A15 - VNG - Lbr.21.027 - Compensatie tekorten Jeugdzorg
Tekst van het document
Deze denkrichting is (onlosmakelijk) verbonden met de volgende maatregelen: Werkgroep 2 reikwijdte: Eerdere maatregel: 2.7 Toegangspoorten Jeugdwet: sturing op de toegang door samenwerking van medische verwijzer en GI met lokale team. Denkrichting 1: afbakening lichte zorgvormen. Denkrichting 2: effectieve hulpvormen. Afbakening jeugdwet in relatie tot andere wetten. Maatregel: Overheveling J-ggz naar de Zvw. Werkgroep 3 eigen bijdrage: Eigen bijdrage per zorgvorm. a Indien er alleen voor sommige zorgvormen een eigen bijdrage wordt gevraagd, geeft dit dubbele (indirecte) sturingsmogelijkheden voor gemeenten. Dit voegt mogelijk een financiele prikkel toe bij het toewijzingsproces. Werkgroep 4 toegang: Denkrichting 1: de Jeugdwet moet versmald worden tot de meest kwetsbare groep kinderen, jongeren en gezinnen. Denkrichting 3: verbeteren medische verwijsroute en GI route. Werkgroep 5 preventie: Denkrichting 2: Terugdringen van tekorten door zaken vanuit de Jeugdwet niet meer te doen.
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
Er zijn kwalitatief goede wijkteams, die goed kunnen verwijzen/ triageren (door kwalitatief hoog opgeleide (specialistische) toegangsprofessionals en zelf lichte vormen van ambulante hulp kunnen aanbieden. Gemeenten hebben genoeg middelen om het toewijzingsproces te intensiveren. Dit is nu niet het geval. De Jeugdwet moet worden aangepast.
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
De maatregel is uitvoerbaar indien er genoeg middelen zijn voor gemeenten om de toegangstaken te intensiveren.
76
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Het Rijk zal de Jeugdwet moeten wijzigen. Bij de behandeling van de Jeugdwet in 2014 was destijds politiek geen ruimte om de verwijzing van de huisarts op enige wijze in te perken. De vraag is of dit in een nieuwe TK kansrijk is.
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
Het raakt voornamelijk de verhoudingen tussen gemeenten en GI’s, huisartsen, justitie en aanbieders. Gemeenten krijgen de volledige regie op de toegang, dit betekent dat GI’s, huisarts en justitie hun verwijs- cq bepalingsbevoegdheid kwijtraken en afhankelijk(er) worden van gemeenten om zorg te kunnen leveren.
e. Implementatietijd
Tussen 1-4 jaar voor de wetswijziging en het overgangsproces.
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten
De denkrichting is niet gekwantificeerd, het financiele resultaat is dus onbekend.
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
Enerzijds zal er vanuit integraal perspectief kunnen worden verwezen, dit zou tot betere en passendere zorg moeten leiden. Anderzijds, indien er niet voldoende (medische) expertise bij gemeenten aanwezig is, zou dit een negatief effect kunnen hebben. Daarnaast ontstaat mogelijk zorgmijdend gedrag bij gezinnen die geen vertrouwen hebben in de gemeente. Het (waarschijnlijk) oplopen van doorlooptijden kan een negatief effect hebben op de situatie van kinderen en gezinnen.
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Indien kinderen niet in beeld zijn bij gemeenten, is communicatie met voormalige verwijzers van belang zodat (zorgelijke) signalen worden gedeeld en opgepikt. Door zicht op bredere gezinsproblematiek bij gemeenten, kan beter passende hulp worden geboden aan. Het risico op het oplopen van doorlooptijden kan een negatief effect hebben op het tijdig inzetten van passende zorg voor kwetsbare kinderen en gezinnen.
d. Effect op aanpalende domeinen
Door integraal perspectief kunnen gemeenten wellicht sneller doorverwijzen naar andere domeinen, zoals: • Bestaanszekerheid (geld, wonen) • Complexe scheidingen • Passend Onderwijs Deze domeinen zullen hierdoor wellicht een stijging kunnen krijgen in zorgvragen.
e. Overige relevante effecten
•
• •
Medische verwijzers kunnen niet meer naar hun eigen jeugdhulpaanbod doorverwijzen, dit nu kan in sommige gevallen (jeugdpsychiater). Risico dat er een drempel ontstaat om niet-vrijwillige hulp op te leggen. (Materiele) controle van gemeenten op aanbieders wordt makkelijker wanneer zij de volledige regie hebben op toegang.
77
•
Mogelijke juridische knelpunten wanneer het gaat om machtiging uithuisplaatsing en een machtiging gesloten jeugdhulp van rechter schrappen.
f. Onderbouwing voor beoogde effecten
In de huidige situatie zijn er verschillende wettelijke verwijzers naar de jeugdhulp: • Gemeenten (wijkteams) (33% van de verwijzingen in 2019) • Huisartsen (36%) • Jeugdartsen (3%) • Medisch specialisten (5%) • Rechters, OM, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts en de directeur van de JJI (0,4%) • Gecertificeerde instellingen (9%)
g. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
De denkrichting is niet gekwantificeerd, het financiele resultaat is dus onbekend.
B.10 Optimalisatie na externe verwijzing (medisch) of bepaling (GI) Belangrijk punt van kritiek vanuit gemeenten is dat zij weinig (of op zijn minst onvolledige) grip hebben op de inzet van jeugdhulp, doordat jeugdhulp niet enkel via de gemeentelijke toegang ingezet kan worden. Ook externe (medische) verwijzers kunnen verwijzen naar jeugdhulp. En de GI kan een bepaling afgeven voor welke hulp ingezet dient te worden. In andere maatregelen is uitgewerkt wat de effecten zijn van aanpassingen in de bevoegdheden van externe verwijzers. Deze maatregel ziet op optimalisatie van de stap na een verwijzing. Daarmee blijft de verwijzingsbevoegdheid in stand, maar ontstaat meer grip van gemeenten op het moment dat jeugdhulp ingezet gaat worden. Er zijn twee varianten van optimalisaties voorgesteld. 1. Medezeggenschap door gemeente over ingezette zorg na externe verwijzing (medische route; niet van toepassing op bepaling GI). 2. Herindicatie moet altijd via gemeente lopen. Hieronder wordt variant 1 uitgewerkt. 1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
In de Jeugdwet (en parlementaire geschiedenis) is nu geregeld dat een wettelijke (medische) verwijzer vrijelijk mag doorverwijzen naar door gemeenten gecontracteerd aanbod. Een gemeente mag niet nog een extra toegangstoets van welke vorm dan ook tussen de verwijzing en intake/diagnosestelling door een aanbieder plaatsen. In inkoopcontracten en de verordening (artikel 2.9 Jeugdwet) kunnen gemeenten voorwaarden opnemen over de wijze waarop een zorgaanbieder na diagnosestelling besluit over de in te zetten zorg. Dit
78
kan bijv. zien op inschaling van de zorg (hoe zwaar of licht), maar bijv. ook over de inzet van zorg wanneer bredere gezinsproblematiek aan de hand lijkt. b. Uitvoering
Uitvoering onder huidige wet mogelijk. Mogelijk is verduidelijking gewenst.
c. Op wie richt de maatregel Gemeenten zich, welke partij is in de lead om de maatregel uit te voeren? d. Beoogd effect
Meer invloed van gemeenten op de in te zetten zorg door een jeugdhulpaanbieder na een externe verwijzing. Dit moet (1) tot betere passende, meer effectieve en meer duurzame zorg leiden daar waar de problematiek breder is dan enkel het kind; en (2) tot meer sturing op de inschaling (zwaarte en duur) van zorg die via een externe verwijzing tot stand komt.
e. Interacties met andere maatregelen
Maatregelen rondom het beperken van bevoegdheden van externe verwijzers of m.b.t. het optimaliseren van (de samenwerking met) de externe verwijzers hebben invloed op deze maatregel. Ook de maatregel ‘overhevelen J-GGZ naar Zvw’ heeft invloed omdat de meeste externe verwijzingen naar de J-ggz gaan (via huisarts). Tot slot raakt dit aan de maatregel om enkel naar gecontracteerd aanbod te verwijzen (mits door gemeenten een passend aanbod aan jeugdzorg is ingekocht)
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
Er is onduidelijkheid over welke ruimte er is voor gemeenten om invloed uit te oefenen op de hulpverlening volgend op een externe verwijzer. Dit zou verduidelijkt moeten worden. Dit hoeft niet in wetgeving, maar kan op andere wijze.
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Uitvoerbaar voor gemeenten
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Uitvoerbaar, maar met een risico op vertraging in zorgverlening en hogere administratieve lasten. Dit is mede afhankelijk van de wijze waarop gemeenten dit invullen.
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
In principe weinig. Het is nu al mogelijk, maar er heerst veel onduidelijkheid over. Een deel van de jeugdhulpaanbieders is van mening dat gemeenten geen invloed mogen hebben op de inzet van zorg na een externe verwijzing. Zij zullen dit als aantasting van hun autonomie zien.
e. Implementatietijd
Minder dan 1 jaar, enigszins afhankelijk van het moment dat inkoopcontracten aangepast kunnen worden.
79
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten in miljoenen euro’s
2021
2022
2023
2024
2025
Structureel
Jeugdwet besparing (-)
€ 7,2
€ 28,9
€ 28,9
€ 28,9
€ 28,9
€ 28,9
Jeugdwet tijdelijke investering (+)
Niet bepaald
€0
€0
€0
€0
€0
Andere domeinen besparing (-)
-€0
-€0
-€0
-€0
-€0
-€0
Andere domeinen tijdelijke investering (+)
€0
€0
€0
€0
€0
€0
Totaal netto resultaat (+/-) Negatieve bedragen zijn een besparing
€ 7,2
€ 28,9
€ 28,9
€ 28,9
€ 28,9
€ 28,9
Opmerkingen bij financiele effecten
Voor berekening van financiele effecten is als uitgangpunt genomen dat gemeenten medezeggenschap organiseren op elke inzet van zorg na een externe verwijzing. Dit levert hoge afstemmingskosten (administratieve lasten) op, terwijl slechts bij een deel van de gevallen er daadwerkelijk een andere uitkomst (ander zorgaanbod of andere intensiteit en duur) is. Wanneer gemeenten in hun verordening regels opnemen die slechts bij een deel van de zorg na een externe verwijzing tot medezeggenschap (selectiever) leidt, zullen de administratieve lasten aanzienlijk lager zijn. De verwachte besparingen (exclusief afstemmingskosten) in aangepaste inzet van zorg is - € 22 miljoen. De afstemmingskosten bedragen € 50,9 miljoen.
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
De kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp kan hiermee stijgen voor een deel van de kinderen, doordat beter passende zorg wordt geboden (beter aansluitend bij het gezinssysteem). Er is een risico op verminderde kwaliteit a.g.v. vertraging in de start van de zorg. Dit hangt sterk af van de wijze waarop gemeenten dit inrichten.
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Idem Bijzondere aandacht is nodig voor zorg voor kinderen (16+) die dit geheim willen houden voor hun ouders. Ook dient aandacht te zijn wanneer sprake is van spoed- of crisiszorg
d. Effect op professionals
Afhankelijk van de invulling door gemeenten, levert dit meer afstemming op aan de voorkant. Voor een deel levert dit beter passende zorg voor de client op. In een deel van de gevallen zal het hulpaanbod niet wijzigen.
80
e. Effect op aanpalende domeinen
Bij gemeenten komt zo meer zicht op kinderen waar bredere of ook andere gezinsproblematiek speelt.
f. Overige relevante effecten g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Individuele gemeenten hebben inzicht in verschillende effecten.
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
Resultaat en inspanning zijn in verhouding
Onderbouwing structurele financiële gevolgen Voor de berekening van de structurele financiele effecten zijn 3 elementen gecombineerd. 1. Besparingseffect 1 = andere intensiteit en duur van de ingezette zorg (aandeel verwijzingen x kosteneffect) 2. Besparingseffect 2 = ander zorgaanbod (aandeel verwijzingen x kosteneffect) 3. Hogere kosten 1 = afstemming tussen gemeenten en aanbieder Besparingseffect 1 = - € 11 miljoen Besparingseffect 2 = - € 11 miljoen Hogere kosten 1 = € 50,9 miljoen Hieronder wordt variant 2 uitgewerkt. 1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
In de Jeugdwet (en parlementaire geschiedenis) is nu geregeld dat een wettelijke (medische) verwijzer vrijelijk mag doorverwijzen naar door gemeenten gecontracteerd aanbod. Veelal volgt daarop (na diagnose en/of intake) een zorgaanbod bij een aanbieder zonder dat daarover (inhoudelijk) contact heeft plaatsgevonden met de gemeente. Hierdoor is er beperkt grip voor gemeenten op de geboden jeugdhulp. Door te verplichten dat herindicaties via de gemeentelijke toegang moet verlopen, ontstaan op dat moment meer sturingsmogelijkheden en meer grip.
b. Uitvoering
Aanpassing van de Jeugdwet nodig, te weten: herindicaties dienen via gemeentelijke toegang te verlopen (artikel 2.6 dient aangepast te worden).
c. Op wie richt de maatregel Gemeenten en aanbieders zich, welke partij is in de lead om de maatregel uit te voeren? d. Beoogd effect
Meer invloed van gemeenten op de in te zetten (vervolg)zorg door een jeugdhulpaanbieder na een externe verwijzing. Dit moet tot (1) meer sturing op de effectiviteit en duur van de inzet van jeugdhulp leiden.
81
e. Interacties met andere maatregelen
Maatregelen rondom het beperken van bevoegdheden van externe verwijzers of m.b.t. het optimaliseren van (de samenwerking met) de externe verwijzers hebben invloed op deze maatregel. Ook de maatregel ‘overhevelen J-GGZ naar Zvw’ heeft invloed omdat de meeste externe verwijzingen naar de J-ggz gaan (via huisarts).
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
In de Jeugdwet moet vastgelegd worden dat herindicaties via de gemeentelijke toegang moeten verlopen, en niet via externe verwijzers lopen (artikel 2.6).
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Uitvoerbaar voor gemeenten en aanbieders
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Uitvoerbaar
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
Enigszins maar beperkt.
e. Implementatietijd
Tussen 1 en 4 jaar (de wet moet worden aangepast).
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten in miljoenen euro’s
2021
2022
2023
2024
2025
Structureel
Jeugdwet besparing ()
-€0
- € 3,3
- € 6,5
- € 9,8
- € 13,1
- € 13,1
Jeugdwet tijdelijke investering (+)
Niet bepaald
€0
€0
€0
€0
€0
Andere domeinen besparing (-)
-€
-€
-€
-€
-€
-€
Andere domeinen tijdelijke investering (+)
€0
€0
€0
€0
€0
€0
Totaal netto resultaat (+/-) Negatieve bedragen zijn een besparing
€0
- € 3,3
- € 6,5
- € 9,8
- € 13,1
- € 13,1
Opmerkingen bij financiele effecten
Voor berekening van financiele effecten is uitgegaan van twee effecten. (1) beter passende zorg en/of korter durende zorg, doordat bij een herindicatie bewuster en breder wordt afgewogen of een verlenging van inzet van (dezelfde) zorg het meest effectief is.
82
Daarnaast is de inschatting dat een herindicatie via de gemeentelijke toegang, waar dit eerst via een externe verwijzing is verlopen, tot hogere afstemmingskosten leidt. b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
De kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp kan hiermee stijgen voor een deel van de kinderen, doordat als blijkt dat na een eerste periode van zorgverlening geen of weinig resultaat geboekt is, beter passende zorg kan worden geboden (waar nodig beter aansluitend bij het gezinssysteem).
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Idem
d. Effect op professionals
Onzeker of er een effect is en hoe sterk dit is. Hangt af van de mate waarin een herindicatie via de gemeentelijke toegang meer (voorbereidings- en afstemmingstijd)tijd kost dan een herindicatie van een externe verwijzer. Voor een deel levert dit beter passende zorg voor de client op. In een deel van de gevallen zal het hulpaanbod niet wijzigen.
e. Effect op aanpalende domeinen
Bij gemeenten komt zo (in tweede instantie) meer zicht op kinderen waar bredere of ook andere gezinsproblematiek speelt.
f. Overige relevante effecten g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Nnb
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
Resultaat en inspanning zijn in verhouding.
Onderbouwing structurele financiële gevolgen Voor de berekening van de structurele financiele effecten zijn 2 elementen gecombineerd. 1. Besparingseffect 1 = Meer sturing op effectiviteit en duur van de zorg (dit valt uiteen in: (1) toch geen herindicatie, (2) andere zorgaanbod (bijv. bij gezinsproblematiek), (3) verlening met aangepaste intensiteit en/of duur). (Aandeel verwijzingen x kosteneffect) 2. Hogere kosten 1 = hogere kosten in afstemming tussen gemeenten en aanbieder, dan bij herindicatie via eerste verwijzer. Besparingseffect 1 = - € 15,8 miljoen Hogere kosten 1 = € 2,8 miljoen Onderbouwing juridische aspecten (indien relevant) In de Jeugdwet is nu vastgelegd dat Huisartsen, Heugdartsen en Medisch specialisten mogen
83
doorverwijzen naar jeugdhulp. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen eerste verwijzingen en herindicaties. Dit zal in de wet vastgelegd moeten worden.
B.11 Reguleren medische verwijsroute en GI-route 1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
In de huidige situatie zijn er verschillende wettelijke verwijzers naar de jeugdhulp: • Gemeenten (wijkteams) (33% van de verwijzingen in 2019) • Huisartsen (36%) • Jeugdartsen (3%) • Medisch specialisten (5%) • Rechters, OM, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts en de directeur van de JJI (0,4%) • Gecertificeerde instellingen (9%) Gemeenten kunnen verwijzingen van wettelijke verwijzers niet tegenhouden, maar zijn wel verantwoordelijk voor de kosten. Landelijk zijn gemeenten maar in 1/3e van de jeugdhulptrajecten zelf de verwijzer. Als gemeenten meer regie kunnen voeren over de toegang van de jeugdzorg, dan zijn zij ook beter in staat om te sturen op de kosten hiervan. De gedachte daarbij is dat gemeenten dan de minst kosteneffectieve vormen van jeugdhulp gericht kunnen beperken. Er is een weglekeffect omdat de huisartsen/ GI’s minder kijken naar integrale oplossingen (brede gezinsproblematiek); er geen afweging wordt gemaakt rondom inzet eigen kracht; gezinnen kunnen ‘shoppen’ (indien ze geen verwijzing krijgen via het wijkteam; kunnen ze het proberen via de huisarts) . Daarnaast hebben externe verwijzers verder onvoldoende kennis van het getransformeerde aanbod en van het aanbod in een specifieke wijk.
Om het weglekeffect te beperken, kan de samenwerking tussen externe verwijzers en de gemeentelijke toegang worden gereguleerd, bijvoorbeeld doordat gemeenten in hun verordening voorwaarden stellen waaraan externe verwijzers zich moeten houden bij de verwijzing naar jeugdhulp. Gedacht kan worden aan het voorschrijven van inhoudelijke afstemming met de gemeente over de te verlenen jeugdhulp voorafgaand aan de verwijzing.
b. Uitvoering
De Jeugdwet dient te worden aangepast.
c. Op wie richt de maatregel Gemeenten samen met de externe verwijzers. zich, welke partij is in de lead om de maatregel uit te voeren? d. Beoogd effect
Gemeenten hebben door deze maatregel meer sturing en grip op de toegang. Afhankelijk van de voorwaarden die gemeenten zelf stellen aan de verwijzer, heeft dit mogelijk de volgende beoogde effecten: Financiële/ doelmatigheidseffecten:
84
•
•
Doelmatigheidswinst; Verwijzers verwijzen sneller naar een passende vorm van zorg die werkt vanuit een integraal perspectief (bijvoorbeeld zicht op bredere gezinsproblematiek). Gemeenten krijgen meer grip op toegang en kosten jeugdhulp.
Inhoudelijke effecten: Voordeel is: • Beter passende zorg voor een deel van de kinderen a.g.v. integrale beoordeling en aanpak problematiek met oog voor gezinscontext. Nadeel is: • Afhankelijk van de aard van de bij verordening te stellen eisen aan verwijzers bestaat het risico dat deze eisen conflicteren met de door de verwijzers te hanteren professionele standaard. e. Interacties met andere maatregelen
Deze denkrichting is verbonden met de volgende maatregelen: Werkgroep 2 reikwijdte: • Eerdere maatregel: 2.7 Toegangspoorten Jeugdwet: sturing op de toegang door samenwerking van medische verwijzer en GI met lokale team. • Denkrichting 1: afbakening lichte zorgvormen. à Afbakening bepaalt wat gemeenten wel/niet als jeugdhulp zien en in hun voorwaarden voor verwijzers opnemen. • Denkrichting 2: effectieve hulpvormen. à Afbakening o.b.v. effectiviteit bepaalt wat gemeenten wel/niet als jeugdhulp zien en in hun voorwaarden voor verwijzers opnemen. • Maatregel: Overheveling J-ggz naar de Zvw. Het grootste deel van de externe verwijzingen gebeurt namelijk door de huisarts, en dan met name naar de J-ggz. Werkgroep 4 toegang: • Denkrichting 1: de Jeugdwet moet meer gericht worden op en daardoor versmald worden tot de meest kwetsbare groep kinderen, jongeren en gezinnen. à Afbakening/versmalling van doelgroep bepaalt wie wel/niet jeugdhulp krijgt, en wie naar een ander domein wordt doorverwezen. • Denkrichting 3: verbeteren medische verwijsroute en GI route à Andere denkrichting op hetzelfde onderwerp. Werkgroep 5 preventie: • Denkrichting 2: Terugdringen van tekorten door zaken vanuit de Jeugdwet niet meer te doen. à Afbakening, hangt samen met WG 2.
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
De Jeugdwet moet worden gewijzigd
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Uitvoerbaar voor gemeenten, zij moeten hun voorwaarden voor externe verwijzers vaststellen . Daarnaast vraagt dit, afhankelijk van welke
85
voorwaarden gekozen worden, inzet van de externe verwijzers en/of aanbieders. Uitvoerbaar
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Een deel van de huisartsen zal dit niet als prettig ervaren. En in het kielzog daarvan ook een groot deel van de ggz-aanbieders, die vinden dat de gemeentelijke toegang zich dan teveel bemoeit met de inzet van jeugd-ggz. Terwijl dat overigens wel de wettelijke taak is van de gemeentelijke toegang.” Tegenwoordig is er een aanzienlijk deel van de huisartsen dat ervaring heeft met samenwerken met gemeentelijke toegangen. Goede verhalen van hen kunnen helpen om het draagvlak te vergroten.
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
Ja (zie hierboven)
e. Implementatietijd
Wetstraject duurt drie a vier jaar.
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten in miljoenen euro’s
2021
2022
2023
2024
2025
Structureel
Jeugdwet besparing (-)
€8
€ 30
€ 30
€ 30
€ 30
€ 30
Jeugdwet tijdelijke investering (+)
-Niet bepaald
€0
€0
€0
€0
€0
Andere domeinen besparing (-)
€0
€0
€0
€0
€0
€0
Andere domeinen tijdelijke investering (+)
€0
€0
€0
€0
€0
€0
Totaal netto resultaat (+/) Negatieve bedragen zijn een besparing
€8
€ 30
€ 30
€ 30
€ 30
€ 30
Opmerkingen bij financiele effecten
-
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
De impact op de kwaliteit van jeugdhulp is over het geheel genomen positief. Beter passende jeugdhulp (passend bij eigen kracht en problematiek gezinnen), betere sturing op kwaliteit. Nadeel is dat sommige voorwaarden meer administratieve lasten met zich mee kunnen brengen. Risico is dat bij sommige voorwaarden vertraging kan ontstaan alvorens hulp gestart wordt.
86
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Zie hierboven: neutraal/positief.
d. Effect op professionals
Neutraal/ positief
e. Effect op aanpalende domeinen
Door een toenemend integraal perspectief wordt er wellicht sneller doorverwezen naar andere domeinen, zoals: - Bestaanszekerheid (geld, wonen) - Complexe scheidingen - Passend Onderwijs - Volwassen GGZ Deze domeinen zullen hierdoor wellicht een stijging kunnen krijgen in zorgvragen.
f. Overige relevante effecten g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Niet bekend
h. Hoe is de verhouding Resultaat en inspanning zijn in verhouding. tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat? Onderbouwing juridische aspecten Het college is ervoor verantwoordelijk dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, onverminderd de daarbij te hanteren professionele standaard (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, Jeugdwet). Artikel 2.7, vierde lid, Jeugdwet, bepaalt dat het college afspraken maakt met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop verwezen wordt, onverminderd de daarbij te hanteren professionele standaard (artikel 2.7, vierde lid). De jeugdhulpaanbieder waarnaar wordt verwezen zal zich bij het bepalen van de inhoud van de daadwerkelijk in te zetten voorziening moeten houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie (ervan uitgaande dat wordt verwezen naar gecontracteerd aanbod) en met de regels die de gemeente op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet bij verordening stelt. Artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet, bevat een grondslag voor het stellen van regels over o.a. de voorwaarden voor, de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
Deze grondslag is niet toereikend voor het stellen van eisen aan de verwijzers zelf. Daartoe zal de Jeugdwet moeten worden aangepast. Onderzocht zal moeten worden hoe het stellen van regels aan de verwijzers zelf zich verhoudt tot de door huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen te hanteren professionele standaard.
B.12 Versmallen medische verwijsroute en GI route 1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
Een verwijzing of bepaling mag enkel naar gecontracteerd aanbod. Indien er redenen zijn om hiervan af te wijken dient hierover door verwijzer of gezin contact te worden opgenomen met gemeentelijke toegang. Verwijzingen naar niet-gecontracteerd aanbod worden door
87
gemeenten niet meer betaald, tenzij de gemeente geen geschikte vergelijkbare alternatieven heeft ingekocht. b. Uitvoering
Uitvoering onder de huidige wet is mogelijk. In artikel 2.7, vierde lid, is nu al geregeld dat het college afspraken maakt met de verwijzers over de voorwaarden waaronder en wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. De Gecertificeerde Instelling voert, volgens artikel 3.5, eerste lid, Jeugdwet, overleg met het college. Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd. Uit die jeugdhulp kan de GI een keuze maken.
c. Op wie richt de maatregel Gemeenten samen met externe verwijzers zich, welke partij is in de lead om de maatregel uit te voeren? • •
d. Beoogd effect
Meer grip op toegang en kosten door gemeenten. Doelmatigere zorg door dure en ondoelmatige, nietgecontracteerde aanbieders uit te sluiten. Verwijzers verwijzen sneller naar een passende vorm van zorg, die werkt vanuit een integraal perspectief (bijv. bredere gezinsproblematiek) De veronderstelling is dus dat niet-gecontracteerde zorg duurder is en daarnaast minder effectief is. • Er kan bij gemeenten een beter beeld ontstaan van ontbrekende of onvoldoende ingekochte jeugdhulp. Nadeel kan zijn: • Voor GI’s: jeugdbeschermers hebben de wettelijke verantwoordelijkheid om veilige en doeltreffende jeugdhulp in te zetten teneinde de ontwikkelingsbedreiging/onveiligheid op te lossen en zijn daarop aanspreekbaar. Deze maatregel kan leiden tot extra procedures en vertraging van de inzet van de zorg. •
e. Interacties met andere maatregelen
Mogelijke interactie met maatregelen uit Werkgroep 1 (inkoop) en Werkgroep 2 reikwijdte: • Eerdere maatregel: 2.7 Toegangspoorten Jeugdwet: sturing op de toegang door samenwerking van medische verwijzer en GI met lokale team. • Denkrichting 1: afbakening lichte zorgvormen. à Afbakening bepaalt wat gemeenten wel/niet als jeugdhulp zien en contracteren. • Denkrichting 2: effectieve hulpvormen. à Afbakening o.b.v. effectiviteit bepaalt wat gemeenten wel/niet als jeugdhulp zien en contracteren. • Maatregel: Overheveling J-ggz naar de Zvw. Het grootste deel van de externe verwijzingen gebeurt namelijk door de huisarts, en dan met name naar de J-ggz. Werkgroep 4 toegang: • Denkrichting 1: de Jeugdwet moet meer gericht worden op en daardoor versmald worden tot de meest kwetsbare groep kinderen, jongeren en gezinnen. à Afbakening/versmalling van doelgroep bepaalt wat voor zorg wel/niet gecontracteerd is.
88
Werkgroep 5 preventie: • Denkrichting 2: Terugdringen van tekorten door zaken vanuit de Jeugdwet niet meer te doen. à Afbakening, hangt samen met WG 2. 2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
Geen aanvullende randvoorwaarden noodzakelijk.
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Gemeenten en verwijzers in de lead, uitvoerbaar.
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Uitvoerbaar
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
In geringe mate.
e. Implementatietijd
Minder dan 1 jaar
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten
Zie voor eerste inschatting van KPMG tabel hierboven gebaseerd op grove aannames (dat gecontracteerd aanbod goedkoper is dan nietgecontracteerd aanbod). Er is geen raming van de kosten van transitie beschikbaar. De maatregel bevat geen stelselwijziging waardoor de kosten aanzienlijk lager zijn dan 1,5% van de budgettaire grondslag.
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
De impact op de kwaliteit van jeugdhulp is over het geheel genomen positief. Beter passende jeugdhulp (passend bij eigen kracht en problematiek gezinnen), betere sturing op kwaliteit. Nadeel is dat sommige maatregelen meer administratieve lasten met zich mee kunnen brengen. Risico is dat bij sommige maatregelen vertraging kan ontstaan alvorens hulp gestart wordt.
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Zie hierboven: neutraal/positief
89
d. Effect op professionals
Ervan uitgaande dat de gemeente goede hulp heeft ingekocht; geen of juist een positief effect.
e. Effect op aanpalende domeinen
Door breder te kijken naar gezinsproblematiek; mogelijk ook effect buiten de jeugdwet (schuldenproblematiek; volwassen GGZ etc.). Wellicht geldt dit bij deze maatregel iets minder dan bij de maatregel regulering.
f. Overige relevante effecten g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Niet bekend
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
Resultaat en inspanning zijn in verhouding
Onderbouwing structurele financiële gevolgen De berekening is hoofdzakelijk gebaseerd op drie variabelen: • De verdeling in uitgaven tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming, jeugdreclassering, preventief justitieel kader en overig. De omvang van deze categorieën t.o.v. de totale uitgaven aan aanbieders is bepaald op basis van KPMG ‘Inzicht in besteding hulpmiddelen’ januari 2020. • Het aandeel van de uitgaven in elke categorie dat naar gecontracteerd aanbod gaat. • De mogelijke tariefverbetering (i.c.m. duur en intensiteit inzet) als geen gebruik meer gemaakt wordt van ongecontracteerd aanbod. Voor de laatste twee variabelen heeft de werkgroep in overleg aannames gemaakt. Bekend is bijvoorbeeld dat jeugdbescherming en jeugdreclassering 100% gecontracteerd is en jeugdhulp niet. Na een check met de gemeente Amsterdam zijn de aannames nog aangescherpt. Onderbouwing juridische aspecten (indien relevant) Uitgangspunt van de Jeugdwet is nu al dat jeugdhulp wordt verleend door jeugdhulpaanbieders met wie de gemeente een contract- of subsidierelatie heeft. Alleen als de gemeente de noodzakelijke jeugdhulp niet heeft ingekocht kan zij verplicht worden om dit alsnog te doen.
Daarnaast bestaat voor jeugdigen en ouders de mogelijkheid om een pgb aan te vragen, indien zij zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de ingekochte voorziening niet passend achten. Voor wat betreft verwijzing door de GI geldt dat de GI met het college overlegt voordat zij verwijst naar bepaalde jeugdhulp (artikel 3.5, eerste lid, Jeugdwet). Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd. Uit die jeugdhulp kan de gecertificeerde instelling een keuze maken. De GI kan dan bijvoorbeeld, als er in overleg niet wordt uitgekomen, naar de voorzieningenrechter om alsnog de benodigde jeugdhulp af te dwingen. Voor wat betreft de verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, Jeugdwet) geldt dat het college afspraken maakt met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop verwezen wordt (artikel 2.7, vierde lid). Afgesproken kan worden dat naar gecontracteerd aanbod wordt verwezen. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of
90
subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden deze andere keuze te vergoeden en zullen de jeugdige of zijn ouders de kosten van deze jeugdhulp zelf dienen op te brengen. Met betrekking tot de overige verwijzers (de rechter, het OM, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de DJI) geldt dat het gemeentelijk aanbod uitgangspunt is. Als bijvoorbeeld een rechter verwijst naar een specifieke jeugdhulpaanbieder die niet in het gemeentelijk aanbod valt, is de gemeente slechts gehouden om de jeugdhulp door die aanbieder te laten uitvoeren indien de door de rechter noodzakelijk geachte jeugdhulp alleen bij die specifieke jeugdhulpaanbieder geboden kan worden. Is dat niet het geval en kan de jeugdhulp ook geboden worden door een jeugdhulpaanbieder die wel in het gemeentelijke aanbod zit, dan kan de gemeente er ook voor kiezen om deze jeugdhulpaanbieder in te zetten. De gemeente zal hierbij wel rekening dienen te houden met de behoeften en persoonskenmerken, de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Het college is wettelijk verplicht om te zorgen voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod. Het college zal ervoor moeten zorgen dat zij de in de gemeente benodigde jeugdhulp heeft ingekocht.
Indien dat niet het geval is, zou zij (als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan) ook een pgb kunnen verstrekken, zodat de jeugdhulp door de ouders zelf kan worden ingekocht. Het college is verplicht om de benodigde jeugdhulp te leveren, zie artikel 3 en 24 IVRK.
B.13 Vereenvoudiging keten jeugdbescherming 1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
Het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming schetst een perspectief op een verandering in de jeugdbeschermingsketen. Dat is nodig, want in de huidige jeugdbeschermingsketen (lokale teams, Veilig Thuis (VT), Gecertificeerde Instellingen (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK)) zijn knelpunten benoemd. Er zijn veel organisaties die werken met een gezin die onvoldoende op elkaar aansluiten en aparte schakels vormen. Kinderen en gezinnen krijgen te vaak geen tijdige passende hulp. De achterliggende problematiek binnen het gezin krijgt te weinig aandacht. Gestart wordt met beproeven en door ontwikkelen in proeftuinen. Op een aantal thema’s vindt nog uitwerking plaats (wetswijzigingen, rechtsbescherming, verbinding V-ggz).
b. Uitvoering
Op termijn volgen mogelijk wetswijzigingen. Dit is nog een van de uitwerkingspunten.
c. Op wie richt de maatregel Op rijk, gemeenten en aanbieders. zich, welke partij is in de Gezamenlijke verantwoordelijkheid van VWS, JenV en VNG. lead om de maatregel uit te voeren? d. Beoogd effect
Het toekomstscenario betekent op een termijn van pakweg 5 jaar een grote innovatie en verandering in de jeugdbeschermingsketen waarbij wordt overgestapt van een kind- naar een gezinsgerichte benadering. Van een estafettemodel waar meerdere organisaties het stokje doorgeven naar een teammodel. Van verschillende professionals in een gezin naar één vertrouwd gezicht. Kennis en deskundigheid op het
91
gebied van zorg en veiligheid worden samengebracht. e. Interacties met andere maatregelen
Niet van toepassing
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
Ontwikkel- en experimenteerruimte, innovatiegelden, juridische en organisatorische condities op orde.
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Ja. Mits wordt voldaan aan condities om het toekomstscenario te beproeven in de praktijk
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Ja. Mits wordt voldaan aan condities om het toekomstscenario te beproeven in de praktijk.
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
Substantieel
e. Implementatietijd
Meer dan 4 jaar
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten
Zie ‘Onderbouwing structurele financiele gevolgen’ onder tabel.
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp c. Effect op meest kwetsbare kinderen d. Effect op professionals e. Effect op aanpalende domeinen f. Overige relevante effecten
Onder andere: Mate van risico dat de maatregel geen of zelfs ongewenst effect heeft
g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Is er empirisch bewijs voor de beoogde effecten? Ja/ Nee/ Niet bekend
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
Resultaat en inspanning zijn in verhouding/ Veel inspanning en weinig financieel resultaat
92
Onderbouwing structurele financiële gevolgen Deze zijn op dit moment niet te schatten of te becijferen door het grote aantal variabelen waarover besluitvorming nodig is voordat een begin van schatting mogelijk wordt. Het betreft een complexe operatie waar veel partijen bij betrokken zijn. Het scenario is nog in ontwikkeling en vraagt nog veel uitzoekwerk. Op dit moment een schatting maken van wat het oplevert levert een willekeurig en onbetrouwbaar plaatje op. Het traject om tot vereenvoudiging van de JB-keten te komen zal 5 tot 10 jaar duren. In die tijd vraagt het vooral om extra investeringen. De mogelijke besparing zal pas aan het eind van het traject en daarmee ver in de toekomst merkbaar zijn en levert zeker niet vanaf 2022 structurele besparingen op.
B.14 Gecertificeerde Instellingen (GI’s) voeren bij complexe casuïstiek overleg met gemeenten voor verwijzing Korte inleiding Als gevolg van de externe verwijsstroom door GI’s ervaren gemeenten een aantal weglekeffecten. De sturing van gemeenten wordt beperkt, met name bij complexe casuïstiek. Het gaat dan om de volgende (mogelijke) weglekeffecten: - Beperkte inzet integrale oplossingen; - Beperkte afweging inzet eigen kracht/sociaal netwerk (‘de belangrijke ander’); - Verwijzingen naar niet-gecontracteerd, onvoldoende getransformeerd, wijkspecifiek en vernieuwend aanbod. In de Jeugdwet is de verplichting tot overleg met de gemeenten bij het bepalen van jeugdhulp door de GI al opgenomen32, met als doel dat de GI op de hoogte is van het ingekochte hulpaanbod. Overeenstemming is niet vereist omdat de GI de wettelijke verantwoordelijkheid heeft om hulp in te zetten die de veiligheid van het kind borgt. Het gaat bij deze maatregel dus meer om het invulling geven aan de bestaande regels dan om een wezenlijk nieuw idee. In het inspectierapport ‘kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’ is door inspecties geconstateerd dat het overleg bedoeld is om te zorgen dat de GI op de hoogte is van het ingekochte hulpaanbod en om inbreng van gemeenten mee te nemen.
De oproep van de inspecties aan gemeenten is om de verwijzing van de GI niet ter discussie te stellen (gegeven de verantwoordelijkheid van de GI) en doen de aanbeveling om de mogelijkheden te onderzoeken om vóór de multidisciplinaire besluitvorming door de GI’s, in samenwerking met gezin, zorgaanbieders en financier/lokale team tot overleg te komen over het passende hulpaanbod. Het lokale team is/blijft dan betrokken om zorg te dragen voor een integraal hulpaanbod. 1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
32
GI’s dienen bij het bepalen van jeugdhulp bij complexe casuïstiek altijd overleg te voeren met de gemeenten vóór verwijzing. Dit omdat dit over het algemeen kostbare zorg betreft, er vaak sprake is van uithuisplaatsing en in de betreffende gezinnen vaker sprake is van brede en langdurige problematiek. Daarnaast om de GI op de hoogte te brengen van het ingekochte aanbod, tot integrale oplossing te komen en de inzet van eigen kracht te verbeteren. Belangrijk element van het Regionaal Expertteam (RET) is borgen dat door samenwerking (binnen het gedwongen kader) meer passende en duurzame ondersteuning van
Art. 3.5.1. “De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.” De GI en gemeenten spreken ook af hoe de wijze van overleg eruit ziet (lid 3). Voor de jeugdhulp die voorkomt uit het strafrechtelijke kader hoeft de GI geen overleg te voeren ( lid 4).
93
kind en gezin gerealiseerd kan worden. Door dit te beperken tot complexe casuïstiek voorkomen we teveel bureaucratie en vertraging in verwijzingen in het gedwongen kader. Praktisch kan dit overleg op het niveau van de jeugdhulpregio (het Regionaal Expertteam) plaatsvinden, waarbij de lokale toegang aansluit. Dit voorkomt teveel overleg op lokaal niveau. Elke jeugdhulpregio legt vast welke complexe casuïstiek in het RET ingebracht moet worden, zowel door GI als door lokale toegang. b. Uitvoering
Uitvoering onder huidige wet mogelijk
c. Op wie richt de maatregel zich, welke partij is in de lead om de maatregel uit te voeren?
GI’s: GI’s zijn aan zet als het gaat om het voeren van overleg in het RET. Gemeenten: de gemeenten zijn aan zet om een RET in te richten, duidelijkheid te geven over het getransformeerde aanbod c.q. sociale kaart (getransformeerd en ingekocht), met de GI (beleids)afspraken te maken over welk (getransformeerd) aanbod er nodig is in gedwongen kader en om lokale teams te laten aansluiten bij het RET. Gemeenten en GI’s leren zo van deze samenwerking over complexe casuïstiek in het gedwongen kader.
d. Beoogd effect
- multidisciplinaire afweging op passend hulpaanbod; - meer inzet van getransformeerd aanbod; - meer inzet van gecontracteerd aanbod; - meer benutten van sociaal netwerk (‘de belangrijke ander’); - gelijktijdige inzet van interventies op bijv. inkomen, wonen, volwassenggz; - meer creeren van een (brede) doorbraak in langdurig patroon. - completere verklarende analyse van situatie bij het gezin/kind/jongere; Door (combinatie van) bovengenoemde effecten is beoogd een minder intensieve en langdurige inzet van (niet gecontracteerde) kostbare vormen van jeugdhulp met een te weinig duurzaam effect. Kwalitatief is beoogd het doorbreken van langdurige patronen en duurzaam versterken van jeugdige en gezin/netwerk. Het te verwachten financiele effect is naar verwachting zeer beperkt en kost tijd. Ten eerste moeten er extra kosten worden gemaakt om de expertise van regionale expertteams en lokale toegang te versterken om het tijdige gesprek met de GI goed te kunnen voeren en tot andere keuzes te kunnen komen. Ten tweede zal in het overgrote aandeel in de verwijzingen het gesprek naar verwachting niet leiden tot een andere verwijzing voor de jeugdige op korte termijn, aangezien er al sprake is van een ‘dwang’-kader. Ten derde is de verwachting dat als er breder gekeken wordt, er mogelijk zelfs meer hulp zal worden ingezet ipv minder hulp.
De beoogde kwaliteitsverbetering kost tijd, omdat er samen geleerd moet worden in de praktijk. Ook zijn niet alle jeugdhulpregio’s even ver met de ontwikkeling van het RET.
e. Interacties met andere maatregelen
Maatregel “Optimalisatie samenwerking GI-gemeenten na verwijzing”
94
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
- In de jeugdwet is al opgenomen in art. 3.5 lid 1 dat de GI bij het bepalen van noodzakelijke jeugdhulp overleg voert met de gemeenten (ten einde op de hoogte te zijn van het ingekochte aanbod) en dat de wijze van overleg wordt vastgelegd in een protocol. -Versterken samenwerking GI’s met gemeenten op schaal van Jeugdhulpregio door structurele samenwerking gemeenten en GI’s in regionale expertteams. Dit is al opgenomen in de Norm van Opdrachtgeverschap Jeugd VNG.; -Borgen voldoende expertise bij lokale toegang gemeenten/jeugdhulpregio om brede blik, doorbraak en benutten sociaal netwerk/eigen kracht daadwerkelijk toe te kunnen voegen. Dit is al opgenomen in Norm van Opdrachtgeverschap, maar vergt in de jeugdregio nog een investering
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
De GI’s zijn aan zet om overleg te voeren. De gemeenten om de randvoorwaarden te realiseren (zie 2a). De maatregel is uitvoerbaar maar kent wel obstakels. De maatregel is uitvoerbaar omdat: -Er nu in de praktijk ook al vaak afstemming plaatsvindt echter vooral pas in de fase na het intern bepalen van de verwijzing door de GI; -De afstemming met de jeugdhulpregio plaatsvindt in het RET waarbij lokale toegang aansluit. Alle jeugdhulpregio’s hebben een RET of werken daar al naartoe. -Ook biedt de wet gemeenten de mogelijkheid het type verwijzingen waarvoor afgestemd moet worden te beperken. Door dit tot complexe casuïstiek te beperken wordt onnodige bureaucratie vermeden. Er zijn obstakels omdat: -Bij complexe casuïstiek meer handelingen verplicht worden voor alle GI’s voor verwijzing. DE inspecties hebben aanbevolen de mogelijkheden van dit overleg voor verwijzing te onderzoeken. - Er meer overleg gevoerd zal worden door gemeenten in regionaal verband met de GI’s voor verwijzing. Daarmee bestaat het risico op langere duur. - Er een risico is dat kinderen in het gedwongen kader daardoor langer moeten wachten op jeugdhulp. Door inspecties is recent geconstateerd dat dit nu ook al een knelpunt is. Daarom wordt voorgesteld dit te beperken tot complexe casuïstiek.
-Gemeenten en jeugdhulpregio’s hun expertise op orde moeten brengen om de snelle triage op brede blik/inzet sociaal netwerk in korte doorlooptijd in te kunnen zetten. Dit betekent het verder versterken van de lokale toegang en regionale expertteams door de jeugdhulpregio’s. Dit kost tijd en geld.
95