(133) Regels inclusief bijlagen
Tekst van het document
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Stobbeweg 2 Tonden’’ met identificatienummer NL.IMRO.0213.BPBG700083-VA01 van de gemeente Brummen;
1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;
1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.5 aan-huis-gebonden bedrijf het beroepsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
1.6 aan-huis-gebonden beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, niet zijnde een seksinrichting, een escortbedrijf of detailhandel, uitgeoefend in een gebouw en als functie ondergeschikt aan de woonfunctie van het hoofdgebouw;
1.7 afwijken van de bouwregels en/of van de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening;
1.8 agrarische bebouwing gebouwen ten dienste van agrarische doeleinden;
1.9 agrarisch bedrijf een bedrijf met agrarische doeleinden;
1.10 agrarische doeleinden doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren (grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven) en/of het telen van gewassen, met uitzondering van glastuinbouw, tenzij anders is bepaald in deze regels;
1.11 andere agrarische bouwwerken andere bouwwerken ten dienste van agrarische doeleinden, waaronder silo's, mestopslagplaatsen en sleufsilo's;
1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
1.13 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;
1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;
1.15 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.16 bijgebouw een met het hoofdgebouw verbonden (wel of niet vanuit het hoofdgebouw te bereiken) of daarvan vrijstaand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw, in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in functioneel opzicht ten dienste staat van het hoofdgebouw;
1.17 bestaande bouwwerken bestaande bouwwerken, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig waren of krachtens een verleende bouwver-gunning worden of mogen worden gebouwd;
1.18 bestaand gebruik bestaand gebruik dat bestond op het tijdstip ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
1.19 Bijzondere of nieuwe woonvormen; niet-traditionele woonvormen, te weten: voorzieningen voor begeleid wonen, woon-zorgvoorzieningen (anders dan mantelzorg), kamerverhuur en de huisvesting van seizoenarbeiders/ arbeidsmigranten.;
1.20 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
1.21 bouwgrens de grens van een bouwvlak;
1.22 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.23 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
1.24 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten behoeve van verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
1.25 escortbedrijf de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
1.26 extensief recreatief medegebruik die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, paardrijden, (water)fietsen en kanoën;
1.27 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.28 hobbymatige basis houden van dieren het uit liefhebberij/vrijetijdsbesteding houden van dieren waarbij de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan €15.000 standaardopbrengst (SO);
1.29 hoofdgebouw een gebouw, dat gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;
1.30 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
1.31 huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;
1.32 omgevingsvergunning een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
1.33 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een wek, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening;
1.34 ondergronds bouwwerk (een gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil;
1.35 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak;
1.36 parkeervoorzieningen elke al dan niet overdekte stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer;
1.37 peil de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.38 perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling;
1.39 seksinrichting een voor publiek toegankelijk, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoning van erotische-pornografische aard plaatsvindt. Hieronder wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.40 voorgevellijn de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel aan de weg waaraan het gebouw op basis van de gemeentelijke basisadministratie (huisnummer) is gesitueerd;
1.41 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden van één of meer personen die in vast verband, waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid, samenleven.;
1.42 wet/wettelijke regelingen indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald.
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.2 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
2.3 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van de goot van dakkapellen en wolfseinden;
2.4 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.5 uitzondering bij wijze van meten bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits dergelijke bouwdelen niet meer dan 1,5 meter buiten gevels uitsteken;
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met uitzondering van bijzondere of nieuwe woonvormen, in het daarvoor maximum aantal toegelaten woningen conform het cijfer die daarvoor op de verbeelding is aangeduid, met daaraan ondergeschikt: a.
erven voor onder andere tuinen en parkeervoorzieningen;
b.
het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep en bedrijf;
c.
mantelzorg;
d.
het op hobbymatige basis houden van dieren.
3.2 Bouwregels Op gronden met deze bestemming zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming toegestaan. Daarbij moeten de aanduidingen op de verbeelding in acht worden genomen en a.
voor gebouwen geldt het volgende: 1.
het maximum aantal toegelaten woningen wordt door middel van een cijfer op de verbeelding aangeduid;
2.
voor woningen geldt dat deze enkel zijn toegestaan binnen het op de verbeelding opgenomen 'bouwvlak';
3.
de oppervlakte van de woningen mag maximaal 150 m² per woning bedragen dan wel de bestaande oppervlakte in het geval dat deze meer is dan 150 m²;
4.
voor woningen geldt dat de bestaande oppervlakte met maximaal 25% mag worden vergroot. Als hierdoor meer dan 150 m² aan oppervlakte per woning ontstaat geldt een oppervlaktemaat van 150 m² per woning als maximum;
5.
indien de bestaande oppervlakte van de woning meer dan 150 m² bedraagt, geldt deze oppervlakte als maximum bij herbouw. Ingeval de bestaande oppervlakte minder bedraagt dan 150 m² geldt de regeling zoals vermeld onder lid 3.2 sub a onder 3;
6.
de herbouw van de woning is mogelijk waarbij de nieuwe bebouwingscontour op enig punt is geprojecteerd op maximaal 3 meter van de bestaande bebouwingscontour;
7.
de maximale goot- en bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 meter en 9 meter, met dien verstaande dat de goothoogte ter plekke van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - lage gevel’ maximaal 2,5 meter mag bedragen;
8.
het bouwen van bijgebouwen bij de woning is uitsluitend binnen de op de verbeelding opgenomen bouwaanduiding ‘’bijgebouwen’’ toegestaan;
9.
de gezamenlijke oppervlakte van bij de per wooneenheid behorende bijgebouwen mag maximaal 75 m2 bedragen;
10. de maximale goot- en bouwhoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 meter en 6 meter;
11. in geval de bestaande goothoogte en hoogte van een woning of van bijgebouwen en overkappingen groter of hoger zijn dan de in de vorige leden genoemde maten, gelden deze als maximum; 12. onder het peil gelegen kelders en verblijfsruimten mogen de bebouwingscontour van de woning niet overschrijden; 13. maximaal 50 m2 van de oppervlakte van de bebouwing mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf mits deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben. b.
voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt het volgende: 1.
de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is in onderstaande tabel vermeld: bouwwerken, geen gebouwen zijnde
bouwhoogte (in meters)
zwembaden
0,6
overkappingen
3
verlichtings- en vlaggenmasten
8
2.
de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 75 m2 bedragen;
3.
de totale oppervlakte aan overkappingen mag maximaal 30 m2 bedragen;
4.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 2 meter bedragen.
3.3 Voorwaardelijke verplichting erfplan Het gebruik van de nieuw te bouwen woning, zoals bedoeld onder artikel 3.1, is in strijd met de bestemming als niet binnen twee jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woning het erfplan zoals opgenomen in bijlage 1 is uitgevoerd en voor onbepaalde termijn in stand wordt gehouden.
Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
agrarische doeleinden, alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden, met daaraan ondergeschikt: 1.
extensief recreatief medegebruik, voor zover de onder a genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast;
b.
het op hobbymatige basis houden van dieren;
c.
een onverharde toegangsweg ten behoeve van de op de aangrenzende woonbestemming toegelaten woning;
d.
groenvoorzieningen, met inbegrip van bosschages en opgaand groen met dien verstaande dat ter plaatste van de aanduiding ‘openheid’ geen bosschages en opgaand groen toegestaan zijn;
e.
een boomgaard uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bomenteelt’;
4.2 Bouwregels Op gronden met deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming toegestaan. a.
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt het volgende: 1.
de bouwhoogte van terreinafscheidingen en andere bij deze bestemming horende bouwwerken mag maximaal 1,25 meter bedragen;
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Ten aanzien van de werken en werkzaamheden die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de aardwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische waarden en de waterhuishoudkundige kwaliteiten is een omgevingsvergunningen vereist, waarbij de afwegingscriteria uit artikel 7.3 van toepassing zijn.
Artikel 5 Waarde – Archeologie waardevol 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie waardevol' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.
Voorrangsbepaling In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de dubbelbestemming ‘’Waarde - Archeologie waardevol" voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
5.2 Bouwregels Op gronden met deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming toegestaan.
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
5.2.1 De aanvrager van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
5.2.2 Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 5.2.1 genoegzaam blijkt dat: a.
er geen archeologische waarden zijn te verwachten of zullen worden geschaad;
b.
schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
5.2.3 In de situatie als bedoeld in artikel 5.2.2, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van opgravingen, of
c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.2.4 Het bepaalde in 5.2.1 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: a.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
b.
een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
c.
een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter.
5.2.5 Indien het bepaalde in artikel 5.2.3, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
5.2.6 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 5.2.2, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 5.2.3, is het bepaalde in artikel 5.2.4, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 5.2.2, 5.2.3 en 5.2.5 is van overeenkomstige toepassing.
5.2.7 a.
Het bepaalde in 5.2.1 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
b.
In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 5.2.3.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 5.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo, van bevoegd gezag (aanlegactiviteit) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:
a.
afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 cm;
b.
het ophogen van gronden met meer dan 50 cm;
c.
heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
d.
verlagen of verhogen van het waterpeil;
e.
aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
f.
aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
g.
het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen;
h.
het frezen en scheuren van grasland.
5.3.2 Het in lid 5.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a.
worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 5.2 van toepassing is;
b.
reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
c.
worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
d.
worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik;
e.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of
f.
ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
5.3.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
5.3.4 Bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 5.3.3 genoegzaam blijkt dat: a.
er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.
schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden voorschriften.
5.3.5 In de situatie als bedoeld in artikel 5.3.4, onderdeel b, kan bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van opgravingen; of
c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.3.6
Indien het bepaalde in artikel 5.3.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
5.3.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 5.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 5.3.5, is het bepaalde in artikel 5.3.2 niet van toepassing. Bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 5.3.4, 5.3.5 en 5.3.6 is van overeenkomstige toepassing.
5.3.8 a.
Het bepaalde in 5.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
c.
In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 5.3.5.
5.4 Wijzigingsbevoegdheid 5.4.1 Bevoegd gezag is bevoegd de voor 'Waarde - Archeologie waardevol' aangewezen gronden geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien: a.
uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
b.
het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in instandhouding en bescherming van archeologische waarden voorziet.
5.4.2 Bij een besluit als bedoeld in artikel 5.4.1 geeft gevoegd gezag de grenzen aan waarvoor de gehele of gedeeltelijke verwijdering geldt.
Artikel 6 Waarde – Archeologie laag 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.
Voorrangsbepaling In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de dubbelbestemming ‘’Waarde - Archeologie laag" voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
6.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels:
6.2.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 6.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm.
6.2.2 Het bepaalde in 6.2.1 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: a.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
b.
een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2; of
c.
een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter.
6.2.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
6.2.4 Bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 6.2.3 genoegzaam blijkt dat: a.
er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.
schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorschriften
6.2.5 In de situatie als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdeel b, kan bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van opgravingen; of
c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
6.2.6 Indien het bepaalde in artikel 6.2.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
6.2.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 6.2.4, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 6.2.5, is het bepaalde in artikel 6.2.1 aanhef voor wat betreft de diepte van de bodemingrepen en het bepaalde in artikel 6.2.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 6.2.4, 6.2.5 en 6.2.6 is van overeenkomstige toepassing.
6.2.8
a.
Het bepaalde in 6.2.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
d.
In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 6.2.5.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 6.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo, van bevoegd gezag (aanlegactiviteit) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a.
afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm;
b.
het ophogen van gronden met meer dan 50 cm;
c.
heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
d.
verlagen of verhogen van het waterpeil;
e.
aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
f.
aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
g.
het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen;
6.3.2 Het in lid 6.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a.
worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 6.2 van toepassing is;
b.
een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m2;
c.
reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
d.
worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
e.
worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik;
f.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of
g.
ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
6.3.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
6.3.4 Bevoegd gezag verlenen de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 6.3.3 genoegzaam blijkt dat: a.
er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.
schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden voorschriften.
6.3.5 In de situatie als bedoeld in artikel 6.3.4, onderdeel b, kan bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: d.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
e.
de verplichting tot het doen van opgravingen; of
f.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
6.3.6 Indien het bepaalde in artikel 6.3.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
6.3.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 6.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 6.3.5, is het bepaalde in artikel 6.3.2 niet van toepassing. Bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 6.3.4, 6.3.5 en 6.3.6 is van overeenkomstige toepassing.
6.3.8 a.
Het bepaalde in 6.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
e.
In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 6.3.5.
6.4 Wijzigingsbevoegdheid 6.4.1 Bevoegd gezag is bevoegd de voor 'Waarde - Archeologie laag’ aangewezen gronden geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien: a.
uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
b.
het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in instandhouding en bescherming van archeologische waarden voorziet.
6.4.2 Bij een besluit als bedoeld in artikel 6.4.1 geeft gevoegd gezag de grenzen aan waarvoor de gehele of gedeeltelijke verwijdering geldt.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Grond die in aanmerking genomen moet worden bij een verleende bouwvergunning mag, behoudens intrekking van die bouwvergunning, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe bouwvergunning in aanmerking worden genomen.
Artikel 6 Algemene gebruiksregels 6.1 Gebruiksverbod a.
Het is verboden de gronden en de bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aangegeven bestemming(en), zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
b.
Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de bestemmingsbepaling bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken;
c.
Het is verboden gebouwen te gebruiken of te laten gebruiken voor de exploitatie van een seksinrichting.
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels 7.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden om zonder aanlegvergunning van Burgemeester en wethouders werken en werkzaamheden uit te voeren in de volgende zones; a.
ter plekke van de aanduiding ‘hydrologische bufferzone’; 1.
Aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
2.
Aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
3.
Werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
4.
Aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
b.
ter plekke van de aanduiding ‘beslotenheid/houtopstanden’; 1.
Vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen tengevolge kunnen hebben.
7.2 Uitzonderingen vergunningsplicht Het in lid 1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a.
werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud binnen en buiten het (agrarisch) bouwperceel;
b.
werken en werkzaamheden in het kader van natuur- en bosbeheer;
c.
werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
d.
het aanleggen van erfverhardingen voor ontsluitende wegen en paden naar agrarische bouwpercelen, woonpercelen, recreatieterreinen en bedrijfsterreinen van niet-agrarische bedrijven of ter ontsluiting van agrarische gronden, met een maximale breedte van 3 m;
e.
andere
werken
die
in
overeenstemming
zijn
met
het
landschapsbeleidsplan
(2008)
en
de
instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000; f.
het normale beheer en/of onderzoek op of in de gronden met een middelhoge, of hoge archeologische verwachtingswaarde en archeologisch waardevolle terreinen.
7.3 Afwegingscriteria De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover: a.
de aanvrager de noodzaak van het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden aantoont op basis van een onderzoek door een terzake deskundige partij waarbij tevens de mogelijke significante (nadelige) gevolgen voor de cultuurhistorische – en/of archeologische aardwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische waarden en de waterhuishoudkundige kwaliteiten in beeld zijn gebracht;
b.
de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
c.
geen significante aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van de gronden;
d.
geen significante aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en –kwantiteit;
e.
geen significante aantasting plaatsvindt van de natuur-, landschappelijke -, ecologische -, cultuurhistorische – en/of archeologische waarden van de gronden.
f.
de kernkwaliteiten van het landschap ter plekke van de aanduiding ‘Agrarisch gebied - Waardevol landschap’ worden behouden en versterkt;
g.
daarmee de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS niet significant worden aangetast;
h.
op grond van objectieve gegevens wordt uitgesloten dat de uitvoering van het plan significante gevolgen heeft de instandhoudings-doelstellingen van het Natura 2000-gebied. De aanlegvergunning wordt ook verleend indien op basis van een passende beoordeling zekerheid is verkregen dat het initiatief geen schadelijke gevolgen heeft voor instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
7.4 In te winnen adviezen Burgemeester en wethouders kunnen de vereiste vergunningen verlenen voor de werken en werkzaamheden: a.
in de zone “hydrologische bufferzone” na het inwinnen van een bindend advies door de initiatiefnemer/aanvrager bij het Waterschap Vallei en Veluwe.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 en afwijken van de in het plan genoemde maten tot maximaal 10% ten behoeve van een optimale verkaveling c.q. optimaal gebruik, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het landschaps- en bebouwingsbeeld en verkeersbelangen en de belangen van eigenaren en/of gebruikers van aangrenzende gronden en gebouwen niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 9 Overige regels 8.1 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op gronden binnen de aanduiding ‘’overige zone – Openheid’’, de volgende werkzaamheden uit te voeren en/of gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde te bouwen: • Ophogen, verlagen, egaliseren en afgraven van gronden; • Bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden; • bouwen van gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 8.2 Vanwege het bijzondere karakter van de opzet van het plan is het plangebied me de aanduiding ‘’overige zone – Openheid’’ géén achtererf zoals de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bijhorende besluiten beschrijven en daarom zijn geen vergunningsvrije gebouwen en erfafscheidingen toegestaan
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht 10.1 Overgangsrecht bouwwerken 10.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b.
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
10.1.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 8.1.1 met maximaal 10%. 10.1.3 Uitzondering Artikel 8.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik 10.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 10.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 8.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
10.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in artikel 8.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 10.2.4 Uitzondering Artikel 8.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 11 Slotregel Deze regels kunnen worden aangehaald als “Regels bestemmingsplan Buitengebied, Stobbeweg 2 Tonden”.
Bijlage 1 Erfplan
Erfplan Stobbeweg 2 Tonden 1. Behoud huidige beplanting langs perceelsgrens 2. Aanplant enkele (max. 3) solitaire bomen a. Zomereik b. Beuk 3. Hoogstam Boomgaard (ong. 15 stuks) bestaande uit : a. Fruitbomen (appel & peer) b. Notenbomen 4. Erfafscheiding heggen. Hoogte van ongeveer 1 meter. a. Tweestijlige meidoorn b. Veldesdoorn Tussen de woningen komt een simpele streekeigen haag of paal met draad. 5. Openheid - Kruidenrijk grasland 6. Onverharde inrit 7. Nieuwe woning is qua uitstraling ondergeschikt aan de bestaande woning en heeft een agrarische hoofdvorm en uitstraling. 8. Bestaande erven blijven van elkaar gescheiden door doorzicht open te houden.
14 April 2022