(117) Zienswijzennota, kenmerk D431643
Tekst van het document
431643 Zaaknummer Onderwerp
: Z092637 : Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4A te Hall”
Algemeen Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4A te Hall” met de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van 30 september 2023 voor de duur van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen, met de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. Voor de volledigheid wordt hier vermeld, dat de volledige zienswijzen, zoals deze zijn ingediend, zijn betrokken bij het opstellen van de reactienota. Op de zienswijzen die betrekking hebben op het bestemmingsplan wordt hieronder inhoudelijk ingegaan. De zienswijzen zijn in samengevatte vorm weergegeven.
Blz. 2
Behandeling zienswijzen Formele aspecten: Van de volgende indieners zijn met betrekking tot het bestemmingsplan zienswijzen ontvangen: Indiener 1:
Documentnummer D421325 ontvangen op 9 november 2023;
De door indiener ingediende zienswijze is binnen de gestelde termijn binnengekomen, zodat zij tijdig is ingediend. Overeenkomstig artikel 3.30, tweede lid jo. artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van het bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat zienswijzen omtrent het ontwerp door een ieder naar voren kunnen worden gebracht. Een beoordeling van belanghebbendheid is om die reden niet aan de orde. Aanleiding voor het opstellen van dit ontwerpbestemmingsplan Aanleiding volgens indiener van de zienswijze Alvorens zijn zienswijzen kenbaar te maken schetst indiener wat volgens hem de aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is. Die zou namelijk niet zijn gelegen in het creëren van concreet zicht op legalisatie maar in het blokkeren van het door hem in gang gezette handhavingstraject. Dit terwijl de schade die indiener stelt te lijden als gevolg van een aantal zaken waarop om handhaving is gevraagd voortduurt en via dit bestemmingsplan zelfs verergert. Aanleiding volgens de gemeente Omdat nagenoeg elke zienswijze verwijst naar het handhavingstraject wordt eerst gereageerd op de (veronder)stelling van indiener dat met dit bestemmingsplan – doelbewust – het handhavingstraject doorkruist wordt. Die (veronder)stelling is niet juist.
De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan staat beschreven in par. 1.1 van de plantoelichting. Kort gezegd is tot de terinzagelegging van dit ontwerpbestemmingsplan besloten omdat: ▪ ▪
▪
de mini-camping van het naastgelegen perceel, ten behoeve waarvan de nu nog ter plaatse vigerende bestemming “Recreatie-verblijfsrecreatie” was gelegd, niet meer bestaat; sedert in ieder geval 2018, toen op het perceel Pongeweg 4a te Hall een woning gerealiseerd is, de op deze woning aansluitende gronden als tuin in gebruik genomen zijn, terwijl ter plaatse de bestemmingen “Recreatie-Verblijfsrecreatie en “Agrarisch met waarden – landschapswaarden A” vigeren; met indiener discussie bestaat of de bestaande woning in of net buiten het bestemmingsvlak met de bestemming “Wonen” ligt.
En eveneens omdat: A. de bestemming “Tuin”, gelet op het sedert 2018 bestaande gebruik, passender is dan de bestemmingen “Recreatie-Verblijfsrecreatie en “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden A”: B. met het verruimen van het bestemmingsvlak met de bestemming “Wonen” de discussie of de woning in of buiten dit vlak ligt beëindigd kan worden, is besloten om de bestemming van de onder A bedoelde gronden te wijzigen in “Tuin” en het bestemmingsvlak van de woning, als bedoeld onder B, iets te verruimen. Vorenstaande aanpassingen zijn uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar omdat: ▪
de bestemming “Tuin” recht doet aan de sedert 2018 bestaande feitelijke situatie en voor deze perceelsgedeelten dan ook passender is dan de bestemmingen die er nu op rusten;
Blz. 3
▪ ▪
voor zover de woning net buiten het bestemmingsvlak zou liggen deze overschrijding gering en daarmee acceptabel is. aan rijks- , provinciaal en gemeentelijk beleid getoetst is waarbij geconcludeerd is dat het schaalniveau van dit plan zo klein is en de ruimtelijke impact zo beperkt dat dit plan niet aan deze beleidsniveaus raakt.
De handhavingszaak die indiener noemt ligt bij de rechtbank. Dat met dit (ontwerp)bestemmingsplan het door indiener gestarte handhavingstraject doorkruist wordt, is niet juist. Het is de taak van het college om, als een verzoek om handhaving wordt ingediend, de mogelijkheid tot legalisatie te onderzoeken. Dat onderzoek heeft ook in dit geval plaats gevonden en heeft ertoe geleid dat er nu een (ontwerp)bestemmingsplan ligt waarin de op Pongeweg 4a aansluitende gronden een passender bestemming (Tuin) krijgen en het bestemmingsvlak van de bestemming “Wonen” wordt verruimd. Van het doorkruisen van andere onderdelen van het handhavingsverzoek dan die, waarvan beoogd wordt deze met dit (ontwerp)bestemmingsplan te legaliseren, is geen sprake. Op de handhavingsprocedure is het recht van toepassing zoals dat gold op het moment van het nemen van het handhavingsbesluit. Dit bestemmingsplan kan de regels van de lopende handhavingsprocedure dus niet wijzigen. Hierna volgt de inhoudelijke behandeling van de ingediende zienswijzen.
Blz. 4
Inhoudelijke behandeling
Nr. 1 A.
Samenvatting zienswijze Indiener 1, D421325 Ophogen van het perceel
Reactie
- Indiener is van mening dat (illegale) ophogingen hebben plaatsgevonden op het perceel en dat deze worden gelegaliseerd. Indiener verwijst hierbij naar de handhavingsprocedure en enkele foto’s. Gevreesd wordt voor het beschadigen van de boomgaard en het cultuurhistorische aanzicht.
Het gaat in deze bestemmingsplanprocedure niet om de vraag of ophogingen hebben plaats gevonden en hiervoor vergunning verleend had moeten worden, maar om de vraag of de in het (ontwerp)bestemmingsplan voorgestelde bestemmingen met de daarbij behorende regels vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn. Het ontwerpbestemmingsplan is – wat de bestemming “wonen” betreft - grotendeels gelijk aan het huidige (nog vigerende) bestemmingsplan: alleen het bestemmingsvlak van de woning is iets verruimd. Verder is aan delen van het perceel die nu nog de bestemming “Recreatie-Verblijfsrecreatie” en “Agrarisch met waarden landschap -A” hebben de bestemming “Tuin” gegeven. Zoals hiervoor reeds toegelicht zijn deze bestemmingen/bestemmingswijzigingen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. Daar komt bij dat de bestemmingen “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden A” en “Recreatie – verblijfsrecreatie” beide meer druk op de omgeving (kunnen) leggen dan de nu voorgestelde tuinbestemming (onder meer gebruik van landbouwmachines binnen de agrarische bestemming en stemgeluid binnen de bestemming “Recreatie – verblijfsrecreatie”). In die zin verbetert de planologische situatie juist door de voorgestelde bestemmingen.
Aanpassing
Blz. 5
Dit (ontwerp)bestemmingsplan kan, zoals hiervoor toegelicht, niet de regels wijzigen van de handhavingsprocedure. Op de handhavingsprocedure is het recht van toepassing dat gold op het moment van nemen van het handhavingsbesluit. In de handhavingszaak (dus niet in deze bestemmingsplanprocedure) zal aan de orde komen of: (i)
(ii)
B.
het college – voor wat betreft het peil – uit mocht gaan van het peil zoals dat (onherroepelijk) is vergund respectievelijk is uitgezet (waarbij wordt opgemerkt dat het uitgezette peil lager ligt dan het vergunde peil); of het handhavingsverzoek met betrekking tot de (beweerdelijke) ophoging voldoende specifiek was om als aanvraag te kwalificeren.
Peil - Indiener is van mening dat de gemeente het peil ten behoeve van de woning verkeerd (want niet conform art. 1.33 van de regels van het nu nog geldende bestemmingsplan) heeft ingemeten. Art. 1.33 van het huidige bestemmingsplan definieert peil als: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld
De discussie over het inmeten van het peil hoort thuis in de handhavingszaak, niet in deze bestemmingsplanprocedure. Terzijde wordt opgemerkt dat bezwaren tegen het vergunde peil naar voren hadden moeten worden gebracht tegen de verleende (en inmiddels onherroepelijke) omgevingsvergunning voor de bouw van de woning. Hoewel niet relevant in het kader van deze planprocedure wordt verder nog opgemerkt dat de toezichthouder het peil op de locatie heeft uitgezet zoals dat in de gemeente Brummen gebruikelijk is (vanaf 10 cm boven de kruin van de weg + 1 cm per
Blz. 6
strekkende meter). Op die manier wordt voorkomen dat een woning te laag komt te liggen en (hemel)water van de weg en het perceel richting de woning loopt. Het voor de bouw bepaalde en uitgezette peil ligt op 12,345 m + NAP. Dat is lager dan het met de omgevingsvergunning vergunde peil van 12,43 m + NAP.
C.
- Indiener is van mening dat de genoemde afwijking van het peil conform het huidige bestemmingsplan in de vergunning niet is vermeld als afwijking van het bestemmingsplan.
Dit punt ziet toe op de verleende (en inmiddels onherroepelijke) omgevingsvergunning voor de bouw van de woning, niet op het onderhavig (ontwerp)bestemmingsplan. Kritiek met betrekking tot de wijze waarop het peil is vergund had indiener in de vergunningenprocedure moeten uiten.
- Indiener is van mening dat de gooten nokhoogte door het verkeerde peil overschreden wordt (60 cm).
Ook dit punt betreft de verleende omgevingsvergunning, niet het (ontwerp)bestemmingsplan. Het onderhavige plan is in lijn met de bestaande woning en de onherroepelijke vergunning.
- Daarnaast heeft het peil ook invloed op de hoogte van alle gebouwen en bouwwerken. Zo wordt de maximale hoogte voor de voorgevellijn met 5060 cm opgerekt.
De discussie omtrent het peil en de wijze waarop dit bepaald en vergund is, speelt in de handhavingszaak, niet in deze bestemmingsplanprocedure. De gebouwen en bouwwerken die indiener noemt zijn alle legaal en niet hoger dan toegestaan.
Woning - Indiener is van mening dat de woning ver buiten de woonbestemming staat. De gegeven kwalificaties aan de overschrijding (gering en acceptabel) zouden dan ook opmerkelijk zijn.
Zowel het college als de externe adviseur heeft aan de hand van de BGT-kaart de bestemmingsgrens van het huidige bestemmingsplan digitaal onderzocht. Met inachtneming van de toelichting bij de BGT-kaart en de luchtfoto’s uit het gemeentelijke systeem kan worden gesteld dat aan deze gegevens een doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of binnen de grenzen van de
Blz. 7
woonbestemming is gebouwd. De inhoud van deze stukken, die vanwege hun detaillering minder ruimte bieden voor interpretatie, leidt tot de conclusie dat de woning binnen het bestemmingsvlak is gesitueerd. Om discussie over de vraag of de woning binnen of net buiten het bestemmingsvlak met de bestemming “Wonen” is gebouwd te beëindigen, wordt in dit (ontwerp)bestemmingsplan het bestemmingsvlak iets verruimd. Het verruimen van dit bestemmingsvlak is vanwege het beperkte schaalniveau en de ruimtelijke impact niet strijdig met een goede ruimtelijke ordening. Dit punt ziet toe op de verleende vergunning, niet op onderhavig bestemmingsplan.
- Ook is het onduidelijk of de oppervlakte van de woning conform de vergunning is.
Wij begrijpen deze zienswijze aldus dat indiener het niet eens is met het verruimen van het bestemmingsvlak met de bestemming “Wonen” en vindt dat er gehandhaafd had moeten worden.
- Indiener is van mening dat handhaving op een hoop stenen belangrijker is dan het in gevaar brengen van levende dingen op het eigen perceel.
Zoals hiervoor toegelicht wordt het bestemmingsvlak met de bestemming “Wonen” verruimd om de discussie of de woning daarbinnen of net daarbuiten valt te beëindigen. Het standpunt in de handhavingsprocedure is dat de woning binnen het bestemmingsvlak gebouwd is en handhavend optreden dus niet aan de orde is. Voor het geval onverhoopt toch sprake zou zijn van een overschrijding van het bestemmingsvlak door de woning is handhavend optreden, zoals indiener wenst onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen belang. Niet duidelijk is hoe een geringe overschrijding van het bestemmingsvlak aan de zijde van de woning, die vanaf het perceel van indiener niet
Blz. 8
zichtbaar is, indiener raakt en welk (proces)belang hij bij handhaving heeft. Indiener heeft er vanaf zijn perceel immers geen zicht op en er zijn geen gevolgen ten opzichte van geur, geluid, licht, trilling, emissie of ander risico te verwachten. De planologische uitstraling van de locatie verandert evenmin. Ook is geen precedentwerking te verwachten. Daar komt bij dat met de voorgestelde verruiming van het bestemmingsvlak sprake van concreet zicht op legalisatie. Dit is een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in dit concrete geval af mag zien van handhaving.
Tot slot is gebleken dat er geen causaal verband is tussen een mogelijke overschrijding van de bestemmingsgrens en de gestelde wateroverlast. Aanpassing van het bestemmingsvlak is – vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening – acceptabel om redenen die hiervoor zijn genoemd (o.a. overschrijding bestemmingsvlak is gering, geen gevolgen voor geluid e.d., planologische uitstraling van locatie wijzigt niet, geen precedentwerking, geen causaal verband tussen aanpassing bestemmingsgrens en gestelde wateroverlast). D.
Schuur - Indiener is van mening dat de schuur niet voldoet aan de criteria voor vergunningsvrij bouwen; nok- en goothoogte voldoen door het verkeerd gemeten peil niet aan de criteria.
Dit punt ziet toe op de verleende omgevingsvergunning en de handhavingszaak, niet op onderhavig bestemmingsplan.
- De schuur wordt volgens indiener met dit bestemmingsplan gelegaliseerd.
De schuur voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor en voldoet daarmee aan de vergunningsvrije regeling.
Blz. 9
Zou de schuur onverhoopt niet vergunningsvrij zijn, dan zou alsnog een omgevingsvergunning hiervoor moeten worden aangevraagd. Dat met dit bestemmingsplan de schuur gelegaliseerd wordt is dan ook onjuist. E.
F.
Retentievijver - Indiener is van mening dat de retentievijver in strijd is met het huidige bestemmingsplan. Dit wordt met het ontwerpbestemmingsplan gelegaliseerd.
Met dit ontwerpbestemmingsplan wordt aan de gronden waarop de retentievijver ligt de bestemming tuin te geven. Daarmee wordt beoogd de discussie over het beweerdelijk strijdig zijn van de retentievijver met het geldende bestemmingsplan te beëindigen. Legalisatie van de retentievijver (voor zover vereist) is dus inderdaad het doel van dit bestemmingsplan. Zoals hiervoor reeds opgemerkt is deze planwijziging niet strijdig met een goede ruimtelijke ordening.
- Ook vindt infiltratie niet (volledig) op eigen terrein plaats.
Dit punt ziet niet toe op het onderhavige bestemmingsplan.
Gebruik agrarisch bestemde gronden als tuin - Indiener is van mening dat het College verzuimt te handhaven op het gebruik van agrarisch bestemde grond als tuin.
Het college gaat over de vraag of wel/niet gehandhaafd moet worden. De raad gaat over de vraag of hij het ruimtelijk aanvaardbaar vindt dat de planologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Die vraag wordt met ja beantwoord. De geldende bestemmingen (“Recreatie-verblijfsrecreatie” en “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden A”) zijn niet passend en tegen het bestemmen van deze gronden als tuin bestaan geen ruimtelijke bezwaren. Zoals hiervoor ook al opgemerkt kunnen de bestemmingen “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden A” en
Blz. 10
“Recreatie – verblijfsrecreatie” beide meer druk op de omgeving leggen dan de nu voorgestelde tuinbestemming. In die zin verbetert de planologische situatie eerder dan dat zij verslechtert. Terzijde wordt opgemerkt dat door het ontwerp bestemmingsplan in de handhavingszaak sprake is van concreet zicht op legalisatie Dit is een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college af mag zien van handhaving. Hierbij worden belangen van derden niet geschaad.
- De ecologische gevolgen van een tuin ten opzichte van een agrarisch weiland zijn groot.
G.
Het gebruik van de gronden blijft praktisch gezien hetzelfde als in de huidige situatie. Daarnaast is op een agrarische bestemming veel meer mogelijk dan op een tuinbestemming, voorbeelden hiervan zijn bemesting, maaien, ploegen, gifspuiten, etc. Dat de ecologische gevolgen van de voorgestelde bestemming “Tuin” groot zijn ten opzichte van een agrarisch weiland is dan ook niet juist.
Toetsing aan functieveranderingsbeleid - Indiener is van mening dat de recreatiebestemming alleen gewijzigd kan worden naar natuur of agrarisch i.v.m. het Nationale Landschap en dat hier een goede toetsing op nodig is. Dit vergelijkbaar met de ontwikkeling op het eigen perceel in 2020.
Het gemeentelijke functieveranderingenbeleid (rood-voor-rood) ziet niet toe op dit plan. Toetsing aan het beleid is dan ook niet nodig voor onderhavig bestemmingsplan. Zoals hiervoor al uiteengezet is de bestemming “Tuin”, passender dan de bestemming die er nu op ligt en minder belastend voor de omgeving. Gezien de ligging van het perceel tussen de woonbestemming en een bosbestemming en het feit dat de mini-camping (ten behoeve waarvan de bestemming “Recreatie-verblijfsrecreatie was opgenomen) inmiddels beëindigd is, is sprake van een
Blz. 11
logische invulling qua toekomstig gebruik. In dit bestemmingsplan wordt het bestaande gebruik van gronden met de bestemmingen “Recreatie-Verblijfsrecreatie” en “Agrarisch met waarden-Landschapswaarden A” als tuin gelegaliseerd. Daartegen bestaan – vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening – geen bezwaren. De provinciale verordening verzet zich niet tegen deze ontwikkeling. De status “geen achtererfgebied” zou gehandhaafd moeten blijven zodat er geen zaken ten behoeve van het wonen/de woonbestemming zijn toegestaan, net als op het naastgelegen perceel van indiener.
H.
Toetsing aan vigerend bestemmingsplan - Indiener is van mening dat niet goed getoetst is aan het vigerende bestemmingsplan, omdat in dat geval meer strijdigheden naar voren waren gekomen.
I.
Dit punt ziet niet toe op onderhavig bestemmingsplan.
Toetsing aan gemeentelijk beleid - Indiener is van mening dat introductie tuinbestemming strijdig is met het gemeentelijk beleid en jurisprudentie uit 2011 (m.b.t. bestemmingsplan Buitengebied 2008 van gemeente Brummen).
J.
Vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt geregeld via een rijksregeling. Ruimtelijk gezien is er geen reden om de gronden met een tuinbestemming uit te sluiten als achtererfgebied. Op basis van jurisprudentie moeten er zwaarwegende redenen zijn om de rijksregeling omtrent vergunningvrij bouwen te niet te doen. Daar is in de onderhavige situatie geen sprak van.
De tuinbestemming is conform het huidige gebruik en passend in de omgeving. Het perceel wordt niet voor agrarische doeleinden gebruikt, (mede)gezien de aanplant op het naastgelegen perceel. De bestemming is conform SVBP2012.
Toetsing aan landelijk beleid - Indiener is van mening dat de bestemming ‘Tuin’ vergunningsvrij bouwen en ander gebruik in de hand werkt, wat een geheel andere invloed heeft op de omgeving dan de bestaande bestemmingen.
Gelet op de bestaande hoeveelheid oppervlakte aan bijgebouwen is het op dit moment slecht beperkt mogelijk vergunningsvrij bijbehorende bouwwerken te bouwen binnen de bestemming “Tuin.
Blz. 12
Bestemmingswijziging kan vergunningsvrij bouwen op dit moment dan ook niet in de hand werken. K.
L.
M.
Toetsing bodem - Indiener stelt dat er extra grond is aangevoerd met gebiedsvreemd materiaal, waar de handhavingsprocedure een andere uitkomst heeft (geen grond aangevoerd).
Dit punt ziet niet toe op onderhavig bestemmingsplan.
- Indiener is van mening dat voor het bodemonderzoek resultaten van een verouderd onderzoek zijn gebruikt/en er dus geen onderzoek is uitgevoerd.
Praktisch gezien verandert er niets: in het plan worden geen bouwwerken gerealiseerd en er vinden geen (bodem)ingrepen plaats. De woning is er al en de tuin is al in gebruik. De resultaten uit het bodemonderzoek zijn representatief voor de huidige situatie.
Toetsing lucht - Indiener is van mening dat de Toelichting te kort door de bocht is betreffende de uitleg van de luchtkwaliteit.
De toelichting wordt aangepast. De motivering betreffende de luchtkwaliteit wordt aangescherpt.
- Indiener ervaart hinder van de rook van de barbecue. Het terras speelt hierbij een grote rol, legalisatie is dan ook ongewenst.
Het is nu al mogelijk om te barbecueën en dat is ook mogelijk op het terrein van indiener.
Toetsing geluid - Indiener is van mening dat de geluidsbelasting is toegenomen door het terras. Daarnaast wordt ook overlast ondervonden van een zitmaaier.
N.
Toetsing water
Het geluid wat momenteel wordt geproduceerd (stemgeluid/geluid grasmaaier) staat niet in verhouding tot het geluid wat geproduceerd kan worden op een agrarische bestemming, die bijv. grote machines, die meer lawaai maken, niet uitsluit. Daarbij komt dat op een agrarische bestemming ook gemaaid mag worden. Tevens is een gedeelte van het perceel recreatief bestemd. Dit maakt een minicamping mogelijk, wat voor meer geluid kan zorgen dan een tuinbestemming
Toelichting wordt aangepast.
Blz. 13
O.
- Indiener is van mening dat een watertoets noodzakelijk is, gezien het feit dat het ontwerpbestemmingsplan ongelimiteerd waterpartijen (retentievijver), verhardingen, ophogingen en bouwwerken geen gebouw zijnde toestaat binnen de tuinbestemming.
Hoewel wij van mening zijn dat art. 3 van de planregels dat niet toestaat zullen we onderdeel e van art. 3.1 zodanig aanpassen dat duidelijk is dat slechts 100 m2 binnen de bestemming “Tuin” mag worden gebruikt als terras. Het nieuwe art. 3.1, aanhef en onder e komt te luiden: terrassen tot een maximale oppervlakte van 100 m2. Het gaat om een zeer beperkte toevoeging van verharding in het plangebied. Zekerheidshalve is een watertoets uitgevoerd. Het plan heeft geen invloed op de waterhuishuiskundige belangen. De plantoelichting zal op dit punt worden aangepast.
- Dit geldt eveneens voor de verruiming van de woonbestemming.
Het bestemmingsvlak ten behoeve van de bestemming “Wonen” is verruimd vanwege de met indiener lopende discussie of de woning binnen of buiten het bestemmingsvlak valt. Binnen de bestemming “Wonen” vindt geen verharding van oppervlakte plaats. Zekerheidshalve is een watertoets uitgevoerd. De conclusie is dat dit plan geen invloed heeft op de waterhuishoudkundige belangen.
Toetsing ecologie - Indiener is van mening dat de tuinbestemming vergunningsvrij bouwen toestaat, waardoor bijv. schuttingen geplaatst kunnen worden, wat een negatief effect heeft op de ecologie.
Op een agrarische bestemming wordt meer toegelaten dan op een tuinbestemming. Op een agrarische bestemming mag worden gemaaid, geploegd, e.d. De bestemmingswijziging is juist een verbetering voor de ecologie en komt de ecologie dan ook ten goede.
- Gevolgen op ecologische waarde van een gazon die gebruikt wordt als tuin, is verschillend met dat van een weiland.
Zonder een ecologisch rapport mag er op een agrarische bestemming worden geploegd, gemaaid, enz. Een tuinbestemming mag minder intensief bewerkt worden dan een agrarische bestemming. Deze wijziging bevordert de ecologische waarde juist.
Watertoets is toegevoegd. De toelichting en regels zijn daar op aangepast.
Blz. 14
P.
- Ook heeft het gebruik van verlichting op het terras grote invloed op het voorkomen van wild op het perceel.
Verlichting bij een huis/tuin is gebruikelijk. Daarbij komt dat de huidige woonbestemming verlichtingsmasten van maximaal 8 meter toestaat.
- Door de aanwezige verlichting gaat er lichtverstoring optreden bij het natuurbosje.
Verlichting bij een huis/tuin is gebruikelijk.
- Stukjes plasdras grasland zijn door de verhoging verdwenen. Ophogingen maken deel uit van de handhaving en daardoor lijkt volgens indiener een ecologische toets noodzakelijk.
Dit punt ziet niet toe op onderhavig bestemmingsplan.
Toetsing archeologie - Indiener is van mening dat er bodemingrepen hebben plaatsgevonden, waardoor toetsing op het bestemmingsplan noodzakelijk is.
Dit punt ziet niet toe op onderhavig bestemmingsplan.
- Indiener is van mening dat regel 1.29 Peil uit het ontwerpbestemmingsplan aangevuld moet worden.
Deze definitie is overgenomen uit het nu nog geldende bestemmingsplan.
- Indiener is van mening dat regel 3.1.d Speelvoorzieningen aangepast moet worden.
Voorstel van indiener is om de inhoud van artikel 2 lid 11 Bijlage II Bor op te nemen. Dit artikel is echter al van toepassing en hoeft dus niet opgenomen te worden in het plan.
- Indiener is van mening dat aan regel 3.2.2.b. een maximum aantal vierkante meters toegevoegd moet worden, zodat er niet een extra verkapt terras van vlonders gecreëerd kan worden.
De standaardregeling is opgenomen. Er is geen reden aanwezig om te beperken.
- Indiener is van mening dat regel 3.2.2. sub c (vlaggenmast) niet nodig is, aangezien dit al is toegestaan op de woonbestemming.
De regel die vlaggenmasten toelaat (art. 3.3.2 sub c) zal worden verwijderd.
- Indiener is van mening dat regel 4.2.1. Hoofdgebouwen de overschrijdingen van goot- en nokhoogte, niet correcte peil en de overschrijdingen van oppervlakte van de woning legaliseert. Hiervoor loopt een handhavingsprocedure.
Het doel van het bestemmingsplan is legalisatie. Om die reden is het bestemmingsvlak van de bestemming “Wonen” iets vergroot. Op die manier wordt zeker gesteld dat de woning binnen het bestemmingsvlak valt. De bepalingen over goothoogte, nokhoogte en peil zijn
Blz. 15
overgenomen uit het nu nog geldende bestemmingsplan. Daarbij komt dat het hoofdgebouw bestaande legale bebouwing betreft. - Indiener is van mening dat bij art. 9 strijdig gebruik toegevoegd moet worden dat het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als woonvertrek niet is toegestaan. Dit door discussie in handhavingsprocedure. - Indiener is van mening dat in artikel 11.1 Overige regels het paraplubestemmingsplan Archeologie ontbreekt in de opsomming.
- Indiener is van mening dat een bepaling moet worden opgenomen dat bepaald dat er niet zonder vergunning mag worden opgehoogd.
De regels zijn helder. Er is geen reden aanwezig om de regels aan te passen.
In artikel 5 en 6 staan de archeologische regels. Verwijzing naar het paraplubestemmingsplan hoeft dan ook niet opgenomen te worden in de opsomming. De regels zijn helder geformuleerd.
Belangenafweging: Ondanks het indienen van zienswijzen tijdens de formele procedure kan het zijn dat er verschil van inzicht blijft tussen de belangen van de omwonenden, maatschappij en de initiatiefnemer. Het is uiteindelijk aan de gemeente om de belangen te wegen. In dit geval gaat het om een herziening van het bestemmingsplan, het wijzigen van bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ als ook ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden A’ naar ‘Tuin’. Tevens wordt het bestemmingsvlak van de bestemming “Wonen” iets vergroot. Het gebruik van de gronden als privétuin heeft minder impact op de omgeving dan de realisatie van een minicamping. Het belang van het toestaan van de tuin- en woonbestemming ten opzichte van een recreatieve bestemming, is een positieve ontwikkeling die een kleiner effect heeft op de woon- en leefomgeving ten opzichte van bijvoorbeeld een minicamping. Dit geldt eveneens voor de agrarische bestemming, die intensiever bewerkt mag worden dan een tuinbestemming. Daarnaast wordt bij een verzoek om handhaving gekeken naar de mogelijkheid tot legalisatie. De belangen van derden worden in dit geval niet of nauwelijks geschaad. Daarbij weegt het belang van legalisatie zwaarder dan het belang van handhaving en het belang van de indieners, omdat zij niet worden beperkt door de legalisatie.