CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

A14 - VNG - Lbr. 26.009 - Nieuwe Modelhuisvestingsverordening en Wet versterking regie volkshuisvesting D479872

Besluitvormende raadsvergadering 28 mei 2026, gemeente BrummenBij agendapunt: Lijst met ingekomen en verzonden stukken40.991 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Van: Verzonden: Aan: Onderwerp:

VNG <info@vng.nl> woensdag 8 april 2026 19:05 Gemeente Brummen Lbr. 26/009 - Nieuwe Modelhuisvestingsverordening en Wet versterking regie volkshuisvesting

Lees online | Gegevens wijzigen

Lbr. 26/009 - Nieuwe Modelhuisvestingsverordening en Wet versterking regie volkshuisvesting 8 april 2026

Geachte leden van college en gemeenteraad, De Huisvestingswet vormt een belangrijk fundament voor het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Op basis van deze wet mag u regels stellen over onder andere de woonruimteverdeling en de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Dit gebeurt via een Huisvestingsverordening of een beperktere Urgentieverordening. Naar verwachting treedt op 1 juli 2026 de Wet versterking regie volkshuisvesting in werking, onder voorbehoud van besluitvorming in de Eerste Kamer. Daarmee wijzigen ook onderdelen van de Huisvestingswet. De VNG heeft van dit moment gebruikgemaakt om de modelverordening te herschrijven en een Handreiking Huisvestingsverordening op te stellen. De VNG adviseert gemeenten om nu al een start te maken met de voorbereidingen voor een huisvestings- of urgentieverordening. Volledige brief en bijlagen

Contact

Afmelden

vng.nl

Gegevens wijzigen

Dit bericht is verzonden door de VNG. Lees onze proclaimer.

1

Aan de leden

Datum

7 april 2026 Ons kenmerk

U202600184 Lbr. 26/009 Telefoon

070-373 83 93 Bijlage(n)

4

Onderwerp

Nieuwe Modelhuisvestingsverordening en Wet versterking regie volkshuisvesting

Geachte leden van college en gemeenteraad,

De Huisvestingswet vormt een belangrijk fundament voor het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Op basis van deze wet mag u regels stellen over onder andere de woonruimteverdeling en de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Dit gebeurt via een Huisvestingsverordening of een beperktere Urgentieverordening. Naar verwachting treedt op 1 juli 2026 de Wet versterking regie volkshuisvesting in werking, onder voorbehoud van besluitvorming in de Eerste Kamer. Daarmee wijzigen ook onderdelen van de Huisvestingswet. De VNG heeft van dit moment gebruikgemaakt om de modelverordening te herschrijven en een Handreiking Huisvestingsverordening op te stellen. De VNG adviseert gemeenten om nu al een start te maken met de voorbereidingen voor een huisvestings- of urgentieverordening. In deze ledenbrief informeren wij u over aankomende wijzigingen en instrumenten die u al kunt inzetten. Dit gaat over: -

Woonruimteverdeling

-

Woonruimtevoorraadbeheer

-

Opkoopbescherming en toeristische verhuur

U ontvangt tevens de Modelhuisvestingsverordening en de Handreiking (bijlagen 1 t/m 4), zodat u kunt starten met het opstellen of actualiseren van de gemeentelijke Huisvestingsverordening of Urgentieverordening.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

1/3

Woonruimteverdeling Bij de verdeling van sociale huurwoningen en betaalbare huur- en koopwoningen is het uitgangspunt de vrijheid van vestiging. Als er woningschaarste is en bepaalde groepen woningzoekenden voorrang moeten krijgen, kan dit recht worden beperkt bij wet en verordening. Voor gemeenten is een Huisvestingsverordening (of uitsluitend een Urgentieverordening) een belangrijk sturingsinstrument om hiervoor regels te kunnen stellen. Dit kan betrekking hebben op onder meer -

de wijze van toewijzing

-

voorrang voor bepaalde doelgroepen of lokale woningzoekenden de toewijzing van woonwagenstandplaatsen

De Wet versterking regie volkshuisvesting voegt daarnaast een verplicht onderdeel toe: het huisvesten van wettelijk bepaalde urgent woningzoekenden. Elke gemeente moet hierover regels opnemen in een regionaal afgestemde verordening. Dit gaat onder andere over het aandeel wettelijke urgente woningzoekenden dat een gemeente binnen de woningmarktregio moet huisvesten (de fair share). Ook kan de gemeente eigen lokale urgentiecategorieën vastleggen. In de praktijk werken gemeenten hierbij samen met woningcorporaties. De verplichting om een verordening vast te stellen treedt in werking na een door de minister van VRO te bepalen overgangstermijn. Woonruimtevoorraadbeheer Dit onderdeel van de Huisvestingsverordening is optioneel. Gemeenten mogen op grond van de Huisvestingswet regels stellen over het splitsen, verkameren, samenvoegen en onttrekken van woonruimte. Dit wordt met name toegepast door gemeenten met grote tekorten aan specifieke categorieën woonruimten of leefbaarheidsproblemen. De gemeente moet het gebruik van deze instrumenten onderbouwen op basis van onderzoek naar schaarste of leefbaarheid. Een zorgvuldige afweging is noodzakelijk tussen het beschermen van de woningvoorraad en het beter benutten daarvan. Opkoopbescherming en toeristische verhuur Gemeenten kunnen voorwaarden stellen aan het opkopen en verhuren van woningen.

Dit relatief nieuwe instrument wordt vaak ingezet om koopstarters een betere positie op de koopmarkt te geven door te voorkomen dat te veel woningen worden opgekocht voor verhuur. Gemeenten met een relatief grote toeristische sector mogen maatregelen treffen om de verhuur van woonruimten aan toeristen te beperken, zoals •

een registratieplicht

•

een maximale verhuurperiode

•

een vergunningplicht

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/3

Ook voor deze instrumenten geldt dat de noodzaak moet worden onderbouwd door de gemeente en onderdeel is van de besluitvorming rondom een huisvestingsverordening. Wat betekent dit voor de ambtelijke organisatie Elke gemeente moet op termijn beschikken over een regionaal afgestemde verordening waarin de wettelijke urgentieregeling is vastgelegd. De modelverordening biedt handvatten om dit juridisch zorgvuldig te regelen. Dit vraagt om voldoende uitvoeringscapaciteit, onder andere om urgenties te beoordelen en bezwaar en beroep af te handelen. In veel gemeenten hebben woningcorporaties nu al een rol bij de huisvesting van urgente woningzoekenden en bij de beoordeling van aanvragen. De VNG adviseert gemeenten daarom om met corporaties afspraken te maken over de uitvoering. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de regiogemeenten. Omdat deze wettelijke taak nieuw is, worden gemeenten hiervoor gecompenseerd via een aanpassing van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds. De overige onderdelen van de Huisvestingswet blijven optioneel. Als de gemeente ervoor kiest deze onderdelen toe te passen, dan is vaak extra of andersoortige uitvoeringscapaciteit nodig. De regels die de gemeente vastlegt moeten immers ingevoerd, uitgevoerd en gehandhaafd kunnen worden. Vragen Neem contact op via info@vng.nl of 070 3738393.

De modelverordening zal opgenomen worden in de Kennisbank Decentrale Regelgeving van Sdu. Meer informatie over de Wet versterking regie volkshuisvesting staat op de website van de rijksoverheid. Bijlagen 1. Handreiking Huisvestingsverordening 2. Modelhuisvestingsverordening 2026 3. Toelichting modelhuisvestingsverordening 2026 4. Implementatiehandleiding modelhuisvestingsverordening 2026

Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

dr. mr. L.K. Geluk Algemeen directeur

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3/3

Huisvestingsverordening

Handreiking

Colofon maart 2026 Opdrachtgever(s) VNG Auteurs Pim Tiggeloven (Companen) Bram Klouwen (Companen)

Inhoud 1 1.1

Inleiding Waarom een handreiking?

4 4

2 2.1 2.2 2.3

Achtergronden bij de huisvestingsverordening Instrument van de Huisvestingswet Voorwaarden huisvestingsverordening Samenhang met andere wetgeving

5 5 8 9

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Verplicht onderdeel: urgenties Waarom een verplicht urgentieonderdeel? Naar een evenwichtige verdeling binnen de regio Zoekprofiel voor urgente woningzoekenden Monitoringsplicht voor gemeenten

12 12 16 17 19

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Sturen op woonruimteverdeling Sturing op woonruimteverdeling Voorrang op basis van economische of maatschappelijke binding Toewijzing woonwagens- en standplaatsen Wat als er geen huisvestingsverordening is? Onderbouwing noodzaak van sturing op woonruimteverdeling

20 20 23 26 28 28

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Sturen op het gebruik van de woningvoorraad Woningvorming, splitsing appartementsrechten, woningomzetting Woningonttrekking Woningsamenvoeging Onderbouwing noodzakelijkheid van sturing op woonruimte voorraadbeheer Opkoopbescherming Toeristische verhuur

30 30 33 33 34 36 40

6 6.1 6.2 6.3

Het opstellen van de verordening Het opstellen van een verordening voor urgenties Het opstellen van een verordening voor de woonruimteverdeling Het opstellen van een verordening voor woonruimtevoorraadbeheer, opkoopbescherming, toeristische verhuur Communicatie

44 44 48

54 54 55 57

7.5 7.6

Uitvoering van de verordening Organisatie van woonruimteverdeling Het aanvragen van urgentie Aanvragen huisvestingsvergunning woonruimteverdeling Aanvragen vergunning woonruimtevoorraadbeheer, opkoopbescherming, toeristische verhuur Verantwoording en monitoring Verdeling kosten in de uitvoering

8 8.1 8.2 8.3

Toezicht en handhaving Bij welke instrumenten is handhaving met name gewenst? Mogelijke sancties bij een overtreding Mogelijkheden voor toezicht en handhaving

62 62 62 64

6.4 7 7.1 7.2 7.3 7.4

52 52

59 60 60

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3

1 Inleiding 1.1

Waarom een handreiking? De Huisvestingswet 2014 heeft als basisprincipe de vrijheid van vestiging: iedere inwoner mag zelf bepalen waar hij of zij in Nederland gaat wonen. De overheid mag hier alleen op ingrijpen als er sprake is van woningschaarste of (sinds kort en in specifieke gevallen) leefbaarheidsproblematiek. In dat geval kan de gemeente een huisvestingsverordening opstellen, zodat men sturing kan geven aan onderwerpen als de woonruimteverdeling, urgenties en de samenstelling van de woningvoorraad. Als gevolg van de oplopende druk op de woningmarkt zijn steeds meer gemeenten de inzet van een huisvestingsverordening gaan overwegen. Bovendien zijn er steeds meer onderwerpen toegevoegd aan de Huisvestingswet, zoals opkoopbescherming en toeristische verhuur. Anno 2024 zijn gemeenten niet verplicht om een huisvestingsverordening te hanteren. Ongeveer de helft van alle gemeenten beschikt over een huisvestingsverordening. En deze gemeenten zetten meestal niet het volledige instrumentarium in. In de toekomst wordt een huisvestingsverordening voor het onderwerp ‘urgenties’ verplicht. Veel gemeenten gaan dan voor het eerst een huisvestingsverordening opstellen. Waarschijnlijk blijft het voor veel gemeenten bij het onderdeel urgenties. Wellicht ziet een deel van de gemeenten dit als aanleiding om ook voor andere onderdelen de verordening uit te werken.

Het is daarom belangrijk om deze gemeenten een goed inzicht te geven van mogelijkheden en voorwaarden van de huisvestingsverordening. Uiteraard als het gaat om het verplichte urgentieonderdeel, maar ook over de andere onderwerpen. Op welke manier kunnen we als gemeente sturing geven aan de woonruimteverdeling? In welke situaties kan sturing op thema’s als woningvoorraadsamenstelling of opkoopbescherming een optie zijn? Aan welke voorwaarden moeten we voldoen als we één of meerdere niet verplichte onderdelen willen uitwerken? Met alleen de keuze voor de inhoudelijke thema’s is een gemeente er niet. Zowel voor het proces om tot een huisvestingsverordening te komen, als bij de uitvoering in de praktijk, gelden veel aandachtspunten. Welke partijen betrek ik bij het opstellen van een verordening? Kiezen we voor een verordening die betrekking heeft op de eigen gemeente of kiezen we voor een uniforme verordening voor de hele regio? Welke mogelijkheden zijn er qua toezicht en handhaving bij de uitvoering van de huisvestingsverordening? Deze en andere vragen komen aan de orde in de handreiking.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4

2 Achtergronden bij de huisvestingsverordening Voordat we ingaan op de verschillende onderdelen van de huisvestingsverordening, staan we eerst stil bij de achtergronden van het instrument. Hoe ziet het wettelijk kader eruit? Welke voorwaarden gelden er voor het invoeren en hanteren van een huisvestingsverordening?

2.1

Instrument van de Huisvestingswet De huisvestingsverordening is een sturingsinstrument dat voortvloeit uit de Huisvestingswet 2014. Het basisprincipe van deze wet is het recht op vrijheid van vestiging1. Dit betekent dat iedereen in Nederland (en Europa) zelf mag bepalen waar hij of zij gaat wonen. Dit recht kan alleen beperkt worden als dit bij wet is geregeld, een legitiem doel dient en niet bereikt kan worden met een minder ingrijpende maatregel. In de Huisvestingswet wordt als legitiem doel genoemd de aanwezigheid van woningschaarste die ervoor zorgt dat sommige woningzoekenden structureel op achterstand staan bij het vinden van een woning. Een huisvestingsverordening kan alleen worden ingezet als dat noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van deze schaarste aan woonruimte (Huisvestingswet, artikel 2, lid 1). Bij de laatste aanpassing van de Huisvestingswet (in werking getreden per 1 januari 2024) is daaraan toegevoegd dat bij specifieke onderwerpen (woonruimtevoorraadbeheer en toeristische verhuur) ook de aanpak van leefbaarheidsproblematiek als legitiem doel kan worden gehanteerd (Huisvestingswet, artikel 2, lid 2, onder b).

Publiekrechtelijk instrument De huisvestingsverordening is een publiekrechtelijk instrument waarmee overheden (gemeenten en regio’s) sturing kunnen geven aan onderwerpen als woonruimteverdeling, urgenties en de samenstelling van de woningvoorraad. Dit betekent dat alle uitvoerende instanties, zoals woningcorporaties, particuliere verhuurders en ontwikkelaars zich aan de bepalingen in de huisvestingsverordening dienen te houden, tenzij de gemeente specifieke uitzonderingscategorieën in de verordening benoemt. De Huisvestingswet stelt dat de gemeente op terrein van de woonruimteverdeling en urgenties dit alleen via een huisvestingsverordening kan regelen2 (Huisvestingswet, artikel 4). Daarmee is het verboden dat een gemeente privaatrechtelijke afspraken mag maken (zoals prestatieafspraken met woningcorporaties of anterieure afspraken met ontwikkelaars) over onderwerpen die in de Huisvestingswet 2014 zijn benoemd. Het maakt daarbij niet uit of een bepaald onderwerp al dan niet is opgenomen in een lokale of regionale huisvestingsverordening. Publiek- en privaatrecht mogen elkaar niet doorkruisen.

1

Artikel 2 Vierde Protocol Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.

2

Voor de onderdelen ‘gebruik van de woningvoorraad’, ‘opkoopbescherming’ en ‘toeristische verhuur’ is dat niet het geval.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

5

Bijdrage aan volkshuisvestelijk beleid Een huisvestingsverordening functioneert als instrument bij de uitvoering van gemeentelijk woonbeleid. Het instrument biedt vooral sturing als het gaat om het in gebruik geven of nemen van woonruimte en/of het wijzigen van de samenstelling van de woningvoorraad. Uit de evaluatie van de Huisvestingswet 2014 (uitgevoerd in 2020) bleek dat ongeveer de helft van alle gemeenten (179 van de 352) gebruik maakt van een huisvestingsverordening. Het gaat daarbij vooral om gemeenten in het westen (Randstad) en midden van het land. Onderwerpen voor de huisvestingsverordening De huisvestingsverordening kent in de basis een cafetariamodel; iedere gemeente mag zelf bepalen of ze voor een of meerdere thema’s de verordening uitwerkt. In de praktijk zijn er veel gemeenten die voor slechts één of twee onderwerpen een verordening hanteren. Maar zeker bij de grootstedelijke gemeenten (waar de woningschaarste en verdringing vaak zeer groot is) zijn nagenoeg alle onderwerpen opgenomen in de verordening. Onderwerp

Inhoud

Veel voorkomend in verordeningen?

Woonruimteverdeling

O.a. toewijzingssystemen (aanbodmodel, loting, etc.), voorrang voor doelgroepen (onder andere lokale woningzoekenden, toewijzing woonwagenstandplaatsen)

Niet verplicht, wel veel voorkomend

Urgenties

O.a. urgentiecategorieën, wijze van aanvragen urgentie, zoekprofiel, geldigheid urgentie

Verplicht. Dit hangt af van de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting en gebeurt op een bij koninklijk besluit nader te bepalen moment.

Woonruimtevoorraadbeheer

O.a. voorwaarden ten aanzien van splitsen, omzetten, samenvoegen, onttrekken

Niet verplicht. Kwam in het verleden beperkt voor in verordeningen, maar is in opkomst

Opkoopbescherming

O.a. voorwaarden ten aanzien van opkopen en verhuren (wijken, prijsgrens, uitzonderingen)

Niet verplicht, komt beperkt voor

Toeristische verhuur

O.a. registratieplicht, nachtencriterium, vergunningplicht

Niet verplicht, komt beperkt voor (vooral gemeenten met relatief grote toeristische sector)

Tabel 2.1: Mogelijke thema’s die gemeenten op kunnen nemen in de huisvestingsverordening

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

6

Verplicht

Urgenties

Optioneel

Woonruimte verdeling

Woonruimte voorraad beheer

Opkoop bescherming

Toeristische verhuur

Inhoud

Inhoud

Inhoud

Inhoud

Inhoud

Opstellen

Opstellen

Opstellen

Opstellen

Opstellen

Uitvoeren

Uitvoeren

Uitvoeren

Uitvoeren

Uitvoeren

Bij de evaluatie van de Huisvestingswet 2014 in 20203 bleek een urgentieregeling het meest voorkomende onderdeel in de huisvestingsverordeningen (166 gemeenten). Mogelijk speelde ook mee dat voor dit onderdeel geen schaarste aangetoond hoeft te worden. In de toekomst zal het onderwerp urgenties voor iedere gemeente verplicht worden. Wellicht zal een groot deel van de gemeenten het bij dit ene onderwerp houden. Maar de kans is aanwezig dat een deel van de gemeenten het uitwerken van het thema urgenties ook aangrijpt om andere onderwerpen op te nemen in een huisvestingsverordening. Ook het onderdeel woonruimteverdeling komt in veel huisvestingsverordeningen voor (137 gemeenten, ten tijde van de evaluatie). Regels ten aanzien van woonruimtevoorraadbeheer kwamen aanzienlijk minder vaak voor (77 gemeenten)4. Huisvestingsvergunning als kerninstrument in de verordening Binnen de huisvestingsverordening moet de gemeente een verplicht vergunningsstelsel opnemen voor het in gebruik nemen van woningen die onder de verordening vallen. Het instrument dat de wet bij die gereguleerde woningen verplicht stelt, is de huisvestingsvergunning. In de huisvestingsverordening geeft de gemeente aan wie in aanmerking komt voor die huisvestingsvergunning.

Dit betekent dat de gemeente bij elke toewijzing van woningen die onder de verordening vallen een vergunning moet verstrekken aan de kandidaat die de woning krijgt. Dit is ook het moment om te toetsen of de kandidaat voldoet aan de voorwaarden uit de verordening. Rekening houden met eigendomsrecht en vrij verkeer van diensten Bij het opstellen en uitvoeren van de huisvestingsverordening moeten gemeenten rekening houden met bepaalde rechten van met name woningeigenaren. Hierbij gaat het onder andere om het recht op ongestoord genot van eigendom, ook wel het eigendomsrecht genoemd. Inperking van dat eigendomsrecht kan alleen als:

3

Evaluatie Huisvestingswet 2014. Instrumenten voor het lokale huisvestingsbeleid. Rigo (2020).

4

De onderdelen ‘toeristische verhuur’ (invoering per 1-1-2021) en ‘opkoopbescherming’ (invoering per 1-1-2022) zijn pas na de evaluatie opgenomen in de huisvestingswet.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

7

1. de maatregel bij wet voorzien is (de inperking moet toegankelijk, precies en voorzienbaar zijn); 2. de inmenging moet noodzakelijk zijn in het algemeen belang; 3. er is sprake van een fair balance tussen na te streven doel en het belang van de eigenaar. Met name bij het in gebruik geven of nemen van sociale koopwoningen en sturing ten aanzien van woonruimtevoorraadbeheer wordt het eigendomsrecht beperkt. Een ander recht waar de huisvestingsverordening rekening mee moet houden is het vrije verkeer van diensten, voor zover deze vallen onder de Dienstenrichtlijn. Dat zijn doorgaans economische activiteiten die tegen vergoeding plaatsvinden. Een vergunningsstelsel zoals bij de huisvestingsverordening kan alleen als: • dit middel noodzakelijk is vanwege het algemeen belang dat met de beperking wordt gediend en dat dit middel niet verder gaat dan wat nodig is om het doel te bereiken; • het beoogde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt; • de maatregel geen onderscheid maakt naar nationaliteit; • de maatregel duidelijk, ondubbelzinnig en objectief is, vooraf is bekendgemaakt, transparant en toegankelijk is. Met name bij het in gebruik geven of nemen van sociale koopwoningen, voorrang aan vitale beroepsgroepen en het sturen op woonruimtevoorraadbeheer vanwege de leefbaarheid wordt het vrij verkeer van diensten beperkt.

2.2

Voorwaarden huisvestingsverordening

Onderbouwing van de huisvestingsverordening Als een gemeente voor een of meerdere niet-verplichte onderwerpen een huisvestingsverordening wil opstellen, zal zij eerst moeten onderbouwen dat er sprake is van een legitiem doel om het recht op vrijheid van vestiging in te perken. Dat legitieme doel kan bestaan uit: • Het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. • Het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving. Er is in het verleden gesproken over een uniforme wijze waarop gemeenten deze onderbouwing moeten geven. Maar door de grote verscheidenheid in woningmarktsituaties over het land (mate van schaarste, opbouw van de woningvoorraad) is hier door het Rijk van afgezien. Daardoor hebben gemeenten veel vrijheid om de onderbouwing naar eigen inzicht vorm te geven en die ook past bij de woningmarktsituatie die op lokaal of regionaal niveau speelt. Het is wel belangrijk dat de onderbouwing van schaarste een duidelijke relatie heeft met het onderdeel dat de gemeente vergunningplichtig wil maken. In paragrafen 4.5, 5.4, 5.5 en 5.6 gaan we daarom per onderdeel in op de specifieke aandachtspunten ten aanzien van de onderbouwing. Check op onderbouwing Gemeenten moeten de noodzaak van een huisvestingsverordening (en vooral de onderbouwing daarvan) opnemen in hun woonbeleid5 (Huisvestingswet, artikel 6, lid 4).

Daarnaast moeten gemeenten tijdens de totstandkoming van de huisvestingsverordening advies vragen aan Gedeputeerde Staten (Huisvestingswet, artikel 6, lid 3). Enerzijds krijgt de provincie daarmee een beter inzicht in de huisvestingsverordeningen die gemeenten hanteren. Anderzijds kan de provincie hierdoor aanbevelingen doen over de afstemming tussen lokale huisvestingsverordeningen en regionale opgaven. Het ligt voor de hand dat bij deze adviesronde Gedeputeerde Staten ook een blik werpt op

5

In de Huisvestingswet (2024) wordt hier als voorbeeld de woonvisie in genoemd. Met de Wet versterking regie op de volkshuisvesting komt de verplichting van een woonvisie te vervallen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de onderbouwing nu in de Omgevingsvisie en/of het Volkshuisvestingsprogramma wordt opgenomen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

8

de onderbouwing van de lokale huisvestingsverordening. Is de inzet van de huisvestingsverordening voldoende onderbouwd? Het advies van Gedeputeerde Staten is daarbij niet dwingend, maar gemeenten moeten wel een goede en gemotiveerde afweging maken als zij van het advies afwijken (bijvoorbeeld als de onderbouwing naar inzicht van Gedeputeerde Staten onvoldoende is). Een belangrijke test voor de onderbouwing vindt plaats bij de uitvoering van de verordening. Eventuele bezwaarmakers (bijvoorbeeld woningeigenaren die het niet eens zijn met een vergunningplicht voor een van de onderdelen in de verordening) kunnen in beroep gaan naar de rechter6. Bijvoorbeeld als zij het vermoeden hebben dat de onderbouwing voor de inzet van de verordening onvoldoende is. In het verleden is het al verschillende malen voorgekomen dat een onderbouwing (en daarmee het gebruik van de huisvestingsverordening) door de Raad van State als ongegrond is verklaard. Daarom is het belangrijk om de onderbouwing van de noodzaak op een zorgvuldige manier vorm te geven, ook al is de check op deze onderbouwing bij de totstandkoming van de verordening beperkt. Tijdelijk karakter van de huisvestingsverordening De huisvestingsverordening kan voor maximaal vier jaar worden vastgesteld (Huisvestingswet, artikel 4). Deze tijdelijkheid heeft te maken met de democratische legitimiteit en de duur van een raadsperiode.

Maar ook met het feit dat vraag en aanbod op de woningmarkt een dynamisch proces vormen. De vraag naar goedkope woonruimte kan veranderen door demografische ontwikkelingen of veranderende regelgeving. Hetzelfde geldt voor het aanbod. Dit kan effect hebben op de mate van schaarste aan woningen. Daarnaast zijn er naast de huisvestingsverordening nog andere beleidsinstrumenten om de schaarste aan bepaalde woningtypen terug te dringen (denk aan de woningbouwprogrammering, herstructurering, etc.). Dit maakt dat het belangrijk is om in ieder geval elke vier jaar te herijken of de schaarste aan woningen is afgenomen, waardoor een huisvestingsverordening of onderdelen van de verordening mogelijk overbodig zijn geworden. Als er na vier jaar nog steeds sprake is van schaarste of leefbaarheidsproblemen is het mogelijk om de verordening opnieuw voor vier jaar vast te stellen. Bovendien moet de huisvestings-verordening ingebed zijn in een bredere beleidsvisie gericht op het wegnemen van schaarste op de woningmarkt. Naast de huisvestingsverordening zal de gemeente diverse maatregelen moeten nemen om deze schaarste aan te pakken (denk aan nieuwbouw, herstructurering, afspraken met corporaties en andere marktpartijen, etc.).

2.3

Samenhang met andere wetgeving Omgevingswet Er zit een sterke overlap tussen bepaalde onderdelen van de Huisvestingswet 2014 en de Omgevingswet. Die overlap spitst zich toe op het onderwerp woonruimtevoorraadbeheer. Gemeenten kunnen via de Huisvestingswet 2014 sturen op de woonruimtevoorraad (splitsen, omzetten, samenvoegen, onttrekken). Deze sturing was in het verleden alleen mogelijk als dat noodzakelijk is voor de bestrijding van woningschaarste. Bijvoorbeeld schaarste aan woningen van een bepaalde prijsklasse of bepaalde woningtypen. De beleidsdoelen van de gemeenten om te willen sturen op de woonruimtevoorraad zijn breder dan schaarste. Ook ruimtelijke doelen spelen een rol. Te denken is aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, leefbaarheid in buurten, voorkomen parkeeroverlast, etc. Als een gemeente vanuit deze doelen voorwaarden wil stellen ten aanzien van woningvorming of -omzetting dan biedt de Omgevingswet het geëigende juridisch kader. Een gemeente kan dan voorwaarden stellen in het Omgevingsplan. Bovendien hoeft een gemeente dan ook geen schaarste te onderbouwen. De reden van

6

En eventueel in hoger beroep naar afdeling bestuursrechtspraak bij de Raad van State.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

9

reguleren bepaalt dus welk instrumentarium het meest passend is voor de keuze van het instrumentarium: of de huisvestingsverordening (vanwege woningschaarste) of het omgevingsplan (vanwege ruimtelijke sturing). Sinds de aanpassing van de Huisvestingswet (in werking getreden per 1 januari 2024) is het mogelijk om de noodzaak van een huisvestingsverordening voor woonruimtevoorraadbeheer ook op basis van leefbaarheidsgronden aan te tonen. Hierdoor is de overlap tussen Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet sterk toegenomen. Bij een volgende actualisatie van de Huisvestingswet 2014 zal bekeken worden of het onderwerp woonruimtevoorraadbeheer moet worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek Zowel in de Huisvestingswet 2014 als in de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek is het mogelijk om regels ten aanzien van de woonruimteverdeling te stellen (beide via de huisvestingsverordening). Maar via de Huisvestingswet kan dat enkel op basis van woningschaarste. Via de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek kan dat ook op basis van leefbaarheid. Bijvoorbeeld om in kwetsbare buurten of straten een selectieve woningtoewijzing toe te passen, zodat de leefbaarheid (en veiligheid) niet verder onder druk komt te staan.

Regels ten aanzien van de woningtoewijzing kunnen in dat geval te maken hebben met sociaaleconomische kenmerken van de beoogde huurders of het uitsluiten van potentiële huurders met een crimineel verleden. Selectieve woningtoewijzing op grond van de Wbmgp is mogelijk als er sprake is van een opeenstapeling van leefbaarheidsproblemen in bepaalde wooncomplexen, straten of gebieden en de bestaande maatregelen onvoldoende effect sorteren. Daarnaast kan deze maatregel alleen worden toegepast als daarnaast ook andere maatregelen worden getroffen om de leefbaarheid in het gebied te verbeteren. Een gemeente zal dit eerst moeten onderbouwen en gezamenlijk met de aanvraag voor de inzet van de Wbmgp indienen bij de Minister. De Minister neemt uiteindelijk het besluit of een gemeente de Wbmgp in haar gemeente mag inzetten. Wet goed verhuurderschap Ook de Wet goed verhuurderschap biedt gemeenten mogelijkheden om in het kader van de leefbaarheid grip te houden op de huursector, daar waar die mogelijkheden via de huisvestingsverordening beperkt zijn. De aanvulling op de huisvestingsverordening zit vooral in de mogelijkheid om een vergunningplicht in te voeren voor de verhuur van woonruimte, gericht op het weren van malafide verhuurders en het beschermen van huurders. Zo’n vergunningplicht kan ook specifiek gelden voor de verhuur van woonruimte aan arbeidsmigranten (niet gebiedsgebonden).

In beide gevallen moet de gemeente onderbouwen waarom zo’n vergunningplicht noodzakelijk is. Wet versterking regie volkshuisvesting In het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is een pakket aan maatregelen voorgesteld om verschillende knelpunten op de woningmarkt aan te pakken, zoals het woningtekort en de beperkte beschikbaarheid van betaalbare woningen en waarbij de sturing sterker bij de (Rijks)overheid komt te liggen. Een van de andere genoemde knelpunten is de huisvesting van aandachtsgroepen. De wet beoogt dat alle gemeenten hun bijdragen leveren in de huisvesting van aandachtsgroepen en hierover regionaal afspraken maken. Op basis van die afspraken worden gemeenten verplicht een huisvestingsverordening voor het onderwerp urgenties op te stellen (ook wel de urgentieverordening genoemd). Bovendien is daarbij het aantal verplichte urgentiecategorieën uitgebreid7.

7

In het verleden golden er twee wettelijk verplichte urgentiecategorieën indien een gemeente het onderdeel urgentie in de huisvestingsverordening opnam: (1) mensen die in de vrouwenopvang/blijf van mijn lijf huis verblijven, (2) mensen die mantelzorg verlenen of ontvangen. Tot 1 juli 2017 behoorden ook statushouders tot de verplichte urgentiecategorieën.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

10

Daarnaast introduceert deze wet de verplichting voor gemeenten om de noodzaak voor een huisvestingsverordening (daar waar het een of meerdere niet verplichte onderdelen geldt) toe te lichten in het Volkshuisvestingsprogramma. Woningwet Net als in de Huisvestingswet 2014 zijn ook in de Woningwet kaders opgenomen over de woningtoewijzing. Via de Huisvestingswet 2014 kunnen gemeenten lokale voorwaarden stellen waar huurders aan moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning. Op basis van de Woningwet moeten woningcorporaties bij het toewijzen van sociale huurwoningen rekening houden met de inkomensgrenzen die hiervoor gelden. Als er in een gemeente regels ten aanzien van de woonruimteverdeling zijn opgenomen in een huisvestingsverordening, dan kunnen in de aangewezen categorieën van woonruimten (waaronder doorgaans sociale huur van de corporaties) alleen mensen worden gehuisvest die een huisvestingsvergunning hebben verkregen. Vervolgens zullen de corporatiewoningen moeten worden toegewezen waarbij in de basis 92,5% van de woningen terecht moet komen bij de doelgroep en moet er rekening gehouden worden met de voorwaarden ten aanzien van passend toewijzen.

Beschikt een gemeente niet over voorwaarden ten aanzien van woonruimteverdeling in een huisvestingsverordening (of überhaupt niet over een huisvestingsverordening) dan heeft de corporatie enkel rekening te houden met de staatssteunnorm en passend toewijzen bij de woonruimteverdeling.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

11

3 Verplicht onderdeel: urgenties Er zijn verschillende aandachtsgroepen op de woningmarkt waarbij het dringend noodzakelijk is dat ze over een eigen woonruimte beschikken. Een deel van deze aandachtsgroepen woont in een zorginstelling en zijn toe aan een stap naar zelfstandigheid. Zetten zij deze stap niet, dan kunnen zij niet adequaat meedoen in de samenleving en houden zij onnodig (kostbare) plaatsen bezet in een zorginstelling. Hierdoor zouden dan wachtlijsten voor deze voorzieningen onnodig lang worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die vanuit een beschermde woonomgeving naar een reguliere woonruimte moeten verhuizen. In het verleden konden gemeenten zelf bepalen of ze voor deze aandachtsgroepen een urgentieregeling in hun huisvestingsverordening op wilden nemen. Met de invoering van de Wet versterking regie volkshuisvesting wordt dit urgentieonderdeel niet alleen verplicht, ook wordt het aantal wettelijke verplichte urgentiecategorieën uitgebreid.

Huisvestingsverordening of urgentieverordening? Soms wordt er gesproken over een huisvestingsverordening waar het onderdeel ‘urgenties’ in op is genomen, soms heeft men het over een ‘urgentieverordening’. Beide termen hebben betrekking op hetzelfde; een huisvestingsverordening waar het onderwerp urgenties in op is genomen. Als dit het enige onderwerp is dat in de huisvestingsverordening is uitgewerkt, is ‘urgentieverordening’ ook een logische term om te hanteren. Als er meerdere onderwerpen in de huisvestingsverordening staan (dus naast urgenties bijvoorbeeld ook woonruimteverdeling of woonruimtevoorraadbeheer), dan ligt het niet voor de hand om de term ‘urgentieverordening’ te gebruiken.

3.1

Waarom een verplicht urgentieonderdeel? In het Programma ‘Een thuis voor iedereen’ (2022) is beschreven dat er diverse aandachtsgroepen zijn die extra aandacht verdienen in het gemeentelijk woonbeleid. Het gaat vaak om doelgroepen die vanwege hun zorgvraag of kwetsbare positie een specifieke woningvraag hebben. Voor een deel van deze groepen is het doorgaans zeer lastig om zelfstandig aan een passende woonruimte te komen, terwijl het juist belangrijk is om een eigen woonplek te hebben. Een eigen woonplek draagt bij aan hun herstel, zelfredzaamheid en het meedoen in de samenleving (principe van Housing-First). Beschikbaarheid van woonruimte zorgt er ook voor dat deze urgente doelgroepen niet (opnieuw) in de problemen komen, zoals het terugvallen in oude patronen of met schulden te maken krijgen. Daarnaast geldt, voor urgenten met een zorgvraag, dat zij niet langer in een zorginstelling hoeven te wonen, wat een aanzienlijk besparing in de zorgkosten oplevert. Waar gemeenten voorheen zelf konden bepalen of ze een huisvestingsverordening met een urgentieonderdeel wilden hanteren, wordt dat urgentiedeel nu verplicht voor elke gemeente. Doel daarvan is dat er een evenwichtigere verdeling komt van urgente

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

12

woningzoekenden tussen gemeenten; het fair-shareprincipe. Zo krijgen urgent woningzoekenden in elke gemeente een meer gelijke kans op woonruimte8. In het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting zijn de volgende verplichte urgentiecategorieën benoemd: Urgentiecategorie

Wettelijke definitie van de doelgroep

Mantelzorgverlenersen ontvangers

Woningzoekenden die mantelzorg (als in artikel 1.1.1, eerste lid, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) verlenen of ontvangen

Mensen met ernstige en chronische medische klachten

Woningzoekenden die op grond van ernstige en chronische medische redenen dringend woonruimte behoeven

(Ex-)dak en thuislozen

Woningzoekenden aan wie in ieder geval wegens dakloosheid een voorziening voor opvang (als in artikel 1.1.1, eerste lid, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) is verleend

Dak- en thuislozen met minderjarige kinderen

Woningzoekenden zonder vaste verblijfplaats die deel uitmaken van een gezin met een of meer minderjarige kinderen

Slachtoffers huiselijk geweld of mensenhandel

Woningzoekenden aan wie wegens huiselijk geweld of mensenhandel een voorziening voor opvang (als in artikel 1.1.1, eerste lid, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) is verleend en deze de opvang verlaten

Uitstroom Beschermd Wonen

Woningzoekenden die een voorziening voor beschermd wonen (als in artikel 1.1.1, eerste lid, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) verlaten

Uitstroom klinisch geestelijke gezondheidszorg

Woningzoekenden die een verblijf in een instelling (als in artikel 1.1.1 Wet langdurige zorg) verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg (als in artikel 10, onderdeel g, Zorgverzekeringswet) in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, en deze verlaten

Uitstroom accommodaties jeugdhulp

Woningzoekenden tussen 18 en 23 jaar die een accommodatie of gesloten accommodatie (als in artikel 1.1 Jeugdwet) verlaten

Uitstroom (jeugd) detentie en forensische zorg (> 3 maanden)

Woningzoekenden die een inrichting of voorziening (als in artikel 3a Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen), een penitentiaire inrichting (als in artikel 3, eerste lid, Penitentiaire beginselenwet) of een instelling voor forensische zorg (als in artikel 1.1, eerste lid, Wet forensische zorg) verlaten

Uitstappende sekswerkers

Woningzoekenden die deelnemen aan een overheidsprogramma gericht op duurzaam uitstappen waarbinnen begeleiding van sekswerkers plaatsvindt bij het vinden van werk of dagbesteding buiten de seksbranche

Tabel 3.1: Overzicht wettelijke verplichte urgentiecategorieën (inclusief definitie) Bron: Wet Versterking regie Volkshuisvesting (2024), en novelle bij wetsbehandeling in Tweede Kamer.

8

Waarbij wel geldt dat er een groot verschil zit in het aandeel sociale huurwoningen per gemeente. Een daadwerkelijk gelijk speelveld ontstaat als iedere gemeente over een nagenoeg gelijk aandeel sociale huurwoningen beschikt.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

13

Iedere gemeente is verplicht om bovenstaande urgentiecategorieën op te nemen in hun huisvestingsverordening zodat zij met voorrang worden gehuisvest. Dit betekent niet dat iedere woningzoekende die onder een aangewezen categorie valt altijd urgentie krijgt. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat iemand vanuit detentie terugkeert naar de woonruimte waar hij/zij voor detentie woonde of dat deze persoon voor huisvesting terecht kan bij partner of familie. Uitgangspunt is dat mensen urgent zijn als zij niet zelfredzaam zijn (op de woningmarkt) en zij zich zonder huisvesting in een maatschappelijk onhoudbare of onwenselijke situatie bevinden. Vergunninghouders maken geen onderdeel uit van de wettelijk verplichte urgentiecategorieën. Voor de huisvesting van deze doelgroep geldt een wettelijke taakstelling voor gemeenten. Voor vergunninghouders is het wel verplicht aan te geven hoe de gemeente voorziet in de wettelijke taakstelling. Het ligt voor de hand dit te regelen in de huisvestingsverordening. Er bestaat geen onderlinge rangorde tussen verplichte urgenten en de taakstelling voor vergunninghouders. Het is aan gemeenten vervolgens om te bepalen welke urgent woningzoekende als eerste in aanmerking komt voor een vrijgekomen woning. In de praktijk is het gebruikelijk dat een woonruimte wordt toegewezen aan degene die als eerste een urgentieverklaring heeft gekregen.

Dit is natuurlijk afhankelijk van de passendheid van het vrijkomende woningaanbod. Zeker als kandidaten afhankelijk zijn van een specifieke woning op een specifieke locatie kan het langer duren voordat de passende woonruimte vrij komt. Toevoegen van extra urgentiecategorieën Gemeenten kunnen ervoor kiezen om de verplichte urgentiecategorieën ruimer te definiëren, om bepaalde toegestane afwijzingsgronden niet toe te passen, en om naast de wettelijk verplichte urgentiecategorieën zelf categorieën toe te voegen. De behoefte hieraan zal per gemeente verschillen, maar waar sprake is van een regionale verdeling dienen de criteria in de regio gelijk te zijn. Het toevoegen van eigen urgentiecategorieën vergt geen regionale gelijkluidendheid, ruimere criteria bij verplichte urgentiecategorieën wel. Er zijn enkele niet-verplichte urgentiecategorieën die regelmatig voorkomen in huisvestingsverordeningen: • Stadsvernieuwingsurgenten: woningzoekenden die vanwege sloop, onderhoud of herstel van de huidige woonruimte (waarvoor een peildatumbesluit is afgegeven) hun huidige woonruimte moeten verlaten. • Sociale urgenten: Woningzoekenden die door nader te bepalen factoren of met spoed aan woonruimte geholpen moeten worden, zoals bij een levensbedreigende situatie als gevolg van zware mishandeling met kans op herhaling of als de woning als gevolg van een calamiteit onbewoonbaar is geraakt.

Hierbij is het belangrijk om als gemeente goed na te denken of en zo ja welke aanvullende urgentiecategorieën men wil toevoegen. Enerzijds kan een extra urgentiecategorie een uitkomst bieden voor een doelgroep die zonder urgentie niet tijdig aan een woning geholpen kan worden. Anderzijds leiden extra urgentiecategorieën tot extra urgentieaanvragen en dus meer wachttijd voor iedereen die een woning zoekt (zowel urgenten als niet-urgenten). Zeker als een aanvullende urgentiecategorie onvoldoende gedefinieerd wordt, kan dat tot veel extra werk voor de urgentiecommissie (beoordeling aanvragen) leiden alsmede voor de instantie die eventuele bezwaren moet beantwoorden. Het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting bepaalt niet expliciet de rangorde van wettelijke urgentiecategorieën en urgentiecategorieën die gemeenten zelf toevoegen. Wel stelt de wet als eis dat wettelijke urgentiecategorieën sowieso gehuisvest moeten worden, zolang andere groepen woningzoekenden ook kans houden op huisvesting. In die zin hebben zij voorrang boven lokaal of regionaal toegevoegde urgentiecategorieën en is het logisch dat gemeenten ervoor zorgen dat de wettelijk urgent woningzoekenden als eerste worden gehuisvest en daarna de groepen die door de gemeenteraad zelf worden opgenomen in de huisvestingsverordening.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

14

Urgentietermijn De urgentieverklaring is geldig tot de urgent woningzoekende een woning heeft gevonden, of als de reden van urgentie is vervallen. In de ministeriële regeling bij de wet is daarbij aangegeven dat ook de urgentieverklaring kan worden ingetrokken bij het weigeren van een aangeboden woning. De gemeente kan een ruimere intrekkingsgrond opnemen. Te denken is aan de mogelijkheid om minimaal eenmaal een woning te mogen weigeren. Gemeenten kunnen in hun verordening een termijn opnemen waarbinnen een woning toegewezen moet worden. Vaak wordt daarbij in de basis een termijn van zes maanden gehanteerd. Binnen die periode wordt de persoon met urgentiestatus geacht een passende woning te kunnen vinden. Er zijn immers maatregelen genomen om deze groep snel aan een woning te helpen (ze krijgen een voorrangspositie of worden via directe bemiddeling aan een woning geholpen). Toch kan het voorkomen dat het alsnog niet lukt om iemand met urgentie binnen deze periode te huisvesten. Voor die gevallen is het mogelijk dat de termijn nogmaals met zes maanden wordt verlengd. Zeker bij stadsvernieuwingsurgenten is het gebruikelijk dat de termijn langer is, omdat een geschikte woning nog niet is langsgekomen of omdat de sloop of het onderhoud van hun huidige woning soms wordt vertraagd, waardoor hun verhuizing naar een ander onderkomen ook later gepland moet worden.

Weigeringsgronden voor urgentie Het kan voorkomen dat ondanks een urgentieverklaring toch een huisvestingsvergunning aan een urgente woningzoekende wordt geweigerd. De gemeente moet dan in de verordening vastleggen welke gronden hierin een rol spelen. Dit kan uitsluitend op basis van de volgende redenen9: • het huisvestingsprobleem wat aan de basis ligt van de urgentieaanvraag is ontstaan door overlast, fraude of criminele activiteiten door de aanvrager of iemand uit zijn/haar huishouden; • de aanvrager is in staat om zelf binnen een redelijke termijn een woonruimte via de reguliere weg binnen de regio te vinden; • de aanvrager kan binnen een redelijke termijn het woonprobleem oplossen door het al dan niet tijdelijk bewonen van onzelfstandige woonruimte; • het huisvestingsprobleem is ontstaan doordat de aanvrager of iemand uit zijn/haar huishouden een aanpassing in het kader van de Wmo niet heeft uitgevoerd; • de woningzoekende is niet in staat om langdurig zelfstandig te wonen; • de woningzoekende kan niet in het eigen bestaan of kosten voor de woning voorzien; • de woningzoekende heeft al dezelfde urgentieverklaring bij een andere gemeente binnen de woningmarktregio. Andere weigeringsgronden zijn dus niet toegestaan.

Een aantal daarvan zijn expliciet omschreven in de Wet versterking regie volkshuisvesting, zoals een weigering op basis van ras, geloofsovertuiging, politieke overtuiging, geslacht, nationaliteit, seksuele gerichtheid, burgerlijke staat, handicap of chronische ziekte, zoals ook verankerd is in de Algemene wet gelijke behandeling. Ook als een persoon geen woonruimte kan achterlaten of nu in een ruimte woont die niet bestemd is voor permanente bewoning, kan dat geen reden tot weigering zijn. Bij urgentie voor sekswerkers en slachtoffers van huiselijk geweld mag inkomen niet meegenomen worden bij een eventuele weigering voor een urgentieverklaring. Beide categorieën hebben ten tijde van de urgentieaanvraag mogelijk nog een goed inkomen. Voor sekswerkers is de urgentie bedoeld om uit het milieu te stappen en ander werk te vinden. Bij slachtoffers van huiselijk geweld speelt mee dat ze vaak nog getrouwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben met de mogelijke dader.

9

Regeling versterking regie volkshuisvesting, Artikel 3.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

15

3.2

Naar een evenwichtige verdeling binnen de regio In het verleden konden gemeenten zelf bepalen op welke schaal men de toekenning van urgenties vorm wilden geven in de huisvestingsverordening. Vaak werden het urgentieonderdeel samen met betrokken regiogemeenten uitgewerkt. Maar er zijn ook gemeenten die de urgenties uitsluitend op gemeentelijk niveau hebben uitgewerkt. Met de invoering van de Wet versterking regie volkshuisvesting wordt dit nu veranderd. Alle gemeenten worden ingedeeld in een regio (woningmarktregio) waarbinnen de afspraken worden gemaakt over hoe bijvoorbeeld de wijze waarop urgentie-aanvragen worden beoordeeld, toegekend en hoe bezwaren worden behandeld. Provincie stelt regio-indeling vast De provincie is aan zet om tot een goede indeling van woningmarktregio’s te komen. Hiervoor moet zij wel in overleg met de gemeenten. Bovendien moet de provincie bij de regio-indeling zoveel mogelijk rekening houden met bestaande samenwerkingsverbanden. Veel gemeenten werken immers al samen in regionaal verband, bijvoorbeeld via een regionaal woonruimteverdeelsysteem. Het is ook mogelijk om tot een regio te komen die provinciegrensoverschrijdend is, als dat tot een logisch samenwerkingsverband leidt.

Streven: gemeenten komen samen tot een fair share De gedachte van de Wet versterking regie volkshuisvesting is dat alle gemeenten binnen de regio samen bijdragen aan de huisvesting van urgente woningzoekenden. Van oudsher werden de meeste mensen die tot de aandachtsgroepen behoren in de grotere (centrum) gemeenten gehuisvest. Dit zijn doorgaans de gemeenten met het grootste woonzorgaanbod, het grootste voorzieningenaanbod (zowel qua zorg, winkels, openbaar vervoer als overige voorzieningen) en het grootste aanbod aan sociale huisvesting. Allemaal aspecten die van belang zijn voor aandachtsgroepen bij het vinden van een geschikte woning. Mensen die vanuit een voorziening Beschermd Wonen of Maatschappelijke Opvang weer zelfstandig gingen wonen, werden daardoor ook vaak gehuisvest in de gemeente waar zij in de opvang hebben gezeten, ook als zij van oorsprong uit een andere gemeente in de regio afkomstig waren. Als mensen al terug wilden naar hun oorspronkelijke gemeente, dan waren hiervoor (te) beperkte mogelijkheden. Daarom vindt de wetgever het belangrijk dat in alle gemeenten huisvestingskansen zijn voor de verschillende aandachtsgroepen.

Nu het aantal wettelijk verplichte urgentiecategorieën aanzienlijk is uitgebreid ten opzichte van het verleden, bestaat het risico dat de grote gemeenten onevenwichtig veel urgentie moeten huisvesten, waardoor de kansen voor reguliere woningzoekenden zeer beperkt zouden zijn, terwijl de omgekeerde situatie zich zou voordoen in de kleine regiogemeenten. De Wet versterking regie volkshuisvesting beschrijft daarom dat gemeenten binnen de te vormen urgentieregio gezamenlijk aan de slag moeten om tot een evenwichtige verdeling van de huisvestingsopgave voor urgente woningzoekenden te komen; de zogenaamde fair share. Deze verdelingsafspraken kunnen worden gemaakt op basis van het aantal inwoners, het aantal beschikbare sociale huurwoningen, (zorg)voorzieningen in een gemeente voor een specifieke doelgroep, of een combinatie van deze aspecten. Daarbij geldt dat eenvoud in afspraken vaak het best uitvoerbaar is. Gemeenten moeten hierover binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet onderling afspraken maken. Het ligt daarbij voor de hand om te kijken naar wat de verwachtingen van betrokken organisaties (woningcorporaties, zorginstellingen) op dit vlak zijn.

Hierbij is het overigens in de meeste gevallen niet reëel om enkel naar de ervaringscijfers uit het recente verleden te kijken, toen was er nog sprake van slechts twee verplichte urgentiecategorieën (uitstroom vanuit vrouwenopvang/blijf-van-mijn-lijf-huis en mantelzorgverleners/ontvangers). Als gemeenten binnen een nader te bepalen moment na invoering van de Wet Versterking regie Volkshuisvesting er niet in slagen om afspraken over de verdeling van wettelijk verplichte urgenten te maken, zal voor elke gemeente binnen de regio worden opgelegd dat in elk geval 15% van de vrijkomende sociale huur moet worden toegewezen aan de wettelijk verplichte urgenten. Het maakt hierbij niet uit of hoeveel gemeenten het niet eens

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

16

zijn met de voorgestelde verdeling (ook als het dus om slechts één gemeente gaat). De norm van 15% zou in regionaal verband betekenen dat er voldoende huurwoonruimte vrijkomt, om te kunnen toewijzen aan verplicht urgent woningzoekenden. De gedachte is dat voor veel gemeenten dit percentage voldoende prikkel zou zijn om een evenwichtig deel in de opgave te vervullen en tot afspraken te komen. Na een periode van drie jaar zal het Rijk dit percentage evalueren en zo nodig aanpassen. Balans tussen urgenten en reguliere woningzoekenden De regionaal af te spreken verdeling van de wettelijk verplichte urgenten moet aansluiten bij het aantal te verlenen urgenties, en hiervoor moet voldoende woonruimte beschikbaar worden gesteld. De Memorie van Toelichting van de Wet versterking regie volkshuisvesting benadrukt dat het belangrijk is dat er naast de huisvesting voor urgente woningzoekenden ook voldoende woningen beschikbaar zijn voor reguliere woningzoekenden. De regionale afspraken moeten hiermee rekening houden. Dit werkt als volgt: in de hoogte van de percentages die gemeenten regionaal afspreken voor de toewijzing aan wettelijk verplichte urgenten moeten gemeenten er rekening mee houden dat ook andere woningzoekenden een gerede kans blijven maken op een passende woonruimte.

Dit kan in enkele regio’s betekenen dat niet alle wettelijk urgenten met spoed kunnen worden gehuisvest: voor hen zal dan gelden dat zij iets langer moeten wachten. Het is in deze regio’s aan te bevelen dat gemeenten hiervoor in regionaal verband een wachtlijst aanleggen.

3.3

Zoekprofiel voor urgente woningzoekenden Beschikbare woonruimte Gemeenten mogen in de basis zelf bepalen voor welke woningtypen urgente woningzoekenden in aanmerking komen, zolang zij maar voldoende woonruimte voor de wettelijk verplichte categorieën beschikbaar stellen. In de praktijk hebben veel gemeenten en regio’s in meer of mindere mate een zoekprofiel voor urgentiecategorieën bepaald. Vaak wordt de huurvoorraad tot de liberalisatiegrens aangewezen als woonruimte waar urgenten voor in aanmerking komen. Dat kunnen dus ook huurwoningen van particuliere verhuurders zijn, zolang ze aan het beoogde prijsniveau voldoen. Toch wordt het zoekprofiel doorgaans vooral beperkt tot het bezit in eigendom van woningcorporaties. Daarbij is het belangrijk dat de woning qua huurprijs past bij de financiële mogelijkheden van de urgent woningzoekenden. Een deel van de gemeenten/regio’s heeft tevens qua typologie enkele richtingen meegegeven in de verordening. Bijvoorbeeld dat urgenten uitsluitend kunnen reageren op appartementen. Waarbij soms nog de bepaling is opgenomen dat meerpersoonshuishoudens ook kunnen reageren op eengezinswoningen. Het komt voor dat binnen een regionale huisvestingsverordening het zoekprofiel niet aansluit bij het beschikbare woningaanbod in sommige gemeenten.

Bijvoorbeeld als het zoekprofiel bestaat uit appartementen tot de liberalisatiegrens, terwijl de kleinere gemeenten over een sociale huurvoorraad beschikken die voornamelijk bestaat uit eengezinswoningen. In dergelijke gevallen kan er in de huisvestingsverordening een tweede zoekprofiel worden opgenomen, gericht op gemeenten met zo’n afwijkende sociale huurvoorraad ten opzichte van het gemiddelde beeld in de regio. Het is belangrijk dat het zoekprofiel de urgent woningzoekenden niet dusdanig belemmert, dat huisvesting nagenoeg onmogelijk is. Het is ook mogelijk om urgente woningzoekenden te huisvesten in onzelfstandige woonruimte. Voor sommige doelgroepen kan zo’n woonvorm goed passen, bijvoorbeeld een kamerproject voor uitstromers vanuit de Jeugdzorg. Hierbij is het belangrijk dat betrokkenen (gemeente, corporaties, zorginstanties) goed kijken bij welke doelgroepen (en soms zelfs welke personen) een onzelfstandige woonvorm wel of juist niet kan werken. Ook zal gecheckt moeten worden of de gemeente niet via het Omgevingsplan de mogelijkheid voor woningomzetting (kamerverhuur) al vergunningsplichtig heeft gemaakt. In dat geval zal eerst gekeken moeten worden of deze vergunningplicht aangepast moet worden.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

17

Gewenste woonlocatie Het is goed mogelijk dat de locatie van de beoogde woonruimte een positieve of juist negatieve rol kan spelen bij de verdere ontwikkeling van kwetsbare doelgroepen die (weer) op eigen benen moeten staan. Een terugkeer naar de gemeente van herkomst kan wenselijk zijn, omdat iemand terugkeert naar de plek waar hij/zij het sociale netwerk heeft zitten. Maar soms kan het juist wenselijk zijn om iemand weg te houden bij het oude sociale netwerk, vanwege een slechte invloed. Voor mantelzorgontvangers en -verleners is nabijheid van elkaar belangrijk om de zorg en begeleiding snel te kunnen leveren als dat nodig is. Daarom wordt er een maximum afstand gehanteerd waarbinnen mantelzorgontvangers en -verleners gehuisvest zijn (binnen een straal van vijf kilometer of een reistijd van minder dan een half uur). Samenhang urgentie en economische/maatschappelijke binding Voor urgent woningzoekenden gelden in beginsel geen bindingseisen. Dat is vaak ook niet nodig als urgenten via directe bemiddeling door lokale woningcorporaties aan een woning worden geholpen. Maar met name in regio’s met een krappe woningmarkt worden wel bindingseisen gesteld. Het is daarbij mogelijk om urgente woningzoekenden met maatschappelijke en/of economische binding aan een gemeente, kern of stadsdeel voorrang te geven op andere woningzoekenden (ook met urgentie) zonder binding.

Dat kan in sommige gevallen helpen bij hun herstel of ontwikkeling tot zelfredzaamheid, deelname aan de samenleving. Als een gemeente zo’n voorrangsregel voor urgenten hanteert, tellen deze toewijzingen mee in het totaalpercentage van 50% dat jaarlijks maximaal met voorrang aan mensen met economische of maatschappelijk binding kan worden toegewezen.

Wanneer is er sprake van economische of maatschappelijke binding bij woningzoekenden met urgentie? (Ministeriële regeling bij de Wet versterking regie volkshuisvesting, artikel 2, lid 1, onder b) • Een urgent woningzoekende is ‘economisch gebonden’ aan een bepaalde plek als hij/zij met het oog op de voorziening in het bestaan een redelijk belang heeft om zich hier te vestigen. • Een urgent woningzoekende is ‘maatschappelijk gebonden’ aan een bepaalde plek als iemand in de afgelopen vijf jaar ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene is of was van die plek. De definitie van maatschappelijk binding wijkt hiermee af van de definitie die geldt voor reguliere woningzoekenden (waar een periode van zes jaar ingezeten in de afgelopen tien jaar geldt). De definitie voor economische binding is voor beide groepen wel hetzelfde.

Het ligt echter niet voor de hand om in de huisvestingsverordening sterk in te zetten op voorrang aan urgente woningzoekenden met maatschappelijke en/of economische binding aan een gemeente, kern of stadsdeel. Daarmee wordt het vaak alleen maar lastiger om tot een evenwichtige verdeling van de urgente woningzoekenden over de regio te komen. Het ontbreken van maatschappelijke of economische binding aan een gemeente, kern of stadsdeel kan zeker niet als weigeringsgrond voor de urgentie worden gehanteerd. Iemand moet binnen elke gemeente van de regio urgentie aan kunnen vragen, waarbij de gemeenten er onderling voor zorgen dat een evenwichtige verdeling wordt bewerkstelligd. Urgentie en bemiddeling Er is vaak verwarring over de relatie tussen de begrippen ‘urgentie’ en ‘bemiddeling’. Hierbij is voor veel mensen niet helder in hoeverre de begrippen betrekking hebben over dezelfde doelgroepen of juist niet. De term ‘urgentie’ heeft betrekking op meerdere doelgroepen die met voorrang gehuisvest moeten worden. De term ‘bemiddeling’ heeft betrekking op

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

18

de wijze waarop mensen gehuisvest worden (zie paragraaf 7.2). Vaak behoren mensen die via directe bemiddeling aan een woning komen tot de urgent woningzoekenden, maar ook bij andere doelgroepen kan directe bemiddeling voorkomen, zoals mensen met een essentieel beroep, statushouders of mensen die zich op hebben aangemeld voor woningruil. Begeleiding van urgent woningzoekenden Voor een deel van de wettelijk verplichte urgentiecategorieën is voor een zachte landing in de samenleving en in een wijk begeleiding nodig. Zeker als mensen een lange periode in een instelling hebben gewoond, is de zelfstandigheid best een uitdaging. Voor die situaties kan de gemeente bij de huisvesting ook voorwaarden stellen aan het aanvragen van begeleiding. Die begeleiding moet dan wel beschikbaar zijn. Daarom is samenwerking met de gemeentelijke afdeling Wmo en de zorgorganisaties noodzakelijk om te bepalen welke begeleiding beschikbaar is, en hoe die ingezet wordt. Als begeleiding strikt noodzakelijk is, kan gekozen worden voor een omklaproute. Hierbij krijgt de urgente woningzoekende eerst een woning via een omklapcontract. Dit is een huurcontract tussen de zorgaanbieder en de corporatie, in combinatie met een zorgcontract tussen huurder en de zorgaanbieder.

Als de huurder aantoonbaar voldoet aan de vaardigheden om zelfstandig het huishouden te kunnen voeren kan dit contract omgezet (omgeklapt) worden naar een reguliere huurovereenkomst. De noodzakelijkheid van een omklaproute vraagt een deskundig oordeel van de behandelend zorgverlener. Daarom is samenwerking met zorgaanbieders, het sociaal wijk-/gebiedsteam van de gemeente en het gemeentelijk sociaal domein noodzakelijk bij zowel de totstandkoming als de uitvoering van de urgentieregeling.

3.4

1. 2. 3. 4.

Monitoringsplicht voor gemeenten Om te kunnen beoordelen of de regionale afspraken over een evenwichtige verdeling worden nagekomen, is inzicht nodig in de feitelijke realisatie van de huisvesting. Daarom is in de Wet versterking regie volkshuisvesting aan gemeenten de verplichting opgenomen om een aantal feitelijke ontwikkelingen ten aanzien van de huisvesting van urgente woningzoekenden te monitoren. Het gaat daarbij om de volgende zaken: het aantal aanvragen voor indeling in een urgentiecategorie; het aantal besluiten met toedeling in een urgentiecategorie; het aantal woonruimten dat in gebruik is genomen op grond van huisvestingsvergunning op basis van indeling in een urgentiecategorie; de urgentiecategorieën waarvoor een huisvestingsvergunning op basis van urgentie is verleend. Wanneer een college van burgemeester en wethouders of een gemandateerde organisatie die woningzoekenden in urgentiecategorieën indeelt (bijvoorbeeld een urgentiecommissie) een jaarverslag opmaakt, moeten daarin ook gegevens over het aantal geweigerde urgentieverzoeken worden opgenomen en de redenen voor de weigering. Bovendien moeten deze gegevens ook openbaar worden gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16879531/1