier in deze beleidsregels uitsluitend over normale kleding voor alledag en over (keuken) handdoeken en beddengoed zoals dekbedhoezen of lakens. Daarbij is het uitgangspunt dat er niet gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding en linnengoed kan een inwoner hiermee rekening houden wanneer er beperkingen zijn. De inwoner heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid. Bestaat er in bepaalde 25
situaties toch een noodzaak om kleding te strijken, dan kan gebruik worden gemaakt van een strijkservice. Een strijkservice wordt volgens de jurisprudentie aanvaardbaar geacht als er niet al te hoge kosten aan verbonden zijn. De tarieven van beschikbare strijkservice in Brummen beoordeelt het college als redelijk en voor iedereen te betalen. Bij het wassen en drogen van kleding en linnengoed is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naad of het aanzetten van een knoop komt niet voor vergoeding in aanmerking.
5.4.1 Gebruikelijke zorg schone, draagbare en doelmatige kleding
Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht te wassen, drogen, in bepaalde situaties strijken, opvouwen en opruimen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die ondersteuning vraagt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar ook inwonende ouders. Of sprake is van inwonen wordt op basis van concrete feitelijke vastgesteld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. gedeeld worden. Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. • Van kinderen tot 5 jaar wordt niet verwacht dat zij een bijdrage leveren. • In de leeftijd van 5 tot 12 jaar wordt verwacht dat zij naar hun eigen mogelijkheden een bijdrage leveren zoals was in de wasmand doen. • In de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij kunnen helpen met de wasverzorging. Er wordt wel onderzoek gedaan naar de belastbaarheid van het kind: mag gezien de leeftijd worden verwacht dat het kind deze taak doet of gaat doen waarbij rekening wordt gehouden met school, stage, hobby’s, een bijbaantje etc.
• Van huisgenoten van 18 en ouder wordt verwacht dat zij alle taken kunnen uitvoeren.
5.4.2 Algemene voorziening schone, draagbare en doelmatige kleding
Een algemene voorziening is altijd voorliggend aan de optionele inzet van een maatwerkvoorziening. Wanneer een algemene voorziening nog niet beschikbaar is kan onderzocht worden of deze ontwikkeld kan worden in opdracht van het college. Wanneer deze algemene voorziening binnen een redelijke termijn beschikbaar kan zijn, dan wordt in afwachting daarvan geen maatwerkvoorziening ingezet.
5.5
Leidraad het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren
De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak en eigen verantwoordelijkheid van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang is voor de kinderen is. Wanneer beide ouders mede door beperkingen in een individuele uitzonderlijke situatie niet in staat zijn hun kinderen op te vangen dan kan het college tijdelijk ondersteuning bieden. Gedurende deze tijdelijke ondersteuning is de verantwoordelijkheid van ouders om zelf een permanente oplossing te zoeken en vinden. Onvoldoende inzet en inspanning van de ouders om zelf en actief een permanente oplossing te vinden is reden om de tijdelijke ondersteuning te stoppen.
5.5.1 Voorliggende voorzieningen •
Buitenschoolse opvang zijn voorliggende voorzieningen. Kan hier gebruik van worden gemaakt, dan wordt er door het college geen voorziening ingezet.
26
• • •
5.6
Kinderopvang is ook een voorliggende voorzieningen. Kan hier gebruik van worden gemaakt, dan wordt er door het college geen voorziening ingezet. Calamiteiten-, zorg- en/of ouderschapsverlof vanuit de werkgevers is ook een voorliggende voorzieningen. Kan hier gebruik van worden gemaakt, dan wordt er door het college geen voorziening ingezet. Voorzieningen vanuit de Jeugdzorg zijn voorliggend
Leidraad voor het verplaatsen in en om de woning
Wanneer een inwoner beperkt is in de mobiliteit kunnen er voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning gewenst zijn. Uitgangspunt voor het college is dat een inwoner zich binnenshuis en buitenshuis in een straal van 100 meter om de woning zelfstandig moet kunnen voortbewegen. Ook wanneer een inwoner zich dagelijks over langere afstanden moet verplaatsen en hiertoe niet in staat is, kan een voorziening gewenst zijn. Op voorzieningenniveau gaat het bijvoorbeeld om rolstoelen voor dagelijkse verplaatsen.
5.6.1 Algemene voorzieningen of een collectief vervoerssysteem gaan voor op een maatwerkvoorziening
Bij het onderzoek naar het meest geschikte vervoermiddel wordt rekening gehouden met de persoonskenmerken en vervoersbehoefte van de inwoner. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Immers ook een inwoner zonder beperkingen moet voor vervoerkosten maken. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft bijvoorbeeld al een auto en is gewend daarmee in de vervoersbehoefte te voorzien) is er geen noodzaak tot het bieden van een oplossing. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt. Om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Ook algemeen gebruikelijke voorzieningenkunnen een oplossing zijn zoals een fiets met trapondersteuning, een bakfiets en dergelijke.
5.6.2 Afwegingskader 1) Het doel is zich kunnen verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de eigen woning worden gedaan. Daarbij gaat het om voorzieningen die het mogelijk maken om zich dagelijks zittend te kunnen verplaatsen. 2) Een rolstoel is een voorziening waar de inwoner (semi) permanent gebruik van maakt. Rolstoelen voor incidenteel gebruik waarbij bijvoorbeeld de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes te gebruiken, komen niet in aanmerking voor een vergoeding. 3) Voor loophulpmiddelen is een voorliggende regeling via de zorgverzekeraar. 4) Voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning worden verstrekt aan inwoners met een zelfstandige woonruimte. Vanuit de Wet langdurige zorg worden ook mobiliteitshulpmiddelen voor bewoners in een Wet langdurige zorginstelling verstrekt. In de situatie dat er sprake is van een Wet langdurige zorg indicatie aan thuiswonenden kan een voorziening worden ingezet.
27
5.6.3 Financiële mogelijkheden
In het gesprek met de inwoner doet het Team voor Elkaar actief een beroep op eigen financieringsmogelijkheden van de inwoner.
5.6.4 Programma van eisen
Als er tijdens het onderzoek blijkt dat er noodzaak bestaat voor een voorziening voor dagelijks gebruik, dan zal door het college een programma van eisen worden opgesteld. Het college kan hiervoor een ergonomisch of medisch advies inwinnen bij een daartoe gecontracteerde adviesinstantie.
5.6.5 Goedkoopst adequate voorziening
Er wordt altijd onderzocht wat de goedkoopste adequate voorziening is voor het verplaatsen in en om de woning. Doel is de inwoner ondersteunen om zich te kunnen verplaatsen in en om het huis, of zich over langere afstanden moet kunnen verplaatsen. Ondanks alle opties die leveranciers en aanbieders beschikbaar hebben die het leven aangenamer maken, er worden alleen die goedkoopste voorzieningen ingezet die het mogelijk maken zich te kunnen verplaatsen.
5.6.7 Mantelzorgers
De zelfredzaamheid van de inwoner het uitgangspunt. Wanneer er mantelzorgers aanwezig zijn zal het college in haar onderzoek hiermee rekening houden. Wanneer na medisch onderzoek blijkt dat een mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, kan er duwondersteuning op de rolstoel overwogen worden.
5.7
Leidraad voor vervoer
Om te kunnen participeren is het zich kunnen verplaatsen in de directe woon en leefomgeving belangrijk. Het gaat over verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en in het leven van alledag. Deze verplaatsingen kunnen veelal plaatsvinden met algemene voorzieningen als het openbaar vervoer of algemeen gebruikelijke voorzieningen als de eigen auto, en al dan niet aanvullend op het gebruik van de (elektrische) fiets of brommer. Binnen de grenzen van de gemeente Brummen zijn voldoende opstapmogelijkheden van openbaar vervoer aanwezig. De regiobussen zijn lage instapbussen. Hiermee zijn de bussen goed toegankelijk en voor inwoners bereikbaar. Daarnaast rijdt in de gemeente Brummen de Buurtbus en in aanvulling op het reguliere openbaar vervoer is er het collectief vraagafhankelijk vervoer dat ook voor iedereen vrij toegankelijk is. Wanneer iemand beperkingen heeft, dan volstaan algemeen (gebruikelijke) voorzieningen niet altijd meer. Het kan dan nodig zijn om een maatwerkvoorziening te onderzoeken. In het onderzoek wordt onderzocht of er sprake is van meerkosten die niet financieel gedragen kunnen worden door de inwoner. Van iedere inwoner is het normaal om kosten te maken voor vervoer. Ook wordt onderzocht of er sprake is van een daadwerkelijk andere situatie dan voorheen.
Heeft een inwoner een auto of ander vervoer en is gewend om daar alles mee te doen, dan is er geen noodzaak om een voorziening in te zetten. Ook bij het onderzoek naar de mate van verplaatsen wordt onderzocht wat voorheen “normaal” en gebruikelijk was. Is een inwoner gewend om maar een enkele keer per week zich buitenhuis te verplaatsen, dan is ondersteuning voor deze enkele keer per week ook passend. Het college hanteert maximaal 20 kilometer rond de woning als norm voor een gereduceerd tarief Op jaarbasis gaat het college uit van maximaal 1500 kilometer reizen op waarvoor een gereduceerd tarief geldt.
28
5.7.1 Vervoer om sociale verbanden aan te gaan (Participatie)
Medemensen kunnen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden met anderen aangaan is voor iedere inwoner belangrijk. Een rolstoel of een sportvoorziening kan een inwoner hierbij ondersteunen. Rolstoelen voor incidenteel gebruik (transportrolstoel) worden niet verstrekt door het college.
5.7.2 Collectieve voorzieningen gaan voor een individuele maatwerkvoorziening
Collectieve voorzieningen zoals het collectief vraagafhankelijk vervoer of een scootmobielpool gaan altijd voor een individuele voorziening tenzij de individuele voorziening goedkoper is. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoersmogelijkheid aangeboden. Net als dat voor personen zonder beperkingen geldt moet er voor vervoer betaald worden in de vorm van een ritbijdrage of eventueel eigen bijdrage.
5.7.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen vervoer Een eigen auto is een algemeen gebruikelijke voorziening vervoer. Een (elektrische) fiets, (elektrische) bakfiets, brommer of scooter zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen.
5.7.4 Voorliggende voorzieningen vervoer Voor vervoer naar het ziekenhuis kan een beroep gedaan worden op de Regeling zittend ziekenvervoer. Alleen wanneer de zorgverzekeraar geen vergoeding verstrekt kan een voorziening onderzocht worden. Voor vervoer naar het ziekenhuis kan gebruik gemaakt worden van de dienstverlening door Stichting Vrijwillige Hulpdienst Handsaam Brummen-Eerbeek. Voor vervoer naar werk of school kan een beroep gedaan worden op voorzieningen die vanuit de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) verstrekt worden door het UWV of op de regeling Leerlingenvervoer.
5.7.5 Algemene voorziening vervoer Een algemene voorziening is altijd voorliggend aan de optionele inzet van een maatwerkvoorziening. Wanneer deze algemene voorziening binnen een redelijke termijn beschikbaar kan zijn dan wordt in afwachting daarvan geen maatwerkvoorziening ingezet.
5.7.6 Collectief vraagafhankelijk vervoer
In het onderzoek beoordeelt het college of in de vraag van de inwoner voorzien kan worden met het collectief vraagafhankelijk vervoer. Als de inwoner de beschikking heeft over een eigen auto dan wordt er geen voorziening collectief vraagafhankelijk vervoer ingezet. Collectief vraagafhankelijk vervoer gaat boven de inzet van een individuele voorziening tenzij een individuele voorziening goedkoper is. Met het collectief vraagafhankelijk vervoer kan voor maximaal 20 kilometer gereisd worden tegen gereduceerd tarief. Boven deze 20 kilometer is reizen en vervoer uitsluitend mogelijk tegen een commercieel tarief.
5.7.7 Bovenlokale verplaatsingen
Van bovenlokale verplaatsing is sprake wanneer een inwoner meer dan 20 km rond de woning reist. Als er tijdens het onderzoek blijkt dat er noodzaak bestaat voor bovenlokale verplaatsingen kan het college hiervoor een maatwerkvoorziening inzetten. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van de eigen auto of het openbare vervoer. Als het reguliere openbaar vervoer om medische redenen niet mogelijk is, kan een inwoner gebruik maken van Valys (beschikbaar vanaf 25 kilometer vanaf het woonadres). Niet alle bovenlokale verplaatsingen komen voor vergoeding in aanmerking. Het is gebruikelijk dat iemand zowel op bezoek gaat als bezoek ontvangt en dat de kosten door beide partijen worden 29
gedeeld. Kosten voor bovenlokale reizen naar recreatieve bestemmingen komen niet voor vergoeding in aanmerking.
5.7.8 Individueel vervoer
Alleen wanneer individueel vervoer goedkoper is dan collectief vraagafhankelijk vervoer kan individueel vervoer worden onderzocht. Een individuele voorziening wordt verstrekt in de vorm van een taxi-kilometerbudget of rolstoel-taxikilometerbudget.
5.7.9 Meereizen begeleider Als het om medische- en/of veiligheidsredenen noodzakelijk is dat een begeleider meereist wordt vervoersondersteuning van de mantelzorger onderzocht. Indien uit het onderzoek blijkt dat er een noodzaak is, kan een begeleiderspas verstrekt worden.
5.7.10 Autoaanpassingen
Wanneer een autoaanpassing goedkoper is dan de inzet van collectief vraagafhankelijk vervoer of individueel vervoer kan een vergoeding voor een autoaanpassing worden onderzocht. Alleen meerkosten die vanwege (het ontstaan van) de beperking noodzakelijk zijn komen voor een vergoeding in aanmerking.
5.7.11 Scootmobiel
Een scootmobiel kan worden ingezet voor vervoer op de korte (in de directe nabijheid van de woning) en middellange afstanden. De scootmobiel kan een voorziening zijn voor de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan inwoners uit het eigen sociaal netwerk of het meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Wanneer een inwoner objectief aangetoonde ernstige belemmeringen heeft in de sta- en loopfunctie en daardoor problemen van langdurige aard heeft bij het verplaatsen buitenshuis kan deze voorziening onderzocht worden. Voorafgaand aan het onderzoek vraagt het college de inwoner om een haalbaarheidsonderzoek aan te leveren. In dit onderzoek wordt de bruikbaarheid van een voorziening voor de inwoner beoordeelt. Voor dit onderzoek kan gebruik gemaakt worden van externe expertise. Alleen de goedkoopst passende scootmobiel wordt als voorziening ingezet voor vervoer op de korte (in de directe nabijheid van de woning) en middellange afstanden. Wanneer de inwoner meer luxe wil of een scootmobiel met een hogere snelheid dan is dit voor eigen kosten mogelijk. De kosten voor de reparatie van de scootmobiel als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid zijn voor rekening van de inwoner. De kosten van het opladen van een scootmobiel worden beschouwd als algemeen gebruikelijke kosten en zijn voor rekening van de inwoner zelf.
5.8
Leidraad voor sportvoorzieningen om sociale verbanden aan te gaan (Participatie)
Hoewel een sportvoorziening in het algemeen de participatie van de inwoner kan vergroten wil dat nog niet zeggen dat de gevraagde sportvoorziening door het college wordt verleend. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de inwoner was voor hij ondersteuning nodig had. Uit het onderzoek moet blijken dat een inwoner zonder sportvoorziening niet in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en dat er een causaal verband is tussen de beperking en een gebrek aan participatie.
30
Het verlenen van een maatwerkvoorziening in de vorm van sportvoorziening gericht op de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner is uitgesloten. Onder persoonlijke ontwikkeling valt bijvoorbeeld sportbeoefening op (een hoog) wedstrijdniveau; een hoger niveau dan ‘normale’ sportbeoefening waarmee sociale contacten kunnen worden onderhouden. Wil iemand ‘topsport’ beoefenen dan zal hij daarvoor – net als valide topsporters – zijn aangewezen op sponsors en/of een sportbond. Ook een sportvoorziening om de conditie op peil te houden komt niet voor vergoeding in aanmerking.
5.8.1 Financiële mogelijkheden
De wet staat niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt verleend of geweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid om in eigen oplossingen te voorzien. In het gesprek met de inwoner zal door Team voor Elkaar actief een beroep worden gedaan op eigen financieringsmogelijkheden. En zal de inwoner en zijn sociale omgeving actief worden aangesproken op de eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid.
5.8.2 Algemeen gebruikelijk
De volgende kosten van reguliere sportbeoefening worden gezien als algemeen gebruikelijk: • lidmaatschap van een sportvereniging of toegangskaart voor bijvoorbeeld een zwembad; • reiskosten naar de sportvereniging en wedstrijden; • sportkleding.
5.8.3 Algemene voorzieningen Voorbeelden van algemene sportvoorzieningen zijn: • zwembaden; • sportverenigingen; • sportaccommodaties.
5.9
Leidraad begeleiding
Onder begeleiding verstaan we activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Begeleiding draagt op individueel niveau bij aan het: • bevorderen, behouden van de zelfredzaamheid of het verminderen van de snelheid waarmee de zelfredzaamheid afneemt; • voorkomen van sociaal isolement; • het gevoel van eigenwaarde, gezondheid, welbevinden en kwaliteit van leven. Begeleiding is bedoeld voor inwoners die zelfstandig wonen en onder de Wmo vallen (in een woning op eigen naam of op naam van de zorginstelling), beperkt zelfredzaam zijn en niet door het Team voor Elkaar via kortdurende cliëntondersteuning kunnen worden ondersteund vanwege het intensieve dan wel specifieke karakter van de zorgvraag. De begeleiding kan bestaan uit begeleiding groep of begeleiding individueel. De inzet van begeleiding groep is voorliggend op de inzet van begeleiding individueel.
5.9.1 Beperkingen in zelfredzaamheid en participatie
Er is sprake van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie als het zelfstandig nemen van besluiten of oplossen van problemen niet vanzelfsprekend is. Wanneer de inwoner hulp nodig heeft bij het regelen van dagelijkse bezigheden en bij het aanbrengen van dagelijkse routine en structuur, 31
niet goed begrijpt wat anderen zeggen en zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. Als gevolg van deze problematiek is er bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist door een professional, omdat de situatie anders verslechtert en/of waardoor de veiligheid van betrokkene en/of zijn omgeving in gevaar zijn. De beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen het gevolg zijn van lichamelijke beperkingen en/of beperkingen in cognitief functioneren en/of in psychisch en psychosociaal functioneren.
5.9.2 Algemene voorzieningen
Het college streeft ernaar zoveel mogelijk algemene voorzieningen in te zetten. Als er nog geen algemene voorziening beschikbaar is, wordt onderzocht of deze gecreëerd kan worden. Als het opzetten van een algemene voorziening binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden, en deze voorziening is passend voor de inwoner dan wordt er geen maatwerkvoorziening ingezet.
5.9.3 Voorliggende voorzieningen • • • • •
Onderwijs: begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs; Kinderopvang: kinderopvang is verantwoordelijkheid van ouders en de werkgever; Jeugdwet: opvoedingsondersteuning voor alle ouders en ouders van kinderen met een beperking kan vanuit de jeugdwet worden geboden; Arbeidsvoorzieningen: op grond van ziektewet, WIA, Wajong en WSW zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Wet Langdurige Zorg: op grand van een indicatie kan begeleiding vanuit de WLZ worden geboden.
5.9.4 Afwegingskader begeleiding groep Om te bepalen of er noodzaak bestaat voor ondersteuning in de vorm van begeleiding groep wordt afgewogen wat de aanleiding is de inwoner niet in staat is om zijn of haar eigen dagstructuur vorm te geven. Daarbij wordt onderzocht in hoeverre de inwoner een begeleide en gestructureerde omgeving nodig heeft als gevolg van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid (cognitief en/of fysiek). Afgewogen wordt of een algemene voorziening tot voldoende resultaat kan leiden. Daarnaast wordt onderzocht of er recht bestaat of kan bestaan op zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Wanneer een inwoner aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg voor begeleiding groep en dit weigert zelf te onderzoeken dan wordt er geen begeleiding groep vanuit de Wmo ingezet.
5.9.5 Afwegingskader begeleiding individueel Begeleiding individueel levert een bijdrage aan het vergroten en behouden van de zelfredzaamheid in het dagelijks leven door het bieden van ondersteuning aan de inwoner. Dit kan gaan om regieverlies, het vastzitten in patronen in denken en handelen, onvoldoende inzicht in eigen problematiek, onvoldoende inzicht in eigen problematiek of begeleiding van het gezinssysteem bij psychosociale problematiek. Er wordt altijd eerst onderzocht of kortdurende clientondersteuning passend kan bijdragen aan een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt onderzocht of een combinatie van kortdurende clientondersteuning en een algemene voorziening zoals een welzijnsvoorziening passend kan gaan ondersteunen. Pas wanneer dit geen passende oplossing biedt kan onderzocht worden of een maatwerkvoorziening begeleiding individueel noodzakelijk is. Ook binnen het onderzoek naar een maatwerkvoorziening wordt onderzocht of een combinatie van kortdurende clientondersteuning en/of algemene voorziening met een maatwerkvoorziening begeleiding een oplossing kan bieden. Wanneer een inwoner aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg voor
32
dagbesteding en dit weigert zelf te onderzoeken dan wordt er geen begeleiding individueel vanuit de Wmo ingezet.
5.9.6 Vervoer naar groepsgerichte vormen van ondersteuning
Wanneer een inwoner in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger) de groepsbegeleiding kan bereiken wordt er geen vervoersvoorziening verstrekt. Wanneer dit niet mogelijk is kan vervoer een onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening. Hierbij geldt dat wordt gekozen voor de dichtstbijzijnde geschikte locatie en de goedkoopst adequate vorm van vervoer. Voor dit vervoer kan het college het routegebonden vervoer toekennen.
5.10 Leidraad kortdurend verblijf Kortdurend verblijf omvat logeren in een instelling voor inwoners met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. Het gaat om een verblijf van een persoon van 18 jaar of ouder in een accommodatie waar onder professionele verantwoordelijkheid 24-uurszorg wordt geleverd.
5.10.1 Kortdurend verblijf ter ontlasting van de mantelzorger Ondersteuning middels kortdurend verblijf in een instelling is een vorm van respijtzorg die via het college kan worden toegekend. Deze vorm van kortdurend verblijf kan ingezet worden bij (dreigende) overbelasting van de mantelzorger. Dit als andere (lichtere) vormen van respijtzorg onvoldoende ondersteuning bieden. Een lichtere vorm van respijtzorg is bijvoorbeeld de inzet van vrijwilligers die de mantelzorger tijdelijk (alle) zorgtaken uit handen nemen of de voorziening dagbesteding. Onder de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf ter ontlasting van de mantelzorger wordt verstaan: verblijf van de persoon voor wie de mantelzorger verantwoordelijkheid draagt, in een accommodatie waar onder (professionele) verantwoordelijkheid 24uurszorg wordt geleverd. Het verblijf is voor een korte periode. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een weekendverblijf.
5.10.2 Afwegingskader kortdurend verblijf ter ontlasting van de mantelzorger
Deze vorm van kortdurend verblijf kan noodzakelijk zijn als de mantelzorger de volledige ondersteuning biedt aan een persoon die intensief toezicht nodig heeft. De belangrijkste afweging is of er sprake is van dreigende of al aanwezige overbelasting van de mantelzorger. Het gaat in de praktijk bijna altijd om intensieve mantelzorg, waarbij de zorgvrager intensieve verzorging, begeleiding en/of toezicht nodig heeft, gedurende de hele dag.
5.10.3 Omvang
Kortdurend verblijf gericht is op het ontlasten van de mantelzorger. Deze wordt toegekend voor maximaal 36 etmalen per jaar. In het onderzoek wordt gekeken naar wat er nodig is opdat de mantelzorger de ondersteuning vol kan houden. De periode waarvoor de toekenning geldt, is variabel en mede afhankelijk van de ontwikkeling van de ondersteuningsvraag van de inwoner en zijn/haar mantelzorger. De inwoner en zijn/haar mantelzorger is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Daarbij dient in de eerste plaats gebruik te worden gemaakt van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Wanneer betrokkene beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij/zij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor de regiotaxi of een 33
taxikostenvergoeding krijgen, waarmee hij/zij zich naar de instelling kan vervoeren. Pas als deze vormen van vervoer niet tot voldoende oplossing leiden kan er ook (aanvullend) vervoer worden toegekend.
5.11 Leidraad beschermd wonen en opvang Beschermd Wonen is een voorziening onder de Wmo 2015, waarbij het gaat om het bieden van een veilige afgeschermde woon- en leefomgeving waar samenhangend toezicht en begeleiding wordt geboden aan volwassen personen die door hun (psychiatrische) beperkingen niet in staat zijn zelfstandig te leven en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormen. De begeleiding is gericht op het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en participatie evenals op het bevorderen van het psychische en psychosociaal functioneren en het psychiatrisch ziektebeeld (incl. verslaving) te stabiliseren. (Maatschappelijke) opvang is een voorziening onder de Wmo 2015, waarbij het gaat om het bieden van (tijdelijke) opvang aan personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De opvang betreft verblijf in een opvanginstelling of instellingswoning met daarbij stabiliserende begeleiding. Het vastgestelde beleid van de gemeente Apeldoorn (centrumgemeente) voor beschermd wonen en opvang wordt door het college in deze beleidsregels overgenomen.
34
6
Slotbepalingen
Samenhang
De beleidsregels horen bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 Brummen. Intrekking De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen 2017 die het college heeft vastgesteld op 20 december 2016, vervallen op de dag waarop de nieuwe beleidsregels in werking treden.
Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de bekendmaking.
Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Gemeente Brummen 2021”
35