(103) Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
P agina 5 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.
Waar moet ik op letten? Het waters chap vraagt u om in uw plan met de volgende drie aandachts punten rekening te houden. 1.
Vas thouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vas tgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiverings ins tallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlas t in benedens trooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waters chap.
2.
Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlas t te voorkomen advis eert het waters chap om boven de gemiddelde hoogs te grondwaters tand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat as pecten zoals ontwaterings diepte en infiltratie van hemelwater, bes chouwd worden ten opzichte van de GHG. Het s tructureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplos s ing en moet worden voorkomen. Het waters chap advis eert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heers ende grondwaters tanden en GHG. Eventuele grondwateroverlas t is in eers te ins tantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
3.
Schoon houden - s cheiden - s choon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afs tromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eis en / randvoorwaarden te s tellen aan bijvoorbeeld de toegepas te (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.
Achtergrondinformatie Bij grondwaterneutraal bouwen is het belangrijk om te kijken of de (geplande) ontwikkeling pas t bij de grondwaters tanden in het plangebied. Voor wonen, bedrijven en infras tructuur moet de grond niet te nat zijn en dus de grondwaters tand voldoende diep. Er zal geen grondwateroverlas t zijn als wordt voldaan aan de bij een bepaalde functie behorende ontwaterings diepte. Z o is de gangbare norm voor de ontwaterings diepte voor woningen (met kruipruimte) en s ecundaire wegen 70 cm beneden maaiveld. Wanneer grondwaters tanden s tructureel hoger liggen dan deze 70 cm dan kan wateroverlas t onts taan en kunnen de gebruiks functies worden aangetas t. Om voldoende ontwaterings diepte te bereiken, en toch aan te s luiten bij bes taande grond- en oppervlaktewaterpeilen kan overwogen worden het terrein integraal op te hogen, dan wel om over te gaan op s electief ophogen in combinatie met bijvoorbeeld bouwen zonder kruipruimtes te gebruiken. Waters chap heeft beleid rond drainage vas t gelegd in de Keur, en dan s pecifiek in algemene regel 3.2.54 Brengen van water in oppervlaktewaterlichaam A, B, en C. (https ://www.vallei-veluwe.nl/wat-doet-waters chap/voldoende-water/regels -rondom10-10-2022
P agina 6 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets water/)
10-10-2022
P agina 7 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 3.
Advies leggerwatergang Het plangebied raakt een leggerwatergang.
Wat moet ik doen? "Wij verzoeken u om uw plan bij ons in te dienen, via de blauwe knop 'DIRECT AANVRAGEN"" in het overzicht op de vorige pagina. Het waters chap zal u dan uitnodigen voor een overleg. In dit overleg bes preken we welke gevolgen de ontwikkeling heeft voor de A- en/of B-watergangen in het plangebied en met welke regels (Keur) rekening gehouden moet worden bij de verdere uitwerking van het plan. U dient uw plan eventueel aan te pas s en zodat het voldoet aan de eis en die het waters chap s telt omtrent A- en B-watergangen. De res ultaten van het overleg dient u op te nemen in de toelichting van het bes temmings plan. LET OP: met het aanvragen van de watertoets gaat u in ges prek met het waters chap over de waters chaps belangen. Dit is geen vergunningenprocedure. Mogelijk moet u nog een watervergunning aanvragen voor uw plan. Daarnaas t zijn er mogelijk nog andere belangen in het gebied (provincie, gemeente). U dient zelf contact op te nemen over de mogelijke gevolgen voor uw plan."
Waar moet ik op letten? In de Keur en de legger van het waters chap is informatie vas tgelegd over de bes taande watergangen. Het is van belang dat uw plan geen negatieve invloed heeft op de aan- en afvoerfunctie van de watergang en de watergang bereikbaar is voor onderhoud. Om A- en B-watergangen te kunnen onderhouden, moet er bijvoorbeeld een vrije ruimte (onderhouds s trook) van minimaal 5 meter aan één of beide kanten (afhankelijk van breedte watergang) van de watergang bes chikbaar zijn. In overleg met het waters chap moet worden bekeken wat in uw s ituatie van belang is en hoe u binnen uw plan om kunt gaan met de aanwezige watergang(en).
Achtergrondinformatie A- en B- watergangen zijn watergangen die belangrijk zijn voor de watertoevoer of afvoer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het belangrijk dat de functie van deze watergangen en de benodigde ruimte voor onderhouds werkzaamheden bes chermd wordt. Waar de leggerwatergangen zich bevinden en welke eis en eraan gekoppeld zijn kunt u vinden in de legger en de Keur van het waters chap. https ://www.valleiveluwe.nl/wat-doet-waters chap/voldoende-water/regels -rondom-water/
10-10-2022
P agina 8 van 8
https://dewatertoets.nl
Quickscan Wet natuurbescherming Engelenburgerlaan 31 te Brummen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-1132
Datum:
11 november 2022
Samensteller:
ir. ing. D. Bogers
Collegiale toets:
ing. J. Dekkers
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
J. Jentink
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
10
2.5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
19
3.3
Houtopstanden
21
4 Samenvatting
22
4.1
Soortenbescherming
22
4.2
Gebiedsbescherming
22
4.3
Houtopstanden
22
5 Conclusie
23
5.1
Conclusie
23
5.2
Uitvoerbaarheid
23
5.3
Vervolgstappen
23
5.4
Te treffen maatregelen
23
1 Inleiding Aan de Engelenburgerlaan 31 te Brummen is een gemeentehuis, brandweerkazerne, werkloods en parkeerterrein gesitueerd. De Gemeente Brummen is voornemens op het huidige parkeerterrein diverse solar carports te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Engelenburgerlaan 31 te Brummen.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Engelenburgerlaan 31 te Brummen (figuur 1.2). Op de planlocatie is onder andere een gemeentehuis en brandweerkazerne aanwezig. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep blijven alle gebouwen behouden. Ten noordwesten van het gemeentehuis zijn houtopstanden met oude bomen aanwezig met onder andere diverse beuken. Deze oude bomen blijven binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden. Ten zuiden van het gemeentehuis is een natuurvriendelijke vijver met enkele struwelen aanwezig. Deze elementen blijven binnen de beoogde ontwikkeling tevens gehandhaafd. Het grootste deel van de planlocatie bestaat uit een, middels bestrating, verhard parkeerterrein. Op en nabij dit parkeerterrein zijn diverse goed onderhouden (jonge) bomen, struiken en gazonstroken aanwezig. Het aanwezige groen zal vrijwel volledig ingepast binnen de ontwikkeling. Er worden binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen bomen gekapt. De groenstrook ten westen van het parkeerterrein (parallel aan de spoorweg) dient echter wel gesnoeid te worden. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Engelenburgerlaan 31 te Brummen. De directe omgeving ten zuiden en oosten van de planlocatie wordt gekenmerkt door groen ingerichte woonwijken. Ten westen van de planlocatie loopt een spoorlijn met daarachter diverse agrarische percelen. De dichtstbijzijnde rivier betreft de IJssel, circa 1,7 km ten oosten van de planlocatie. De dichtstbijzijnde snelweg (A348) ligt circa 7,3 km ten zuidwesten van de planlocatie.
5
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving ten westen van de planlocatie. Op de voorgrond is een gedeelte van de te snoeien groenstrook zichtbaar.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van meerdere solar carports op het huidige parkeerterrein. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen (snoeien): graaf- en snoeiwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie solar carports: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Bouwstudio Bart Oudendijk). 6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Bogers en J. van Soolingen. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 17 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 7
Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
8
In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht.
Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft.
9
Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is de aanwezigheid van de volgende beschermde plantensoorten bekend: groot spiegelklokje, kruiptijm en wilde ridderspoor (NDFF 2012-2022). De planlocatie betreft een vrijwel volledig verhard parkeerterrein met daar omheen enkele goed onderhouden groenstroken. Deze groenstroken blijven binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden. Groot spiegelklokje en wilde ridderspoor groeien beide op zonnige, matig voedselrijke en kalkrijke plaatsen. Groot spiegelklokje groeit onder andere op akkers, dijken, braakliggende grond en langs (spoor)wegen. Wilde ridderspoor groeit tevens op ruderale plaatsen, maar met name in wintergraanakkers, bij graansilo’s en graanoverslagbedrijven. Op de planlocatie is geen sprake van ruderale plaatsen of akkers.
De groenstroken rond het te bewerken parkeerterrein zijn jaarrond begroeid en worden goed onderhouden middels maai- en snoeiwerkzaamheden. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep blijven deze groenstroken gehandhaafd, waardoor negatieve effecten ten aanzien van kruidige vegetatie zijn uitgesloten. De aanwezigheid van plantensoorten als dauwbraam en zevenblad in deze groenstroken duiden op te voedselrijke (i.e. ongeschikte) omstandigheden voor groot spiegelklokje en wilde ridderspoor. Wegens het ontbreken van geschikte standplaatsen kan de aanwezigheid van groot spiegelklokje en wilde ridderspoor op de planlocatie uitgesloten worden. Kruiptijm groeit op zonnige, matig droge, voedselarme en kalkrijke grond. Voorbeelden van groeiplaatsen zijn (kalk)grasland en zeeduinen. Op de planlocatie is geen sprake van droge, voedselarme en kalkrijke omstandigheden. De aanwezigheid van onder andere dauwbraam en zevenblad duiden hierop. De aanwezigheid van kruiptijm kan op de planlocatie derhalve uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: dauwbraam, rododendron, straatgras en zevenblad. Op de bestrating is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, edelhert, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, edelhert, otter, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De bever en otter komen beide voor in en rond water. Het leefgebied van de bever bestaat uit allerlei typen water en de daaromheen gelegen, met houtige vegetatie begroeide, oevers. In deze oevers worden holen en burchten gemaakt die dienen als rust- en voortplantingsplaats voor de soort. Otters leven in de oeverzones van schone wateren met voldoende dekking en rust. 11
Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt in dichte vegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten nabij water. Waarnemingen van de bever en otter zijn vrijwel uitsluitend bekend rond de IJssel, welke op grote afstand van de planlocatie (> 1,5 km) is gelegen (NDFF 2012-2022). Ten zuiden van het gemeentehuis is een natuurvriendelijk ingerichte vijver gesitueerd, welke niet in verbinding staat met andere oppervlaktewateren. Gezien de beperkte omvang van dit waterlichaam en de grote mate aan menselijke verstoring direct rond dit waterlichaam, kan de aanwezigheid van de bever en otter hier uitgesloten worden. Derhalve kan uitgesloten worden dat er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep negatieve effecten ontstaan voor de bever en otter. Boommarter, edelhert en rode eekhoorn zijn alle drie kenmerkende soorten voor bosgebieden. De rusten voortplantingsplaatsen van de boommarter bestaan onder andere uit boomholten, holen van andere zoogdieren, ruimten tussen boomwortels en takkenhopen. Het edelhert zoekt gebieden met dekking (zoals struiken of dicht op elkaar staande dennen) op om te rusten. De soort foerageert buiten het bos ook in cultuurlandschap. De rode eekhoorn bouwt nesten in bomen maar maakt ook gebruik van boomholten of oude vogelnesten als rust- en voortplantingsplaats.
De planlocatie bestaat uit een parkeerterrein met diverse groenstroken en druk bezochte gebouwen in het bebouwd gebied van Brummen. Er is geen sprake van een rustig bosgebied. Hiermee kan op voorhand uitgesloten worden dat de planlocatie een (essentiële) functie vervult voor het edelhert. Gedurende het veldbezoek is, in een van de grote beuken in het noorden van de planlocatie, één (spechten)hol aangetroffen. Hoewel de holte niet van voldoende grootte is om te gebruiken door een boommarter, faciliteert dit hol mogelijk een geschikte rust- of voortplantingslocatie voor de rode eekhoorn. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep blijft deze boom (en daarmee de potentiële verblijfplaats van rode eekhoorn) echter behouden. De directe omgeving rond deze bomen wordt tevens niet aangetast, waardoor de functionaliteit van deze potentiële verblijfplaats behouden blijft. Afgezien van het spechtenhol zijn er op en nabij de planlocatie geen boomholten of (vogel)nesten aangetroffen waarvan de boommarter en rode eekhoorn potentieel gebruik kunnen maken. Tevens is het plangebied, gezien de hoge mate van verstoring door betreding, ongeschikt voor deze soorten om een andere grondgebonden verblijfplaats te vinden. De groenstrook in het westen van de planlocatie vormt mogelijk een verbindingsroute voor de rode eekhoorn en/of boommarter.
Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep blijft deze groenstrook echter behouden. De beoogde snoeiwerkzaamheden hebben geen invloed op de functionaliteit van een potentiële migratieroute. Negatieve effecten ten aanzien van de boommarter en rode eekhoorn zijn derhalve uitgesloten. De bunzing, steenmarter en wezel behoren tot de marterachtigen. Deze soorten komen onder andere voor in kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende structuur (o.a. houtwallen, greppels, sloten met overhangende vegetatie). Stedelijk gebied kan echter ook deel uitmaken van het leefgebied van deze soorten. Rust- en voortplantingsplaatsen bestaan onder andere uit holen van andere zoogdieren, takken- en steenhopen en rommelschuurtjes. De steenmarter heeft hierbij in het bijzonder een voorkeur voor stenige structuren, zoals gebouwen. De planlocatie is grotendeels verhard en bevat weinig structuren die van potentieel belang zijn voor deze marterachtigen. Er zijn gedurende het veldbezoek geen sporen of holen aangetroffen die duiden op de mogelijke (vaste) aanwezigheid van deze soorten. De gebouwen op en nabij de planlocatie faciliteren wegens het ontbreken van geschikte openingen en het actief gebruik van de gebouwen geen geschikte verblijfplaatsen voor de bunzing, steenmarter en wezel.
Wegens het gebrek aan structuurelementen en de hoge mate van menselijke verstoring kan uitgesloten worden dat het parkeerplaats waar de werkzaamheden beoogd zijn een essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van deze soorten. De groenstrook ten westen van de planlocatie vormt voor deze soorten mogelijk een migratieroute. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt de functionaliteit van deze groenstrook echter niet aangetast. De geplande (snoei)werkzaamheden resulteren derhalve niet in negatieve effecten ten aanzien van de bunzing, steenmarter en wezel.
12
De das komt onder andere voor in cultuurlandschappen met voldoende dekking in de vorm van bosjes, heggen en houtwallen. Burchten dienen voor deze soort als rust- en voortplantingsplaats. Deze burchten bevinden zich in bosranden, houtwallen, brede heggen of op hooggelegen terrein of hellingen. Op de planlocatie is geen dassenburcht aanwezig. Tevens is er, wegens de ligging van de planlocatie in bebouwd gebied en de hoge mate aan menselijke verstoring, geen sprake van geschikt leefgebied van deze soort. Derhalve kan de aanwezigheid van de das op de planlocatie uitgesloten worden. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Er is één spechten(hol) aangetroffen in een van de oude beuken in het noorden van de planlocatie (figuur 3.1). Deze holte dient mogelijk als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep vinden er echter geen kapwerkzaamheden plaats. Deze potentiële verblijfplaats blijft derhalve behouden.
De beoogde werkzaamheden leiden, wegens de relatief grote afstand (circa 15 m) tot de (van de werkzaamheden af gerichte) opening, niet tot verstoring van eventueel aanwezige vleermuizen. Om lichtverstoring van eventueel aanwezige vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden bij voorkeur uitsluitend overdag uitgevoerd te worden. Indien het noodzakelijk is om te werken met kunstmatige verlichting, deze niet in de richting van de potentiële verblijfplaats schijnen (zie H5.4). In de overige bomen op de planlocatie zijn geen elementen aangetroffen die potentiële verblijfplaatsen vormen voor vleermuizen. De ontwikkeling resulteert, indien rekening wordt gehouden met maatregelen in het kader van lichtverstoring (H5.4), niet in het wegnemen (van de functionaliteit van) verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
13
Figuur 3.1 In één van de grote beuken ten noorden van het parkeerterrein is een (spechten)hol aangetroffen. Dit vormt voor boombewonende vleermuizen een potentiële verblijfplaats. De opening is gericht naar het noorden en is derhalve van de werkzaamheden af gericht. Deze boom wordt niet gekapt. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep zijn geen werkzaamheden beoogd aan gebouwen. Hierdoor is het uit te sluiten dat er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep vleermuisverblijfplaatsen worden verwijdert. Van negatieve effecten van de werkzaamheden op omliggende gebouwen (en de daarin mogelijk aanwezige vleermuisverblijfplaatsen) is tevens geen sprake. Het gemeentehuis is aan de zijde van het parkeerterrein opgetrokken uit glas en kunststof beplating. Voor vleermuizen is dit geen geschikte bebouwing om een verblijfplaats te vinden. De realisatie van de solar carports nabij het gemeentehuis resulteren derhalve niet in de verstoring van of het wegnemen van de functionaliteit van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. De brandweerkazerne grenst gedeeltelijk aan de parkeerplaats waar de solar carports gerealiseerd worden. Een gedeelte van de brandweerkazerne is opgetrokken uit gemetselde muren. In deze gevels zijn open stootvoegen aanwezig, waardoor vleermuizen dit gebouw mogelijk kunnen gebruiken al verblijfplaats.
Tussen de brandweerkazerne en de te realiseren solar carports is voldoende ruimte aanwezig (circa 7,5 m). De functionaliteit van de inen uitvliegopeningen wordt derhalve niet aangetast als gevolg van de aanwezigheid van de solar carports. Ook gedurende de werkzaamheden dienen deze potentiële in- en uitvliegopeningen vrij toegankelijk te blijven. Het is derhalve niet toegestaan openingen in de bebouwing te blokkeren met bijvoorbeeld voertuigen of bouwmaterialen (zie H5.4). Om lichtverstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden bij voorkeur uitsluitend overdag plaats te vinden. Indien het noodzakelijk is om te werken met kunstmatige verlichting, deze niet in de richting van de potentiële verblijfplaatsen schijnen (zie H5.4). Indien deze maatregelen worden opgevolgd, zijn negatieve effecten ten aanzien van deze vleermuis(verblijfplaatsen) uitgesloten. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Mogelijk vormt de planlocatie algemeen foerageergebied voor vleermuizen. In de nieuwe situatie kan de planlocatie deze functie blijven vervullen. Daarnaast zijn er in de omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden beschikbaar, zoals de nabijgelegen houtopstanden of agrarische percelen.
De planlocatie maakt derhalve geen onderdeel uit van een essentieel foerageergebied. De groenstrook in het westen van de planlocatie is mogelijk onderdeel van een vliegroute. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt de functionaliteit van deze vliegroute echter niet permanent aangetast, omdat er enkel snoeiwerkzaamheden zijn beoogd. Om tijdelijk verlies van functionaliteit van de vliegroute te voorkomen, dienen maatregelen opgevolgd te worden in het kader van lichtverstoring.
14
De werkzaamheden mogen bij voorkeur niet uitgevoerd worden tussen zonsondergang en zonsopkomst. Indien het noodzakelijk is om gebruik te maken van kunstmatige verlichting, deze niet op de groenstrook in het westen van de planlocatie schijnen (zie ook H5.4). Indien deze maatregelen worden opgevolgd kan uitgesloten worden dat de beoogde ingreep negatieve effecten heeft op potentiële vliegroutes. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Amfibieën, waaronder de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker, leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Het voortplantingswater van de Alpenwatersalamander bestaat uit allerlei oppervlaktewateren, met uitzondering van stromende of visrijke wateren. De soort komt voor in heidegebieden, agrarisch gebied, op ruderale terreinen en in dorpen en steden.
De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. Het voortplantingswater is vrij groot en geïsoleerd en heeft onder andere een rijke watervegetatie. De poelkikker komt voor in gebieden met stilstaande, zonbeschenen wateren met een vrij dichte begroeiing van waterplanten. Direct rond het voortplantingswater dient geschikt landhabitat aanwezig te zijn, wat onder andere bestaat uit weilanden en bossen. Waarnemingen van Alpenwatersalamander en kamsalamander zijn bekend op vrij korte afstand van de planlocatie (circa 130 m; NDFF 2012-2022). De poelkikker is vrijwel uitsluitend waargenomen in het buitengebied. De dichtstbijzijnde waarneming van de poelkikker is circa 370 m ten westen van de planlocatie gedaan (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn een natuurvriendelijke ingerichte vijver en diverse struwelen aanwezig. Dit in combinatie met de kleine afstand tussen de planlocatie en bekende waarnemingen van beschermde soorten, zorgt ervoor dat de aanwezigheid van deze soorten in de vijver en aanwezige struwelen niet uitgesloten kan worden. Het oppervlaktewater en de groene structuurelementen die mogelijk leefgebied vormen voor amfibieën blijven binnen de beoogde ingreep echter behouden. Er is derhalve geen sprake van het verwijderen van potentiële overwinteringsstructuren.
De planlocatie bestaat grotendeels uit bebouwing en een verhard parkeerterrein. Deze onderdelen vormen voor amfibieën geen geschikt leefgebied. Gezien de werkzaamheden zich beperken tot het parkeerterrein, is er geen sprake van aantasting van onderdelen van het leefgebied van (beschermde) amfibieën. Omdat er binnen het plangebied op het parkeerterrein reeds sprake is van veel verstoring, resulteert de beoogde ingreep ten aanzien van beschermde amfibieën niet tot een toename van verstoring. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de hazelworm en ringslang (NDFF 20122022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Reptielen, waaronder de hazelworm en ringslang, zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.
15
De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige en met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort wordt het meeste waargenomen in bos- en heideterreinen, maar kan ook voorkomen in houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen en kalkgraslanden. Het drukke parkeerterrein en de bebouwing vormen voor de hazelworm geen geschikt leefgebied. Het is echter niet uit te sluiten dat de hazelworm voorkomt in de groenstrook in het westen van de planlocatie (grenzend aan de spoorweg). Gezien de beoogde werkzaamheden zich ten aanzien van deze groenstrook beperken tot snoeiwerkzaamheden, is er echter geen sprake van aantasting van potentieel leefgebied van de hazelworm. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de hazelworm uitgesloten. De ringslang is gebonden aan rustige, waterrijke gebieden en jaagt voornamelijk op amfibieën. De soort overwintert onder andere tussen houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. Waarnemingen van de ringslang zijn bekend op relatief korte afstand van de planlocatie (circa 130 m; NDFF 2012-2022). Gezien de bosrijke omgeving en de aanwezigheid van een natuurvriendelijk ingerichte vijver, kan de aanwezigheid van de ringslang in deze onderdelen van de planlocatie niet uitgesloten worden.
De beoogde werkzaamheden beperken zich echter tot het huidige parkeerterrein, wat, gezien het gebrek aan structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring, geen geschikt leefgebied is voor de ringslang. De vochtige of met dichte vegetatie bedekte gebieden die op en rond de planlocatie aanwezig zijn, blijven behouden. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de ringslang uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Op de planlocatie is enkel een natuurvriendelijk ingerichte vijver aanwezig. Er zijn geen werkzaamheden beoogd aan deze vijver. Gezien de beperkte omvang en (variatie in) diepte van deze vijver, wordt de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet verwacht. De beoogde werkzaamheden leiden ten aanzien van vissen in dit water niet tot verstoring. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart (NDFF 2012-2022).
De grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder zijn alle drie gebonden aan bosgebieden. De grote vos komt voor in (vochtige) bossen, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplanten betreffen iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. Het leefgebied van de grote weerschijnvlinder bestaat uit oudere en vochtige bossen. Waardplanten zijn boswilg en grauwe wilg. De kleine ijsvogelvlinder komt voor om gevarieerde, vochtige, gemengde bossen. De waardplanten van deze soort zijn (wilde) kamperfoelie en sneeuwbes. Waarnemingen van deze soorten zijn voornamelijk bekend in landelijk gelegen bosgebieden ten westen van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn geen waardplanten van de voorgenoemde soorten aanwezig. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep komen daarnaast geen groenstructuren te vervallen. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder uitgesloten. De sleedoornpage komt voor in en nabij sleedoornstruwelen, houtwallen en bosranden. Waardplanten betreffen sleedoorn en enkele gecultiveerde Prunus-soorten. Op de planlocatie zijn geen waardplanten van de sleedoornpage aangetroffen. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de sleedoornpage uitgesloten.
16
Teunisbloempijlstaart komt voor in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten betreffen wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep komen geen groene delen te vervallen. De beoogde snoeiwerkzaamheden hebben derhalve geen effect op eventueel aanwezige waardplanten van de teunisbloempijlstaart. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van deze soort uitgesloten. Binnen het voor de ontwikkeling aangewezen werkgebied is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: appelvink, ekster, koolmees, koperwiek en sperwer (overvliegend). Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20122022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). De beoogde ruimtelijke ingreep heeft geen effect op gebouwen. Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden is daarnaast geen bebouwing aanwezig die geschikte nestlocaties faciliteert voor de huismus. Tevens blijven de op de planlocatie aanwezige groenstructuren (i.e. mogelijk functioneel leefgebied van de huismus) gehandhaafd. Derhalve kan uitgesloten worden dat de beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot negatieve effecten ten aanzien van de huismus. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is.
Gezien er op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden geen geschikte nestlocaties voor de gierzwaluw aanwezig zijn, zijn negatieve effecten ten aanzien van deze soort uitgesloten. De bebouwing rondom de planlocatie zijn niet geschikt als nestlocatie voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie vormt, gezien het beperkte oppervlakte en de aanwezigheid van veel verharding en verstorende elementen, geen essentieel leefgebied voor uilen en andere roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
17
Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de snoei- en bouwwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
18
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 800 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.2).
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 740 m tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van diverse solar carports op het huidige parkeerterrein. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Het realiseren van de solar carports is relatief eenvoudig, waardoor er sprake is van een korte bouwfase met relatief weinig inzet van machines. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang met een relatief korte bouwfase, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven.
19
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 670 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 470 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.3). Op een afstand van circa 12 km ligt Weidevogelgebied (geen kaartweergave). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 800 m van de planlocatie (figuur 3.4). Op een afstand van circa 400 m ligt de Beschermingszone natte landnatuur (figuur 3.5). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 470 m tot de Groene Ontwikkelingszone en circa 670 m tot het Gelders Natuurnetwerk (bron: www.gldanders.planoview.nl).
20
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 800 m tot Ganzenrustgebied (bron: www.gldanders.planoview.nl).
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m tot de Beschermingszone natte landnatuur (bron: www.gldanders.planoview.nl).
3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
21
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Berschermingszone natte landnatuur
740 m 670 m 470 m 12 km 800 m
Geen Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
400 m
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
22
5 Conclusie 5.1
Conclusie De realisatie van meerdere solar carports aan de Engelenburgerlaan 31 te Brummen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). In het bijzonder dient verlichting niet gericht te worden op de boomholte in het noorden van de planlocatie, de groenstrook in het westen van de planlocatie en de noordelijke gevel van de brandweerkazerne.
• Voor de potentieel aanwezige verblijfplaatsen in de brandweerkazerne dienen de openingen zowel gedurende de bouw- als gebruiksfase een vrije aanvliegroute te behouden. • De snoei- en bouwwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
23
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
24
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Engelenburgerlaan 31 te Brummen en bestaat onder andere uit een gemeentehuis, brandweerkazerne en parkeerterrein. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het realiseren van meerdere solar carports op de huidige parkeerplaats.
Figuur 2
Aan de groenstrook ten westen van de planlocatie (zichtbaar op de foto) vinden snoeiwerkzaamheden plaats. Alle bomen blijven binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden.
25
Figuur 3
Impressie van het parkeerterrein met op de achtergrond het gemeentehuis.