(103) Realisatie Groenblauwe dooradering in het kader van biodiversiteitsherstel
Tekst van het document
474643
Ecologisch adviesrapport
Realisatie Groen-blauwe dooradering In h e t k ade r v a n b i o d i v e r s i t e i t s h e r s t e l G e m e e n t e Br u m m e n
Het Laar 30d 6733BZ Wekerom 0318 655 626 ecologie@deslijpkruik.nl www.deslijpkruik.nl
Colofon Titel
Ecologisch adviesrapport Realisatie groen-blauwe dooradering
Betreft
Ecologisch adviesrapport
Locatie
gemeente Brummen
Auteurs
M. IJmker
Contactpersoon
J. Mossink en M. IJmker
Opdrachtgever
Gemeente Brummen
Datum
5-12-2025
Status
Versie 1
Projectcode
P25-0485
Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving (Omgevingswet). Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren zijn niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en –beheer. Ook dient er rekening te worden gehouden met veranderingen in wet- en regelgeving. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar. De Slijpkruik Ecologie BV is niet aansprakelijk voor beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door De Slijpkruik Ecologie BV uitgevoerde onderzoek. Daarnaast is De Slijpkruik Ecologie BV niet aansprakelijk voor gevolgschade, of voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van uitgevoerde onderzoeken door De Slijpkruik Ecologie BV. © De Slijpkruik Ecologie B.V. (2025) Niets uit dit rapport mag openbaar worden gemaakt of gepubliceerd door middel van; druk, fotokopie of anderzins, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van De Slijpkruik Ecologie B.V.
of de opdrachtgever. Wijze van citeren: IJmker, M. (2025). Ecologisch adviesrapport Realisatie groen-blauwe dooradering, De Slijpkruik Ecologie BV. Omslagfoto: Impressie van het plangebied. Bronvermelding; foto’s zijn door de auteur gemaakt tenzij anders aangegeven.
Inhoud 1
Inleiding en achtergrond 4
1.1 Aanleiding en doel 4 1.2 Aanleg GBDA 5 2
Methode 7
2.1 Ecologische randvoorwaarden aanleg nieuw leefgebied
7
2.1.1 Kamsalamander 8 2.1.2 Knoflookpad 9 2.1.3 Gecombineerde habitat 11 2.2 Dwarsdoorsnedes elementen nieuw leefgebied 12 2.2.1 Dwarsdoorsnede waterhabitat kamsalamander 12 2.2.2 Dwarsdoorsnede waterhabitat knoflookpad 12 2.2.3 Dwarsdoorsnede verbindingszone 13 2.3 Prioritering 14 2.4 Aanvullende beoordelingscriteria 14 2.5 Onderverdeling deelgebieden 16 3
Kostenraming 23
3.1 Uitgangspunten aanleg nieuw leefgebied 23 3.2 Kostenraming onderdelen 24 3.3 Kostenverdeling 25 4
Kaartwerk 26
4.1 Kaart Natura 2000, deelgebieden kamsalamander
26
4.2 Kaart Natura 2000, deelgebieden knoflookpad
27
4.3 Kaart GNN en GO, deelgebieden kamsalamander
28
4.4 Kaart GNN en GO, deelgebieden knoflookpad
29
4.5 Kaart deelgebieden overlap 30
3
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
1
Inleiding en achtergrond
In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt wat de aanleiding en het doel van het ecologisch advies is. Ook wordt een beschrijving gegeven van relevante achtergrondinformatie.
1.1 Aanleiding en doel
In opdracht van Gemeente Brummen heeft adviesbureau De Slijpkruik Ecologie B.V. een adviesrapport opgesteld voor de aanleg en onderhoud van groenblauwe dooradering (hierna: GBDA) in het buitengebied, met name gericht op agrarische terreinen. De gemeente Brummen heeft beschikking over het zogenaamde Ligt op Groenfonds (hierna: LOG). Het geld uit dit fonds moet gebruikt worden om het landschap te verbeteren. Recent is het plan ontstaan om de gelden uit het LOG in te zetten voor de aanleg van groenblauwe dooradering (hierna: GBDA) in het buitengebied. De realisatie van GBDA is gebaseerd op het rapport ‘Robuuste natuur in de Zuidelijke IJsselvallei, Een Masterplan voor realisatie van duurzame populaties kamsalamander, knoflookpad en meer’ opgesteld door Natuurbalans en Natuurmonumenten, hierna genoemd: Masterplan. Dit document biedt een gedegen basis, gebaseerd op onderzoek, om de GBDA op zo’n manier te realiseren dat het grote meerwaarde heeft voor de zeldzame soorten knoflookpad en kamsalamander. De voorgestelde maatregelen zijn in eerste instantie gericht op het verbeteren van leefgebieden voor de knoflookpad en kamsalamander. Deze soorten zijn voor onze gemeente van bijzondere betekenis: zij zijn gidssoorten die de kwaliteit van natuur en landschap weerspiegelen. Waar zij goed gedijen, profiteren ook vele andere planten- en diersoorten.
Investeren in hun leefgebied betekent investeren in een robuust ecosysteem waarin biodiversiteit als geheel kan herstellen. Daarnaast sluiten de maatregelen naadloos aan bij bredere opgaven waar onze gemeente voor staat: • Herstel van biodiversiteit: door het ontwikkelen van gevarieerde leefgebieden ontstaat een rijkere en veerkrachtigere natuur. • Stikstofreductie: natuurherstel en het versterken van ecologische verbindingen dragen bij aan het verminderen van stikstofdruk in kwetsbare gebieden. • Verbinding van natuurgebieden: door corridors en robuuste structuren te realiseren, worden geïsoleerde natuurkernen met elkaar verbonden, wat de ecologische samenhang versterkt. • Verbetering van waterkwaliteit: herstel van poelen en natuurlijke oevers zorgt voor schoner water en een gezonder ecosysteem. • Recreatieve mogelijkheden: een aantrekkelijker landschap biedt kansen voor wandelpaden en recreatieve routes, waardoor inwoners en bezoekers de natuur beter kunnen beleven. Kortom: de knoflookpad en kamsalamander zijn het startpunt, maar de baten van de voorgestelde maatregelen zijn veel breder. Het gaat om een investering in een gezonder landschap, een robuuster ecosysteem en een aantrekkelijkere leefomgeving voor de inwoners van de gemeente Brummen. Daarmee leveren de maatregelen zowel ecologisch als maatschappelijk rendement op.
Het masterplan is opgesteld voor de gehele zuidelijke IJsselvallei waarvan de gemeente Brummen een onderdeel is. Vanuit het masterplan is voor voorliggend adviesrapport daarom in de eerste plaats een schifting gemaakt voor de relevante deelgebieden op grondgebied van gemeente Brummen. Vervolgens zijn op basis van het masterplan, maar ook in combinatie met andere documenten, kaartwerk en andere relevante bronnen factoren in beeld gebracht waarmee een onderbouwde afweging gemaakt kan worden voor effectieve besteding van gelden. Op basis van ramingen moet globaal duidelijk zijn waar het geld aan besteed kan gaan worden. Planvorming is nu nog niet zover dat we weten waar precies welke GBDA aangelegd gaat worden. Wat wel duidelijk is, is dat we GBDA aan willen leggen op basis van de uitkomsten van het onderzoek in het Masterplan, zowel qua voorkeurslocaties als type landschapselementen/GBDA.
4
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
Voorliggend adviesrapport beschrijft de afwegingen en onderbouwing voor ecologische prioritering tussen de deelgebieden. Daarnaast is in een separaat document een kostenraming opgesteld met twee scenario’s waarin de gemeente Brummen maximaal 400k of 600k te besteden heeft. De kosten worden verdeeld over de aanleg van GBDA en langdurige beheerovereenkomsten. Voor de aanleg van leefgebied-elementen wordt een kostenraming opgesteld op basis van gangbare eenheidsprijzen. Daarnaast worden werkpakketten met bijbehorende eenheidsprijzen opgesteld voor het onderhoud van de aan te leggen leefgebied-elementen voor de komende 12 jaar. Ook wordt in de uiteindelijke kostenraming de kostenderving voor gebiedseigenaren meegenomen op basis van gangbare eenheidsprijzen. Naast de gemeentelijke middelen kunnen middelen van andere partijen worden ingezet om het bereik te vergroten. Door middel van cofinanciering kan het budget mogelijk groter worden. Daarom is nog een derde scenario toegevoegd van 1 miljoen euro. Mogelijkheden zijn: • Subsidieregeling Biodiversiteit en Landschap, provincie Gelderland. Voor cofinanciering is het maximum per project in deze regeling 200k. Over het algemeen is deze subsidie alleen voor aanleg en niet voor onderhoud, inkomstenderving en afwaardering van de grond. • ANLb-vergoedingen van BoerenNatuur Veluwe.
Zij verdelen beschikbare subsidie van Ministerie van LVVN, provincie Gelderland en GLB. Vergoedingen dekken inkomstenderving en onderhoud voor maximaal 6 jaar. Mogelijk kan daarna opnieuw een contract worden afgesloten voor nog eens 6 jaar. • Na afstemming met de provincie, zijn mogelijk nog andere fondsen of regelingen aan te spreken.
1.2 aanleg GBDA
Met de realisatie van GBDA wordt aan een flink aantal gebiedsopgaven tegelijkertijd gewerkt, namelijk: • Aanleg GBDA • Biodiversiteitsherstel • Landschapsherstel • CO2-opslag • Verbeteren waterkwaliteit (in het kader van de Kader Richtlijn Water) • Verbeteren uitstraling landschap ter bevordering van toerisme en recreanten • Verlagen stikstofuitstoot Daarnaast is de aanleg van GBDA ook voor een groot scala aan andere soorten gunstig, die als het ware meeliften op geschiktheid van een gebied voor kamsalamander en knoflookpad. Voorbeeld hiervan is onder andere de ringslang, maar ook meer algemene soorten zoals kikkers, libellen en kleine zoogdieren. Het is daarom sowieso een verbetering van de biodiversiteit in het algemeen. Het Masterplan geeft inzicht waar het beste GBDA kunnen realiseren voor de grootste natuurwinst waarbij de kamsalamander en de knoflookpad als gidssoort worden gebruikt. Het Masterplan noemt aanleg van de volgende elementen als belangrijke voorbeelden: • Aanleg en herstel van waterpartijen. • Aanleg en herstel van houtwallen, struwelen en bosjes. • Inrichten kruidenrijke (natuur)akker. • Inrichten schraal tot matig voedselrijk grasland (extensief begraasd, gefaseerd maaibeheer). • Inrichten kruidenrijke akkerranden en wegbermen.
Voor de doelsoorten uit het masterplan wordt uitgezocht welke specifieke landschapselementen aangelegd moeten worden, en in welke verhouding om een gebied te versterken of te verbinden
5
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
als leefgebied van kamsalamander en knoflookpad. De maatregelen zullen worden gerealiseerd op grond van anderen (hoofdzakelijk agrariërs), waarbij gemeente geen eigenaar wordt. Het budget voor de aanleg en het behoud van GBDA kan op de volgende manieren worden ingezet: • Aanleg landschapselementen (poel, houtsingel, natuurvriendelijke oever, etc.) • Langdurige beheerovereenkomsten voor de landschapselementen • Vergoeding voor waardevermindering van de grond waarop de landschapselementen gerealiseerd worden, zonder hierbij de bestemming te veranderen. • Proceskosten voor planvorming hiervan en participatieproces met grondeigenaren Het masterplan gaat uit van de volgende maatregelen op volgorde van prioriteit: • 1. Herstellen/veiligstellen bestaande leefgebieden; • 2. Vergroten/versterken bestaande leefgebieden; • 3. Verbinden bestaande leefgebieden; • 4. Creëren nieuwe leefgebieden. Omdat bestaande leefgebieden grotendeels in eigendom zijn van terreinbeherende organisaties (TBO’s), zoals Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer, en zij eigen middelen tot hun beschikking hebben voor herstel, richt voorliggend document zich voornamelijk op veiligstellen, versterken (vergroten), verbinden en in de laatste plaats creëren van nieuwe leefgebieden op terrein buiten gebied van TBO’s. Afhankelijk van waar de kansen het grootst zijn.
6
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
2
Methode
Dit hoofdstuk beschrijft per soort de randvoorwaarden voor aanleg van leefgebied van kamsalamander en knoflookpad, en worden de relevante criteria voor de deelgebieden uiteengezet. Daarnaast wordt beschreven op welke wijze het masterplan prioriteit geeft aan de verschillende factoren en worden aanvullende onderbouwende factoren gegeven voor de rangschikking tussen gebieden met dezelfde prioritering. Tenslotte worden uitgangspunten en aanvullende onderbouwing voor de kostenraming uiteengezet.
2.1 Ecologische randvoorwaarden aanleg nieuw leefgebied
Op basis van de informatie uit het masterplan, maar ook andere bronnen zoals het Kennisdocument Kamsalamander van BIJ12 en de factsheet voor knoflookpad van BIJ12, worden randvoorwaarden gesteld waar (nieuw) leefgebied aan moet voldoen om geschikt te zijn voor kamsalamander en knoflookpad. Hierbij wordt gekeken naar omvang, (vegetatie)soorten, structuren, en de verhouding hiertussen. Bij variatie tussen bronnen is een gemiddelde genomen die recht doet aan minstens de veronderstelde minimumeisen (volgens alle geraadpleegde bronnen). Bijvoorbeeld: als een bron aangeeft dat een minimumeis voor een nieuwe poel een oppervlakte van 300-500 vierkante meter betreft, maar een andere bron aangeeft dat een minimum van 250-400 vierkante meter is vereist met een voorkeur voor groter dan dat, dan kan redelijkerwijs een oppervlakte van 400 vierkante meter worden gehanteerd om zo recht te doen aan beide bronnen. Voor de aanleg van nieuwe elementen worden enkel de ecologische randvoorwaarden besproken waar direct invloed op kan worden uitgeoefend, zoals de verhouding tussen houtige en kruidachtige vegetatie, of de diepte van een poel.
Zaken zoals waterkwaliteit, zuurtegraad, of de mate van (onder)watervegetatie worden bijvoorbeeld niet meegenomen, omdat deze pas concreet kunnen worden beoordeeld bij uitgebreid veldonderzoek op een gekozen locatie of zelfs pas als een poel eenmaal gerealiseerd is en voldoende tijd heeft gehad om te ontwikkelen en/of te stabiliseren. Om enigszins aan randvoorwaarden tegemoet te komen waar geen directe invloed op kan worden uitgeoefend zijn wel aanvullende criteria opgegeven m.b.t. de ligging van nieuw leefgebied, zoals afstand tot bemest agrarisch land (om uitspoeling van meststoffen te beperken) of het niet laten aansluiten van een poel op oppervlaktewater in de omgeving (om een poel visvrij te houden). Deze criteria hebben echter geen invloed op de oppervlakte of aantallen waarmee de kostenraming van een landschapselement is opgesteld, en zijn enkel van belang voor de uiteindelijke praktische uitvoering. Er wordt aanbevolen om nieuwe elementen te realiseren binnen tenminste enkele honderden meters van bestaand leefgebied en bij voorkeur aansluitend op bestaand leefgebied. Op deze wijze draagt elk nieuw aangelegd element bij aan de versterken en het vergroten van bestaand leefgebied, ook als het slechts één element betreft.
Qua hoeveelheid investering in een deelgebied is geen ‘goed’ of ‘fout’, en er is ook geen risico op teveel investeren in één gebied, omdat een zo groot mogelijk potentieel leefgebied voor een soort ook de robuustheid van de lokale populatie maximaliseert en daarmee ook een positief effect kan hebben op de populatiegrootte. Voor de aanleg van verbindingszones kan relatief eenvoudig worden berekend hoeveel elementen aangelegd moeten worden, omdat hiervoor min of meer de totale benodigde afstand kan worden gedeeld door de lengte van een element voor kamsalamander. Voor knoflookpad wordt vanuit de factsheet voor knoflookpad van BIJ12 een maximale afstand tot een bestaande populatie van 500 meter gehanteerd. Wanneer uitgegaan wordt van kolonisatie van individuele onderdelen van een verbindingszone zou dan minimaal een land-/waterhabitat voor knoflookpad elke 500 meter moeten worden ingericht. Wanneer voor een gecombineerd land-/waterhabitat de minimumeis voor kamsalamander wordt gehanteerd (250 meter) zal dit ook voor knoflookpad volstaan. De richtlijn voor de dichtheid van poelen in een gebied is minimaal 4 geschikte poelen per vierkante kilometer; concreet komt dit neer op clusters in een aaneengesloten leefgebied van 4-6 poelen.
7
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
Sommige bronnen spreken zelfs over een optimaal aantal van minstens 8 poelen, maar hier wordt dan wel uitgegaan van het totale aantal poelen, waarvan 1-2 mogelijk verminderd geschikt zijn voor voortplanting. Qua leefgebied geldt ook geen maximum aantal van geschikte poelen, zolang nieuwe aanleg maar niet ten koste gaat van geschikt landhabitat.
2.1.1 Kamsalamander Specifiek voor kamsalamander zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de aanleg van (nieuw) leefgebied: • Voortplantingswater (poel) van 400 vierkante meter, met een waterdiepte van 1 meter en een glooiende oever (talud) van maximaal 1:3. Bij een gemiddelde grondwaterstand van ca. 1 meter onder het maaiveld betreft dit een te graven diepte van 2 meter. Het wateroppervlak zal dan een cirkelvormige diameter hebben van ca. 22,5 meter, met daar omheen nog een talud van 3 meter rondom. De totale diameter van de poel, gemeten vanaf maaiveld komt daarmee op ca. 28,5 meter. Om enige marge te houden, o.a. in wisselende grondwaterstanden, is dit afgerond op ca. 30 meter. Hiervoor wordt dan ca. 1000 kuub grond uitgegraven. • Ruigte-/struweelzone rond voortplantingswater (poel) van 5 meter rond het water, zoveel mogelijk aansluitend op het talud zodat deels schaduwwerking wordt gecreëerd op het wateroppervlak. Uitgaand van een cirkelvormige poel van 400 vierkante meter wateroppervlak betreft dit ca. 550 vierkante meter ruigte-/struweel rond een poel. Hiervoor wordt aanplant van een mix van relatief kleinblijvend/struikvormers en bosplantsoen/struweel gehanteerd, zodat er gelaagdheid ontstaat en ook ruimte is voor het natuurlijk ontstaan van ruigte in de ondergroei en op de grens naar de kruidenrijke akkerrand.
Het beheer hiervan is gericht op realisatie/instandhouding van gelaagdheid vanaf extensief gras via ruigte naar struweel/ bosplantsoen in stand te houden (mantel-zoomvegetatie; 17% per jaar afzetten in cyclus van 6 jaar). Het bosplantsoen rondom heeft niet alleen een functie als landhabitat dat direct aansluit op een geschikt voortplantingswater, maar zorgt tevens voor schaduwval op het wateroppervlak. Een risico op te hoog struweel/bosplantsoen in het eindstadium is hierbij niet aan de orde, de poel is qua oppervlakte groot genoeg dat ook altijd een deel in de zon zal liggen. • Het nieuwe voortplantingswater moet bereikbaar zijn voor kamsalamander; geleidende structuren zoals ruigtestroken, hagen of houtwallen moeten huidig leefgebied met nieuw leefgebied in verbinding brengen zonder fysieke barrières. De afstand die hiervoor wordt gehanteerd is 250 meter. Hiermee wordt voldaan aan de habitatseis van onderlinge afstand tussen water- en landhabitat van maximaal 400 meter en tussen voortplantingswateren van maximaal 300-400 meter. Voor een verbindingszone wordt vervolgens een strookbreedte gehanteerd van gemiddeld 11 meter; als het ware een brede akkerrand. • Van de verbindingsstrook wordt een deel ingericht als kruidenrijke akkerrand, waarvoor een minimale breedte van 6 meter is voorgeschreven, oftewel ca. 1500 m2.
Kruidenrijke oppervlaktes (extensief beheerd/ruig grasland) worden o.a. in het Kennisdocument Kamsalamander (BIJ12) beschreven als onderdeel van leefgebied van kamsalamander (kleinschalig landschap). Daarnaast wordt extensief gebruikt grasland ook beschreven als foerageergebied en migratieroute. Bovendien is dergelijk terrein van even zo groot belang voor alle soorten die meeliften op de kamsalamander als gidssoort, zoals insecten en kleine zoogdieren. • De verbindingsstrook wordt ook ingeplant met bosplantsoen om zo een houtige begeleidende structuur te creëren en daarmee ook te zorgen voor voldoende aanwas van takhout (snoeihout). De aanplantmaat van het bosplantsoen is 80 - 125 cm. Een gemiddelde bosrand is ca. 10 meter breed (met voornamelijk bomen als daadwerkelijke rand langs een bos, bosplantsoen is in de praktijk kleiner/smaller); voor de strookbreedte in een verbindend landschappelijk element wordt daarom de helft hiervan gehanteerd: 5m, zodat ook hier
8
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
gelaagdheid, oplopend, vanaf de akkerrand kan ontstaan (zoom-mantelvegetatie); oftewel 1.250 m2. • Om ook voldoende dood hout (op termijn) te verkrijgen binnen het nieuw aangelegde terrein worden ook bomen/boomvormers aangeplant. Voor ideaal leefgebied van kamsalamander wordt hiervoor 4% gehanteerd als ideale situatie, oftewel 80 vierkante meter. Uitgaand van ca. 16 vierkante meter kroonprojectie per boom betreft dit gemiddeld 5 stuks per 250 meter verbindingsstrook. De aanplant maat van de boom is 14-16cm.
2.1.2 Knoflookpad Specifiek voor de knoflookpad zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de aanleg van (nieuw) leefgebied: • Voortplantingswater (poel) van 400 vierkante meter, met een waterdiepte van 1 meter en een glooiende oever (talud) van maximaal 1:3. Bij een gemiddelde grondwaterstand van ca. 1 meter onder het maaiveld betreft dit een te graven diepte van 2 meter. Het wateroppervlak zal dan een cirkelvormige diameter hebben van ca. 22,5 meter, met daar omheen nog een talud van 3 meter rondom. De totale diameter van de poel, gemeten vanaf maaiveld komt daarmee op ca. 28,5 meter. Om enige marge te houden, o.a. in wisselende grondwaterstanden, is dit afgerond op ca. 30 meter. Hiervoor wordt dan ca. 1000 kuub grond uitgegraven. Concreet zijn de specificaties van de poelen voor knoflookpad als op zichzelf staand element dus hetzelfde als voor kamsalamander. • Vergraafbare grond nabij voortplantingswater (poel). Concreet kan hiervoor de grond gebruikt worden die vrijkomt bij het graven van een nieuwe poel. De minimale hoogte van een nieuwe grondwal dient 1 meter te zijn, zodat padden in het talud ervan kunnen graven. De nieuwe grondwal moet binnen 100 meter van een poel worden gerealiseerd. De grondwal mag ook kruidenrijk begroeid zijn en is als zodanig onderdeel van de oppervlakte ‘kruidenrijke akkerrand’ en hiervoor wordt geen ‘losse’ oppervlakte gerekend.
Wanneer voor een bepaald deelgebied enkel landhabitat wordt voorgeschreven is geen grond “over” om een grondwal te realiseren, in dat geval komt de realisatie van een grondwal te vervallen. Vergraafbare grond kan immers ook een horizontaal oppervlak betreffen, mits de grondwaterstand dit toelaat. Als de omstandigheden dusdanig zijn dat dit niet mogelijk is, dan is het terrein in principe ook sterk verminderd geschikt als potentieel leefgebied voor knoflookpad. • Géén ruigte-/struweelzone rond voortplantingswater (poel), zodat het wateroppervlak schaduwvrij blijft. Minimaal 10 meter rond een water dient boomvrij te zijn. • Het terrein rond een nieuwe poel wordt ingericht als kruidenrijke akkerrand. De oppervlakte die hiervoor wordt gehanteerd is 1ha. Vanuit de factsheet knoflookpad van BIJ12 wordt voorgesteld om een poel zoveel mogelijk in de hoek van de hectare kruidenrijk oppervlak in te richten, zodat een zo groot mogelijke bufferzone ontstaat tussen het voortplantingswater en agrarische activiteiten op het aangrenzende terrein. Dit voorkomt directe uitspoeling van meststoffen in de poel.
Situering van de poel is dan echter sterk afhankelijk van de locatie; als de hoek van het perceel bijvoorbeeld grenst aan andere agrarische percelen bestaat het risico op uitspoeling van meststoffen vanuit aangrenzende percelen en kan het eerder zinvol zijn om een poel zoveel mogelijk in het midden van de hectare in te richten. • Een (deels) omzoomd landhabitat met struikjes en bosschages. Hiervoor wordt aanplant van (relatief kleinblijvend/struikvormers) struweel/haag gehanteerd. De oppervlakte hiervan is ca. 250 m2, verdeeld langs randen van het terrein dat ingericht wordt als kruidenrijke akkerrand. Een dergelijke structuur biedt variatie in het landschap, zowel in structuur als qua soorten, waarmee het nieuwe leefgebied niet alleen geschikter wordt voor soorten die meeliften met knoflookpad als gidssoort, maar ook geschikter voor prooidieren waar knoflookpad van afhankelijk is. • De maximale afstand tot een bestaande populatie is 500 meter. De knoflookpad migreert ook
9
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
wel over meer intensief beheerde gebieden, zolang de afstand tussen volwaardig leefgebied tenminste niet te groot is. Om deze reden is voor de aanleg van elementen voor knoflookpad niet gerekend met een oppervlakte voor een verbindingszone, zoals een kruidenrijke akkerrand. Aansluiting van nieuw leefgebied op bestaand leefgebied voor knoflookpad is om deze reden niet strikt noodzakelijk, mits de afstand naar bestaand leefgebied maar niet te groot is (<500m). In afbeelding 1 is een voorbeeld inrichting van nieuw leefgebied voor kamsalamander weergegeven. Indien een geleidende landschappelijke structuur reeds afdoende in een gebied aanwezig is, kan men zich beperken tot uitsluitend realisatie van de poel met omliggende struweelzone. Andersom is ook mogelijk: als reeds voldoende geschikt voortplantingswater aanwezig is, kan men zich beperken tot uitsluitend realisatie van landhabitat in de vorm van een verbindende corridor. Afbeelding 1: Schematische weergave van aanleg nieuw leefgebied voor kamsalamander.
706,5 m2
Blauwe cirkel = poel, gemeten vanaf maaiveld; incl. aflopend talud naar wateroppervlak; 706,5m2 groene cirkel = 5m rondom de poel, wordt aangeplant met bosplantsoen/struweel; 550m2 groene lijn = bosplantsoen/struweel als begeleidend lijnvormig landschappelijk element; 5m breed en 250 meter lang; 1250m2
250m
oranje = kruidenrijke akkerrand; in principe strook van 6m langs lijnvormig houtig element, maar vanwege de cirkelvorm van de poel betreft dit ook ook “overig” terrein binnen dat vlak (met marge van 2m rondom t.b.v. gelaagdheid); 6m breed en 250 meter lang; 1500m2 rondom poel met omliggend struweel; vierkant van 44x44m (min oppervlakte poel en struweel); ca. 680m2
706,5 m2
8m Afbeelding 2: Schematische weergave van aanleg nieuw leefgebied voor knoflookpad. Aangepast naar bron: Kennisbank ANLb, BIJ12 (bij12.nl/kennis/knoflookpad/) Blauwe cirkel = poel, gemeten vanaf maaiveld; 706,5m2 oranje = kruidenrijke akkerrand; zoveel mogelijk als bufferzone rond de poel, zodat de afstand tot agrarische bedrijfsvoering zoveel mogelijk wordt vergroot; 10.000m2 groen = bosplantsoen/struweel ter (deels) omzoming; 250m2 paars = grondwal; ca. 250m2
10
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
In afbeelding 2 is een voorbeeld inrichting van nieuw leefgebied voor knoflookpad weergegeven. Indien een geleidende landschappelijke structuur reeds afdoende in een gebied aanwezig is, kan men zich beperken tot uitsluitend realisatie van de poel. Andersom is ook mogelijk: als reeds voldoende geschikt voortplantingswater aanwezig is, kan men zich beperken tot uitsluitend realisatie van landhabitat in de vorm van een kruidenrijke akker die deels omzoomd is met struweel/ bosplantsoen. In het voorbeeld wordt verondersteld dat de hoek zover mogelijk is verwijderd van aangrenzende agrarische bedrijfsvoering, bijvoorbeeld als dit grenst aan natuurlijk grasland (natuurgebied). Echter, als deze hoek grenst aan andere agrarische percelen kan het wenselijk zijn om de poel meer centraal binnen de hectare kruidenrijk grasland te realiseren om zo aan alle kanten voldoende bufferzone te verkrijgen.
2.1.3 Gecombineerde habitat Om een nieuw leefgebied aan te leggen dat geschikt is voor zowel kamsalamander als knoflookpad worden (licht) aangepaste uitgangspunten gehanteerd. In de praktijk komt het grotendeels neer op structuren en oppervlaktes voor beide soorten afzonderlijk. Dit komt o.a. doordat de kamsalamander schaduwval op het water vereist, en de knoflookpad juist niet. Dezelfde poel aanleggen die zowel een strook met struweel aan de oever heeft èn minimaal 10 meter rondom struweelvrij is, is logischerwijs niet mogelijk. In een gecombineerd leefgebied is dan van toepassing: • De oppervlakte van kruidenrijke akkerrand voor kamsalamander komt te vervallen, want deze is dan inbegrepen in de hectare die voor knoflookpad van toepassing is, • De oppervlakte van bosplantsoen voor knoflookpad komt te vervallen, want deze is inbegrepen in de in totaal 1.800 vierkante meter die voor kamsalamander van toepassing is. In afbeelding 3 is een voorbeeld inrichting van nieuw leefgebied voor een gecombineerde habitat voor kamsalamander en knoflookpad weergegeven. Net als voor de inrichting voor beide soorten afzonderlijk is enkel aanleg van voortplantingswateren of enkel aanleg van landhabitat ook mogelijk. Het voorbeeld in afbeelding 3 is er slechts één.
Afhankelijk van het gebied en de lokale situatie kan dit worden aangepast, zowel qua vorm als indeling, maar wel met het uitgangspunt van de benoemde oppervlaktes.
Afbeelding 3: Schematische weergave van aanleg nieuw leefgebied voor gecombineerde habitat van kamsalamander en knoflookpad. Aangepast naar bron: Kennisbank ANLb, BIJ12 (bij12.nl/kennis/ knoflookpad/)
706,5 m2
Blauwe cirkel = poelen, gemeten vanaf maaiveld; 2x706,5m2 groene cirkel = 5m rondom de poel; wordt aangeplant met struweel; 550m2 groene lijn = bosplantsoen/struweel als begeleidend lijnvormig landschappelijk element en omzoming; 1250m2
250m
oranje = kruidenrijke akkerrand; zoveel mogelijk als bufferzone rond de poel, zodat de afstand tot bijv. agrarische bedrijfsvoering zoveel mogelijk wordt vergroot; 10.000m2 paars = grondwal; ca. 250m2
706,5 m2
11
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
2.2 Dwarsdoorsnedes elementen nieuw leefgebied
In onderstaande dwarsdoorsnedes zijn voorbeelden weergegeven van de gewenste eindsituatie. Let op: De dwarsdoorsnedes zijn puur illustratief. De dwarsdoorsnedes zijn niet op schaal of in verhouding; in de gewenste eindsituatie is de breedte van de poel bijvoorbeeld 6x zoveel als de ruigte-/struweelzone. Voor de juiste hoeveelheden zie de subparagrafen onder paragraaf 2.1.
2.2.1 KAMSALAMANDER
ruigte-/struweelzone kruidenrijke akkerrand
oevervegetatie poel 30m (incl. talud oever)
5m (rondom poel)
ca. 2m
Afbeelding 4: Dwarsdoorsnede van een nieuw waterhabitat met omliggende houtige zone voor kamsalamander; illustratief, niet op schaal. In de voorgestelde nieuwe aanleg is de weergegeven dwarsdoorsnede rondom de poel (dus ook links van de poel in de illustratie). De 2m kruidenrijke akkerrand is de minimale afstand tot aangrenzend terrein: In de schematische weergave van afbeelding 1 betreft het een cirkelvormige poel in een vierkant oppervlak, waardoor de breedte van kruidenrijke akkerrand naar de hoeken groter zal zijn (tot ca. 6m wanneer wordt uitgegaan van centrale ligging poel in een vierkant van 44x44m)
2.2.2 KNOFLOOKPAD oevervegetatie
kruidenrijke akkerrand
poel
30m (incl. talud oever)
ca. 70m (bufferzone rond poel)
Afbeelding 5: Dwarsdoorsnede van een nieuw waterhabitat voor knoflookpad; illustratief, niet op schaal. In de voorgestelde nieuwe aanleg is de weergegeven dwarsdoorsnede in de hoek van een vierkant/ rechthoekig perceel. De afstand van de poel tot terrein met agrarische bedrijfsvoering is dan grofweg (en maximaal) 70 meter, maar dit kan variëren afhankelijk van de lokale situatie. Wanneer een poel meer in het midden van de hectare wordt gerealiseerd, of wanneer de hectare een andere vorm heeft, zal deze afstand kleiner worden. Het uitgangspunt is een zo groot mogelijke bufferzone (kruidenrijke akkerrand) tussen de poel en agrarische bedrijfsvoering.
12
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
2.2.3 VERBINDINGSZONE
bomen
struweelzone/bosplantsoen
kruidenrijke akkerrand
akker
6m
5m
Afbeelding 6: Dwarsdoorsnede van een nieuw landschaps-element verbindingszone; illustratief, niet op schaal. De akker in de illustratie (links) is geen onderdeel van de verbindingszone, maar betreft een voorbeeld voor aangrenzend terrein waar de verbingszone langs wordt gerealiseerd. De dwarsdoorsnede met boom in de illustratie is voor de voorgestelde verbindingszone (zie afbeelding 1 en 3) slechts elke 50 meter aanwezig, het grootste deel van een verbindingszone is dan struweelzone/bosplantsoen zonder deze boom.
13
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
2.3 Prioritering In het masterplan zijn verschillende deelgebieden geïdentificeerd waarbij enige mate van ecologische ontwikkeling nuttig of kansrijk kan zijn. Het betreft gebieden in het buitengebied in of nabij natuurgebieden of agrarische terreinen. De onderlinge verschillen tussen deze deelgebieden zijn groot, zowel qua ligging en grootte, als opbouw en reeds aanwezige (groen)structuren of aanwezige gidssoorten. In deze variatie kunnen afwegingen gemaakt worden waar ecologische versterking het zinvol of haalbaar is. Vanuit het masterplan wordt in eerste instantie ingezet op de prioritering op basis van de huidige status van het verspreidingsgebied. Deze prioritering is in onderstaande tabel uiteengezet. De deelgebieden zijn terug te vinden in het masterplan, maar zijn ook inzichtelijk in het kaartwerk in hoofdstuk 4 (vanaf pagina 24). Ook is een selectie van eigenschappen per deelgebied inzichtelijk in de excel-tabel die als bijlage bij voorliggend adviesrapport hoort. Hierbij is reeds een schifting gemaakt: enkel de deelgebieden die onderdeel zijn van de gemeente Brummen zijn hierin beoordeeld en inzichtelijk gemaakt. Prioriteringsfactor 1. veiligstellen
Omschrijving
2. robuust maken/ versterken
Nieuw leefgebied aansluitend op bestaand leefgebied, als het huidige leefgebied niet voldoende robuust is, heeft uitbreiding of verbinding ook geen nut. Deze factor is aanvullend op bovenstaand en heeft als zodanig ook een hoge prioriteit.
3. vergroten/verbinden
4. verbreiden
Ecologische noodzaak voor behoud van huidig verspreidingsgebied. Deze factor heeft de hoogste prioriteit; als de huidige kerngebieden niet voldoende robuust zijn, heeft uitbreiding of verbinding ook geen nut.
Deze factor is in eerste instantie niet noodzakelijk, maar wel zeer wenselijk. Het doel van deze factor is het in verbinding brengen van verschillende deel-populaties, om zo o.a. genetische uitwisseling te bevorderen en daarmee een zo robuust mogelijke populatie te realiseren. Daarnaast is deze factor aanvullend op het robuust maken van bestaand leefgebied. Deze factor heeft een gemiddelde prioriteit. Deze factor is pas van toepassing als bovenstaande factoren reeds gerealiseerd zijn. De factor is o.a. van toepassing op gebieden waar bijvoorbeeld onvoldoende informatie is m.b.t. huidige aanwezigheid, of geldt voor gebieden met een grote afstand tot huidig verspreidingsgebied of is afhankelijk van nog te realiseren verbindingszones voordat ingrepen in dit gebied ecologisch nut hebben. Deze factor heeft de laagste prioriteit.
2.4 Aanvullende beoordelingscriteria
Binnen de prioriteringstabel, zoals weergegeven in de vorige paragraaf, zijn nog aanvullende criteria beoordeeld om deelgebieden te kunnen rangschikken binnen een prioriteringsfactor. Hiermee kan de gemeente Brummen een onderbouwde afweging maken waarbij niet alleen wordt gekeken naar ecologische noodzaak en/of wenselijkheid, maar kan bijvoorbeeld ook worden gekeken naar praktische haalbaarheid en zogenaamd ‘laaghangend fruit’. De relevante gebieden zijn beoordeeld op de volgende factoren (in willekeurige volgorde): • Ecologische haalbaarheid op basis van gebiedskenmerken (kansen) en verspreiding soorten (aanwezigheid). Bijvoorbeeld: Een waterrijk gebied waar een gidssoort al af en toe wordt waargenomen, maar zich nog niet voortplant kan misschien met relatief kleine ingrepen geschikt worden gemaakt voor voortplanting; een dergelijk gebied is dan ‘hoog’ kansrijk qua ecologische haalbaarheid (kans op toekomstige kolonisatie is dan groot). Verspreiding/ aanwezigheid van soorten is gedaan op basis van de splitsing die wordt gemaakt in het masterplan op basis van historische waarnemingen. Hier worden waarnemingen van 2000 t/m 2021 als “recent” gehanteerd, en waarnemingen van uitsluitend daarvoor als “historische aanwezigheid” (en dus huidig onbekend). De hoeveelheid waarnemingen niet exact genomen, maar hiervoor zijn 3+ geclusterde waarnemingspunten (zoals weergegeven
14
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
op kaartwerk in het masterplan) gehanteerd als “meerdere”, en wanneer het slechts één of enkel verspreide , niet geclusterde, waarnemingspunten betrof, dit gehanteerd als “enkele” recente waarneming. Wanneer geen waarnemingspunten uit het gebied bekend waren is dit deelgebied beoordeeld als geen onderdeel van huidig verspreidingsgebied. Een waarnemingspunt is niet per definitie één afzonderlijke waarneming van één exemplaar van een gidssoort, maar is bijvoorbeeld één locatie waarvanaf kooractiviteit van knoflookpad bij één poel is waargenomen. • Financiële haalbaarheid op basis van opbouw landschap en/of huidig gebruik. Bijvoorbeeld: een terrein waar in de huidige situate al veel kruidenrijke akkerranden aanwezig zijn behoeft slechts weinig aanpassingen om deze geschikt te maken voor een gidssoort en dit zal dan goedkoper zijn dan terreinen waar nu uitsluitend intensieve landbouw plaatsvindt. Daar zijn dan relatief gezien verregaande ingrepen noodzakelijk om dat terrein geschikt te maken. • Noodzaak m.b.t. behoud van een soort in het huidige verspreidingsgebied. Bijvoorbeeld: Als in een gebied slechts één geschikt voortplantingswater aanwezig is, maar een gidssoort hier zich wel relatief talrijk voortplant is zeer kwetsbaar. Eén (te lange) droogteperiode kan dan al zorgen voor verlies van deze ene poel. Aanleg van extra poelen ter risico-spreiding is dan van grote noodzaak.
• Overlap tussen verschillende doelsoorten, waarbij aanleg van elementen voor beide gidssoorten in één gebied de voorkeur heeft. Wanneer beide gidssoorten in, of direct rond, een deelgebied voorkomen kan aanleg van nieuwe gecombineerde habitat zorgen voor een grotere diversiteit van soorten die op beide gidssoorten afzonderlijk kunnen meeliften. Ook is de nieuw aan te leggen habitat dan landschappelijk diverser. • Afstand tot kerngebieden, waarbij aansluiting op kerngebied en/of huidig bekend verspreidingsgebied in eerste instantie de voorkeur heeft vanwege de versnelde mogelijkheden tot kolonisatie. Gebieden waar bijvoorbeeld in de huidige situatie geen verbinding is met bestaand leefgebied (en dus ook eerst aanleg van een verbindingszone behoeven) hebben dan een lagere prioriteit dan gebieden die directe uitbreiding van bestaand leefgebied betreffen. • Ligging t.o.v. Gelders NatuurNetwerk (GNN), waarbij ligging in GNN de voorkeur heeft, omdat de aanleg van nieuwe natuur dan ook bijdraagt aan natuur-doelstellingen vanuit het GNN. • Ligging t.o.v. provinciale stikstofzonering, waarbij ligging binnen de stikstofzonering de voorkeur heeft, omdat de aanleg van nieuwe natuur dan ook bijdraagt aan de bufferende werking m.b.t. stikstofdepositie. • Ligging t.o.v. boeren aangesloten bij Voedselnetwerk IJsselmarke.
Boeren die hierbij zijn aangesloten hebben een overwegend groter aandeel in ecologische bedrijfsvoering dan hun collega’s in voornamelijk intensieve veehouderij of akkerbouw, en zijn hierdoor kansrijker om medewerking te verlenen voor de aanleg van nieuw leefgebied op of rond hun terreinen. • Noodzakelijke verbindingszones tussen verschillende leefgebieden. Sommige deelgebieden qua aanwezigheid van gidssoorten, maar bijvoorbeeld ook in landschappelijke verbindingen geïsoleerd van andere leefgebieden of natuurgebieden. Voor sommige gebieden kan het opheffen van barrières door aanleg van verbindingzone meer ecologische winst opleveren dan bijvoorbeeld aanleg van verbindingszones naar deelgebieden waar nu geen gidssoorten voorkomen of naar deelgebieden met een lagere ecologische kansrijkheid voor toekomstige kolonisatie. Binnen deze factoren zijn deelgebieden gerangschikt binnen prioritering zoals uiteengezet in paragraaf 2.3. De hoogste rangschikking is gericht op de ecologische noodzaak voor maatregelen, omdat het vergroten, verbinden of verbreiden van leefgebied geen ecologisch nut heeft, als niet eerst gewaarborgd wordt dat de soort duurzaam binnen het huidige gebied kan verblijven. Vervolgens is geselecteerd op de gebieden waar gecombineerde habitat gecreëerd kan worden (met de hoogste rangschikking voor de gebieden met de grootste overlap in huidig verspreidingsgebied).
Dit is voornamelijk gedaan uit praktische (ecologische) overwegingen, omdat zo een min of meer aaneengesloten natuur gerealiseerd kan worden, die bijdraagt aan de geschiktheid van het landschap voor een zo breed mogelijk scala aan soorten die op geschiktheid voor beide gidssoorten kunnen meeliften. Ook is op deze wijze inrichting op minder verschillende
15
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
terreinen noodzakelijk en dan is bijvoorbeeld ook minder afstemming nodig is tussen verschillende belanghebbenden of eigenaren. Vervolgens is voornamelijk gekeken naar kansrijkheid qua toekomstige kolonisatie, waar bijvoorbeeld een hogere rangschikking is gegeven aan deelgebieden waar één of beide gidssoorten in de huidige situatie meer voorkomen of bijvoorbeeld grenzen aan huidige kerngebieden van de gidssoorten. Daarna is voornamelijk gekeken naar ligging in/nabij GNN-gebied en stikstof-gezoneerd Natura 2000-gebied (landgoederen Brummen). De laagste rangschikking is gegeven aan de deelgebieden waar onder meer geen recente waarnemingen van gidssoorten zijn gedaan, die niet direct aansluiten op bekend verspreidingsgebied en/of hier relatief ver vanaf liggen en die qua opbouw en huidig gebruik ook minder kansrijk zijn (omdat daar dan relatief veel/kostbare ingrepen noodzakelijk zijn om dit gebied geschikt te maken en/of toekomstige kolonisatie mogelijk te maken. Ligging van deelgebieden t.o.v. boerenbedrijven die zijn aangesloten bij Voedselnetwerk IJsselmarke zijn praktisch niet meegenomen in de uiteindelijke prioritering. Dit heeft ermee te maken dat de terreinen waarvan deze boeren eigenaar zijn relatief ver uit elkaar liggen en dat per deelgebied dan maximaal één boer aanwezig is.
Bij het uiteindelijke aanwijzen van de locatie(s) waar aanleg van nieuw leefgebied gewenst is kan dit echter wel waardevolle aanvullende informatie betreffen.
2.5 Onderverdeling deelgebieden
In onderstaande tabel zijn per prioriteringsfactor (zoals uiteengezet in paragraaf 2.3) de deelgebieden uiteengezet. Hier is vanuit het masterplan al een schifting gemaakt binnen alle deelgebieden, waarbij enkel de deelgebieden die relevant zijn voor de gemeente Brummen zijn weergegeven. Deelgebieden zijn gecodeerd op alfabet waarbij de eerste 2 letters een afkorting betreffen voor de gidssoort waarop het deelgebied gestoeld is: “KS” = KamSalamander en “KP” = KnoflookPad. “VB” betreft Verbindingszones. Prioriteringsfactor 1. veiligstellen 2. robuust maken/ versterken 3. vergroten/verbinden
Deelgebied Kamsalamander Deelgebied knoflookpad
4. verbreiden
-
KS-U
KP-E, KP-M
KS-R, KS-O, KS-T, KS-J, KS-Q, KS-H, KP-F, KP-H, KP-N, KP-D, KP-P KS-L, KS-N, KS-P, KS-M, KS-I VB7, KS-G, KS-S, VB2, VB5, VB5a, KP-B, KP-C, KP-O, VB5, VB8, KP-J, VB6, VB9, VB10a, VB10b, VB10c, VB14, VB13 VB11 KP-G, KP-Q, KP-L, KP-I, KP-K, VB15
Binnen bovenstaande tabel zijn voor meerdere deelgebieden kanttekeningen van toepassing die van invloed zijn op de prioriteringsfactor zoals deze vanuit het masterplan is aangegeven. Een voorbeeld hiervan is deelgebied KP-M; in bovenstaande tabel staat deze onder de hoogste prioriteringsfactor voor knoflookpad. Echter, het is op dit moment niet bekend of de soort nog wel actueel voorkomt in dit gebied. Voordat ingezet wordt op veiligstellen van een eventueel aanwezige deelpopulatie van knoflookpad moet eerst onderzocht worden of deze nog aanwezig is. Zo niet, dan zouden maatregelen per definitie ten minste een factor lager worden ingeschaald, omdat het dan (mogelijk) niet langer gaat om veiligstellen, maar om vergroten van bestaand leefgebied in de omgeving (prioriteringsfactor 3). Van alle deelgebieden is een uiteindelijke volgorde gedefinieerd op basis van informatie uit het masterplan en aanvullend beoordeelde criteria (paragraaf 2.4). Waar relevant zijn zaken zoals gebiedskenmerken, omstandigheden, risico’s en voorwaarden per deelgebied kort samengevat in een conclusie. Waar van toepassing is in deze conclusie, in de laatste zin, ook potentie/overlap met de andere gidssoort aangegeven. De initiële onderverdeling/prioritering is gedaan met ecologisch functioneren en realisatie van gecombineerde habitat als uitgangspunt. Op basis van de volgorde
16
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
kunnen uiteindelijk ook praktische en/of financiële overwegingen mee worden genomen en kunnen bepaalde gebieden worden overgeslagen of uitgesloten voor ingrepen. Aan de hand van de beoordelingscriteria is de prioriteringstabel op de volgende pagina tot stand gekomen. Alle onderliggende beoordelingscriteria zijn weergegeven in een excel-bestand dat als bijlage aan voorliggend adviesrapport is toegevoegd. Overlappende deelgebieden voor kamsalamander en knoflookpad zijn weergegeven in hoofdstuk 4. Ook zijn hier kaarten inzichtelijk gemaakt voor de wijze waarop de verschillende deelgebieden overlappen met Natura 2000 (stikstofzonering), GNN en GO en waar boerenbedrijven zijn gesitueerd die zijn aangesloten bij Boerenvoedselnetwerk IJsselmarke. prio deelGelegen in: gebied Hiemberg, Voorstonden, 1 KP-E
conclusie (samengevat)
2
KS-U
Cortenoever e.o.
3
KP-M
Soerense Broek, Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
hoge prioriteit t.a.v. veiligstellen leefgebied kamsalamander. Momenteel te weinig aaneengesloten leefgebied voor het herbergen van een duurzame populatie. Geschikt landhabitat is voldoende aanwezig, maar is onvoldoende aaneengesloten. Om kamsalamander in dit gebied enig perspectief te geven op duurzame overleving moet op z’n minst in deze strook een aaneengesloten netwerk van landen waterhabitat gerealiseerd worden. Te weinig aaneengesloten leefgebied aanwezig voor het herbergen van duurzame populatie KP. Het ligt op grote afstand van andere gebieden met daartussen bebouwing, infrastructuur, grootschalige intensieve landbouw wat verbinding lastig maakt. Veilig stellen leefgebied knoflookpad: het is de vraag of dit mogelijk is, vanwege risico op inundatie buitendijks. Daarnaast is onbekend of knoflookpad nog wel voorkomt in dit gebied.
4
KS-H
Empese en Tondense Heide e.o.
5
KP-H
Hiemberg, Voorstonden, Sterrebos, Rietmus e.o.
6
KS-L
Hiemberg, Voorstonden, Sterrebos, Rietmus e.o.
Sterrebos, Rietmus e.o.
17
hoge prioriteit, veiligstellen leefgebied knoflookpad. Ook hoge prioriteit vanwege centrale ligging tussen KP-D, KP-F en KP-H (belangrijke verspreidingsgebieden/kerngebieden). Ook grote overlap met kerngebieden KS.
hoge prioriteit t.a.v. veiligstellen leefgebied knoflookpad, maar momenteel onbekend of de soort nog voorkomt (onderzoek nodig). Prioriteit onder voorbehoud van aanwezigheid; als geen onderzoek wordt gedaan, dan is investeren in dit deelgebied een potentieel risico m.b.t. ecologisch functioneren voor knoflookpad.
Vergroten/versterken bestaand leefgebied (kerngebied) KS. Doel is het realiseren van robuust aaneengesloten leefgebied, met name aan de noordzijde van het gebied. Ook veel potentie voor KP door situering zandrug die doorlopend ook de kern vormt van kerngebied KP-D Zeer kansrijk voor het ontwikkelen (dan wel herstellen) van leefgebied KP door de aanwezigheid van forse hoogteverschillen. Potentie voor goed landhabitat dan nu niet wordt benut door intensieve landbouw. Het gaat om zowel water- als landhabitat. Vroeger lag een belangrijk deel van landhabitat in KP-H. In de afgelopen jaren uitgezet op een tweetal locaties. Dit heeft nog niet geresulteerd in kooractiviteit of larven. Hoge mate van overlap met KS-L wat een kerngebied van kamsalamander is. versterken van bestaand leefgebied (kerngebied) KS. Aanleg van extra voortplantingswater is hiervoor nodig; er is al min of meer aaneengesloten geschikt landhabitat aanwezig. Ook overlap met hoog prioriteit-gebied KP-D
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
prio deelGelegen in: gebied Hiemberg, Voorstonden, 7 KP-D
conclusie (samengevat)
8
KS-J
Hiemberg, Voorstonden, Sterrebos, Rietmus e.o.
9
KP-F
Hiemberg, Voorstonden, Sterrebos, Rietmus e.o.
Kerngebied kamsalamander en ook overlap met gebieden voor knoflookpad: KP-E en KP-F die beide ook een relatief hoge prioriteit hebben. Hoewel het verbinden van deelgebieden met verbindingszones een lagere initiële prioriteit heeft, kan met realisatie van VB7 wel veel winst geboekt worden.
10
KP-P
Soerense Broek, Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
11
KS-K
Hiemberg, Voorstonden, Sterrebos, Rietmus e.o.
12
KS-T
Soerense Broek, Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
13
KS-Q
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
14
KS-P
15
KS-N
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
16
KS-R
17
KS-O
Sterrebos, Rietmus e.o.
18
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o. Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
vooral noodzaak om aaneengesloten leefgebied te realiseren met KP-E, KP-F en KP-H en in iets mindere mate ook met KP-C. Water habitat is geïsoleerd, extra landhabitat ter verbinding is nodig. KS: zie KS-L.
Van de vijf wateren in het westelijke gedeelte is er maar één waar de voorplanting van knoflookpad enigszins succesvol lijkt te verlopen. Er is in de huidige situatie geen uitwisseling mogelijk tussen dit cluster van wateren en het verder naar het oosten gelegen potentiéle vooroplantingswater. Potentie voor goed landhabitat dan nu niet wordt benut door intensieve landbouw en er is dus ook onvoldoende waterhabitat. Heeft overlap met meerdere gebieden voor kamsalamander: KS-J, KS-K, KS-M Realiseren nieuw leefgebied knoflookpad aansluitend op bestaand wordt genoemd in masterplan als beste kans. Met name aan de westzijde van KP-P is de uitgangssituatie door het aanwezige hoogtegradiënt zeer gunstig (maar juist het zuidwesten is geen onderdeel gem. Brummen)
In KS-K komt vrij veel bos voor, maar is het aantal geschikte voortplantingswateren is schaars. Door nieuwe voortplantingswateren aan te leggen kan hier snel en eenvoudig het leefgebied van KS worden vergroot. Het gebied ligt momenteel nog geïsoleerd van de andere deelgebieden in deze omgeving. Aanbevolen wordt om een verbinding (VB7) te realiseren tussen KS-K en KS-J door daar enkele voortplantingswateren aan te leggen en een aaneengesloten netwerk van houtwallen of andere landschapselementen te realiseren. Gebied heeft overlap met KP-F, maar niet met het deel van dit gebied waar KP veel aanwezig is. Voor KP is investeren in KP-F dan zinvoller.
KS komt in KS-T minder algemeen voor dan je zou kunnen verwachten afgaand op de mate waarin landhabitat aanwezig is. Dit kan verklaard worden door een gebrek aan geschikte voortplantingswateren. KS-T is een relatief groot gebied en heeft overlap met meerdere deelgebieden voor KP: afhankelijk van de locatie van ingrepen kan ook realisatie van leefgebied voor KP daarom zinvol zijn. Vergroten/versterken bestaand leefgebied (kerngebied) KS. Doel is het realiseren van robuust aaneengesloten leefgebied, met name in de zuidelijke helft en in de noordoostelijke hoek van het gebied. Realiseren vergroten en versterken van bestaand leefgebied van kamsalamander door realisatie van extra land- en waterhabitat Realiseren vergroten en versterken van bestaand leefgebied van kamsalamander door realisatie van extra land- en waterhabitat Landhabitat voor kamsalamander is voldoende aanwezig (bos), maar er is onvoldoende waterhabitat voor kamsalamander. Kamsalamander komt al in het gebied voor; potentie van het gebied is relatief hoog voor kamsalamander. Hoewel het gebied ook enige overlap met deelgebied KP-K, is investeren in KP-K van lage(re) prioriteit. Bossen en andere houtige landschapselementen zijn ruim voldoende aanwezig voor kamsalamander, maar er is onvoldoende waterhabitat. Aanleg van nieuwe voortplantingswateren kan snel winst opleveren voor kamsalamander.
Er is geen overlap met gebied voor knoflookpad.
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
prio deelGelegen in: gebied Soerense Broek, 18 KP-N
conclusie (samengevat)
19
KS-M
Hiemberg, Voorstonden, Sterrebos, Rietmus e.o.
20
KS-I
Empese en Tondense Heide e.o.
Realiseren van een verbinding voor kamsalamander tussen KS-J en KS-K (VB7) door de aanleg van land- en waterhabitat, door de ligging levert het veel winst op, maar huidig gebruik van het land is ongunstig door grootschalige intensieve landbouw.
21
KS-S
Soerense Broek, Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
22
KP-C
Empese en Tondense Heide e.o.
23
VB7
24
VB5A
Hiemberg, Voorstonden, Sterrebos, Rietmus e.o.
25
VB6
Soerel e.o.
26
VB9
Soerense Broek, Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
27
VB8
Soerense Broek, Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
28
VB5
Soerel e.o.
Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
19
Soerel e.o.
Onbekend of KP nog voorkomt (onderzoek nodig). Veel van huidig water is ongeschikt of suboptimaal voortplantingswater voor KP en landhabitat is schaars. Eerst bestaande wateren verbeteren, voordat men inzet op aanleg nieuw waterhabitat. Deelgebied is geen onderdeel van huidig bekend verspreidingsgebied KS.
Realiseren van verbinding voor KS met bestaand leefgebied aan westen zuidzijde (kerngebieden KS-H en KS-L. Is dan zowel versterking van bestaand gebied als verbinding tussen kerngebieden. Overlap met lager prioriteitsgebied voor KP, maar extra waterhabitat KP kan wel snel winst opleveren door gunstige ligging zandrug
Landhabitat KS is al in redelijke mate aanwezig, dus met het realiseren van enkele voorplantingswateren kan snel winst behaald worden. Hoewel KS-S geen onderdeel is van huidig bekend verspreidingsgebied, kan KS-S wel gezien worden als potentie voor uitbreiding van huidig verspreidingsgebied KS-T. Voorwaarde is dan wel dat een verbindingszone naar KS-T aanwezig is en dit is momenteel onbekend. Ook is onbekend of in het overlappende deel met KP-N nog knoflookpadden voorkomen; dit moet eerst worden onderzocht voordat wordt geïnvesteerd in leefgebied KP. Benodigd habitat KP is al deels aanwezig dus kan deze verbinding gerealiseerd worden met realatief weinig maatregelen, ligt de voortzetting van de zandrug die vormt de kern van kerngebied KP-D
realiseren van verbinding voor KS tussen leefgebied KS-K en kerngebied KS-J.
Realiseren van een verbinding met de dichtstbijzijnde leefgebieden van KS en KP (met relatief hoge prio); VB5 en VB6 doen in principe hetzelfde, het is minder zinvol om deze alle 3 te realiseren, maar beter om er 1 te kiezen. Voor KS is VB5a de meest logische keuze, vanwege verbinding met kerngebied. Voor KP is deze verbindingzone niet ingetekend in het masterplan, maar door een dubbel functioneren van een verbindingszone te creëeren vervalt noodzaak voor VB6 (logischer verbinding knoflookpad) Meest logische keuze voor verbinding noordelijk verspreidingsgebied met zuidelijk (boven VB5), maar als geïnvesteerd wordt in VB5a (beste keus voor verbinding zelfde gebied voor KS), kan investeren in VB6 mogelijk komen te vervallen.
lange verbinding van noordelijk leefgebied met zuidelijk leefgebied KS (over deelgebied KS-R heen); minder logische verbinding dan VB8 (zelfde functie). Verbinding levert geen directe winst op voor KP, want geen levert geen verbinding tussen bekend verspreidingsgebied.
de beste mogelijkheid ligt om een verbinding te realiseren tussen leefgebieden in het centrale en zuidelijke deel van het projectgebied (beter dan VB9), MAAR: geen directe verbinding naar bekend verspreidingsgebied KP.
Minder logische keuze voor verbinding noordelijk verspreidingsgebied met zuidelijk (beter is VB5a). Levert ook geen directe winst op voor KP, omdat het dan geen verbinding vormt naar bekend verspreidingsgebied voor KP.
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
prio deelGelegen in: gebied Soerel e.o. 29 KS-G
conclusie (samengevat)
30
KP-O
Soerense Broek, Leuvenheimsche Heide, Leuvenheim e.o.
31 32
KP-B VB2
Soerel e.o.
Realiseren nieuw leefgebied knoflookpad aansluitend op bestaand, genoemd in masterplan als beste kans, omdat er veel hoogtegradiënt aanwezig is. Echter, het gebied is grotendeels buiten de gemeente Brummen gelegen en de specifieke potentie van het deel dat wel binnen de gemeentegrens is gesitueerd is onbekend. Gezien de hoge potentie van het gebied wordt wel aanbevolen dit nog aanvullend te onderzoeken. Overlapt met deelgebied KS-T (bekend verspreidingsgebied, zie 'KS-T'); maatregelen ter bevordering van leefgebied voor KS zijn daarom ook zinvol in dit deelgebied.
33
VB14
34
KP-J
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
35
VB13
20
Lampenbroek, Loenense hooilanden e.o.
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
Meeste waarnemingen van KS worden gedaan bij één grote waterparij (Groot soerel). In de buurt van deze waterpartij liggen nog 2 kleinere poelen. Er zijn meerdere wateren in de rest van het gebied waarvan de soort niet bekend is, maar die waarschijnlijk wel geschikt zijn als voortplantingswater. In potentie is het gebied zeer geschikt voor KS en KP (gebied KP-B). Deze potentie wordt nu niet benut doordat in het gebied en in de nabije omgeving vooral veel grootschalige intensieve landbouw aanwezig is. KS-G kan op termijn makkelijk onderdeel worden van een uitbereiding van het bestaande leefgebied door in het tussenliggende gebied nieuw land- en waterhabitat aan te leggen. Een belangrijke kanttekening bij dit deelgebied is het feit dat het grotendeels buiten de gemeente Brummen is gelegen. De specifieke potentie van het deel gelegen binnen de gemeentegrenzen is momenteel nog onbekend.
zie KS-G
Er is voldoende land- en waterhabitat aanwezig voor KS, maar de soort is afwezig, verbinding met bestaand leefgebied/kerngebied kan daarom snel effect leveren. Met aanleg van enkele aanvullende land- en waterhabitats ter realisatie van verbindingen met bestaand leefgebied kan hier snel een groot oppervlak aan potentieel leefgebied gerealiseerd worden. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat de verbinding slechts voor de helft in gemeente Brummen is gesitueerd, voor een volwaardige verbinding is medewerking van en/of investering door de buurgemeente een vereiste. zie 'KP-J'
"Zowel land- als waterhabitat nodig. Voor KP-J geldt dat er qua opbouw van het landschap genoeg mogelijkheden zijn om een volwaardig leefgebied te realiseren, maar dat als dit een te grote opgave is (in eerste instantie) ook ingezet kan worden op de realisatie van een verbindingszone (VB14) in plaats van een volwaardig leefgebied. Echter: verbindingszone is relatief lang. Zou in ligging ook een aanvullende verbinding kunnen vormen tussen bekend verspreidingsgebied van KS, maar deze gebieden zijn voor KS al grofweg aangrenzend."
Via VB13 is het mogelijk om een verbinding te realiseren tussen KP-I en bestaand leefgebied in KP-D, alleen zinvol als investering in KP-I ook is voorzien, anders loopt deze verbinding dood. Voor KS zou dit een alternatieve route kunnen zijn van noordelijk kerngebied naar zuidelijk kerngebied, maar daarvoor is investeren in KS-N of KS-O een veel logischere keuze (VB13 is dan een flinke omweg)
Ecologisch adviesrapport realisatie GBDA
5 december 2025
prio deelGelegen in: gebied Cortenoever e.o. 36 VB10a
conclusie (samengevat)
37
VB10c
Cortenoever e.o.
38
VB10b
Cortenoever e.o.
Kan eventueel als alternatieve of aanvullende verbindingszone ingericht worden tussen KS-U en de bestaande leefgebieden in het centrale deel van het projectgebied. Er zijn veel maatregelen nodig voor het realiseren van voldoende land- en waterhabitat en het opheffen van barriéres in de vorm van drukke wegen. Er moet dus ook aardig wat land en waterhabitat worden aangelegd om een werkende verbinding te realiseren. Voor KP zou de zone enkel vergroten leefgebied zijn, omdat deze aan de noordzijde dan niet aansluit op huidig bekend leefgebied.
39
VB11
Cortenoever e.o.
40
KP-L
Cortenoever e.o.
41
KP-I
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
42
KP-K
Hall, Oeken, Leusveld, Engelenburg e.o.
21
Zou op zichzelf isolatie van kleine populatie KS bij Spaensweerd opheffen, maar voor verdere verbinding met leefgebied is combinatie met VB10b of VB10c nodig en deze zone is heel lang. Investeren in KS-U is dan waarschijnlijk meer zinvol. Verbinding levert geen directe winst op voor KP, want levert geen verbinding tussen bekend verspreidingsgebied.
Zou op zichzelf isolatie van kleine populatie KS bij Spaensweerd opheffen, maar voor verdere verbinding met leefgebied is combinatie met VB10a nodig en deze zone is heel lang. Investeren in KS-U of KS-T is dan waarschijnlijk meer zinvol. Verbinding levert geen directe winst op voor KP, want levert geen verbinding tussen bekend verspreidingsgebied. Ontsluiting behoeft o.a. een faunapassage, waardoor inzet in realisatie leefgebied ter verbinding als losstaand(e) element(en) weinig zinvol is. alternatieve verbinding t.o.v. VB10a + VB10c. Inundeert bij hoge waterstand in de Ijssel en verbindingszone is erg lang. Geen overlap met bekend verspreidingsgebied KP