CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(133) Toelichting en regels

Besluitvormende raadsvergadering 21 december 2023, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplanVoorstondensestraat 7a, Hall19.104 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

30

Voorstondensestraat 7a, Hall

  

in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:  als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;  als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Onderhavig plan maakt het mogelijk om 22 recreatiewoningen te realiseren alsmede een uitbreiding van de paardenhouderij met 10 paarden en een rijhal. Er is geen sprake van een activiteit die genoemd is in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er is geen aanleiding om een m.e.r., vormvrije m.e.r. of m.e.r.-beoordeling te doen. Het plan kan niet worden gezien als een activiteit van categorie D.10 onder c (vakantiedorp met een oppervlakte van 10 ha of meer in gevoelig gebied). Ook betreft het geen landinrichtingsproject (categorie D.9).

Er is geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Voorstondensestraat 7a, Hall

31

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid waterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen.

Daarnaast heeft het waterschap de Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. In de Het Algemene beleidsregels (3e wijziging, 2017) bij de Keur 2013 wordt ten doel gesteld dat een uitbreiding van het verhard oppervlak in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal moet plaatsvinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van beleid bovengenoemd beleid de volgende uitgangspunten:  Hemelwater wordt op basis van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse vastgehouden. Wanneer lozen in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is kan geloosd worden op oppervlaktewater. Lozen op de riolering is in principe niet toegestaan;  Afvalwater niet zijnde 'schoon' hemelwater aansluiten op het riool;  Houdt bij het ontwerp rekening met de gemiddelde hoogste grondwaterstand;  De ontwikkeling dient in de gebruiksfase grondwaterneutraal te zijn. Structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan;  Geen uitlogende materialen gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water; Er is sprake van een vrijstelling van het compenseren van de toename van verhard oppervlak als de toename minder is dan 1.500 m² in stedelijk gebied.

In landelijk gebied geldt deze vrijstelling ook, tenzij de afvoer niet plaatsvindt in een oppervlaktelichaam met de aanduiding 'water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water' op de natuurkaart behorende bij de Algemene Regels van de Keur. Dan is er sprake van een vrijstelling bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 4.000 m². Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

32

Voorstondensestraat 7a, Hall

Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe. In het vervolg van voorliggende paragraaf komen de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten aan bod. Verhard oppervlak Voorliggend initiatief voorziet in een aanzienlijke afname van verhard oppervlak. In de bestaande situatie is een groot deel van de locatie verhard (nertsenverblijven, ontsluiting, erfverharding). Het totale verhard oppervlak in de bestaande situatie bedraagt ca 16.000 m². In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af tot ca 7.500 m². Op grond van het beleid van het waterschap is het daarom niet verplicht om compenserende maatregelen te treffen. Overtollig hemelwater zal in de toekomstige situatie via de onverharde buitenruimtes worden geïnfiltreerd in de bodem. De bodemsamenstelling (zand) maakt dit goed mogelijk. Watergangen Aan de noordkant van het plangebied, ter hoogte van de perceelsgrens, ligt een C-watergang. Voorliggend initiatief voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen binnen dit deel van het plangebied. Het plan heeft geen invloed op de C-watergang. Overige waterhuishoudkundige aspecten Tijdens de bouw zullen geen uitloogbare materialen worden gebruikt. Watertoets Waterschap Vallei en Veluwe is via de digitale watertoets op de hoogte gebracht van voorliggend initiatief, zie bijlage 5.

Het waterschap heeft aangegeven dat de normale procedure van toepassing is. Dit heeft te maken met de aanwezige watergang aan de noordzijde van het plangebied. Dit is echter een C-watergang. De planontwikkeling heeft geen invloed op deze watergang. De conclusie is dat het plan geen waterhuishoudkundige belangen raakt. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

4.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien

Voorstondensestraat 7a, Hall

33

van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Voor het initiatief is een Quickscan Wet natuurbescherming, zie bijlage 6. De belangrijkste conclusies zijn opgenomen in voorliggende paragraaf. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied 'Landgoed Brummen' ligt op ca. 1,1 km ten oosten van het plangebied. De Veluwe ligt op een afstand van ca. 3,8km. Gelet op de aard van het plan in relatie tot de ruime afstand kunnen negatieve effecten ten aanzien van geluid, trilling en lichthinder op voorhand worden uitgesloten. Om het effect van stikstof te kunnen beoordelen is een Voortoets stikstofdepositie opgesteld, zie bijlage 7.

Uit de Aeriusberekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000gebieden zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is niet nodig voor dit project. Soortenbescherming Uit het Quickscan blijkt dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten die niet beschermd zijn en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart - 15 juli). Bij het uitvoeren van de beoogde werkzaamheden zal ten alle tijden de algemene zorgplicht in acht moeten worden genomen. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.

4.4

Verkeer

De voormalige nertsenhouderij wordt herontwikkeld tot verblijfsrecreatiepark met maximaal 22 verblijfsaccommodaties. De bestaande paardenhouderij wordt beperkt uitgebreid met een nieuwe paardenhal en het aantal paarden op locatie neemt toe van 10 nu naar maximaal 25 paarden. Verkeersaantrekkende werking Voor de bestaande situatie is gebruik gemaakt van gegevens die door de eigenaar op basis van de praktijkervaring zijn aangeleverd. Voor de nertsenhouderij ging het om:  Voer: 365 dagen per jaar, met een 38-tonner;  Mest: 80 keer per jaar, met een 38 tonner;  Destructie: 2 maal per week, gedurende 8 maanden per jaar;  Stro/houtkrullen: elke kwartaal, 25 ton per keer;  Vervoer levende have: september t/m februari, 2 keer per week, 15-20 tonner;  Afvoer gepelste vellen: 1 november- 1 april, 2 keer per week 8 tonner.

34

Voorstondensestraat 7a, Hall

Voor de paardenhouderij gaat het om:  Voer: 1 maal per 2 maanden: enkelasser;  Hooi: 1 maal per jaar: trekker met aanhanger;  Krullen: max 3 maal per jaar: enkelasser;  Vervoer paarden: max 6 maal per maand (vanwege in/verkoop en rijden wedstrijden);  Bezoekers: incidenteel. Voor de toekomstige situatie wordt voor de paardenhouderij aangenomen dat de nieuwe paardenhal en het maximaal aantal van 25 paarden geen noemenswaardig effect heeft op de voorgaande verkeersbewegingen. De verkeersaantrekkende werking van de 22 verblijfsaccommodaties is gebaseerd op de verkeerscijfers van het CROW, publicatie 381. Per accommodatie komt het aantal verkeersbewegingen per dag uit op een theoretisch aantal van 2,8 verkeersbewegingen. Dit komt neer op afgerond 62 verkeersbewegingen per dag. Hoewel er door het verblijfsrecreatiepark een toename ontstaat van het aantal dagelijkse verkeersbewegingen heeft het plan een positief effect op de verkeerssituatie ter plaatse. De aan de nertsenhouderij verbonden verkeersbewegingen bestaan zonder uitzondering uit bedrijfsvoertuigen en zwaar vrachtverkeer. Door het verdwijnen van de zware transportbewegingen en de bijbehorende geluidsoverlast verbetert het woon- en leefklimaat van omwonenden. De verkeersbewegingen van het verblijfsrecreatiepark bestaan alleen uit personenvoertuigen.

De Voorstondensestraat en aanliggende wegen hebben voldoende capaciteit om dit extra verkeersaanbod te verwerken. Ontsluiting Het plangebied wordt via meerdere toegangen ontsloten op de Voorstondensestraat. De bestaande toegang aan de noordkant blijft behouden en voorziet in de ontsluiting van de paardenstal en paardenhal. Ook de woning behoudt een eigen inrit. Voor het verblijfsrecreatiepark wordt er grenzend aan de Slatweg een nieuwe ontsluiting gerealiseerd. Op deze wijze blijft het recreatieverkeer gescheiden van het verkeer als gevolg van de paardenhouderij. De huidige paardenbak wordt enkele meters verplaatst in westelijke richting. Deze nieuwe ontsluiting en de bestaande ontsluiting aan de noordkant van het plangebied worden met elkaar verbonden door de nieuwe verharde parkeerweg. Deze weg wordt aangelegd over de gehele lengte van het plangebied en vormt tevens de grens tussen de paardenhouderij en het toekomstige verblijfsrecreatiepark. Wel kan er, in geval van calamiteiten, gebruik worden gemaakt van een doorgang ten westen van de paardenstal. Parkeren In het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' van de gemeente Brummen is aangegeven dat voor de parkeernormen moet worden aangesloten bij de actuele gemiddelde parkeercijfers van het CROW. Voor de verblijfsaccommodaties is een norm van gemiddeld 2,1 parkeerplaatsen per huisje opgenomen.

Voor de paardenhouderij geldt een gemiddelde norm van 0,4 parkeerplaats per box. Voor de paardenhouderij wordt dit akkoord bevonden (totaal 8 parkeerplaatsen). De CROW-parkeernorm voor verblijfsaccommodatie wordt in dit geval als (te) hoog gezien. De verwachting is niet dat per huisje nodig zijn, ook niet omdat er gebruik wordt gemaakt van een gezamenlijk parkeerterrein. In overleg met de gemeente is ervoor gekozen om de parkeernorm voor de recreatiewoningen te verlagen naar 1,3 pp/huisje (samengesteld uit 1 pp/huisje en 0,3 voor bezoekersparkeren). De totale parkeerbehoefte voor het verblijfsrecreatieterrein komt daarmee uit op 29 parkeerplaatsen. Binnen eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om aan deze parkeerbehoefte te voldoen. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is de parkeernorm opgenomen. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

Voorstondensestraat 7a, Hall

35

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een gebied dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt bescherming geniet. Er zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding. Archeologie Voor het initiatief is een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het rapport hiervan is opgenomen in bijlage 8. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat een groot deel van het plangebied een lage verwachting heeft op het aantreffen van archeologische resten of sporen. Een uitzondering is het zuidwestelijke deel van het plangebied. Hier geldt een hoge verwachting op resten uit de periodes vanaf het Neolithicum.

Uit deze periodes kunnen in de zuidwesthoek van het plangebied diepere grondsporen vanaf een diepte van circa 45 cm -Mv aangetroffen worden. Geadviseerd wordt om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren indien bodemingrepen dieper dan 25 cm -mv (top archeologisch niveau +20 cm buffer) plaats zullen vinden. Dit kan in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, doordat er voornamelijk diepere grondsporen en resten verwacht worden. Hiervoor dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente Brummen).

36

Voorstondensestraat 7a, Hall

4.6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Voorstondensestraat 7a, Hall

37

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.  Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;  Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.  Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.  Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2

Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:  Recreatie - Verblijfsrecreatie: binnen het bestemmingsvlak zijn in totaal 22 verblijfsaccommodaties toegestaan, met inachtneming van de bouwregels over oppervlakte, goot- en bouwhoogte. De activiteiten die behoren bij de paardenhouderij zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'. Daarbinnen is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de gebouwen van de paardenhouderij (stal- en hal) en de bedrijfswoning zijn toegestaan. Het maximum bebouwd oppervlak ten behoeve van de paardenhouderij (excl. de bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen) is in de regels opgenomen. De landschappelijke inpassing van het plan is geborgd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting.  'Waarde - Archeologie': deze bestemming is opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden in de bodem (lage en middelmatige verwachting).  In artikel 9 is een parkeerregeling opgenomen. Deze is gebaseerd op de regeling uit het Paraplubestemmingsplan Parkeren, maar op maat gemaakt voor onderhavig plan. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

38

Voorstondensestraat 7a, Hall

Hoofdstuk 6 6.1

Procedure

Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.

Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Voorliggend initiatief wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg opgestuurd naar de relevante instanties. Het waterschap Vallei en Veluwe is via de digitale watertoets op de hoogte gesteld van het plan.

6.3

Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

De initiatiefnemer heeft op 18 november 2022 zijn plannen gepresenteerd aan omwonenden. De reacties waren zonder meer positief. Men is blij met de ontwikkeling van recreatiewoningen en de beëindiging van de nertsenfarm. In bijlage 9 is een verslag van de informatieavond opgenomen.

6.4

Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 14 juni 2023 voor de duur van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er is tijdens deze termijn één zienswijze binnengekomen. In de nota van beantwoording van zienswijzen (opgenomen in bijlage 10) is deze samengevat en van antwoord voorzien. Naar aanleiding van de zienswijze is het plan op enkele punten aangepast. Dit is aangegeven in bijlage 10.

Voorstondensestraat 7a, Hall

39

40

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlagen bij de toelichting

Voorstondensestraat 7a, Hall

41

42

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 1

Planconcept Voorstondensestraat 17a Hall

Voorstondensestraat 7a, Hall

43

44

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 2

Landschappelijke onderbouwing

Voorstondensestraat 7a, Hall

45

46

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

Voorstondensestraat 7a, Hall

47

48

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 4

Herbemonstering grondwater

Voorstondensestraat 7a, Hall

49

50

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 5

Watertoets

Voorstondensestraat 7a, Hall

51

52

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 6

Quickscan Wet natuurbescherming

Voorstondensestraat 7a, Hall

53

54

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 7

Voortoets stikstofdepositie

Voorstondensestraat 7a, Hall

55

56

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 8

Archeologisch onderzoek

Voorstondensestraat 7a, Hall

57

58

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 9

Verslag informatieavond 18 november 2022

Voorstondensestraat 7a, Hall

59

60

Voorstondensestraat 7a, Hall

Bijlage 10

Nota van beantwoording zienswijzen

Voorstondensestraat 7a, Hall

61

62

Voorstondensestraat 7a, Hall

Regels

Voorstondensestraat 7a, Hall

63

64

Voorstondensestraat 7a, Hall

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Voorstondensestraat 7a, Hall met identificatienummer NL.IMRO.0213.BPBG700095va01 van de gemeente Brummen; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen; 1.3 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke/zelfstandige ruimte aan het hoofdgebouw is gebouwd en die ruimtelijk (door zijn constructie en afmetingen) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aan huis gebonden bedrijf bedrijfsmatige activiteit voorkomend in milieucategorie 1 of 2, dan wel een naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een kapsalon of schoonheidssalon; evenwel met uitzondering van een seksinrichting; 1.7 aan-huis-gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling of uitwerking heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is, zoals arts, notaris of advocaat;

evenwel met uitzondering van prostitutie; 1.8 afwijken van de bouwregels en/of van de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.9 archeologisch deskundige de regio-archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. 1.10 archeologisch onderzoek het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.11 archeologische waarde de aan een gebied toegekende bekende of te verwachten waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten;

Voorstondensestraat 7a, Hall

65

1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.13 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.14 bedrijfswoning een (gedeelte van een) gebouw, noodzakelijk voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, belast met het beheer van en/of toezicht op het krachten deze regels toegelaten (agrarisch) bedrijf of instelling; 1.15 bedrijfsmatige exploitatie het door middel van één beheer- of verhuurorganisatie beheren of exploiteren van recreatiewoningen en andere bouwwerken voor recreatief nachtverblijf, waarbij voor recreatiewoningen en andere bouwwerken voor recreatief nachtverblijf geldt dat daar permanent wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.

1.16 bestaand  bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;  bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.17 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.18 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.19 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.20 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.21 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct, indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt op of in de grond; 1.23 diepploegen het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik;

66

Voorstondensestraat 7a, Hall

1.24 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk (met 2 of meer wanden) omsloten ruimte vormt; 1.25 hobbymatige basis houden van dieren het houden van dieren die niet voor productie of economisch gewin worden gehouden, maar voor educatieve of recreatieve doeleinden of uit liefhebberij; 1.26 hoofdgebouw een gebouw dat ruimtelijk (door zijn constructie en afmetingen) en functioneel (gelet op de bestemming) als belangrijkste gebouw op een bouwperceel valt aan te merken; 1.27 huishouden zelfstandige bewoning door een gezin of een andere, minder traditionele woonvorm, waarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning, van continuïteit in de samenstelling van de groep en van een zekere mate van onderlinge verbondenheid; 1.28 kap een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65° niet zijnde een lessenaarsdak, bedoeld om een gebouw aan de bovenzijde af te dekken; 1.29 luifel een (horizontaal) dak, dat aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daar tegenoverliggende zijde vrij dragend is.

Wanneer een luifel wordt ondersteund door één of meerdere kolommen is er sprake van een overkapping; 1.30 landschapswaarde de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van levende en niet-levende natuur; 1.31 lessenaarsdak een asymmetrische dakvorm met één hellend dakvlak over (nagenoeg) de volledige breedte of diepte van een gebouw; 1.32 manege een gebruiksgericht, dienstverlenende paarden- en ponyhouderij, waarbij het doel is het geven van gelegenheid om met paarden en/of pony's binnen en/of buiten het betreffende perceel te rijden en het daaruit genereren van inkomsten; 1.33 ondergronds bouwwerk (een gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen beneden peil; 1.34 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak. Dakoverstekken, in geval deze verbonden zijn met het dak van een overkapping, dienen als onderdeel van de overkapping te worden gezien. 1.35 paardenbak buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactviteiten, voorzien van een zandbed, al dan niet in combinatie met een andere ondergrond en al dan niet voorzien van een omheining;

Voorstondensestraat 7a, Hall

67

1.36 paardenhouderij paardenhouderij met als doel het bedrijfsmatig stallen, trainen, africhten en in- en verkopen van paarden op het perceel met aanverwante dienstverlenende activiteiten, zoals privé- en groepslessen en het organiseren van rijtochten in de omgeving; 1.37 paddock afgeperkte ruimte voor paarden; 1.38 parkeervoorzieningen elke al dan niet overdekte stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer; 1.39 peil de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld op moment van ter visieleggen van het plan; 1.40 perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling; 1.41 recreatiewoning een permanent aanwezig gebouw, geen sta-caravan zijnde, bestemd om uit-sluitend door een huis-hou-den of daar-mee gelijk te stel-len groep van perso-nen, dat het hoofd-verblijf elders heeft, voor recreatieve doeleinden bewoond te worden. Hieronder worden tevens aangemerkt een chalet en een vakantie-huisje. Permanente bewoning van de recreatiewoning, chalet of vakantiehuisje is niet toegestaan; 1.42 seksinrichting een voor publiek toegankelijk, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoning van erotische-pornografische aard plaatsvindt.

Hieronder wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.43 uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte aan een hoofdgebouw is gebouwd en dat ruimtelijk (door zijn constructie en afmetingen) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.44 voorgevel De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel van een hoofdgebouw, gekeerd naar de weg of het openbaar gebied; 1.45 voorgevellijn de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 1.46 wonen het woonachtig zijn in een hoofdverblijf; 1.47 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden;

68

Voorstondensestraat 7a, Hall

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 Goothoogte van een bouwwerk De goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden wolfseinden en dakkapellen buiten beschouwing gelaten, behoudens dakkapellen waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel; 2.3 Inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 Oppervlakte van een bouwwerk a. voor gebouwen: tussen buitenwerkse gevelvlakken en/of hart van de scheidingsmuren en/of het overkapte gedeelte, neerwaarts geprojecteerd tot op peil; b.

bouwwerken zonder wanden of met één wand (open overkappingen of daarmee vergelijkbare bouwwerken geen gebouwen zijnde): de bebouwde grondoppervlakte gemeten tussen de buitenzijden (randen) van daken verticaal c.q. loodrecht op de grond geprojecteerd. 2.5 Uitzondering bij wijze van meten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits bouwonderdelen niet meer dan 1,5 meter buiten gevels en daken uitsteken.

Voorstondensestraat 7a, Hall

69

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels Recreatie - Verblijfsrecreatie

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van bedrijfsmatige exploitatie van een verblijfsrecreatiepark met in totaal maximaal 22 recreatiewoningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' een paardenhouderij met bijbehorende voorzieningen waaronder een paardenstal met maximaal 20 paardenboxen, paardenhal en een paardenbak; c. één bedrijfswoning; d. het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf; e. het op hobbymatige basis houden van dieren; met de daarbij horende: f. gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde; g. tuinen en erven; h. groenvoorzieningen; i. sport- en speelvoorzieningen, waarbij speeltoestellen uitsluitend functioneren met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; k. wegen en paden; l. parkeervoorzieningen. 3.2 Bouwregels Voor het bouwen van gebouwen en andere bouwwerken gelden de volgende regels: 3.2.1 Recreatiewoningen a. recreatiewoningen zijn uitsluitend toegestaan binnen de maatvoeringsaanduiding 'aantal', waarbij het opgenomen maximum aantal recreatiewoningen niet mag worden overschreden; b. de volgende bouwregels dienen in acht dienen te worden genomen: 1. de oppervlakte van een recreatiewoning bedraagt maximaal 85 m²; 2.

de goothoogte van een recreatiewoning bedraagt maximaal 3 m; 3. de bouwhoogte van een recreatiewoning bedraagt maximaal 6 m; 4. de recreatiewoningen dienen te worden afgewerkt met een kap; 5. in aanvulling op het bepaalde onder a is bij een recreatiewoning een aangebouwde overkapping toegestaan met een maximum oppervlak van 50 m²; deze mag aansluiten bij de hoogte van het dak van de recreatiewoning. 3.2.2 Paardenhouderij a. gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de paardenhouderij zijn enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij', waarbij de volgende bouwregels in acht dienen te worden genomen: 1. de gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; 2. de goothoogte van de bedrijfsgebouwen, niet zijnde de bedrijfswoning of daarbij horende bijgebouwen, bedraagt maximaal 6 meter;. 3. de bouwhoogte van de gebouwen, niet zijnde de bedrijfswoning of daarbij horende bijgebouwen, bedraagt maximaal 10 meter;

70

Voorstondensestraat 7a, Hall

4. 5.

de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen, met uitzondering van de bedrijfswoning en daarbij horende bijgebouwen, bedraagt maximaal 2.700 m²; er is één paardenbak toegelaten met een maximale afmeting van 20 x 60 meter.

3.2.3 Bedrijfswoning met bijgebouwen a. binnen de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' is uitsluitend binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak één bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen toegestaan, ; b. de oppervlakte van de bedrijfswoning is maximaal 150 m²; c. de goothoogte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 3 meter; d. de bouwhoogte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 9 meter; e. de oppervlakte van bij de bedrijfswoning behorende bijgebouwen bedraagt maximaal 75 m²; f. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3 meter; g. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 6 meter. 3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte voor de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 meter; b. de bouwhoogte vlaggenmasten bedraagt maximaal 6 meter; c. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 meter; d. de bouwhoogte van sport- en spelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; e. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen bedraagt maximaal 30 m², uitgezonderd het bepaalde in lid 3.2.1 onder 5; f. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt maximaal 3 meter, uitgezonderd het bepaalde in lid 3.2.1 onder 5; g.

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 meter. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend: a. het permanent bewonen of laten bewonen van een recreatiewoning; b. het gebruik als manege; c. het gebruik van gebouwen voor prostitutie en/of een seksinrichting. 3.3.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a Voorwaarde landschappelijke inpassing Het gebruik van de recreatiewoningen is slechts toegestaan onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het voltooien van de eerste recreatiewoning de landschappelijke maatregelen overeenkomstig het in bijlage 1 opgenomen beplantingsplan zijn uitgevoerd. De landschappelijke inpassing dient na realisatie in stand te worden gehouden. b Afwijken landschappelijke inpassing Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3.2 onder a voor een langere termijn en / of een ander gelijkwaardig beplantingsplan, als daartoe een gemotiveerd verzoek wordt ingediend en het doel van de landschappelijke inpassing nog steeds wordt bereikt. 3.3.3 Voorwaardelijke verplichting sloop Een omgevingsvergunning voor het bouwen van de recreatiewoningen kan pas worden afgegeven als alle voormalige nertsenverblijven en de mestsilo geheel zijn gesloopt.

Voorstondensestraat 7a, Hall

71

Artikel 4

Waarde - Archeologie middelmatig

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie middelmatig' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voorrangsbepaling In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie middelmatig" voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 4.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 4.2.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 4.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. 4.2.2 Het in lid 4.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de bouwactiviteiten betrekking hebben op/; a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 1.000 m2; of c. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.

4.2.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld. 4.2.4 Bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 4.2.3 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorschriften. 4.2.5 In de situatie als bedoeld in artikel 4.2.4, onderdeel b, kan bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

72

Voorstondensestraat 7a, Hall

4.2.6 Indien het bepaalde in artikel 4.2.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 4.2.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 4.2.4, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 4.2.5, is het bepaalde in artikel 4.2.1 aanhef voor wat betreft de diepte van de bodemingrepen en het bepaalde in artikel 4.2.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 4.2.4, 4.2.5 en 4.2.6 is van overeenkomstige toepassing. 4.2.8 a. Het bepaalde in 4.2.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b. In een situatie als bedoeld onder a kan bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 4.2.5.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 4.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo, van het bevoegde gezag (aanlegactiviteit) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a. afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm; b. het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; c. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; d. verlagen of verhogen van het waterpeil; e. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen. 4.3.2 Het in lid 4.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 4.2 van toepassing is; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 1.000 m2; c. reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; d. worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e.

worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of g. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 4.3.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

Voorstondensestraat 7a, Hall

73

4.3.4 Bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 4.3.3 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden voorschriften. 4.3.5 In de situatie als bedoeld in artikel 4.3.4, onderdeel b, kan bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 4.3.6 Indien het bepaalde in artikel 4.3.5 , onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

4.3.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 4.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 4.3.5, is het bepaalde in artikel 4.3.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 4.3.4, 4.3.5 en 4.3.6 is van overeenkomstige toepassing. 4.3.8 a. Het bepaalde in 4.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b. In een situatie als bedoeld onder a kan bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 4.3.5. 4.4 Wijzigingsbevoegdheid 4.4.1 Bevoegd gezag is bevoegd de voor 'Waarde - Archeologie middelmatig' aangewezen gronden geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien: a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b.

het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. 4.4.2 Bij een besluit als bedoeld in artikel 4.4.1 geeft bevoegd gezag de grenzen aan waarvoor de gehele of gedeeltelijke verwijdering geldt.

74

Voorstondensestraat 7a, Hall

Artikel 5

Waarde - Archeologie laag

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voorrangsbepaling In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie laag" voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 5.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 5.2.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 5.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. 5.2.2 Het bepaalde in 5.2.1 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2; of c. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.

5.2.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld. 5.2.4 Bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 5.2.3 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorschriften. 5.2.5 In de situatie als bedoeld in artikel 5.2.4, onderdeel b, kan bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.2.6 Indien het bepaalde in artikel 5.2.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

Voorstondensestraat 7a, Hall

75

5.2.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 5.2.4, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 5.2.5, is het bepaalde in artikel 5.2.1 aanhef voor wat betreft de diepte van de bodemingrepen en het bepaalde in artikel 5.2.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 5.2.4, 5.2.5 en 5.2.6 is van overeenkomstige toepassing. 5.2.8 Het bepaalde in 5.2.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. In een situatie als bedoeld onder a kan bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 5.2.5.

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 5.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo, van het bevoegde gezag (aanlegactiviteit) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a. afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm; b. het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; c. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; d. verlagen of verhogen van het waterpeil; e. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen. 5.3.2 Het in lid 5.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 5.2 van toepassing is; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m2; c. reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; d. worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e.

worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of g. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 5.3.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

76

Voorstondensestraat 7a, Hall

.3.4 Bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 5.3.3 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden voorschriften. 5.3.5 In de situatie als bedoeld in artikel 5.3.4, onderdeel b, kan beveogd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.3.6 Indien het bepaalde in artikel 5.3.5 , onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13549283/2