CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(117) QuickScan Natuurwaardenonderzoek - D446808

Besluitvormende raadsvergadering 19 december 2024, gemeente BrummenBij agendapunt: Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Molenstraat 30, Eerbeek9.635 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

446808

QuickScan natuurwaardenonderzoek Molenstraat 30 Eerbeek

Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

1

Colofon QuickScan natuurwaardenonderzoek Molenstraat 30 Eerbeek Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852

Opdrachtgever: Architectenbureau Jansen Eerbeek B. V. Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 6471 versie 1.0 Ligging plangebied: Molenstraat 30 Eerbeek Auteur: N. Sessink

Status: Definitief Rapportdatum: 10-6-2024 Veldwerk uitgevoerd door: N. Sessink

De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

2

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1

INLEIDING ................................................................................................................................ 7

HOOFDSTUK 2

HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 8

2.1 Situering ................................................................................................................................................ 8 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 3

VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................. 10

3.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 10 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ........... 10 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer .......................................................................................................... 10 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied ............................................................................................... 10 HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS .................................................................................................................. 12

4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 12 4.2 Omgevingswet; Natura 2000............................................................................................................... 12 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 12 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 13 4.5 Beleid ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk ........................................................................... 15 HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................................ 16

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 16 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ...................................................................... 16 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 17 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 19 HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................... 20

6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 20 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 21 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 22 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 25 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .......................................................................................... 28 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 28 HOOFDSTUK 7

CONCLUSIES........................................................................................................................... 29

3

SAMENVATTING Er zijn plannen om een bestaand kantoorpand te verbouwen tot woning aan de Molenstraat 30 Eerbeek. De plannen omvatten het plaatsen van twee dakkapellen en stukadoorswerkzaamheden. Daarnaast wordt beplanting rondom het kantoorpand gerooid. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 30 april 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied.

Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand niet uitgesloten worden. Er is nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkelfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebied. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wel uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied.

Als gevolg van het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling.

Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

4

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.

5

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • • •

Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Stikstofberekening uitvoeren voor de ontwikkelfase;

6

HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn plannen om een bestaand kantoorpand te verbouwen tot woning aan de Molenstraat 30 Eerbeek. De plannen omvatten het plaatsen van twee dakkapellen en stukadoorswerkzaamheden. Daarnaast wordt beplanting rondom het kantoorpand gerooid. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).

7

HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres: Molenstraat 30 Eerbeek. Het plangebied wordt omgeven door bebouwing. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).

8

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een vrijstaand kantoorpand. Dit kantoorpand bestaat uit metselwerk, gevelbekleding en delen met een pannen- en platdak. De gevels van het gebouw bestaan uit metselwerk zonder spouwmuur en bevat gevelbekleding. Het dak bestaat uit een pannendak met zonnepanelen en vogelschroot onder de pannen. Daarnaast zijn delen plat dak met bitumen dakbekleding aanwezig. Het gebouw bevat een dak overstek die naadloos aansluit op het metselwerk. Het plangebied bestaat verder uit (half)verharding en sierbeplanting. Het plangebied grenst aan verharding en beplanting. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.

Luchtfoto en begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

9

HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Er zijn plannen om een bestaand kantoorpand te verbouwen tot woning. De plannen omvatten het plaatsen van twee dakkapellen en stukadoorswerkzaamheden. Daarnaast wordt beplanting rondom het kantoorpand gerooid. Er is geen impressie van het wenselijk eindbeeld beschikbaar. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit: • Plaatsen twee dakkapellen; • Uitvoeren stukadoorswerkzaamheden; • Rooien van beplanting; • Bewonen van woning; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer.

De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan verharding en beplanting. Er is aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. Daarom wordt de aangrenzende beplanting meegenomen in het onderzoeksgebied. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt niet gelijk gesteld aan het plangebied. Hieronder is het plangebied en het onderzoeksgebied weergegeven. Vanaf heden wordt met het plangebied onderstaand onderzoeksgebied bedoelt.

10

Hierboven zijn het plangebied (gele lijn) en het onderzoeksgebied (rode lijn) weergegeven.

11

HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 12

c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a.

het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.

Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.

13

Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.

als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen 14

Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Omgevingsweteen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habit van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Beleid ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.

De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels te n aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.

15

HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.

16

Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt op minimaal 123 meter van gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren. Daarnaast ligt het plangebied op 146 meter afstand van gronden die tot de Groene ontwikkelingszone (Go) behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Go

GNN

123 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot het GNN behoren. Daarnaast ligt het plangebied op 146 meter afstand van gronden die tot de Go behoren.

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de GNN behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden behorend tot de Go worden aangegeven met de lichtgroene kleur (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Beschermingsregime De bescherming van het GNN en de Go kennen geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten de GNN en Go ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. de GNN en Go. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister 17

wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 1,66 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is de Veluwe. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

1,66 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

18

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, niet op voorhand uitgesloten worden. Er is nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkelfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied in de gebruiksfase neemt niet toe ten opzichte van de referentiesituatie door het bewonen van de nieuwe woning.

Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de gebruiksfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand niet uitgesloten worden. Er is nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkelfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebied. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wel uitgesloten.

19

HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek

6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • •

Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); Veldbezoek op 30-4-2024 door ervaren ecoloog;

6.1.2 Bronnenonderzoek Op 29 april 2024 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn in de afgelopen 5 jaar 36 verschillende waarnemingen bekend in de NDFF. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto onder.

Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied weergegeven. Er zijn 36 waarnemingen bekend in de directe omgeving van het plangebied.

De waarnemingen, opgenomen in de NDFF, hebben betrekking op de soortgroepen: vogels, blad- & levermossen, reptielen en zoogdieren. De volgende relevante waarnemingen zijn bekend in het plangebied. Deze waarnemingen worden hieronder benoemt en verderop in de soortbespreking van deze rapportage toegelicht.

20

• • • •

Er zijn 19 waarnemingen van de gewone dwergvleermuis bekend binnen het zoekgebied; Er zijn 3 waarnemingen bekend van de huismus binnen het zoekgebied; Er zijn twee waarnemingen bekend van de laatvlieger binnen het zoekgebied; Er is één waarneming bekend van de ringslang binnen het zoekgebied;

Door het ontbreken van waterrijke habitats in- en in de directe omgeving rondom het plangebied kan de ringslang uitgesloten worden binnen het plangebied. Deze soort wordt daarom niet meegenomen in de soortbespreking. 6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 30 april 2024 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Een groot aantal vogels hebben een bezet nest deze tijd van het jaar. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.

Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Enkele grondgebonden zoogdieren kunnen zogende jongen hebben in deze tijd van het jaar. Daarnaast benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen de zomerverblijfplaats bezetten in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen.

Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en geschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. De meeste amfibieënsoorten bezetten in deze tijd van het jaar de voortplantingswateren. Enkele soorten zoals heikikker en bruine kikker kunnen de voortplanting reeds voltooid hebben en eisnoeren/klompen in wateren afgezet hebben. Er is in het plangebied gezocht naar 21

amfibieën en eisnoeren/klompen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Overige soorten Het onderzoeksgebied is daarnaast niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, dag- en nachtvlinders, vissen, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd.

Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in de beplanting. Vogels die mogelijk in de beplanting nestelen zijn: zwartkop, heggenmus, winterkoning en merel. Er zijn tijdens het veldbezoek geen schijtsporen, prooiresten en braakballen aangetroffen van roofvogels en uilen in het plangebied. Ook zijn geen (oude) roofvogelnesten in de beplanting aangetroffen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen. Daarnaast bevat de bebouwing vogelschroot onder de pannen waardoor huismussen geen nest onder de pannen kunnen bezetten. De waarnemingen van huismus in de NDFF hebben geen betrekking op een nestplaats binnen het plangebied. Als gevolg van het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen grondgebonden zoogdieren waargenomen maar het plangebied behoort vermoedelijk tot leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als gewone bosmuis, steenmarter, egel en rosse woelmuis. Gewone bosmuizen, egels en rosse woelmuizen bezetten mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond in het plangebied. Een geschikte plek voor steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten is niet aanwezig in het plangebied. Er zijn daarnaast geen uitwerpselen (latrines) of prooiresten gevonden die duiden op de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van deze soort. Een vaste rust- of voortplantingsplaats van de steenmarter te herkennen naan stank nabij de vaste rust- of voortplantingsplaats. Deze stank is niet waargenomen. Een vaste rust- of voortplantingsplaats van de steenmarter is aan de hand van deze kenmerken goed vast te stellen. Door het rooien van beplanting wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield.

22

Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Rooien beplanting; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De bebouwing bevat geen spouwmuur en bevat geen toegankelijke kieren of gaten die vleermuizen kunnen benutten om een vaste rust- en voortplantingsplaats te bezetten in het gebouw. De gevels bevatten wel enkele ventilatieopeningen laag bij de grond, deze zijn echter gevuld met staalwol en daardoor ontoegankelijk voor vleermuizen (foto onder). De dak overstek van het gebouw sluit daarnaast naadloos aan op het metselwerk. Allerlaatst zijn geen losliggende pannen of kieren en gaten nabij gevel- en nokpannen waargenomen. Daarnaast ontbreken holen, holtes en losse schors in bomen in het plangebied die vleermuizen kunnen benutten om een vaste rust- en voortplantingsplaats te bezetten. De waarnemingen van laatvlieger en gewone dwergvleermuis in de NDFF hebben geen betrekking op een rust- en verblijfplaats in het plangebied.

Ventilatieopening dat door de aanwezigheid van staalwol niet toegankelijk is voor vleermuizen.

Door de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord, beschadigd of vernield en worden geen vleermuizen gedood. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; •

Foerageergebied

23

Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen en gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied voor amfibieënsoorten beschouwd.

Amfibieën als bruine kikker, “groene” kikker en gewone pad benutten het plangebied mogelijk wel als foerageergebied en bezetten er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond. Geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soorten is niet aanwezig in het plangebied. Het plangebied wordt tevens niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als heikikker, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Er zijn daarnaast geen waarnemingen van deze soorten rondom het plangebied bekend in de NDFF in de afgelopen vijf jaar. Door het rooien van beplanting wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste rustplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Rooien beplanting; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. Rode-lijstsoorten In de NDFF zijn binnen het plangebied geen waarnemingen van Rode-lijstsoorten bekend. Mogelijk benutten egels delen van het plangebied als leefgebied. Gezien de relatief kleine omvang van de werkzaamheden en de aanwezigheid van voldoende beplanting rondom het plangebied hebben voorgenomen werkzaamheden geen negatieve invloed op het voorkomen op populatieniveau van deze soort.

24

6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het rooien van de beplanting wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Grondgebonden zoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. In onderstaande tabel worden de toepasbare vangmiddelen per soort weergegeven.

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied. Deze vangmiddelen zijn het hele jaar toepasbaar in de gehele provincie (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 20-03-2023).

25

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen (mits er zorgvuldig gehandeld wordt); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt er geen vleermuis gedood en wordt er geen verblijfplaats verstoord, beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentieel foerageergebied Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën 1

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 26

opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen (mits er zorgvuldig gehandeld wordt); Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit is niet noodzakelijk. Rode-lijstsoorten Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden geen rode-lijstsoorten negatief beïnvloed in het voorkomen op populatieniveau.

27

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 11.54 lid 1a

Foerageergebied

Diverse soorten

Vogels

Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels Vleermuizen Vleermuizen

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren Verblijfplaats Foerageergebied

Niet van toepassing; functie is niet beschermd Art. 11.37 lid 1b

Diverse soorten Niet aanwezig Diverse soorten

Geen vogels doden Geen Geen

Vleermuizen Vleermuizen

Vliegroute Doden van dieren

Amfibieën

Foerageergebied

Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten

Art. 11.37 lid 1a Niet van toepassing Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing; functie is niet beschermd

Geen

Amfibieën

Vaste rustplaats

Diverse soorten

Geen

Amfibieën Amfibieën Overige soorten

Voortplantingsplaats Doden van dieren Dieren en overige functies

Niet aanwezig Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; Art. 11.54 lid 1a Niet van toepassing

Vogels

Diverse soorten

Geen Geen grondgebonden zoogdieren doden Geen Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Geen

Geen Geen

Geen Geen amfibieën doden Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep

Vaste rustplaats

Voortplantingsplaats

Vliegroute (vleermuizen)

Grondgebonden zoogdieren Vogels

Ja

Ja

n.v.t.

Essentieel foerageergebied Nee

Ja

Ja

n.v.t.

Vleermuizen

Nee

Nee

Amfibieën

Ja

Nee

Wettelijke consequenties Ja

Nader onderzoek vereist Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

n.v.t.

Nee

Ja

Nee

Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit vereist Nee, tenzij dieren gedood worden Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Nee, tenzij dieren gedood worden

6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

28

HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ’opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rusten voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten de GNN en Go, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het GNN en Go, omdat de bescherming van het GNN en Go geen externe werking kent in Gelderland.

Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand niet uitgesloten worden. Er is nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkelfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebied. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wel uitgesloten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied. Als gevolg van het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit van de Omgevingswet vereist.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14870513/3