CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

A13 - VNOG - Concept Kadernota VNOG 2027-2030 D472676

Besluitvormende raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente BrummenBij agendapunt: Lijst met ingekomen en verzonden stukken24.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Financieel effect ontwikkelrichtingen (€) 2027 2028 2029 2030 5.2.1. Contentbeheerder vakbekwaamheid brandweer 88.700 88.700 88.700 88.700 5.2.2. Vakspecialist vakbekwaamheid brandweer 40.000 40.000 40.000 40.000 5.2.3. Projectleiders 225.400 225.400 225.400 225.400 5.2.6. Invulling Privacy Officer 19.700 19.700 19.700 19.700 5.2.7. Aanpassing brandstofbudget -95.000 -95.000 -95.000 -95.000 Totaal 278.800 278.800 278.800 278.800

Pagina 18 van 47

6. Autonome ontwikkelingen Dit hoofdstuk beschrijft de autonome ontwikkelingen. Het zijn onvermijdelijke onderwerpen. De kosten zorgen voor een stijging van de gemeentelijke bijdrage. Verder beschrijft dit hoofdstuk ook de maatregelen waarmee de korting op de Rijksbijdrage (BDuR) per 2027 structureel wordt gedragen. 6.1. BIG-boeken De BIG-boeken (Brandweerinterventieboeken Gevaarlijke Stoffen) bevatten informatie en interventiekaarten over gevaarlijke stoffen die brandweerlieden helpen bij incidenten en het snel informeren van leidinggevenden. Ze zijn daarmee onmisbaar. Voor 2027 was rekening gehouden met de vervanging van de BIG-boeken via een krediet (€ 33.000 met een afschrijftermijn van 4 jaar, € 8.250 kapitaalslasten per jaar). De boeken worden inmiddels door de uitgever echter digitaal uitgegeven via een licentie, zodat ze permanent actueel worden gehouden. De boeken zijn onmisbaar en er is geen alternatief beschikbaar. De meerkosten bedragen € 23.500 structureel. 6.2. Licentiekosten meldkamer Wereldwijd speelt het fenomeen van extra stijgende kosten voor automatisering die niet te vermijden zijn, want vaak opgelegd door aanbieders van diensten waarvoor geen alternatief bestaat. De prijsstijgingen overstijgen de toegepaste prijsindex. Dit raakt ook de Meldkamer Brandweer-Multi van de Meldkamer Oost-Nederland (MKON-MKBM).

Vanwege stijgende licentiekosten wordt de bijdrage voor de vijf deelnemende veiligheidsregio’s aan de MKON-MKBM per 2027 verhoogd met € 40.000. VNOG betaalt hiervan haar aandeel conform de afgesproken verdeelsleutel tussen de vijf regio’s, namelijk 25,45%. De meerkosten bedragen voor VNOG daarom € 10.180 structureel. 6.3. Uitstel afbouw formatie meldkamer Bij de vorming van de MKON-MKBM is een afbouw in formatie voorzien door de vijf veiligheidsregio’s. Deze afbouw zou 3 jaar na de start (in 2023) plaatsvinden, per 2026 (tijdelijke formatie is tot 1-4-2026, nl. 2,5 fte centralist en 1,0 fte coördinator). Uit een tussenevaluatie uit 2024 is echter gebleken dat afbouw nu, gelet op werkdynamiek en grote ontwikkelingen, niet verantwoord is. De afbouw wordt daarom uitgesteld. Een eindevaluatie vindt plaats in 2026. Op basis daarvan kunnen straks beter onderbouwde keuzes worden gemaakt. Het rapport van de evaluatie zal naar verwachting in de loop van 2027 verschijnen. Dat betekent dat het eerste formele moment om zaken financieel te verwerken, zal liggen in het najaar van 2027, bij de ‘voorzet begroting 2029 MKON-MKBM’. VNOG had deze afname nog niet verwerkt in haar eigen begroting. Het (voorlopig) niet doorgaan van de afbouw heeft daardoor geen financieel effect voor VNOG. 6.4.

Stijging kosten licenties en hardware De toenemende digitalisering van de samenleving en de hoge veiligheidseisen voor toegang tot digitale systemen zorgen voor stijgende licentiekosten. Voor VNOG gaat het om relatief grote aantallen door de omvang van het personeelsbestand (incl. de vrijwilligers ca 1.800 personen). De prijsstijgingen van de leveranciers overstijgen de toegepaste prijscompensatie. De licenties zijn noodzakelijk en er is geen alternatief. Wel beziet VNOG of op langere termijn door meer landelijke samenwerking de licentiekosten omlaag kunnen, bijvoorbeeld via gezamenlijke aanbestedingen. De licenties voor access management houden onze systemen toegankelijk, beheersbaar en veilig. Hiervoor zijn nu aanvullende modules nodig. De meerkosten hiervan bedragen structureel € 75.000. Daarnaast zijn er onvermijdelijke kosten vanuit de software en hardware leveranciers. Voor software: 8% prijsstijging voor het gros van de licenties. De meerkosten hiervan bedragen structureel € 200.000. Steeds meer medewerkers moeten toegang krijgen tot

Pagina 19 van 47

meer applicaties om hun werk goed te kunnen uitvoeren. De meerkosten hiervan bedragen structureel € 40.000. 6.5. Uitbreiding SIEM SOC In het kader van de noodzakelijke en onmisbare informatiebeveiliging stijgen de kosten. Het betreft kosten voor SIEM (Security Information and Event Management, software die beveiligingsgegevens en gebeurtenissen uit verschillende bronnen verzamelt, analyseert en centraliseert om cyberdreigingen te detecteren, te onderzoeken en erop te reageren) en SOC (Security Operations Center, voor real-time monitoring en analyse). Dreigingen nemen toe; het is daarom cruciaal dit bij te houden en uit te breiden. De meerkosten bedragen € 20.000 in 2027, oplopend naar € 40.000 in 2028 en daarna per 2029 € 60.000 structureel. 6.6. Assessments brandweer De huidige assessments voor Bevelvoerders en postcommandanten van de brandweer zijn zeer waardevol. De assessments bieden onmisbare informatie voor het aannamebeleid, doorstoom naar nieuwe functies en efficiënt uitgeven van opleidingsgelden. Er komt een nieuwe aanbesteding. Het huidige budget is € 75.000 en is nu al krap. De stellige verwachting is dat door inhoudelijke aanpassingen en de nieuwe aanbesteding € 20.000 tekort gaat komen op het budget. Gemiddeld aantal assessments ca 40 op jaarbasis en het wordt meer toegepast om beter zicht te krijgen op geschiktheid. De meerkosten bedragen € 20.000 structureel.

6.7. Wegvallen OTO-stimuleringsgelden voor GHOR GHOR VNOG en haar ketenpartners (ziekenhuizen, huisartsenposten, ambulancedienst, GGD) gebruiken al jaren succesvol LCMS GZ, een essentieel digitaal systeem voor informatie-uitwisseling tijdens crises. Verrekening van de kosten verloopt via de GHOR. De helft van de kosten werd gedekt door OTO-stimuleringsgelden van het ministerie van VWS. Deze financiering stopt echter per 2026. Om het gebruik van LCMS GZ te behouden en de informatiepositie tijdens incidenten te waarborgen, is in 3-oost-verband afgesproken dat GHOR de extra kosten op zich neemt voor het systeem, dat cruciaal is voor effectieve crisiscommunicatie binnen de geneeskundige zorgketen. De meerkosten bedragen € 14.000 structureel. 6.8. Dekking korting Rijksbijdrage BDuR 6.8.1. Extra-BDuR 2023 en korting BDuR 2026 In de periode 2023-2026 heeft het Rijk de Rijksbijdrage (BDuR4) aan de veiligheidsregio’s stapsgewijs verhoogd. De extra-BDuR was bedoeld ter versterking van crisisbeheersing en informatievoorziening. Het AB heeft in maart 2023 een Bestedingsplan vastgesteld voor deze extra-BDuR. Per 2026 hebben alle 25 veiligheidsregio’s van het Rijk een structurele korting van 10% gekregen op de BDuR. Voor VNOG gaat het om € 1,1 mln. In 2026 is de korting tijdelijk gedekt, per 2027 zijn structurele maatregelen getroffen.

Voor de tijdelijke dekking in 2026 is het volgende gedaan. Het AB heeft in december 2024 de jaarschijven 2025 en 2026 van het Bestedingsplan voorlopig bevroren5. Zo kwam er dekking beschikbaar om de korting in 2026 te dragen. De inhoudelijke gevolgen van deze voorlopige bevriezing zijn in juni 2025 voor het AB in beeld gebracht.

4 BDuR: Brede Doeluitkering Rampenbestrijding

Samen met de inzet van (het grootste deel van) de structureel hogere BDuR bijdrage 2025 (=loon-en prijscompensatie 2024) - die VNOG nog niet had ingezet - is er dan in 2026 dekking.

5

Pagina 20 van 47

6.8.2. Structurele maatregelen 2027 e.v. De structurele maatregelen voor de BDuR korting per 2027 zijn binnen de bestaande middelen van VNOG gevonden. De maatregelen hebben vooral tot gevolg dat de versterking van de crisisbeheersing wordt versoberd, doordat onderdelen van het Bestedingsplan extra-BDuR permanent niet of verminderd worden uitgevoerd. Zo komt de verbetering van de kwaliteit van de operationele multidisciplinaire crisisorganisatie beperkter van de grond. De in het Bestedingsplan geplande middelen hiervoor zouden ook worden ingezet voor nieuwe dreigingen en taken daaromtrent. Verder was in het Bestedingsplan versterking van de begeleiding van de vakbekwaamheid van de gemeentelijke bevolkingszorg ingepland. Ook dit wordt nu niet ingevuld. Ook is dekking gevonden door inzet van nog niet ingezette loon-/prijscompensatie op de BDuR. 6.8.3. In 2025 en 2026 bevroren onderdelen extra-BDuR die per 2027 wel worden ingevuld Een aantal van de in 2025 en 2026 bevroren onderdelen van het Bestedingsplan extra-BDuR worden per 2027 wel in uitvoering genomen. Hun bevriezing eindigt per 2027. Het betreft o.a. de formatie voor de verdere opbouw van het Veiligheids Informatieknooppunt (VIK). Het VIK is als centraal punt van cruciaal belang voor de informatievoorziening, die een onmisbaar onderdeel is in het werk van de veiligheidsregio en ook steeds van groter belang wordt.

Het knooppunt speelt een belangrijke rol in de informatievoorziening binnen de veiligheidsregio, tussen veiligheidsregio’s onderling en met het Rijk. 6.9. Samenvatting autonome ontwikkelingen Onderstaande tabel vat de autonome ontwikkelingen samen: Financieel effect autonome ontwikkelingen (€) 6.1. BIG-boeken 6.2. Licentiekosten meldkamer 6.4. Stijging kosten licenties en hardware 6.5. Uitbreiding SIEM SOC 6.6. Assessments brandweer 6.7. Wegvallen OTO-stimuleringsgelden voor GHOR Totaal

Pagina 21 van 47

2027 23.420 10.180 315.000 20.000 20.000 14.000 402.600

2028 23.420 10.180 315.000 40.000 20.000 14.000 422.600

2029 23.420 10.180 315.000 60.000 20.000 14.000 442.600

2030 23.420 10.180 315.000 60.000 20.000 14.000 442.600

7. Financiële ontwikkelingen 7.1. Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de financiële ontwikkelingen. Eerst volgt een korte beschouwing over de loon- en prijscompensatie over het jaar 2025 en 2026. Daarna volgt de specificatie van de loonen prijscompensatie 2027, die conform de systematiek en kaders (zie hoofdstuk 4) is berekend. Daarna wordt ingegaan op de investeringen en kapitaallasten. 7.2. Loon- en prijscompensatie 2025 en 2026 7.2.1. Werkwijze De beleidslijn is dat de stijging van lonen en prijzen structureel opgenomen wordt in de gemeentelijke bijdrage. Hiervoor worden gegevens uit de Septembercirculaire gebruikt. Volgens de afspraken met de gemeenten wordt de looncompensatie bij de jaarrekening afgerekend, maar de prijscompensatie niet. Een verschil kan ontstaan doordat de overeengekomen loonstijging in de CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s afwijkt van de voorcalculatorische procentuele verhoging welke is opgenomen in de kadernota en begroting in enig jaar. De nacalculatie van de looncompensatie wordt in principe verrekend met de gemeenten (eenmalig teruggeven of nabetalen); het AB kan bij de bestemming van een jaarrekeningresultaat hiervan afwijken.

De structurele effecten van de nacalculatie worden meegenomen bij het bepalen van de gemeentelijke bijdrage: als de VNOG over de jaren vóór de Kadernota meer of minder loonindex heeft geraamd dan werkelijk in de CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s is overeengekomen, wordt dit ook structureel gecorrigeerd. 7.2.2. 2025 In 2024 is een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling afgesloten met een looptijd tot 1 augustus 2025. De verwachting is dat de verhoging van de loonsom voor de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 december 2025 incidenteel kan worden gedekt uit een deel van het jaarrekeningresultaat 2024 (€ 365.000) en de (incidentele) loon- en prijscompensatie BDuR 2025 (€ 335.000). Het structurele effect moet worden gedekt uit de looncompensatie begrotingsjaar 2026. 7.2.3. 2026 Als gevolg van het ontbreken van de daadwerkelijke loonontwikkelingen worden de percentages (loonvoet sector overheid) uit de Septembercirculaire 2025 gehanteerd. Hierbij wordt de verwachte (structurele) verhoging zoals opgenomen in de Kadernota 2026 – 2029 gecorrigeerd. Bij het opstellen van de Kadernota 2027 – 2030 is geconstateerd dat bij de berekening van de looncompensatie in de Kadernota 2026 – 2029 een onvolledige loonsom is gehanteerd. Hierdoor is feitelijk 3,25% aan looncompensatie in rekening gebracht in plaats van 4,25%.

Het verschil van € 410.000 wordt in de voorliggende Kadernota 2027 – 2030 gecorrigeerd. 7.3. Specificatie loon- en prijscompensatie 2027 De beheerders van het gemeentefonds hebben in de Septembercirculaire 2025 een stijging van de loonvoet overheid van 5,1% voor 2027 opgenomen. In de Septembercirculaire 2025 is daarnaast voor 2026 een percentage van 2,9% opgenomen. In de kadernota 2026 – 2029 is vorig jaar reeds 4,25% gevraagd. Het verschil van -1,35% (2,9% - 4,25%) wordt gecorrigeerd op de looncompensatie 2027. Dit percentage wordt ook gebruikt voor het benodigde budget voor de vrijwilligersvergoeding. Zoals gebruikelijk wordt de prijsindex netto materiële overheidsconsumptie uit de Septembercirculaire 2025 in de Kadernota opgenomen; deze is 2,2% voor 2027.

Pagina 22 van 47

Loon- en prijscompensatie 2027 looncompensatie Kadernota 2026 2029 4,25%

2026 2027 Percentage voor looptijd tot en met 31 december 2027 Loon- en prijscompensatie 2027 Correctie Kadernota 2026 - 2029 * Totaal loon- en prijscopmensatie 2027 exclusief MKON

Septembercirculaire Kadernota 2027 gemeentefonds 2025 2030 2,90% -1,35% 5,10% 5,10% 3,75% 1.700.000 410.000 2.110.000

Meldkamer Oost Nederland (Meldkamer Brandweer Multi) Bijdrage 4 Veiligheidsregio's Totaal VNOG

190.000 -142.000 2.158.000

prijscompensatie Septembercirculaire gemeentefonds 2025

Totaal

2,20% 346.000 346.000

2.046.000 410.000 2.456.000

11.000 -8.200 348.800

201.000 -150.200 2.506.800

* Zie voor een nadere toelichting paragraaf 7.2.3. 2026

Bovengenoemde berekeningen leiden tot een bedrag aan loon- en prijscompensatie voor 2027 van (€ 2.158.000 + € 348.800 =) € 2.506.800. 7.4. Ontwikkelingen in materieel en materiaal, kapitaallasten, etc. Deze paragraaf gaat in op de ontwikkelingen rondom investeringen voor voertuigen, bepakking, ICT, etc. zoals opgenomen in het meerjarig investeringsprogramma (MJIP) en de hierbij behorende kapitaallasten. Hierna worden eerst de lopende investeringen toegelicht en vervolgens de nieuwe die in deze Kadernota zijn opgenomen, daarbij wordt (zoveel mogelijk) rekening gehouden met de beoogde periode/jaren van levering van de investeringsgoederen. 7.4.1. Voertuigen (repressief en dienst) en bepakking Brandweerzorg De uitlevering van de blusvoertuigen (tankautospuiten) die is begonnen in 2024, loopt door (volgens planning) tot eind 2026. Deze voertuigen zijn de belangrijkste basisvoertuigen van de brandweer en vormen de voornaamste uitgave in het voertuigenpark. Naast de basis blusvoertuigen (de tankautospuiten) zijn er ook specialistische (blus)voertuigen, zoals: de WTS 500 (watertransport-systemen); Schuimblus-; Natuurbrandbestrijdings-; Red(hoogwerkers); Hulpverlenings – en Haakarmvoertuigen. Voor de WTS 500, Natuurbrandbestrijdings- en Hulpverleningsvoertuigen wordt gekeken welke specificaties en mogelijkheden (in de markt) voor VNOG passend zijn voor de komende jaren.

Dit is een uitdaging in een markt waarin het aanbod van specialistische kennis bij potentiële leveranciers gering en duur is en er op bepaalde aanbestedingen geen (passende) aanbiedingen zijn gekomen. Dit kan mogelijk leiden tot hogere benodigde kredieten, waarmee in deze Kadernota nog geen rekening is gehouden. Enkele specialistische voertuigen krijgen een midlife update waarmee door verlenging van de levensduur met 4 tot 5 jaar, er kosten worden bespaard. Voor de Schuimblusvoertuigen en een Redvoertuig is/wordt daarmee de vervanging uitgesteld tot 2027 resp. 2031. Het voornemen daarbij is verder om het MJIP zo aan te passen, dat in 2031 alle (6) Redvoertuigen worden vervangen. De huidige inschatting daarbij is dat de vervanging van de hoogwerkers in 2031 fors duurder zal zijn dan waar in het MJIP mee rekening is/wordt gehouden. Het totaal te investeren bedrag hiervoor komt zo’n € 4.000.000 hoger uit dan waar nu mee rekening wordt gehouden in het MJIP. Hoewel deze vervanging net buiten de (meerjarige) periode ligt van waar deze Kadernota over gaat, is het van belang om te beseffen dat de extra kapitaalslasten vanaf 2032 een extra beslag leggen op de (beschikbare) middelen uit de egalisatiereserve.

Pagina 23 van 47

Naast de vervanging van blusvoertuigen vindt ook vervanging plaats van de dienst- en piketvoertuigen. Hierbij speelt in het kader van duurzaamheid ook de vereiste en verplichte elektrificatie een rol. De aanbesteding voor deze elektrische voertuigen is in 2025 met gunstig gevolg afgerond. De huidige verwachting is dat we met het geheel van beschikbare kredieten uit kunnen komen voor de geplande vervangingen in de komende jaren, Hierbij zullen nog een aantal kredieten moeten worden herschikt. Zo zullen de bedragen die overblijven op de aanbesteding/aanschaf van de dienstvoertuigen en het uitstel van de aanschaf van een Redvoertuig, in de komende jaren nodig zijn ter compensatie voor de hogere aanschafwaarden van de Hulpverlenings- en Haakarmvoertuigen. Bij wijziging resp. vaststelling van de begrotingen 2026 en 2027 zullen we verdere voorstellen doen om de hiervoor benodigde kredieten te herschikken. 7.4.2. Overige materialen/apparatuur Brandweerzorg De aanbesteding van verbindingsapparatuur (C2000) is/ wordt uitgevoerd in 2025 , over de uitkomsten valt nog weinig te zeggen. Verwacht wordt dat de hiervoor beschikbare kredieten in de begrotingen 2025 en 2026 toereikend zullen zijn. De feitelijke aanschaf/levering zal naar verwachting in 2026 plaatsvinden. Bij was- en droogapparatuur voor kleding en ademlucht vindt noodzakelijke vervanging van apparatuur plaats.

Voor toekomstige vervangingen wordt ook gekeken naar de mogelijkheden van vervanging door zgn. barrier (toestel) wasmachines waarbij de vuile – en schone was afzonderlijk kan worden verwerkt. De mogelijkheid hiertoe is gebouw-/kazerne afhankelijk en wordt ook meegenomen bij de realisatie van de 1-post in Apeldoorn. De nieuwe slangen die zijn aangeschaft, kunnen niet gewassen worden in de trommelmachines die VNOG heeft. De huidige slangenwasmachines voldoen ook niet meer aan de actuele arboeisen. De nieuwe machines kosten € 185.000 per stuk. Met deze investering is al rekening gehouden in de (vastgestelde) meerjarenbegroting 2026-2029. Vervangingsinvesteringen (opgenomen in de vastgestelde meerjarenbegroting 2026 2029) Slangenwasmachine(s) Totaal

Bedrag investering

2027

2028

2029

2030

370.000

40.700 40.700

40.700 40.700

40.700 40.700

40.700 40.700

7.4.3. ICT middelen/apparatuur Bedrijfsvoering Bij de kredieten voor ICT is rekening gehouden met (bestuurlijke) besluitvorming tot de benodigde verhoging van de kredieten voor IT-gebruiksmiddelen vanaf 2025. Daarbij is aangegeven dat de daaruit voortvloeiende extra kapitaallasten vanaf 2027 worden meegenomen in de Kadernota 2027-2030 (zie tabel hierna: investeringen nieuw opgenomen in Kadernota 2027-2030). Bij ICT zijn verder de benodigde investeringen meegenomen die te maken hebben met de verbindingen tussen locaties en de datacentra en de daarbij behorende hardware. Hierbij spelen naast technische ontwikkelingen ook veiligheidseisen en vereisten rond uitwijk een rol. Daarnaast zullen investeringen ter vervanging van bestaande systemen/software en innovatieve IToplossingen, de komende jaren de nodige aandacht en energie vragen. Omdat het veelal om SAAS6-oplossingen gaat, is het effect daarvan vooral zichtbaar in (een stijging van) de licentiekosten.

6

Software as a Service

Pagina 24 van 47

Bij een aantal ICT kredieten is nog onzeker of deze ingezet gaan worden voor vervangende hardware danwel voor uitgaven voor licenties. Dit heeft ermee te maken dat steeds meer hardware, met veelal zgn. embedded (oftewel ‘ingesloten’) software, moeilijk(er) van elkaar te (onder)scheiden is. Punt daarbij is dat licentiekosten, ook als er sprake is van meerjarig overeengekomen, verantwoording-technisch niet als investering c.q. kapitaalslasten mogen worden verantwoord, maar als jaarlijkse exploitatiekosten. 7.4.4. Facilitaire middelen en huisvesting Bedrijfsvoering Bij de benodigde kredieten voor VSP is rekening gehouden met (bestuurlijke) besluitvorming tot de benodigde wijziging van de kredieten voor vervanging van meubilair in 2025 i.v.m. de inrichting van de locatie aan de Molenmakershoek. Daarbij is aangegeven dat een verder (totaal)beeld voor de kosten van de inrichting van de nieuwbouw Apeldoorn en de samenvoeging daarbij van de beschikbare – en benodigde kredieten voor de op te heffen bestaande locaties, zal worden gegeven bij de Kadernota 2027-2030. Bij de doorgerekende investeringen in deze Kadernota is het MJIP van VSP (van juli 2025) leidend geweest, hierin is de inrichting van alle kazernes opgenomen die bij VNOG in gebruik zijn.

Deze komt grosso modo overeen met de eerder doorgerekende investeringsplanning voor de begroting 2026-2029, daarbij zijn de aanwezige vervangingskredieten voor de huidige/eerdere locaties in Apeldoorn herschikt tot een nieuw krediet voor de inrichting van de nieuwbouw in Apeldoorn (zie tabel hierna: investeringen nieuw opgenomen in Kadernota 2027-2030). De herschikte kredieten zullen worden opgenomen/verwerkt in de begroting 2027. In onderstaande tabel worden de investeringen weergegeven die (nieuw) zijn opgenomen in de Kadernota 2027-2030, deze worden daaronder verder toegelicht. Investeringen (nieuw in Kadernota 2027 Bedrag 2030, opnemen in investering meerjareninvesteringsprogramma) Voertuigen voor verkenningseenheden 600.000 Midlife update hoogerwerker Zutphen 2026 275.000 Hoogwerker Zutphen (vervanging uitgesteld naar 2031) -275.000 Verlichting logistieke eenheid 125.000 Hardware werkplekken ICT div. jaren Uitbreiding/herschikking MJIP VSP inrichting 1-post385.000 Apeldoorn Voertuig voor brandveilig leven 109.091 Totaal

2027

2028

2029

2030

66.000 71.500 -21.100 9.600 99.000 12.000 237.000

66.000 71.500 -21.100 9.600 46.000 29.517 12.000 213.517

66.000 71.500 -21.100 9.600 129.000 29.517 12.000 296.517

66.000 71.500 -21.100 9.600 180.000 29.517 12.000 347.517

7.4.5. Voertuigen voor verkenningseenheden De verkenningseenheden zijn onderdeel van de meetplanorganisatie van VNOG welke ondersteunende werkzaamheden verricht op het gebied van verkenning, waarneming en meten/monstername (bijv. bij hoog water, natuurbrand, etc.). Uitgaande van de (wettelijk) vereiste taakuitvoering is voor VNOG duidelijk geworden dat er zes dienstvoertuigen voor de verkenningstaak nodig zijn, inclusief de benodigde bepakking. Met de teruggang in materieel, zoals in de afgelopen jaren doorgevoerd op basis van het Materieelspreidingsplan, kan zonder specifiek vervoer de verkenningstaak niet worden uitgevoerd of komt de repressieve dekking in de knel. Voor de tijdelijkheid worden momenteel zes oude (afgeschreven) dienstvoertuigen gebruikt. De bepakking is in 2025 reeds up-to-date gemaakt en wordt overgezet naar de nieuwe voertuigen. 7.4.6. Midlife update hoogwerker Zutphen De hoogwerker van Zutphen wordt volgens het MJIP in 2026 vervangen. Voorgesteld wordt deze in 2026 te voorzien van een midlife-update, zodat de levensduur met 4 jaar kan worden verlengd. Het resterende krediet, beschikbaar gesteld voor 2026, zal worden ingezet voor de vervanging van overige specialistische voertuigen ( zie ook toelichting lopende investeringen). Pagina 25 van 47

7.4.7. Verlichting Logistieke eenheid Momenteel beschikt de Logistieke Eenheid zowel aan de oost- als de westzijde van het werkgebied over een aantal verlichtingsarmaturen die rond 2014 door het Ministerie zijn geschonken. Deze verlichting dateert uit de jaren ‘90. Deze verlichting is verouderd, niet gebruiksvriendelijk en niet meer betrouwbaar. Als gevolg van de schenking zijn er nooit budgetten voor de vervanging van deze verlichting georganiseerd. Het voorstel is om voor beide eenheden een aanhanger aan te schaffen voorzien van verlichting welke ingezet kan worden tijdens grootschalig optreden, op uitgangsstellingen en/of crisissituaties waarbij mensen op de donkere uren betrokken zijn. 7.5. Kapitaallasten, egalisatiereserve afschrijvingen en gemeentelijke bijdragen VNOG beschikt over een egalisatiereserve afschrijvingen. Een voordeel of nadeel op de kapitaallasten in enig jaar wordt, conform bestaand beleid, bij het opmaken van de jaarrekening (en het samenstellen van de begroting) gestort of onttrokken aan deze egalisatiereserve. Daarnaast wordt ook de opbrengst van de verkoop van materieel gestort in deze reserve en mogelijke resterende boekwaarden bij afstoten onttrokken. Met de egalisatiereserve worden stijgingen in de kapitaallasten afgedekt, zodat stijging van de gemeentelijke bijdrage kan worden uitgesteld.

Zoals aangegeven in eerdere kadernota’s en begrotingen stijgen de kapitaallasten dusdanig dat deze op enig moment niet meer gedekt kunnen worden door een onttrekking aan de egalisatiereserve. Het ingangsjaar van de voorziene stijging van de gemeentelijke bijdrage werd enige jaren uitgesteld. Met de inmiddels vastgelegde en in uitvoering genomen investeringen, w.o. de lopende uitlevering van de basis blusvoertuigen t.w.v. € 40,5 mln., is de zekerheid over de verwachte uitputting van de egalisatiereserve concreet geworden. De verhoging van de gemeentelijke bijdrage is noodzakelijk met ingang van 2027, overeenkomstig de besluitvorming over de kadernota’s en meerjarenbegrotingen van de afgelopen jaren. Echter de reeds voorziene stijging kan lager aanvangen voor 2027 en 2028 dan eerder aangegeven. Dit heeft met name te maken met de extra stortingen en toevoegingen in de afgelopen jaren. Daarbij blijft er een risico dat de uitputting eerder in zicht kan komen, ingeval de prijzen van nog aan te schaffen goederen en/of het renteniveau nog verder stijgen dan (nu) verwacht. In deze kadernota is rekening gehouden met het percentage van 1,7% aan doorberekende rente in de kapitaallasten. Het percentage waarvoor in 2024 nieuwe leningen zijn aangetrokken en vastgelegd, bedraagt ruim 3%.

Het percentage doorrekening ligt lager vanwege de middeling met het rentepercentage dat nu gemiddeld verschuldigd is op de lopende leningen en de juiste toerekening van de rente aan de materiële vaste activa bij aanvang van het jaar. Het investeringsplan is doorgerekend met naast de voertuigen uit het materieel spreidingsplan ook de voertuigen voor het mobiliteitsplan en de overige investeringen. De wijzigingen zoals die bekend zijn geworden na het opstellen van de meerjarenbegroting 2026, zijn daarbij eveneens meegenomen (zie ook de toelichting in paragraaf 7.4). Zoals aangegeven in paragraaf 7.4 blijft het risico op prijsstijging bij de nog uit te voeren aanbestedingstrajecten van de specialistische repressieve voertuigen. Maar dat geldt ook voor overige investeringen in materialen, apparatuur en systemen voor zowel de afdeling Brandweerzorg als Bedrijfsvoering. In de doorrekening van de kapitaallasten is verder rekening gehouden met kredieten voor de inrichting van de posten. De investeringen in (ver)bouw van de kazernes en de daaruit voortvloeiende kapitaallasten, worden gedaan door de gemeenten als eigenaar van de gebouwen. Pagina 26 van 47

De kapitaallasten in de meerjarenbegroting van VNOG bedragen € 9,5 miljoen voor 2026 oplopend naar € 12,2 miljoen in 2027, waarbij de dekking wordt onttrokken aan de egalisatiereserve en de verhoging van de gemeentelijke bijdrage (vanaf 2027) daaraan wordt toegevoegd. De meest recente berekeningen van de kapitaallasten laten een stijging zien tot rond € 12 miljoen (structureel) vanaf 2027. Navolgende tabel geeft het verloop van de verwachte kapitaallasten weer op basis van de huidige berekeningen en uitgaande van een toegerekend rentepercentage van 1,7%. Overzicht verwachte kapitaalslasten 2026-2030 (bedragen in miljoenen) Jaar 2026 2027 afschrijvingen 8,1 10,5 rente 1,4 1,7 Totaal 9,5 12,2

2028 10,4 1,7 12,1

2029 10,5 1,6 12,1

2030 10,5 1,4 12,0

Hierna is weergegeven wat de gevolgen voor de begroting zijn van bovengenoemde stijging van de kapitaallasten en welke aanvullende dekking/verhoging van de gemeentelijke bijdrage hiervoor benodigd is. Uitgaande van een hogere beginstand van de egalisatiereserve wordt voor 2027 en 2028 uitgegaan van een lagere stijging van de gemeentelijke bijdrage dan in Kadernota en begroting 20262029. In plaats van de daarin voorgestelde bijdrage van € 3 mln. en € 4,5 mln. voor de jaren 2027 en 2028, kan voor genoemde jaren nu worden gerekend met resp. € 2,5 mln. en € 4 mln. (structureel). Vanaf 2030 wordt met aanvullend € 0,5 mln. (structureel) gerekend tot totaal € 4,5 mln. (structureel). De voorziene stand van de egalisatiereserve ultimo 2030 is enerzijds noodzakelijk voor het egaliseren van boekwinsten en – verliezen op af te stoten voertuigen. Anderzijds ter dekking/demping van de kapitaalslasten voortvloeiende uit de nog beschikbaar te stellen kredieten voor de investeringen in het repressief materiaal/materieel en voor de ondersteunende (bedrijfsvoerings)activiteiten. Daarbij zal bijvoorbeeld de genoemde fors hogere vervangingswaarde voor de Redvoertuigen in 2031 en de daarbij behorende hogere kapitaalslasten, ook gevolgen hebben voor onttrekkingen uit de egalisatiereserve en dus voor het (restant)niveau ervan. Jaar

2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030

Meerjarenbegroting 2026 2029 Kapitaallasten Kapitaallasten Nieuwe inclusief mutaties berekening egalisatiereserve kapitaallasten afschrijving 6.087.000 8.080.000 6.077.000 10.520.000 6.093.000 10.422.000 6.093.000 10.498.000 6.093.000 10.541.000

Kadernota 2027 - 2030

Rente 1,70%

1.395.000 1.723.000 1.694.000 1.561.000 1.439.000

Mutatie egalisatiereserve Toevoeging Onttrekking

-

3.388.000 6.166.000 6.023.000 5.966.000 5.887.000

Pagina 27 van 47

Toevoeging Verhoging Stand egalisatierebij gemeentelijke serve ultimo jaarrekening bijdrage boekjaar 2025 11.087.000 1.770.000 12.857.000 9.469.000 2.500.000 5.803.000 4.000.000 3.780.000 4.000.000 1.814.000 4.500.000 427.000

7.6. Samenvatting financiële ontwikkelingen Onderstaande tabel vat de financiële ontwikkelingen samen: Financiële ontwikkelingen Kadernota 2027 2030 (€) Looncompensatie Prijscompensatie Totaal

2027

2028

2029

2030

2.158.000 348.800 2.506.800

2.158.000 348.800 2.506.800

2.158.000 348.800 2.506.800

2.158.000 348.800 2.506.800

Kapitaallasten conform Programmabegroting 2027-2030 Ontwikkeling kapitaallasten (vorig jaar) 3.000.000 Ontwikkeling kapitaallasten (huidig jaar) 2.500.000 Effect gemeentelijke bijdrage: -500.000

4.500.000 4.000.000 -500.000

4.500.000 4.000.000 -500.000

4.500.000 4.500.000 -

Totaal

2.006.800

2.006.800

2.506.800

2.006.800

Pagina 28 van 47

8. Beleidsregels risico’s, reserves en weerstandscapaciteit Dit hoofdstuk beschrijft de beleidsregels en werkwijzen die worden toegepast voor de risico’s, de weerstandscapaciteit en het bepalen van de ratio weerstandscapaciteit. De beleidsregels zijn vastgelegd in de eerder vastgestelde begroting(en) in de betreffende paragrafen. Deze eerdere lijnen worden voortgezet. Na vaststelling van de kadernota worden de beleidsregels opgenomen in de begroting 2027. 8.1. Risicomanagement 1. Het wettelijk kader voor risicobeheersing is artikel 9 en 13 van het BBV. Het betreft de in de begroting en rekening vereiste paragraaf ‘Weerstandsvermogen en Risicobeheersing’. 2. De VNOG moet voorbereid zijn op de mogelijke (financiële) gevolgen van risico’s die zich kunnen voordoen binnen de bedrijfsvoering. Het gaat bij risico’s om gebeurtenissen die zich mogelijk kunnen voordoen en die het realiseren van de doelstellingen kunnen verstoren. 3. Het treffen van beheersingsmaatregelen ter vermijding en vermindering van risico’s staat centraal. De te nemen maatregelen op risico’s kunnen zijn: het matigen (door maatregelen); het overdragen (door bijv. verzekeren); het vermijden (door het schrappen van doelstellingen) en het accepteren ervan. 4. Het managen van risico’s is een verantwoordelijkheid van het MT.

De afdelingshoofden betrekken teamleiders en andere medewerkers bij het benoemen van relevante risico’s en bij het treffen en uitvoeren van de maatregelen. De afdelingshoofden rapporteren hierover in de tussentijdse rapportages en de Jaarstukken. 5. De geïnventariseerde risico’s worden gekwantificeerd op basis van 5 percentages die de kans weergeven dat het risico zich kan voordoen. De percentages zijn: 10%, 30%, 50%, 70% en 90%. Bij een kans van 90% op het zich voordoen van een risico wordt overwogen hierop de begroting aan te passen, indien kan worden aangegeven (vanaf) wanneer het risico zich waarschijnlijk voordoet. 6. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit, worden de voor de maatregelen benodigde financiële middelen vermenigvuldigd met de genoemde percentages die de kans op het risico weergeven. 7. Structurele risico’s worden voor maximaal 3 jaar berekend bij de benodigde weerstandscapaciteit. Daarna wordt geacht dat de effecten kunnen worden afgewend, begroot, dan wel anderszins kunnen worden opgevangen. 8. Financiële en niet-financiële risico’s worden geïnventariseerd. Ook de beheersingsmaatregelen zijn zowel financieel als niet-financieel van aard. 8.2. Reserves 1. De VNOG beschikt over een Algemene Reserve, een Bedrijfsvoeringreserve, (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. 2.

De Algemene reserve vormt het weerstandsvermogen en is voor afdekking van risico’s en heeft geen einddatum. De Algemene Reserve wordt gevoed vanuit het jaarrekeningresultaat bij besluit van het Algemeen Bestuur over de resultaatsbestemming, of anderszins door Algemeen Bestuursbesluiten. Bij een wijziging (bijv. een onttrekking) van de Algemene Reserve c.q. het weerstandsvermogen dient er een zienswijze te worden gevraagd aan de deelnemende gemeenten, zoals bepaald in de Gemeenschappelijke Regeling VNOG. 3. De Algemene Reserve en de Bedrijfsvoeringsreserve (zie hierna) en de post Onvoorzien vormen samen de weerstandscapaciteit (zie hierna). 4. De hoogte van de weerstandscapaciteit is zodanig, dat de weerstandsratio zich in een bandbreedte van 1,0 tot 1,4 bevindt. Indien deze ratio buiten deze bandbreedte is of dreigt te Pagina 29 van 47

raken, volgt een AB-voorstel (bijv. bij kadernota) over de wijze waarop dit voorkomen of hersteld wordt. 5. De Bedrijfsvoeringreserve heeft een algemene bufferfunctie en is breed inzetbaar voor prioriteiten, knelpunten of voor het tijdelijk afvlakken van gemeentelijke bijdragen. De Bedrijfsvoeringreserve heeft geen einddatum en behoort tot de beschikbare weerstandscapaciteit (telt mee voor de afdekking van risico’s). De minimale hoogte is 2%, de maximale hoogte is 5% van het begrotingstotaal. 6. De bestemmingsreserves, waaronder egalisatiereserves zijn voor een specifiek doel ingesteld (“beklemd”); zij tellen niet mee voor afdekking van overige risico’s en maken geen deel uit van de beschikbare weerstandscapaciteit. 7. Er zijn bestemmingsreserves van onbepaalde duur en tijdelijke bestemmingsreserves. 8. Resultaatsonafhankelijke stortingen en onttrekkingen (gelijk aan reeds begrote dotaties en onttrekkingen) maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 9. Stortingen en onttrekkingen aan egalisatiereserves maken geen deel uit van het bestemmingsvoorstel saldo jaarrekening. 10. De Financiële verordening VNOG bepaalt dat bij het instellen van bestemmingsreserves (door het AB) het doel, de (maximale) hoogte, de duur en de wijze van voeding en onttrekking worden aangegeven. Een overzicht van de huidige reserves is opgenomen in bijlage 4. 8.3.

Weerstandscapaciteit 1. De beschikbare weerstandscapaciteit wordt, zoals hiervoor reeds aangegeven, gevormd door de Algemene Reserve, de Bedrijfsvoeringreserve en de post Onvoorzien. 2. Tot de beschikbare weerstandscapaciteit behoren niet, zoals hiervoor reeds aangegeven, de (tijdelijke) bestemmingsreserves en egalisatiereserves. Daar is al een bestedingsdoel aan verbonden7. 3. De weerstandsratio =

beschikbare weerstandscapaciteit benodigde weerstandscapaciteit

4. De streefwaarde van de weerstandsratio ligt tussen 1,0 (“matig”) en 1,4 (“voldoende”)8. 5. De beschikbare weerstandscapaciteit, de benodigde weerstandscapaciteit en de weerstandsratio worden in de begroting en in de jaarrekening opgenomen. 6. Indien de weerstandsratio buiten de bandbreedte van de streefwaarde ligt, wordt in de eerstvolgende Kadernota (of ander geëigend moment in de P&C cyclus) afgewogen hoe deze waarde weer te bereiken. Als de bedrijfsvoeringsreserve conform de algemene bufferfunctie wordt aangesproken, kan de weerstandsratio dalen (indien de risico's niet dalen). VNOG zal bij dergelijke voorstellen het effect op de ratio duiden. Daarnaast kunnen specifieke onderwerpen, waarvan het beslag op deze reserve ook gekwantificeerd kan worden, in voorkomende situaties buiten beschouwing blijven. BBV technisch behoren alle bestemmingsreserves tot het weerstandsvermogen, vanuit de gedachte dat het AB altijd kán besluiten om de bestemming (bestedingsdoel) van een reserve te halen. De accountant heeft informeel laten weten geen moeite te hebben met de VNOG werkwijze, mits dit in de jaarstukken transparant wordt toegelicht. Voorts spoort deze handelwijze met het door de provincie Gelderland vastgestelde financieel toezichtkader. 8 Naast een minimum ratio is een maximum ratio toegevoegd.

Deze ratio 1,0 tot 1,4 komt overeen met die van diverse deelnemende gemeenten en veel veiligheidsregio’s. Dit onderstreept het eigenaarschap voor het reduceren van risico’s van VNOG. De bandbreedte is als richtsnoer bedoeld. Maatregelen om het vermogen te versterken of de gemeenten terug te betalen, zullen altijd gewogen worden in de beleidsinhoudelijke en financiële context van VNOG én gemeenten op enig moment. 7

Pagina 30 van 47

9. De uitgevoerde risico-inventarisatie In het kader van het uitgevoerde risicomanagement zijn in 2025 de risico's voor de bedrijfsvoering geactualiseerd. Door uitvoering van maatregelen en (externe) ontwikkelingen zijn de gekwantificeerde risico’s en de daarvoor benodigde middelen in een aantal gevallen gewijzigd, ten opzichte van de Kadernota en Begroting 2026. Onderstaand staan de risico’s weergegeven en toegelicht die zijn vervallen en gewijzigd. Vervallen zijn (het cijfer verwijst naar het nummer waaronder het stond vermeld in de begroting 2026): − het (berekende) risico van geen match tussen de gemeenten en de afd. RCB t.a.v. de uitvoering van taken en dienstverlening na de invoering van de nieuwe Omgevingswet, is vervallen nu er met de gemeenten overeenstemming is bereikt over de wijze van dienstverlening onder de nieuwe Omgevingswet (1); − het (berekende) risico van het niet (tijdig) realiseren van besparingen Toekomstvisie 2020 t.a.v. personele kosten, is vervallen met het aflopen periode waarvoor genoemde visie is uitgewerkt (5); − het (berekende) risico van onvoldoende oefenmogelijkheden Vakbekwaam blijven brandweerpersoneel, is vervallen omdat de kans (te) klein wordt geacht dat het risico zich voordoet (9); − het (berekende) risico van extra kosten tijdelijke huisvesting (w.o.

verbindingen) en faciliteiten kantoorpersoneel, is vervallen door de in de tijd getroffen maatregelen (13); − het (berekende) risico van hogere kosten voor het door VNOG zelf organiseren van de OVDG'en (Officieren van dienst geneeskundig), is vervallen omdat inmiddels duidelijk is geworden wat de kosten zijn waarmee rekening kan worden gehouden (21); − het (berekende) risico van het wegvallen OTO-stimuleringsgelden specifieke omgeving ‘LCMS-GZ’, is vervallen doordat de kostenstijging inmiddels is opgenomen als autonome ontwikkeling in de Kadernota 2027 (22). Gewijzigd zijn (het cijfer verwijst naar de overeenkomende regel in onderstaand register): − (3) het bedrag aan benodigde weerstandcapaciteit bij het risico op prijsstijgingen (boven de begrote prijsindex) is hoger geworden na actualisatie van de cijfers uit de begroting 2026 en een herbeoordeling van de mogelijke stijgingen bij de verschillende kostensoorten (o.a. energie, kleding, onderhoud, opleiden/oefenen en licentiekosten); − (4) bij het berekenende risico op het later realiseren van besparingen bij de vervanging van brandweermateriaal en -materieel (t.o.v.

wat was aangegeven in de Toekomstvisie), is een berekende bedrag aan risico opgenomen voor de specifieke repressieve voertuigen welke nog niet zijn/worden aangeschaft t/m 2026; − (6) het risico van extra prijsstijgingen van investeringen in (brandweer)materieel/(-)materiaal is aangepast/verhoogt aan de verwachte procentuele stijging voor het verwachte bedrag aan investeringen over de periode 2026-2029 (kapitaalslasten 2027-2030); − (8) bij het risico van mogelijke (spoedeisende) aanpassingen aan gebouwen, o.a. in verband met uit te voeren (Arbo-) eisen, is het risico van ‘mogelijke onduidelijkheid in de demarcatie(afspraken) tussen gemeenten en VNOG over de gemeentelijke gebouwen (kazernes) bij VNOG in gebruik’ explicieter verwoord. Daarbij is tevens het eerdere niet gekwantificeerde risico: ‘Uitwerking (operationele) uitvoering demarcatie’ hiermee samengevoegd;

Pagina 31 van 47

− − −

(9) het risicopercentage van vervroegde vervanging van PFAS houdende materialen (bluskleding/-laarzen) als gevolg van voortschrijdende ontwikkelingen en strengere eisen vanuit wet/regelgeving, is verlaagd mede gezien de gestelde eisen bij de huidige aanbesteding; (15) het berekende risico op rentestijgingen voor aan te trekken financiering is qua hoogte afgestemd/bijgesteld op het verwachte investeringsniveau (ca. € 38.000.000) over de meerjarige periode 2026-2029 (met financieringseffecten periode 2027-2030); (17) het risico van extra inzet van mensen en ICT-middelen welke betrekking hebben op aan VNOG gestelde eisen t.a.v.de informatie'huishouding' en -beveiliging, is nieuw opgenomen mede gezien de externe ontwikkelingen rondom de gevraagde vitaliteit van de organisatie.

Bij het opstellen en doorrekenen van de risico’s voor de benodigde weerstandscapaciteit is vooral gekeken naar belangrijke actuele (externe) ontwikkelingen zoals: − De prijsstijgingen in de afgelopen jaren en de dreiging van nog verdere stijgingen ervan. Dit geldt zowel voor exploitatiekosten zoals energie, brandstof, kleding en ICT-dienstverlening als voor de investeringsgoederen. − De mogelijke stijging van rente op de geld- en kapitaalmarkt die VNOG raakt vanwege (toekomstige) investeringen. Hierbij gaat het om de financiering van de te investeringen in de komende jaren waaronder m.n. de specialistische repressieve voertuigen bij Brandweerzorg; − De ambitie en noodzaak van verduurzaming die ook risico’s met zich brengt. Zo is onzeker of de levensduur van de accu’s van aan te schaffen elektrische voertuigen, toereikend is voor de hele (economische) levensduur van de auto’s. Dit brengt het risico met zich van extra kosten voor onderhoud bij tussentijdse vervanging. − De eisen die aan VNOG worden gesteld om als vitale organisatie te kunnen (blijven) opereren en een bijdrage te leveren aan een (meer) weerbare samenleving. Een aantal ontwikkelingen en besluiten vraagt het nodige van de VNOG-organisatie. Te denken valt hierbij aan de externe ontwikkelingen van (elkaar opvolgende) crises en ontwikkelingen o.a.

op het terrein van energietransitie, informatisering, PFAS-verontreiniging, PTSS, bezuinigingen op overheidsbijdragen (BDuR), toename van militaire dreiging en ontwikkelingen/eisen rond vitaliteit en weerbaarheid; intern gaat het om de (organisatorische) gevolgen van de vastgestelde beleidsplannen, de daarmee samenhangende inzet en te stellen (veranderende) eisen aan de organisatie zowel personeel als materieel.

Pagina 32 van 47

De risico’s in de navolgende tabel zullen zich nooit allemaal tegelijk voordoen. Per risico is de verwachte kans weergegeven en het daarvoor benodigde bedrag aan weerstandscapaciteit. Het berekende bedrag komt uit op: € 3.197.000. Gekwantificeerde risico's Nr. Risico's en oorzaken

Kans in % 70%

Effect in euro's bedrag 558.000

Weerstandscapaciteit 391.000

1

(On)voldoende bezetting /inzet en (extra) kosten werving vrijwilligers op kazernes door groter verloop/uitstroom en schaarste vrijwilligers.

2

Teveel (roostering) uren bestaande (repressieve) bezetting brandbestrijding (Arbeidstijden).

10%

50.000

5.000

3

Hogere prijzen; exploitatiekosten stijgen uit boven (verwachte) prijsindex. Wereldwijde ontwikkelingen w.o. gewijzigde verhoudingen tussen vraag en (schaarste van) aanbod, doen de prijzen van grondstoffen, materialen en dienstverlening (w.o. opleidingen) stijgen. Niet (tijdig) realiseren besparingen Toekomstvisie 2020 t.a.v. materiële kosten door vertraging vervanging - en/of wijzigingen inzichten vervanging materieel. Uitval materieel repressieve inzet incidentbestrijding door defect materieel en/of gebrek onderdelen voertuigen/brandweermiddelen. Extra prijsstijgingen aanschaf materieel. Extra prijsstijgingen nog aan te schaffen materiaal/materieel leiden tot hogere kapitaalslasten c.q. eerdere uitputting van de (gevormde) egalisatiereserve. Hogere kosten uitvoering elektrificatie voertuigen mobiliteitsplan. Extra kosten (onderhoud) bij doorvoeren elektrificatie , nog onzeker. Noodzakelijke (spoedeisende) aanpassingen aan gebouwen/ installaties (kazernes) gemeenten, voortvloeiende uit (onduidelijkheid over demarcatie) afspraken, (voortschrijdende) ontwikkelingen en (wettelijke) eisen (w.o. RI&E). Extra -/ vervroegde investeringen/kosten vervanging PFAS-houdende materialen/kleding. Vanuit voorschrijdende ontwikkelingen en wetgeving dienen PFAS houdende materialen (bluskleding/-laarzen), versneld te worden vervangen.

Digitale verstoring (hack systemen), verhinderen uitvoering taken bij crisis en alle ondersteunende/bedrijfsmatige activiteiten door uitval ICT systemen. Te hoge personele kosten (beroeps en vrijwilligers) door onjuiste gegevens, - berekeningen en ontoereikende kennis en controles. Inkopen voor te hoge bedragen en/of onjuiste uitvoering/voorwaarden (w.o. aanbestedingen) door onjuist inkoopproces en demarcatie problematiek. Onvoorziene kosten aanspraken van personeel na dienstongevallen door veranderingen in de verzekeringsmarkt en gewijzigde mogelijkheden van dekking. Stijging reële bijdrage aan NIPV door bijv. nieuwe taken.

70%

840.000

588.000

50%

38.000

19.000

30%

90.000

27.000

15 Stijging financieringskosten bij aantrekken leningen (vreemd vermogen), door stijging van het rentepercentage. 16 Beboeting en imagoschade door schending van de privacy (overtreding van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG)). Processen rond persoonsgerelateerde gegevens worden niet goed uitgevoerd, waardoor privacygevoelige gegvens op onjuiste plaatsen terecht kunnen komen. 17 Extra inzet mensen en ICT-middelen t.b.v. eisen informatie'huishouding' en -beveiliging (mede) door externe ontwikkelingen/eisen voor/aan VNOG. Totaal gekwantificeerde risico's

4

5 6

7 8

9

10

11 12

13

14

Pagina 33 van 47

50% 1.200.000

600.000

30%

500.000

150.000

50%

600.000

300.000

30%

900.000

270.000

30%

500.000

150.000

10%

450.000

45.000

10%

150.000

15.000

10%

300.000

30.000

10%

112.500

11.000

50%

832.500

416.000

10%

300.000

30.000

50%

300.000

150.000

3.197.000

Naast de gekwantificeerde risico’s zijn de volgende niet kwantificeerde risico’s geïnventariseerd en in onderstaand overzicht weergegeven. Niet kwantificeerde risico's Nr. Risico's en oorzaken

1

2 3

4 5

6

7

8

Kans in %

Effect in Weereuro's standsbedrag capaciteit

Hogere personele kosten (beloning/vergoeding) -w.o.relatieve aandeel VNOG- bij repressieve inzet van parttime brandweermensen (i.p.v. vrijwilligers). Uitkomst project Taakdifferentiatie: afschaffing consignatie en kazernering vrijwilligers; mogelijke alternatieven (parttime aanstellingen) duurder. Toename onderhoudskosten materieel voor repressieve inzet brandbestrijding door langer gebruik bestaand materieel. Onvoldoende financiële middelen voor (toekomstige) crises. Onverwachte situaties/crises (mogelijk) i.c.m. het onvoldoende beschikbaar stellen/hebben van financiële middelen bij (decentrale) overheden, kunnen leiden tot ontoereikende dekking van (structurele) kosten voor (bijv.) coördinatietaken door VNOG (zie ook risico hierna over 'Weerbaarheid' (nr. 8)) Verontreiniging grond/bodem kazernes en oefenpleinen door PFAS. Mogelijke kosten sanering PFAS grond-/bodemverontreiniging. Beperkingen bedrijfsvoering door stikstofregels. Stikstofregels beperken benodigde ontwikkelingen m.b.t. (ver-/nieuw)bouw en aanpassingen (oefen) terreinen. Posttraumatische stressstoornissen (PTSS) a.g.v. uitvoering van (repressieve) taken. Landelijk wordt (meer) aandacht gevraagd voor PTSS klachten bij uitvoering van (brandweer)taken bij Veiligheidsregio's. Organisatie van de brandweerzorg in Apeldoorn bij/na realisatie 1-post.

De roostering en het voldoende beschikbaar krijgen van (beroeps)medewerkers met de vereiste (brandweer)kwalificaties is (nog) een risico c.q. uitdaging, na realisatie van 1-post in Apeldoorn Weerbaarheid/vitaliteit: (nog) geen duidelijkheid over gestelde eisen/ beschikbare middelen. VNOG moet als vitaal verklaarde organisatie 'in posititie komen', daarnaast moet duidelijk worden welke (faciliterende) rol de organisatie krijgt bij het 'weerbaarheidsvraagstuk'.

De vervallen, gewijzigde en nieuw opgenomen niet gekwantificeerde risico’s zijn (zie verwijzing cijfer naar overeenkomende regel in voorgaand register): − (3) het in eerdere beleidsstukken benoemde risico van ontoereikende dekking van (structurele) kosten voor (bijv.) coördinatietaken door VNOG, is in de huidige beschrijving toegespitst op toekomstige crises en wordt onderscheiden van onderwerpen die betrekking hebben op weerbaarheid en vitaliteit (zie nr. 8); − (4) bij de actuele ontwikkelingen en informatie over lopende onderzoeken en dossiers over verontreiniging door PFAS en de mogelijke kosten van sanering blijft VNOG bij het standpunt dat het hier een VNOG overstijgende aangelegenheid betreft waarbij VNOG zelf geen aansprakelijkheid kan/behoeft (te) dragen voor financiële risico’s (om die reden is deze als ‘nietgekwantificeerd’ opgenomen); − (5) het risico van beperkingen door stikstofregels is separaat opgenomen en niet, zoals in de begroting 2026, samengevoegd met het PFAS risico; dit doet meer recht aan de eigen problematiek van beide onderwerpen;

Pagina 34 van 47

− −

(7) bij de realisatie van de nieuwe één-post in Apeldoorn wordt (opnieuw) bezien hoe de organisatie van de brandweerzorg vorm gegeven gaat worden, dit betreft zowel de roostering als het hebben van voldoende gekwalificeerde beroepsmedewerkers; (8) de uitdagingen voor VNOG om als vitale organisatie te opereren en mee te helpen aan een weerbare samenleving komen elders in deze kadernota uitgebreider aan de orde.

Een uitgebreider overzicht van de gekwantificeerde en niet-gekwantificeerde risico’s, waarin ook de oorzaken, beheersmaatregelen en - waar van toepassing - de getalsmatige onderbouwing is opgenomen, treft u aan in bijlage 5.

Pagina 35 van 47

10. Risico’s versus weerstandscapaciteit 10.1. Omvang huidige reserves De huidige omvang van de reserves is als volgt (zie ook bijlage 4): Reserves Algemene reserve *) Bedrijfvoeringsreserve *) Post onvoorzien

stand 1.135.114 4.440.119 250.000

af: saldo deel huisvesting in Bedrijfsvoeringsreserve bij: vastgestelde toevoegingen 2025 Bedrijfsvoeringreserve vastgelegde (toekomstige) mutaties Bedrijfsvoeringsreserve Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit Weerstandsratio:

weerstandscapaciteit ja 1.135.114 ja 4.440.119 ja 250.000 totaal 5.825.233 -62.784 407.345 -2.337.945 3.831.849 3.197.000 1,20

* Stand jaarrekening 2024

10.2. Beschikbare weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit bestaat conform de beleidsregels (zie hoofdstuk 8) uit de Algemene Reserve + de Bedrijfsvoeringsreserve + de post Onvoorzien en bedraagt momenteel: € 1.135.114 + € 2.446.735 + € 250.000 = € 3.831.849 Bij de gegeven stand van de bedrijfsvoeringsreserve zijn het saldo en de verwachte mutaties die betrekking hebben op huisvestingkosten, buiten beschouwing gelaten, omdat verwacht wordt dat deze stortingen en onttrekkingen budgettair neutraal verlopen. Verder is rekening gehouden met de toevoegingen en beoogde (toekomstige) onttrekkingen zoals, tot op heden, bestuurlijk besloten. De benodigde weerstandscapaciteit (zie hoofdstuk 9) bedraagt minimaal € 3.197.000. De huidige weerstandsratio komt daarmee uit op 1,20. Dit betekent dat VNOG momenteel een toereikende weerstandscapaciteit heeft, deze zit namelijk in het midden van de bandbreedte. 10.3. Conclusies De streefwaarde van de weerstandsratio is bepaald op een bandbreedte tussen 1,0 (“matig”) tot 1,4 (“voldoende”). De huidige ratio (van 1,20) kan als toereikend worden aangemerkt. Uitvoering van het voorgenomen beleid van onttrekkingen uit en toevoegingen aan de Bedrijfsvoeringreserve kan in enig jaar leiden tot een ratio die op of lager uitkomt dan de het vereiste minimum van 1.

Per jaar zal moeten worden bezien of aanvulling nodig is, dit zou dan bijvoorbeeld kunnen uit een toekomstig jaarrekeningresultaat.

Pagina 36 van 47

11. Financieel meerjarenperspectief 2027-2030 Onderstaande meerjarenbegroting bevat de cijfers uit de vastgestelde primitieve meerjarenbegroting 2026. In de tabel daaronder staan de mutaties op deze meerjarenbegroting vanuit de voorliggende Kadernota. Voor de jaren 2028 en verder is zoals gebruikelijk nog geen loon- en prijscompensatie berekend (wel de structurele doorwerking van 2027).

Pagina 37 van 47

Bijlage 1. Gemeentelijke bijdragen 2027 De bijdrage voor de VNOG wordt bij de gemeenten in rekening gebracht met als verdeelsleutel de procentuele verdeling tussen de gemeenten uit het verdeelmodel. Het verdeelmodel is op zijn beurt gebaseerd op de verhouding per gemeente van het in de algemene uitkering van het gemeentefonds opgenomen bedrag voor het cluster openbare orde en veiligheid/subcluster crisisbeheersing en brandweer. Het verdeelmodel is ingegaan per 2017 en heeft een ingroeipad gekend. Per 2021 is het verdeelmodel volledig van kracht. Verder is het verdeelmodel per 2021, conform de gemeenschappelijke regeling VNOG, nog herijkt. Volgens de gemeenschappelijke regeling VNOG vindt een dergelijke herijking éénmaal per vier jaar plaats. Een nieuwe herijking is daarom per 2025 doorgevoerd. De percentages per 2025 gelden voor vier jaren. In 2028 vindt weer een herijking plaats, zodat per 2029 het dan weer herijkte model van kracht kan worden. De bijdrage voor 2027 is gebaseerd op de prognose bijdrage 2026 conform de programmabegroting 2026 - 2029 met daarbij opgeteld het effect van de Kadernota 2027.

Prognose meerjarenbegroting Gemeente 2026-2029 (jaarschijf 2027) Aalten 1.924.501 Apeldoorn 12.766.092 Berkelland 3.128.427 Bronckhorst 2.724.312 Brummen 1.520.745 Doetinchem 4.206.100 Elburg 1.635.626 Epe 2.426.263 Ermelo 2.043.463 Harderwijk 3.496.778 Hattem 843.761 Heerde 1.262.775 Lochem 2.754.644 Montferland 2.645.733 Nunspeet 1.987.320 Oldebroek 1.619.019 Oost Gelre 2.118.785 Oude IJsselstreek 2.615.345 Putten 1.764.016 Voorst 1.721.423 Winterswijk 2.081.191 Zutphen 3.754.001 Totaal 61.040.320

Percentage conform verdeelmodel

Kadernota 2027 (afgerond)

Voorgestelde bijdrage 2027 (afgerond)

3,15% 20,91% 5,13% 4,46% 2,49% 6,89% 2,68% 3,97% 3,35% 5,73% 1,38% 2,07% 4,51% 4,33% 3,26% 2,65% 3,47% 4,28% 2,89% 2,82% 3,41% 6,15% 100%

84.750 562.220 137.780 119.980 66.970 185.240 72.030 106.850 89.990 154.000 37.160 55.610 121.310 116.520 87.520 71.300 93.310 115.180 77.690 75.810 91.650 165.320 2.688.200

2.009.250 13.328.310 3.266.210 2.844.290 1.587.720 4.391.340 1.707.660 2.533.110 2.133.450 3.650.780 880.920 1.318.390 2.875.950 2.762.250 2.074.840 1.690.320 2.212.100 2.730.530 1.841.710 1.797.230 2.172.840 3.919.320 63.728.520

Pagina 38 van 47

Bijlage 2. Programma 8 Het programma 8 ‘Kazernes en overgangsrecht (individuele gemeenten)’ wordt één op één met alleen de betrokken gemeenten verrekend. De volgende onderwerpen worden individueel verrekend: − Het onderdeel ‘facilitaire kosten’ van de demarcatie kazernes met elk van de 22 gemeenten afzonderlijk, conform de Regeling demarcatie9; − De kosten die voortvloeien uit de aanvullende overeenkomst in het verlengde van de Regeling Demarcatie die met gemeente Apeldoorn is afgesloten omtrent het beheer van de kazernes van Apeldoorn; − De kosten van de kazerne Doetinchem die tijdelijk in bezit is van VNOG en op termijn weer overgaat naar gemeente Doetinchem. De kosten worden met gemeente Doetinchem verrekend; − De afwikkeling van de financiële gevolgen van het FLO overgangsrecht met de gemeente Apeldoorn. Verschillen tussen de in rekening gebrachte voorschotten en de uiteindelijke kosten blijken bij de jaarrekening en worden dan met de desbetreffende gemeente verrekend. Op dit moment zijn de exacte voorschotbedragen voor 2027 voor programma 8 nog niet bekend. Een indicatie van de bedragen is te vinden in de programmabegroting 2026, waarin de bedragen voor 2026 staan. De bedragen voor 2027 worden komende tijd berekend en zullen in ieder geval voorliggen in de ontwerpbegroting 2027.

De demarcatie geeft aan welke partij (gemeente of VNOG) welke facilitaire en onderhoudstaken uitvoert (en bekostigt) in de kazernes, die in eigendom zijn (en blijven) van de gemeenten. De exacte demarcatie-afspraken staan in de Regeling demarcatie die door de 22 colleges en het AB is bekrachtigd. Bepaalde taken liggen bij VNOG; gemeenten hoeven ze niet meer uit te voeren en hebben ze geschrapt uit hun begroting. De bijdrage aan VNOG is per 2023 omhoog gegaan, zodat VNOG deze overgedragen taken kan bekostigen. Dit gaat via twee stromen: − Een deel wordt bij de 22 gemeenten gezamenlijk in rekening gebracht via het reguliere verdeelmodel en staat in programma 6 (Bedrijfsvoering). − Een ander deel (de facilitaire kosten) zou vier jaar (2023 t/m 2026) per individuele gemeente worden afgerekend, waarbij de eindafrekening plaats vindt op basis van de werkelijke kosten. Dit is opgenomen in programma 8, dat gebruikt wordt voor individuele verrekeningen met gemeenten die geen effect hebben op de andere gemeenten. Het was de bedoeling dat vanaf 2027 ook deze kosten zouden worden verrekend via het verdeelmodel, maar in deze Kadernota wordt voorgesteld dit uit te stellen, zie toelichting in hoofdstuk 3. 9

Pagina 39 van 47

Bijlage 3. Meerjarig perspectief gemeentelijke bijdragen Hieronder staat het meerjarig perspectief (meerjarige cijferreeks) van de gemeentelijke bijdragen voor de periode 2028 - 2030. Deze reeks is nog exclusief: - Loon- en prijsindexering voor 2028 en verder (de meerjarenbegroting van VNOG is opgesteld in constante prijzen) - Demarcatiekosten / facilitaire bijdrage, etc. uit programma 8 Het meerjarig perspectief geeft dus een indicatie van de gemeentelijke bijdrage in komende jaren, maar kan door bovenstaande onderwerpen nog beïnvloed worden. Meerjarige ontwikkeling gemeentelijke bijdragen op basis van Kadernota 2027 - 2030 (afgerond) Gemeente Aalten Apeldoorn Berkelland Bronckhorst Brummen Doetinchem Elburg Epe Ermelo Harderwijk Hattem Heerde Lochem Montferland Nunspeet Oldebroek Oost Gelre Oude IJsselstreek Putten Voorst Winterswijk Zutphen Totaal

Percentage 3,15% 20,91% 5,13% 4,46% 2,49% 6,89% 2,68% 3,97% 3,35% 5,73% 1,38% 2,07% 4,51% 4,33% 3,26% 2,65% 3,47% 4,28% 2,89% 2,82% 3,41% 6,15% 100%

2028 2.057.770 13.650.310 3.345.120 2.912.980 1.626.090 4.497.430 1.748.920 2.594.340 2.184.980 3.738.950 902.200 1.350.270 2.945.420 2.828.980 2.125.000 1.731.170 2.265.520 2.796.480 1.886.180 1.840.630 2.225.320 4.013.990 65.268.120

Pagina 40 van 47

2029 2.058.400 13.654.490 3.346.150 2.913.870 1.626.590 4.498.810 1.749.460 2.595.140 2.185.650 3.740.100 902.480 1.350.680 2.946.320 2.829.850 2.125.650 1.731.700 2.266.220 2.797.330 1.886.760 1.841.190 2.226.000 4.015.220 65.288.120

2030 2.074.168 13.759.059 3.371.773 2.936.190 1.639.045 4.533.262 1.762.858 2.615.012 2.202.389 3.768.738 909.389 1.361.025 2.968.886 2.851.520 2.141.930 1.744.964 2.283.571 2.818.758 1.901.211 1.855.291 2.243.046 4.045.969 65.788.120

Bijlage 4. Overzicht reserves en voorzieningen Overzicht reserves en voorzieningen

Het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening 2024

+ of -/- 2025 conform begroting en wijzigingen

Stand jaarrekening 2024 -1.792.945

Geraamde stand begroting 2026 (1-1)

1.792.945

Geraamde stand begroting 2027 (1-1)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16419041/1