(122) Rapportage verkenning archeologische waarden voorkeursrechtlocaties - D445326
Tekst van het document
445326
Transect-rapport 5273 Brummen, De Lei, De Boele, en Metelerkampweg Gemeente Brummen (GD) Archeologisch bureauonderzoek (BO)
1
2
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Auteur
M. Verboom-Jansen (KNA Prospector)
Versie
Versie 1.1.
Projectcode
24020035
Datum
30-04-2024
Opdrachtgever
Gemeente Brummen
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Onderzoeksmelding
5578100100
Bevoegde overheid
Gemeente Brummen
Adviseur bevoegde overheid
Stedendriehoek H.G. Pape-Luijten
Status
Nog niet beoordeeld door Bevoegde Overheid
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
De omgeving van het plangebied op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Bron: www.hisgis.nl.
Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)
Datum 30-04-2024
Paraaf
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
3
Samenvatting In opdracht van de gemeente Brummen heeft Transect b.v. in april 2024 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd voor drie deelgebieden in de gemeente Brummen. Deelgebied 1 (De Lei) en deelgebied 2 (De Boele) liggen aan de Eerbeekseweg in Brummen en deelgebied 3 (Metelerkampweg) ligt aan de Metelerkampweg in Leuvenheim. Deelgebied 1 beslaat ongeveer 20,5 ha, deelgebied 2 beslaat 19,1 ha en deelgebied 3 beslaat 0,8 ha (totaal 40,3 ha). De aanleiding van het onderzoek is de woningbouwopgave van de gemeente Brummen. Het archeologische onderzoek is uitgevoerd in het kader van de haalbaarheidsstudie naar woningbouw op de genoemde deellocaties. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). De vraagstelling van dit onderzoek richt zich op het vaststellen van de archeologische verwachting en kan als uitgangspunt voor de planvorming gebruikt worden. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart gemaakt (bijlage 9). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied grotendeels is gelegen op daluitspoelingsafzettingen die zijn afgedekt met dekzand. In het zuiden van deelgebied 1, het noorden van deelgebied 2 en deelgebied 3 worden dekzandruggen verwacht (bijlage9). Deze zijn vermoedelijk afgedekt met hoge enkeerdgronden en/of loo- en laarpodzolzolgronden.
Hier is de archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-LateMiddeleeuwen hoog. In de omgeving zijn vondsten bekend uit de IJzertijd, Vroege-Middeleeuwen en Late-Middeleeuwen en in het plangebied (deelgebied 1) is sprake van een terrein van archeologische waarde. Het betreft een urnenveld uit de Bronstijd-IJzertijd, met daarnaast ook een vondst uit het Neolithicum. In het noordwesten van deelgebied 1 worden dekzandwelvingen verwacht. Hier is het maaiveld lager en ligt volgens een boring uit het Dinoloket klei aan het maaiveld. Bodemkundig worden hier veldpodzolgronden verwacht, die typerend zijn voor lager gelegen zandgronden. Hier is de archeologische verwachting middelhoog (Laat-Paleolithicum-Late-Middeleeuwen). In het zuiden van deelgebied 2 worden overloop-/crevasse-afzettingen verwacht met poldervaaggronden of beekeerdgronden. Op historische kaarten is hier weiland aanwezig. Deze zone was vanwege de lage en natte ligging vermoedelijk minder aantrekkelijk voor bewoning, waardoor de archeologische verwachting hier laag is. Het archeologische niveau is de top van het dekzand, die onder een eerddek of onder de A-horizont verwacht wordt. In de omgeving is het plaggendek 50 tot 80 cm dik. Waar geen plaggendek aanwezig is, kan het archeologische niveau ondieper al aanwezig zijn (naar verwachting rond 30 cm -Mv).
Verder zijn op de Hottingerkaart uit 1780 en het Kadastrale Minuutplan uit 1832 historische huisplaatsen in het plangebied aanwezig. Hier is de archeologische verwachting op huisplaatsen uit de Nieuwe Tijd hoog. Vanwege onnauwkeurigheid op de Hottingerkaart is om de huisplaatsen op het Kadastrale Minuutplan een bufferzone van 25 m meegenomen, waarbinnen huisplaatsen aanwezig kunnen zijn (hoge verwachting). Er kunnen oudere voorgangers aanwezig zijn, die van de toppen van de dekzandruggen afkomstig zijn, en steeds verder naar beneden toe verplaatst zijn. Verder ligt de Eerbeekseweg in deelgebied 1 (onderdeel van beschermde rijksmonument ‘Landgoed Groot Engelenburg’) en kunnen nog restanten van grachtstructuren uit 1832 in deelgebied 1 aanwezig zijn. Deze grachtstructuren zijn niet gerelateerd aan het landgoed en hun precieze functie is onbekend. Vondsten en sporen uit de Nieuwe Tijd worden in en onder het eerddek verwacht. In hoeverre nog daadwerkelijke archeologische waarden aanwezig kunnen zijn hangt mede af van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de bestaande bebouwing en kabels en leidingen is de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Op het AHN ligt het noordwesten van deelgebied 1 4
perceelsgebonden ongeveer 70 cm lager dan het perceel direct ten zuiden en ten oosten ervan. Mogelijk hebben hier afgravingen plaatsgevonden. Of hierbij het archeologische niveau is verdwenen is niet bekend. Saneringen zijn binnen het plangebied niet uitgevoerd. Advies Het huidige onderzoek is uitgevoerd in het kader van een haalbaarheidsstudie naar woningbouw. Concrete plannen over ontgravingsdieptes en ophogingen zijn er nog niet. Gezien de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachtingskaart (bijlage 9) zijn er zones in het plangebied waar sprake is van een archeologische waarde, en een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Over het algemeen kan worden gesteld dat hoe hoger de waarde en verwachting, hoe groter het archeologische risico is. Daarmee wordt bedoelt dat bij een zone met een hogere archeologische verwachting, de kans groter is dat archeologische resten worden aangetroffen dan bij een zone met een lagere archeologische verwachting. Daarmee neemt dan ook het risico op nader archeologisch vervolgonderzoek of planaanpassing (om de archeologie te ontzien) toe, waaraan kosten verbonden kunnen zijn. De zone waar het archeologische risico het grootst is, is de zone van archeologische waarde waarvan bekend is dat een urnenveld aanwezig is.
Omdat het een vastgestelde vindplaats is, is de kans groot dat hier bij bodemingrepen uiteindelijk een opgraving nodig gaat zijn of maatregelen om de archeologische resten en sporen in de ondergrond te behouden (zoals bijvoorbeeld ophogen). Wanneer hier geen bodemingrepen gepland worden, zal er geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Ook ter plaatse van de historische huisplaatsen is de kans groot dat nader onderzoek nodig gaat zijn. De zones waar het archeologische risico het laagst is, zijn de zones met een lage en middelhoge archeologische verwachting. Hier is vanwege de landschappelijke ligging en de mogelijke afgraving de kans kleiner dat archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn. Bovenstaande is een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Brummen, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Het rapport dient daarom ter toetsing te worden voorgelegd aan de gemeente.
5
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5.
Beleidskader
6
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
7
7.
Beschrijving bekende archeologische kenmerken
11
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
18
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
20
10.
Conclusie en Advies
23
11.
Geraadpleegde bronnen
25
Bijlage 1: Luchtfoto
28
Bijlage 2: Kadastrale kaart
29
Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente
30
Bijlage 4: Geomorfologie
31
Bijlage 5: Hoogtekaart
32
Bijlage 6: Bodemkaart
35
Bijlage 7: Archeologische informatie
36
Bijlage 8: Historische kaarten
37
Bijlage 9: Gespecificeerde archeologische verwachting
44
1
1. Aanleiding In opdracht van de gemeente Brummen heeft Transect b.v. 1 in april 2024 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd voor drie deelgebieden in de gemeente Brummen. Deelgebied 1 (De Lei) en deelgebied 2 (De Boele) liggen aan de Eerbeekseweg in Brummen en deelgebied 3 (Metelerkampweg) ligt aan de Metelerkampweg in Leuvenheim. Deelgebied 1 beslaat ongeveer 20,5 ha, deelgebied 2 beslaat 19,1 ha en deelgebied 3 beslaat 0,8 ha (totaal 40,3 ha). De aanleiding van het onderzoek is de woningbouwopgave van de gemeente Brummen. Het archeologische onderzoek is uitgevoerd in het kader van de haalbaarheidsstudie naar woningbouw op de genoemde deellocaties. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een Archeologisch Bureauonderzoek (BO).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Om de archeologische waarde van het plangebied te kunnen bepalen is een bureauonderzoek (BO) uitgevoerd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Het resultaat van het archeologisch bureauonderzoek is een rapport met een conclusie voor wat betreft het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen. Aan de hand hiervan wordt een advies voor eventuele vervolgstappen geformuleerd. Met het rapport kan de bevoegde overheid een beslissing nemen in het kader van de vergunningverlening. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de aan- of afwezigheid, diepteligging, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
In dit kader is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Ook de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn geraadpleegd (bijlage 3; bron: https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart). Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit diverse voorhanden historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Amateurs en het bouwarchief zijn niet geraadpleegd. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 11.
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Provincie
Gelderland
Gemeente
Brummen
Plaats
Brummen Leuvenheim
Toponiem
Deelgebied 1 en 2: Eerbeekseweg Brummen Deelgebied 3: Metelerkampweg Leuvenheim
Kaartblad
33G
Centrumcoördinaat Deelgebied 1
206.775/456.167
Centrumcoördinaat Deelgebied 2
206.754/455.484
Centrumcoördinaat Deelgebied 3
206.316/454.293
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden in de gemeente Brummen. Deelgebied 1 (De Lei) en deelgebied 2 (De Boele) liggen aan de Eerbeekseweg in Brummen en deelgebied 3 (Metelerkampweg) ligt aan de Metelerkampweg in Leuvenheim. De locaties van de deelgebieden zijn weergegeven in figuur 1 en bijlage 1. Deelgebied 1 beslaat ongeveer 20,5 ha, deelgebied 2 beslaat 19,1 ha en deelgebied 3 beslaat 0,8 ha (totaal 40,3 ha). De begrenzing van het plangebied is gebaseerd op het gebied waarvoor een haalbaarheidsstudie door de gemeente wordt gevraagd. De kadastrale perceelnummers zijn opgenomen in bijlage 2. Het plangebied is grotendeels in gebruik als weiland. Ook komen boerderijen (deelgebied 1 en 2) en volkstuinen (deelgebied 2) voor. De bebouwing in deelgebied 1 beslaat in totaal ongeveer 2100 m 2 en in deelgebied 2 in totaal ongeveer 3530 m2.
De huidige eigenaren zijn particulieren en een beleggingsinstantie. De gemeente is voornemens om indien mogelijk de percelen te kopen.
3
Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. De nummers geven de deelgebieden weer. Bron topografische kaart: www.pdok.nl.
4
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Haalbaarheidsstudie
Oppervlakte plangebied
40,3 ha
Planvorming
Woningbouw
Omvang verstoringen
Onbekend
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
Diepte verstoring
Onbekend
De aanleiding van het onderzoek is de woningbouwopgave van de gemeente Brummen. Het kader van het archeologische onderzoek is het haalbaarheidsonderzoek naar woningbouw in het plangebied. In het huidige stadium van de plannen zijn er nog geen concrete inrichtingsplannen. Ontgravingsdieptes en oppervlaktes zijn dus nog niet bekend. Mogelijk komen er ook ophogingen. Eventuele effecten op het grondwaterpeil zijn niet bekend.
5
5. Beleidskader Onderzoekskader
Haalbaarheidsstudie
Beleidskader
Paraplubestemmingsplan Archeologie (2020)
Onderzoeksgrens
Waardevol: dieper dan 40 cm Hoge verwachting: groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm –Mv Middelmatige verwachting: groter dan 1000 m2 en dieper dan 40 cm –Mv Lage verwachting: groter dan 2500 m2 en dieper dan 40 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door Erfgoedwet, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het deel van het erfgoedbeheer dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is sinds 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat gemeentes rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed bij het vaststellen van het omgevingsplan. Hieronder vallen dus ook bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit is vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kan een gemeente vanuit het Omgevingsplan lokale regels stellen door monumenten (concreet) in de bodem te beschermen of ze juist vakkundig op te laten graven (lid 3, 4 en 5). Ook kunnen ze vanuit het Omgevingsplan eisen stellen aan het onderzoek, waaronder het onderzoeksthema en de onderzoeksvorm. Gemeentes hebben tot 2031 om tot een Omgevingsplan op te stellen. Tot die tijd geldt een Tijdelijk Omgevingsplan. In het Omgevingsloket zijn nog geen documenten aanwezig met betrekking tot cultureel erfgoed in het plangebied (bron: https://omgevingswet.overheid.nl/). Dit betekent dat vooralsnog het Paraplubestemmingsplan Archeologie (2020) van toepassing is (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Hierop heeft het plangebied vier verschillende dubbelbestemmingen archeologie. Deze zijn opgenomen in de tabel bovenaan de bladzijde. De verschillende archeologische verwachtingszones en hun bijbehorende dubbelbestemmingen archeologie zijn grafisch weergegeven in bijlage 3. Voor alle verwachtingszones geldt naast de in de tabel opgenomen onderzoeksgrens ook dat zonder vergunning geen ophogingen van meer dan 50 cm zijn toegestaan. Wanneer bovenstaande onderzoeksgrenzen overschreden worden, is archeologisch onderzoek in het kader van de uiteindelijke vergunningaanvraag noodzakelijk.
In het kader van de omgevingsvergunning dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt. 6
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio2 Geomorfologie
Utrechts-Gelders zandgebied 3
Dekzandrug Dekzandwelvingen Overloop- of crevassegeul
Maaiveld
8,1 tot +10,3 m NAP
Bodem
Veldpodzolgronden Loopodzolgronden Laarpodzolgronden Poldervaaggronden Hoge bruine enkeerdgronden
Grondwater
V, VI en VII
Landschapsgenese Het plangebied ligt op de overgang van het Veluwemassief naar het IJsseldal, in het oostelijk zandgebied (Berendsen, 2005). De landschappelijke hoofdvormen van het onderzoeksgebied zijn gevormd in het laat-Saalien, tussen circa 170000 en 140000 jaar geleden (Van Beek, 2009). Gedurende de late fase van deze ijstijd waren grote delen van Noord- en Midden‐Nederland bedekt met landijs. Ter hoogte van de landijstongen ontstonden glaciale bekkens. Het plangebied ligt aan de westelijke rand van het IJsseldal, dat het grootste tongbekken in dit gebied is (TNO, 2020). Vanuit dit bekken zijn meerdere hoge stuwwallen gevormd, zoals de Veluwe, Veluwezoom, Lochemse Berg en de Sallandse Heuvelrug (Berendsen, 2005). Tijdens de afsmelting van het landijs op de overgang van het Saalien (circa 200000 tot 130000 jaar geleden) naar het Eemien (circa 130000 tot 115000 jaar geleden), accumuleerden in het IJsseldal fluvio‐glaciale en glacio-lacustrine afzettingen van de Formatie van Drenthe (Laagpakketten van Uitdam en Schaarsbergen; De Mulder et al., 2003). Ook verlegde de Rijn zijn loop richting het noorden en wel door het tongbekken van de IJssel. In deze IJsseldalrijn werden gedurende het Weichselien (circa 115000 tot 10150 jaar geleden) in vlechtende rivierfasen grove en grindrijke zanden van de Formatie van Kreftenheye afgezet (Van Beek, 2009).
In warmere fasen (Eemien en interstadialen) had de Rijn een meanderend karakter en kon de rivier zich tot een diepte van acht tot tien meter insnijden. Hierdoor werden veel afzettingen uit het Saalien opgeruimd en omgewerkt (Stouthamer et al., 2015). Gedurende het Weichselien (circa 115000 tot 10150 jaar) was het onderzoeksgebied onderdeel van het periglaciaal gebied. In het gebied accumuleerden sneeuwsmeltwaterafzettingen in de vorm van fluvio-periglaciale zanden. In de diepste delen van de glaciale bekkens konden deze afzettingen een dikte van meer dan 10 meter bereiken. Ze zijn daar afgezet op de Formatie van Kreftenheye (Ten Broeke, 2022). Het smeltwater werd via van de stuwwal afstromende smeltwaterrivieren afgevoerd. Hierbij ontstonden erosiedalen (droge dalen op de geomorfologische kaart) die later gedeeltelijk zijn opgevuld met zandige löss, dekzand, hellingafzettingen en stuifzand. Kenmerkend voor dit erosielandschap zijn daluitspoelingswaaiers aan de mondingen van de smeltwater- en erosiedalen, en
2 Rensink et al. (2015) 3 Maas et al. (2020)
7
hellingafzettingen die direct aan de voet van de stuwwal zijn afgezet. De plaats Eerbeek (5 km ten westen van het plangebied) ligt bijvoorbeeld op een daluitspoelingswaaier (Goossens, 2009). De sneeuwsmeltwaterafzettingen/afspoelingswaaiers vormden op hun beurt weer een bron voor lokale windafzettingen. Ook de reeds verlaten vlechtende riviervlakte van de Rijn, en lokale vlechtende rivieren zoals de Berkel en de Sallandse beken, fungeerde als brongebied voor de lokale windafzettingen. Deze windafzettingen zijn gevormd in het Midden- en Laat-Weichselien (7000010000 jaar geleden) in de vorm van hoge ruggen en koppen. Ze behoren tot de Formatie van Boxtel, het Laagpakket van Wierden. De dekzandruggen hier langs de IJssel zijn qua korrelgrootteverdeling en samenstelling heterogener dan dekzandruggen elders in Nederland, door hun andere bronmateriaal (Ten Broeke, 2022). Vanaf het Holoceen (circa 10150 jaar geleden tot heden) stegen de gemiddelde jaartemperaturen. Als gevolg van vegetatieontwikkeling werden bestaande afzettingen gefixeerd. In het dekzandlandschap kon als gevolg van hogere grondwaterstanden en slechtere afwatering lokaal veen tot ontwikkeling komen (Formatie van Nieuwkoop; de Mulder et al., 2003). Ook ontstond ten oosten van het plangebied de Gelderse IJsel (Formatie van Echteld). De Gelderse IJssel ontstond rond 550 à 650 na Chr.
door een doorbraak van de Rijn tussen Zutphen en Deventer. In eerste instantie ontwikkelde zich een crevasse-complex, van waaruit later een hoofdgeul ontwikkelde met een oeverwallen (Cohen et al., 2009) . De IJsseldoorbraak was rond 785 na Chr. definitief geslaagd; vanaf toen vonden overstromingen van de Gelderse IJssel plaats en bouwden zich oeverwallen langs de riviergeul op (persoonlijke communicatie K. Cohen, Universiteit Utrecht). Op grotere afstand van de rivier werden komkleien afgezet. Volgens Cohen et al. (2012) en Vos (2015) komen binnen het plangebied geen stroomgordelafzettingen van de Gelderse IJssel voor en heeft in het plangebied ook geen veenvorming plaatsgevonden. Om de vruchtbaarheid en hydrologische eigenschappen van de relatief mineraalarme pleistocene gronden te bevorderen, werden vanaf de Late Middeleeuwen (1050 tot 1500 na Chr.) in het onderzoeksgebied akkers bemest met plaggen. Deze plaggen werden op de ‘woeste gronden’ gestoken, zoals op heidevelden en in beekdalen. De plaggen werden vervolgens verrijkt met potstalmest, waarna ze op het land werden opgebracht. Dit leidde tot een bouwlanddek of plaggenbodem. Deze essen of enken, zoals ze in het onderzoeksgebied worden genoemd, hebben een specifiek verkavelingspatroon en waren ook wel voorzien van houtwallen (Goossens, 2009).
Geologie, zanddiepte en lithologie Volgens de geologische kaart van TNO (2020) is in het plangebied het Laagpakket van Wierden en de Formatie van Boxtel (ongedifferentieerd) aanwezig. Dit is dekzand en overige periglaciale afzettingen. Volgens de zanddieptekaart van Cohen et al. (2009) ligt de top van het pleistocene zand in het plangebied tussen 0 en 1,0 m -Mv. Verder ligt in deelgebied 1, 3 en de noordelijke helft van deelgebied 2 een dek van afspoelingswaaierzand, waarvan de top binnen 1,0 m-Mv verwacht wordt (Cohen et al., 2009). Geologische boringen uit het Dinoloket laten een gedifferentieerd beeld zien, met een afwisseling van zandige klei, zeer grof zand, matig grof zand en leem (boring B33G0713, B33G0714, B33G0718, B33G0757; bron: www.dinoloket.nl). De boringen in de omgeving zijn niet lithogenetisch geclassificeerd, waardoor het afzettingsmilieu lastig te achterhalen is. Het zeer grove zand met grind dat doorgaans binnen 0,3 à 1,5 m -Mv is aangetroffen betreft vermoedelijk daluitspoelingszand. Vanaf het maaiveld is zand of klei aanwezig, afhankelijk van de locatie. In het noorden van deelgebied 1 is 8
klei aan het maaiveld aanwezig, evenals in het zuiden van deelgebied 2 (bron: www.dinoloket.nl). Ten zuiden van deelgebied 3 is zand vanaf het maaiveld aanwezig (boring B33G0670; bron: www.dinoloket.nl). Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van Maas et al. (2019) komen in het plangebied drie geomorfologische eenheden voor, namelijk dekzandruggen (kaartcode B53), dekzandwelvingen (kaartcode L51) en een overloop- of crevassegeul (kaartcode R44 in bijlage 4; bron: www.pdok.nl). De overloopgeul zit ten zuiden van deelgebied 3 ‘vast’ aan de stroomgordel van de Gelderse IJssel, maar heeft ook een tak die vanuit het westen richting en door deelgebied 2 loopt. Daar lijkt de overloopgeul meer het karakter te hebben van een droogdal of beekdal, zoals die ook ten noorden van deelgebied 1 aanwezig zijn. Ook volgens Cohen et al. (2009) lagen ten westen van Brummen crevasseafzettingen/doorbraakafzettingen van de Gelderse IJssel. Volgens de geomorfologische kaart van Maas et al. (2019) ligt de daluitspoelingswaaier (kaartcode G21) ongeveer 3,5 km ten westen van het plangebied en komen ongeveer 1,3 km ten westen en 1,8 km ten noorden van het plangebied sneeuwsmeltwaterafzettingen voor (kaartcode M21). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) De maaiveldhoogte van het plangebied varieert op het AHN (versie 4) van +8,1 tot +10,3 m NAP (bijlage 5; bron: www.ahn.nl).
De maaiveldhoogte is het grootst in deelgebied 1 en 3, waar dekzandruggen op de geomorfologische kaart verwacht worden, en het laagst in het zuiden van deelgebied 2, waar op de geomorfologische kaart de overloopgeul/crevasse ligt. Het noordwesten van deelgebied 1 ligt perceelsgebonden ongeveer 70 cm lager dan het perceel direct ten zuiden en ten oosten ervan. Mogelijk hebben hier afgravingen plaatsgevonden. Bodem en grondwatertrap Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied vijf verschillende bodemtypes te verwachten (bijlage 6; bron: www.pdok.nl): • Veldpodzolgronden (kaartcode Hn21F-VI). De veldpodzolgronden bestaan uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Veldpodzolgronden kenmerken zich door een inspoelingspoelingshorizont van humus (Bh-horizont) en soms is ook de uitspoelingshorizont (E-horizont) nog aanwezig. Veldpodzolgronden ontstaan vaak op laaggelegen zandgronden en hebben een humushoudende bovengrond die dunner is dan 30 cm (De Bakker en Schelling, 1989). • Loopodzolgronden (kaartcode cY23-VII). De loopodzolgronden bestaan uit lemig fijn zand. Loodpodzolgronden zijn begraven holtpodzolgronden. Holtpodzolgronden zijn moderpodzolgronden die voorheen bekend stonden als bruine bosbodems (De Bakker en Schelling, 1989). Moder is een bepaalde humusvorm, die bestaat uit uitwerpselen ter grote van enkele tientallen micron, afkomstig van kleine bodemdieren.
Deze humusvorm in de B-horizont is veel losser dan van humuspodzolgronden (De Bakker, 1966). • Laarpodzolgronden (kaartcode cHn21-VII en -VI). Deze gronden bestaan uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Laarpodzolgronden zijn veldpodzolgronden die zijn afgedekt met een 30 tot 50 cm dik mineraal dek. • Poldervaaggronden (kaartcode Rn62C-V). Deze bestaan uit zavel (zandige tot siltige klei) en lichte klei (sterk siltige klei). Deze gronden zijn over het algemeen kalkhoudende, sterk zandige kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is (De Bakker en Schelling, 1989). 9
De grondwatertrap geeft een indicatie van de mate van conservering van onverbrande organische vondsten, zoals hout, bot en leer. Boven de gemiddeld laagste grondwaterstand kunnen namelijk schommelingen in de grondwaterstand optreden, waardoor oxidatie en dus degradatie van de onverbrande organische vondsten kan optreden. Bij een grondwatertrap van V, VI en VII ligt de gemiddeld laagste grondwaterstand allemaal lager dan 120 cm -Mv. Dit betekent vanuit archeologisch oogpunt dat onverbrande organische vondsten boven 120 cm -Mv vermoedelijk al zijn gedegradeerd en geoxideerd. Onverbrande organische vondsten (zoals vuursteen, aardewerk en metaal) kunnen ongeacht de grondwaterstand bewaard zijn gebleven.
10
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Ja, urnenveld uit Late-Bronstijd-Vroege-IJzertijd
Verwachting gemeentelijke kaart
Waardevol Hoge verwachting Middelmatige verwachting Lage verwachting
Archeologische waarden en/of informatie
Binnen plangebied vondsten uit Neolithicum en IJzertijd In omgeving vondsten uit IJzertijd, VroegeMiddeleeuwen, Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is wel opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 7). In het zuiden van deelgebied 1 ligt AMK-terrein 12828, een terrein van archeologische waarde. Het betreft een urnenveld uit de Late-Bronstijd-Vroege-IJzertijd. In 1846 zijn hier urnen met crematieresten gevonden (bron: Archis3). Ongeveer 70 m ten zuidwesten van deelgebied 1 is een terrein met funderingen van een Havezathe uit de Late-Middeleeuwen aanwezig (AMK-terrein 15498). Bij een waarneming zijn de funderingen uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. De Havezathe/Ridderhofstad is in 1570 verwoest en opnieuw gebouwd in 1642 (bron: Archis3). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart valt het plangebied in verschillende zones, namelijk zones die zijn aangegeven als waardevol, en zones met een hoge, middelmatige en lage verwachting (bijlage 3). Eén van de waardvolle zones betreft het bovengenoemde AMK-terrein, de andere waardevolle zone is vermoedelijk gebaseerd op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832, waar daar een dubbel grachtenpatroon is ingetekend (zie hoofdstuk 8 en bijlage 8).
De zones met een hoge archeologische verwachting komen globaal overeen met de ligging van dekzandruggen op de geomorfologische kaart. De andere zones zijn niet één op één aan de geomorfologische kaart van Maas et al. (2019) of de bodemkaart te koppelen. Bekende archeologische waarden In het oosten van deelgebied 1 is een vondstmelding bekend (vondstmelding 3093288100; bijlage 7). De vondst is gedaan net ten oosten van AMK-terrein 12828. Er zijn crematieresten uit potten uit de Vroege-IJzertijd aangetroffen, aardewerk uit de Vroege-IJzertijd en klokbeker keramiek uit het LaatNeolithicum-B. De vondsten uit de IJzertijd hebben betrekking op een urnenveld. Het complextype van de vondst uit het Neolithicum is onbekend. In het plangebied heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden (bijlage 7; https://archis.cultureelerfgoed.nl/). In de omgeving van het plangebied zijn wel onderzoeken 11
uitgevoerd (bijlage 7). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied, in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven. Informatie uit overige bronnen Er is geen aanvullende informatie uit overige bronnen verkregen. Conclusie bekende waarden Uit de geraadpleegde informatie (tabel 1 en 2) blijkt dat in de omgeving daluitspoelingsafzettingen aanwezig zijn, die zijn afgedekt door dekzand. In het plangebied is een urnenveld uit de Late-BronstijdVroege-IJzertijd aanwezig, en in de omgeving van het plangebied zijn crematiegraven en een nederzetting uit de IJzertijd aangetroffen. Ook is een vondst uit het Neolithicum bekend, waarvan het complextype onbekend is. Deze sporen en vondsten zijn allemaal aangetroffen in de top van het dekzand, dat is afgedekt door een eerddek. Plaatselijk was hieronder nog een veldpodzolgrond aanwezig, maar deze is niet bepalend voor de aanwezigheid van resten en/of sporen. Ook waar geen veldpodzolgrond meer aanwezig was, zijn immers sporen en structuren aangetroffen onder het eerddek. Verder zijn in de omgeving nog vondsten bekend uit de Vroege-Middeleeuwen en LateMiddeleeuwen, waarvan het complextype niet altijd bekend is (Vroege-Middeleeuwen). Voor de rest gaat het om nederzettingen.
12
Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstandwindrichting
Type onderzoek
Bevindingen
Bron
2060050100
De Vinkenweide
Direct ten westen van deelgebied 2
Bureauonderzoek en verkennend/ karterend booronderzoek
Op basis van het bureauonderzoek gold een middelhoge verwachting voor de periode Prehistorie-Late-Middeleeuwen ter plaatse van veldpodzolgronden en een lage verwachting voor de rest van het onderzocht gebied. Tijdens het booronderzoek is lemig dekzand aangetroffen, vanaf 0,5 tot 1,1 m -Mv. Alleen in het noorden van het onderzochte gebied is de top van het dekzand al vanaf 0,15 à 0,25 m -Mv aangetroffen. Het betreft vermoedelijk een lage dekzandwelving. Daar is de bodem intact (beekeerdgronden). De rest van het onderzochte gebied is opgehoogd. Daaronder is de top van het dekzand verstoord. Er zijn geen vondsten aangetroffen, waardoor geen vervolgonderzoek is aanbevolen.
Ringenier (2003)
2271112100
De Hazenberg
Direct ten noorden van deelgebied 1
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Op basis van het bureauonderzoek gold een hoge verwachting, vanwege de ligging op esgronden op de rand van het rivierdal van de IJssel. In de omgeving zijn vondsten bekend uit de steentijd, Bronstijd, IJzertijd en Middeleeuwen. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem grotendeels tot in de C-horizont verstoord is. Er is een 10 tot 100 cm dikke donker bruin/bruingrijze bovenlaag aangetroffen, waaronder een sterk geroerde laag aanwezig is die bestaat uit brokkel geel zand en donker bruingrijs zand. In slechts één boring (van de 22) is een restant van een B-horizont aangetroffen. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.
Postma en Dijk (2010)
13
2045325100
L.R. Beijnenlaan
140 m ten noorden van deelgebied 1
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Uit het veldwerk blijkt dat binnen het onderzochte gebied een verstoorde veldpodzolgrond aanwezig is, die gevormd is in Jong Dekzand (Laagpakket van Wierden). De aanwezigheid van grind wijst op het voorkomen van daluitspoelingsmateriaal. De top van het dekzand is aangetroffen tussen +8,1 en +8,55 m NAP. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.
Gazenbeek (2004)
2096883100
Stationsweg
60 m ten oosten van deelgebied 1
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Op basis van het bureauonderzoek gold een verwachting op sporen uit de Prehistorie, Romeinse Tijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd in de top van het dekzand. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem verstoord is tot 0,4 à 1,9 m -Mv. Deze verstoring heeft vermoedelijk betrekking op de ontwikkeling van het gebied tot parktuin. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.
Van Wilgen (2005)
2356852100 en 2369520100
De Pothof
55 m ten zuidoosten van deelgebied 1
Bureauonderzoek en karterend booronderzoek
Op basis van het bureauonderzoek gold een hoge verwachting vanwege de aanwezigheid van een esdek op dekzand. Tijdens het karterende booronderzoek is aangetoond dat de bodem in het grootste deel van het gebied is verstoord tot 1,1 à 1,5 m -Mv (Chorizont). Ook zijn geen vondsten aangetroffen. Hiervoor is geen vervolgonderzoek aanbevolen. In het oosten van het onderzochte gebied is de bodem nog intact (75 cm dik plaggendek met daaronder een BC-horizont van een podzol), daarvoor is een proefsleuvenonderzoek aanbevolen (Vosselman, 2012).
Vosselman (2012)
Zieleman (2012)
Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen vondsten en geen grondsporen aangetroffen. De aangetroffen bodem komt overeen met het vooronderzoek: bouwvoor tot 0,2 à 0,4 m -Mv, daaronder een plaggendek tot 0,7 à 0,8 m-Mv en daaronder plaatselijk nog
14
een BC-horizont. De top van de C-horizont ligt op ongeveer 0,85 m -Mv(+8,75 m NAP; Zieleman, 2012). 2311978100 en 2484710100 en 4033510100 en 4674076100
Engelenburgerlaan
180 m ten oosten van deelgebied 1
Proefsleuven Opgraving Begeleiding
Op basis van het vooronderzoek (bureauonderzoek en karterend booronderzoek) werd een nederzettingen en/of urnenveld uit de Late-Bronstijd-Vroege-IJzertijd verwacht en een nederzetting uit de Middeleeuwen. Bij het vooronderzoek zijn tussen 40 en 80 cm Mv aardewerkfragmenten aangetroffen uit de Late-BronstijdIJzertijd. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in het noorden en westen van het onderzochte gebied resten uit de Vroege- en Midden-IJzertijd aangetroffen. Het zijn kuilen met houtskool en crematieresten en crematiegraven in urnen. Ook zijn sporen van een klein gebouw uit deze tijd aangetroffen. In het oosten van het onderzochte gebied zijn sporen uit de Late-MiddeleeuwenNieuwe Tijd aangetroffen. Deze laatste zijn niet behoudenswaardig, de sporen uit de IJzertijd wel. Er is een opgraving en een begeleiding geadviseerd voor de vindplaats uit de IJzertijd (Molthof en Burnier, 2012). Bodemkundig is het gebied gelegen op een smeltwaterwaaier, die is afgedekt met dekzand. De archeologische sporen uit de IJzertijd zijn gelegen in het dekzand. Het plaggendek op het dekzand is ongeveer 50 cm dik, met plaatselijk hieronder nog een veldpodzolgrond (Molthof en Burnier, 2012).
Molthof en Burnier (2012)
Van den Brink en Huijsmans (2016) Pels-Ouweneel (2019) Benerink (2019)
Tijdens de opgraving (101 m2) is een deel van een urnenveld uit de Vroege-IJzertijd en zijn delen van een grafveld uit de Midden- en Late-IJzertijd en bewoningssporen uit de Midden en Late-IJzertijd aangetroffen. Het terrein werd dus zowel voor bewoning als voor begraving gebruikt. De grafvelden zijn hooguit enkele generaties door één huishouden gebruikt. Er is een grote variatie in grafrituelen (Van den Brink en Huijsmans, 2016). 15
In het gebied waar een opgraving nodig was, waren veel bomen aanwezig, waardoor niet het hele terrein door Van den Brink en Huijsmans (2016) kon worden opgegraven. Daarom is een aanvullende opgraving (in de vorm van een archeologische begeleiding) uitgevoerd langs de randen van boomlocaties (slechts 5 m2 meer dan het gebied van Van den Brink en Huijsmans, 2016). Daarbij kan één paalkuil worden toegevoegd aan de reeds opgedane kennis. Deze maakt geen onderdeel uit van een gebouwstructuur (Pels-Ouweneel, 2019). Een ander deel van de boomlocaties is opgegraven door Benerink (2019), variant archeologische begeleiding. Bij aanvang van de begeleiding bleek dat de bouwput slechts tot 0,3 à 0,4 m -Mv werd ontgraven, waardoor niet in het archeologische sporenvlak is gegraven. Het eindvlak lag in geroerde grond. Hierin werden enkele aardwerkfragmenten aangetroffen en metaal, die passen bij het opgegraven nederzettingscomplex en grafveld (Benerink, 2019). 2180977100
Arnhemsestraat 88 te Leuvenheim
240 m ten oosten van deelgebied 3
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Op basis van het bureauonderzoek gold een hoge verwachting op vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum-Mesolithicum en nederzettingssporen uit de periode Neolithicum-Nieuwe Tijd. Uit het veldonderzoek blijkt dat verstoorde hoge enkeerdgronden aanwezig zijn. Veldpodzolgronden zijn niet aanwezig; het plaggendek en de veldpodzolgrond zijn verstoord door recente graafwerkzaamheden. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.
Hagens et al. (2008)
16
Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstandwindrichting
Datering
Type onderzoek
Omschrijving vondstmelding
3093288100
Kleine Engelenburg
Oosten van deelgebied 1
Neolithicum en IJzertijd
Niet-archeologisch
Er zijn crematieresten uit potten uit de Vroege-IJzertijd aangetroffen, aardewerk uit de Vroege-IJzertijd en klokbeker keramiek uit het Laat-Neolithicum-B. De vondsten uit de IJzertijd hebben betrekking op een urnenveld. Het complextype van de vondst uit het Neolithicum is onbekend.
2824643100
Houtwal
300 m ten noorden van deelgebied 1
Vroege-Middeleeuwen C
Archeologisch: inspectie
Badorf aardewerk, complextype onbekend.
2856793100
Rhiender Es
370 m ten noordoosten van deelgebied 1
Vroege-Middeleeuwen C
Archeologisch: (veld)kartering
Badorf aardewerk, complextype onbekend.
3078221100
Rhienderstein
500 m ten noorden van deelgebied 1
IJzertijd, LateMiddeleeuwen, Nieuwe Tijd
Archeologisch: (veld)kartering
Alle vondsten komen uit de stort. Complextype bewoning. Er is keramiek, steen en ijzer aangetroffen.
17
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype4
Kampontginningen met plaatselijk essen Heideontginning en bossen
Cultuurhistorische elementen5
Ja, Eerbeekseweg
Aard historisch landgebruik
Bouwland, bos, weiland
Historische bebouwing aanwezig
Nee, maar wel aanwezig geweest
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Het plangebied ligt buiten de historische kernen van Brummen en Leuvenheim. Brummen was in 794 in ieder geval al aanwezig (Ten Broeke, 2022). Op de Hottingerkaart uit 1780 is in deelgebied 1 een huisplaats aanwezig (bijlage 8; Versfelt, 2003). De huisplaats staat bekend onder de naam ‘Den Deuderik’. Tussen Deelgebied 1 en 2 was de oprijlaan van landgoed Engelenburg aanwezig. Deze oprijlaan maakt volgens de Cultuurhistorische kaart van de provincie Gelderland 6 deel uit van het beschermde rijksmonument ‘Landgoed Groot Engelenburg’. Het huis van het landgoed ligt ten westen van het plangebied.
In deelgebied 2 was in 1780 ook bebouwing aanwezig. Deelgebied 1, 3 en het noorden van deelgebied 2 maakten deel uit van een enk. Deelgebied 1 en 2 van de ‘Brummensen Enck’ en deelgebied 3 van de ‘Leuvense Enck’. Het zuiden van deelgebied 2 maakt deel uit van een nattere zone, die bekend stond onder de naam ‘Het Broek.’ Vanuit ‘Het Broek’ stroomde een beekje richting het oosten, richting de IJssel. Het westen van deelgebied 1 was in 1780 in gebruik als bos. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is ter plaatse van de bebouwing uit 1780 nog steeds bebouwing aanwezig (bijlage 8). Wel is de bebouwing in deelgebied 2 uitgebreid. Ook is te zien dat in het zuiden van deelgebied 2 vanaf landgoed Engelenburg een beek (naamloos) stroomde richting de IJssel. Verder is in het noorden van deelgebied 1 een dubbele, vierkante grachtstructuur te zien. Deze heeft op de beleidskaart archeologische waarde (bijlage 3). Tussen de watergangen stond ‘akkermaalsbos’. Dit is een bos van akkermaalshout, wat betekent dat het heggen van eikenhakhout waren, die als afscheiding van percelen werden gebruikt. Bebouwing is tussen of bij de watergangen niet aanwezig. Tussen 1832 en 1900 is de spoorlijn ten oosten van het plangebied aangelegd (bijlage 8). Ook is door of ten noorden van deelgebied 3 een weg aangelegd. Op de kaart uit 1900 lijkt de weg door
4 Histland1980; bron: https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden/#/kaart 5
Cultuurhistorie Provincie Gelderland; https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=ab18244f5ff74efc91ac5aeae4510bb7 6 Cultuurhistorie Provincie Gelderland; https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=ab18244f5ff74efc91ac5aeae4510bb7
18
deelgebied 3 te lopen, maar op kaarten vanaf 1955 ligt de weg ten noorden van deelgebied 3. Rond 1925 is de dubbel gracht structuur in deelgebied 1 verdwenen (bijlage 8). Tussen 1955 en 1980 zijn een aantal perceelsgrenzen in het plangebied verdwenen (bijlage 8). Ook is het bos in het plangebied gerooid. Volgens Building Ages in the Netherlands7 stamt de huidige bebouwing in het plangebied uit de periode 1923-2003. De bebouwing uit 1832 is dus bovengronds niet meer aanwezig. In het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig, uitgezonderd de bovengenoemde Eerbeekseweg als onderdeel van landgoed Engelenburg. Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied (bron: www.ikme.nl). Op de militaire landschappenkaart van de RCE8 zijn geen verdedigingswerken in het plangebied aanwezig uit de periode Middeleeuwen-Koude Oorlog. Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is grotendeels in gebruik als weiland. Ook komen boerderijen (deelgebied 1 en 2) en volkstuinen (deelgebied 2) voor. De bebouwing in deelgebied 1 beslaat in totaal ongeveer 2100 m 2 en in deelgebied 2 in totaal ongeveer 3530 m2. In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond.
Daarom zijn hier mogelijke en bekende bodemverstoringen besproken: • Ter plaatse van de bestaande bebouwing is de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Bouwtekeningen om de verstoringen mee te kwantificeren zijn niet beschikbaar bij de opdrachtgever. • Op de Ontgrondingenkaart van de provincie Gelderland9 zijn in het plangebied geen ontgrondingen bekend. Op het AHN ligt het noordwesten van deelgebied 1 perceelsgebonden ongeveer 70 cm lager dan het perceel direct ten zuiden en ten oosten ervan. Mogelijk hebben hier afgravingen plaatsgevonden. • De opdrachtgever heeft drie milieukundige vooronderzoeken aangeleverd (Eggink, 2023a, 2023b en 2023c). Hieruit blijkt dat binnen het plangebied geen saneringen zijn uitgevoerd. • Ter plaatse van bestaande kabels en leidingen is de ondergrond aangetast, vermoedelijk tot een vorstvrije diepte van ongeveer 80 cm -Mv. Er zijn kabels en leidingen aanwezig bij de bestaande bebouwing, in de L.R. Beijnenlaan (deelgebied 1), in de Oude Eerbeekseweg (deelgebied 2) en naast de Eerbeekseweg. In deelgebied 3 is alleen in de noordoosthoek een kabel aanwezig (Eggink, 2023a, 2023b, 2023c).
7 https://parallel.co.uk/netherlands 8 https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart 9 https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=757ce0e0dd7a407c85cd860775ae758a
19
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische verwachting en periode De archeologische verwachting in het plangebied hangt af van de landschappelijke ondergrond en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen: • Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied grotendeels is gelegen op daluitspoelingsafzettingen die zijn afgedekt met dekzand. In het zuiden van deelgebied 1, het noorden van deelgebied 2 en deelgebied 3 worden dekzandruggen verwacht. Deze zijn vermoedelijk afgedekt met hoge enkeerdgronden en/of loo- en laarpodzolzolgronden. Hier is de archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode LaatPaleolithicum-Late-Middeleeuwen hoog. In de omgeving zijn vondsten bekend uit de IJzertijd, Vroege-Middeleeuwen en Late-Middeleeuwen en in het plangebied (deelgebied 1) is sprake van een terrein van archeologische waarde. Het betreft een urnenveld uit de Bronstijd-IJzertijd, met daarnaast ook een vondst uit het Neolithicum. In het noordwesten van deelgebied 1 worden dekzandwelvingen verwacht. Hier is het maaiveld lager en ligt volgens een boring uit het Dinoloket klei aan het maaiveld. Bodemkundig worden hier veldpodzolgronden verwacht, die typerend zijn voor lager gelegen zandgronden. Hier is de archeologische verwachting middelhoog (Laat-Paleolithicum-Late-Middeleeuwen).
In het zuiden van deelgebied 2 worden overloop/crevasse-afzettingen verwacht met poldervaaggronden of beekeerdgronden. Op historische kaarten is hier weiland aanwezig. Deze zone was vanwege de lage en natte ligging vermoedelijk minder aantrekkelijk voor bewoning, waardoor de archeologische verwachting hier laag is. • Verder zijn op de Hottingerkaart uit 1780 en het Kadastrale Minuutplan uit 1832 historische huisplaatsen in het plangebied aanwezig. Hier is de archeologische verwachting op huisplaatsen uit de Nieuwe Tijd hoog. Vanwege onnauwkeurigheid op de Hottingerkaart is om de huisplaatsen op het Kadastrale Minuutplan een bufferzone van 25 m meegenomen, waarbinnen huisplaatsen aanwezig kunnen zijn (hoge verwachting). Er kunnen oudere voorgangers aanwezig zijn, die van de toppen van de dekzandruggen afkomstig zijn, en steeds verder naar beneden toe verplaatst zijn. Verder ligt de Eerbeekseweg in deelgebied 1 (onderdeel van beschermde rijksmonument ‘Landgoed Groot Engelenburg’) en kunnen nog restanten van grachtstructuren uit 1832 in deelgebied 1 aanwezig zijn. Deze grachtstructuren zijn niet gerelateerd aan het landgoed en hun precieze functie is onbekend. Bovenstaande archeologische verwachting is grafisch weergegeven in bijlage 9.
De begrenzing van de dekzandruggen, dekzandwelvingen en overloopzone is gebaseerd op de geomorfologische kaart, bodemkaart, historische kaarten en enkele boringen uit het Dinoloket. De historische elementen zijn gebaseerd op het Kadastrale Minuutplan. Stratigrafische positie en diepteligging Het archeologische niveau is de top van het dekzand, die onder een eerddek of onder de A-horizont verwacht wordt. In de omgeving is het plaggendek 50 tot 80 cm dik. Waar geen plaggendek aanwezig is, kan het archeologische niveau ondieper al aanwezig zijn (naar verwachting rond 30 cm -Mv). Vondsten en sporen uit de Nieuwe Tijd worden in en onder het eerddek verwacht. Complextypen, omvang en prospectiekenmerken De archeologische vondsten en/of sporen die verwacht worden zijn gerelateerd aan kampementen (Laat-Paleolithicum-Mesolithicum), nederzettingen (Neolithicum-Middeleeuwen), en grafvelden (Neolithicum-Middeleeuwen, maar met name Bronstijd-IJzertijd). Maar ook sporen van landgebruik kunnen niet worden uitgesloten: 20
•
•
•
•
Archeologische waarden uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum worden verwacht in de vorm van kampementen, die zich kenmerken door een spreiding van vuursteen en houtskool en grondsporen in de vorm van haardkuilen. Deze archeologische resten worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de bodem is afgetopt kan de trefkans voor deze periode worden bijgesteld naar laag, diepere grondsporen uit deze periode worden immers niet verwacht. Dit kan zo zijn wanneer de B-horizont van het dekzand is opgenomen in een eerddek, maar ook door vergravingen van andere aard. Archeologische resten uit de periode Neolithicum-Middeleeuwen worden verwacht in de vorm van huisplaatsen, die zich kenmerken door een spreiding van vuursteen en/of aardewerk, en huttenleem en grondsporen zoals paalgaten, afvalkuilen, greppels en waterputten. Ook deze waarden worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de oorspronkelijke podzolbodem is afgetopt (al dan niet opgenomen in het eerddek), is een eventueel vondstenniveau al verdwenen en worden alleen nog grondsporen verwacht. Sporen van begraving kunnen zowel in de vorm van inhumaties als crematies worden aangetroffen en kenmerken zich zowel door grondsporen (kringgreppels, grafkuilen) als door vondstmateriaal (grafcontainers, grafgiften, gecalcineerd bot), afhankelijk van de periode.
In het plangebied zijn urnen met crematieresten uit de periode Bronstijd-IJzertijd aanwezig. Ter plaatse van historische huisplaatsen uit de Nieuwe Tijd kunnen restanten van huisplaatsen in de vorm van funderingen aanwezig zijn. Ook kunnen afvalkuilen, waterputten en beerputten aanwezig zijn.
De omvang van vindplaatsen kan variëren van enkele tientallen vierkante meters voor vindplaatsen die betrekking hebben op jagers en verzamelaars (Laat-Paleolithicum-Mesolithicum), tot honderden vierkante meters voor een nederzetting die betrekking heeft op een enkele boerderij (vanaf het Neolithicum). Het AMK-terrein met urnenveld beslaat 5,3 ha. In hoeverre nog daadwerkelijke archeologische waarden aanwezig kunnen zijn hangt mede af van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de bestaande bebouwing en kabels en leidingen is de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Op het AHN ligt het noordwesten van deelgebied 1 perceelsgebonden ongeveer 70 cm lager dan het perceel direct ten zuiden en ten oosten ervan. Mogelijk hebben hier afgravingen plaatsgevonden. Of hierbij het archeologische niveau is verdwenen is niet bekend. Saneringen zijn binnen het plangebied niet uitgevoerd. Bovenstaande archeologische verwachting is samengevat in tabel 3.
21
Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.
1
Archeologische verwachting Datering
2 3
Complextype Omvang
4
Diepteligging
5
Gaafheid en conservering
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Reden Laag, Laat-PaleolithicumLigging op dekzandruggen en dekzandwelvingen middelhoog, Middeleeuwen naast het IJsseldal (hoge en middelhoge hoog verwachting) en ligging in natte overloopzone (lage verwachting). In het plangebied zijn vondsten bekend uit het Neolithicum en de Bronstijd-IJzertijd en in de omgeving zijn ook vondsten bekend uit de IJzertijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Hoog Nieuwe Tijd Ter plaatse van historische huisplaatsen op de Hottingerkaart en het Kadastrale Minuutplan is de verwachting op huisplaatsen hoog. Kampementen, nederzettingen, urnenvenld, huisplaatsen, sporen van landgebruik. 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen). Het AMK-terrein met urnenveld beslaat 5,3 ha. Top van het dekzand. In de omgeving is het eerddek 50 tot 80 cm dik. Waar geen plaggendek aanwezig is, kan het archeologische niveau ondieper al aanwezig zijn (naar verwachting rond 30 cm -Mv). +/Onverbrande organische vondsten zijn boven 120 cm -Mv vermoedelijk al gedegradeerd en geoxideerd. Zie bijlage 9. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten en grondsporen. Ter plaatse van de bestaande bebouwing en kabels en leidingen is de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Op het AHN ligt het noordwesten van deelgebied 1 perceelsgebonden ongeveer 70 cm lager dan het perceel direct ten zuiden en ten oosten ervan.
Mogelijk hebben hier afgravingen plaatsgevonden. Saneringen zijn binnen het plangebied niet uitgevoerd.
22
10. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart gemaakt (bijlage 9). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied grotendeels is gelegen op daluitspoelingsafzettingen die zijn afgedekt met dekzand. In het zuiden van deelgebied 1, het noorden van deelgebied 2 en deelgebied 3 worden dekzandruggen verwacht (bijlage9). Deze zijn vermoedelijk afgedekt met hoge enkeerdgronden en/of loo- en laarpodzolzolgronden. Hier is de archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-LateMiddeleeuwen hoog. In de omgeving zijn vondsten bekend uit de IJzertijd, Vroege-Middeleeuwen en Late-Middeleeuwen en in het plangebied (deelgebied 1) is sprake van een terrein van archeologische waarde. Het betreft een urnenveld uit de Bronstijd-IJzertijd, met daarnaast ook een vondst uit het Neolithicum. In het noordwesten van deelgebied 1 worden dekzandwelvingen verwacht. Hier is het maaiveld lager en ligt volgens een boring uit het Dinoloket klei aan het maaiveld. Bodemkundig worden hier veldpodzolgronden verwacht, die typerend zijn voor lager gelegen zandgronden. Hier is de archeologische verwachting middelhoog (Laat-Paleolithicum-Late-Middeleeuwen). In het zuiden van deelgebied 2 worden overloop-/crevasse-afzettingen verwacht met poldervaaggronden of beekeerdgronden.
Op historische kaarten is hier weiland aanwezig. Deze zone was vanwege de lage en natte ligging vermoedelijk minder aantrekkelijk voor bewoning, waardoor de archeologische verwachting hier laag is. Het archeologische niveau is de top van het dekzand, die onder een eerddek of onder de A-horizont verwacht wordt. In de omgeving is het plaggendek 50 tot 80 cm dik. Waar geen plaggendek aanwezig is, kan het archeologische niveau ondieper al aanwezig zijn (naar verwachting rond 30 cm -Mv). Verder zijn op de Hottingerkaart uit 1780 en het Kadastrale Minuutplan uit 1832 historische huisplaatsen in het plangebied aanwezig. Hier is de archeologische verwachting op huisplaatsen uit de Nieuwe Tijd hoog. Vanwege onnauwkeurigheid op de Hottingerkaart is om de huisplaatsen op het Kadastrale Minuutplan een bufferzone van 25 m meegenomen, waarbinnen huisplaatsen aanwezig kunnen zijn (hoge verwachting). Er kunnen oudere voorgangers aanwezig zijn, die van de toppen van de dekzandruggen afkomstig zijn, en steeds verder naar beneden toe verplaatst zijn. Verder ligt de Eerbeekseweg in deelgebied 1 (onderdeel van beschermde rijksmonument ‘Landgoed Groot Engelenburg’) en kunnen nog restanten van grachtstructuren uit 1832 in deelgebied 1 aanwezig zijn. Deze grachtstructuren zijn niet gerelateerd aan het landgoed en hun precieze functie is onbekend.
Vondsten en sporen uit de Nieuwe Tijd worden in en onder het eerddek verwacht. In hoeverre nog daadwerkelijke archeologische waarden aanwezig kunnen zijn hangt mede af van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de bestaande bebouwing en kabels en leidingen is de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Op het AHN ligt het noordwesten van deelgebied 1 perceelsgebonden ongeveer 70 cm lager dan het perceel direct ten zuiden en ten oosten ervan. Mogelijk hebben hier afgravingen plaatsgevonden. Of hierbij het archeologische niveau is verdwenen is niet bekend. Saneringen zijn binnen het plangebied niet uitgevoerd. Advies Het huidige onderzoek is uitgevoerd in het kader van een haalbaarheidsstudie naar woningbouw. Concrete plannen over ontgravingsdieptes en ophogingen zijn er nog niet. Gezien de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachtingskaart (bijlage 9) zijn er zones in het plangebied waar sprake is van een archeologische waarde, en een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Over het algemeen kan worden gesteld dat hoe hoger de waarde en verwachting, hoe groter het archeologische risico is. Daarmee wordt bedoelt dat bij een zone met een hogere 23
archeologische verwachting, de kans groter is dat archeologische resten worden aangetroffen dan bij een zone met een lagere archeologische verwachting. Daarmee neemt dan ook het risico op nader archeologisch vervolgonderzoek of planaanpassing (om de archeologie te ontzien) toe, waaraan kosten verbonden kunnen zijn. De zone waar het archeologische risico het grootst is, is de zone van archeologische waarde waarvan bekend is dat een urnenveld aanwezig is. Omdat het een vastgestelde vindplaats is, is de kans groot dat hier bij bodemingrepen uiteindelijk een opgraving nodig gaat zijn of maatregelen om de archeologische resten en sporen in de ondergrond te behouden (zoals bijvoorbeeld ophogen). Wanneer hier geen bodemingrepen gepland worden, zal er geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Ook ter plaatse van de historische huisplaatsen is de kans groot dat nader onderzoek nodig gaat zijn. De zones waar het archeologische risico het laagst is, zijn de zones met een lage en middelhoge archeologische verwachting. Hier is vanwege de landschappelijke ligging en de mogelijke afgraving de kans kleiner dat archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn. Bovenstaande is een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Brummen, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd.