CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(096) Gids Buitengebied 3 juli 2025

Forum Fysieke Leefomgeving 4 september 2025, gemeente BrummenBij agendapunt: Nota Ruimtelijke Kwaliteit (dorpskwaliteitsgidsen) (informerend)6.342 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Dorpskwaliteitsgids

Deel E Buitengebied en Buurtschappen Concept 2 juli 2025

Colofon In opdracht van Contactpersoon Concept

Gemeente Brummen Anne Reintjes | gemeente Brummen 2 juli 2025

Gelders Genootschap Projectteam

026 4421742 | info@geldersgenootschap.nl Madelinde Roelofs, Masja Rietveld, Frebus van Slochteren Elin Thomassen, Christel Steentjes

Dorpskwaliteitsgids buitengebied en buurtschappen

2.

Inhoud dorpskwaliteitsgids Buitengebied en Buurtschappen Blz. H1 Aan de slag met de dorpskwaliteitsgids 4 Hoe gebruikt u de gids? 4 H2 De Landschappen van gemeente Brummen

6

H3 Bebouwing in het buitengebied Kwaliteiten bebouwing buitengebied

9 9

H4 Ambities ruimtelijke kwaliteit buitengebied

10

H5 Algemene ontwerprichtlijnen buitengebied 12 Landschap 12 Schaal en Structuur 12 Bebouwing en Architectuur 13 H6 Ruimtelijke karakterisiteken landschapszones buitengebied 15 Veluwe 16 Veluweflank 18 Ontginningen 20 Landgoederenzone 22 Oeverwal 24 Uiterwaarden 26 H7 Ruimtelijke karakteristieken erven buitengebied 29 Algemene ontwerprichtlijnen erven 30 Verschillende erven: traditioneel en jong 31 Traditionele erven 32 Jonge erven 33

Stappenplan bouwplan

De gids vormt het kader voor ruimtelijke kwaliteit voor bouwplannen. In dit schema ziet u welk deel van de gids u nodig heeft en waaraan u bouwplan moet voldoen. Is het bouwplan vergunningsvrije bouwactiviteit? Nee Ja

Vooraf vindt er geen beoordeling plaats bij vergunningsvrije bouwwerken. Informatie over vergunningsvrij bouwen vindt u bij de rijksoverheid en gemeente

Gaat het om een monument of karkateristiek pand? Nee Ja

Zie deel A voor de ontwerprichtlijnen Monumenten en Karakteristieke panden en de kwaliteiten en ambities voor de kern.

Gaat het om een klein bouwwerk zoals een dakkapel, gevelwijziging of erfafscheiding? Nee Ja Is het een bouwplan voor een gebouw in het buitengebied? Ja

Nee

Zie deel A criteria kleine bouwwerken.

Zie deel D Kernen, Deel B Brummen Deel C Eerbeek of de algemene ontwerprichtlijnen in deel A.

Het bouwplan moet voldoen aan de algemene ontwerprichtlijnen op blz. 6 en 7 Bekijk ook de ambities voor ruimtelijke kwaliteit voor het buitengebied en het landschap waarin het ligt om met het bouwplan bij te dragen aan de kwaliteit van het landschap en buitengebied.

3.

H1 Aan de slag met de dorpskwaliteitsgids buitengebied De gemeente Brummen hecht veel waarde aan het behoud van de eigen identiteit en kwaliteit van haar dorpen en buurtschappen. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet 1 januari 2024 moeten ruimtelijke initiatieven bijdragen aan een veilige, gezonde en kwalitatief goede leefomgeving. Om dit te waarborgen, hanteert de gemeente zogenoemde kwaliteitsgidsen. Deze gidsen vormen het toetsingskader voor de beoordeling van bouwplannen op het gebied van omgevingskwaliteit. Er zijn vijf gidsen: • A. Algemene Dorpskwaliteitsgids gemeente Brummen • B. Dorpskwaliteitsgids Brummen • C. Dorpskwaliteitsgids Eerbeek • D. Dorpskwaliteitsgids Kernen: Empe, Hall, Leuvenheim en Oeken • E. Dorpskwaliteitsgids Buitengebied en buurtschappen. De gidsen zorgen ervoor dat iedereen, die in de gemeente iets wil bouwen, duidelijkheid heeft over de manier waarop de gemeente de identiteit en kwaliteit van de plek wil behouden en stimuleren. De initiatiefnemer van een bouwplan vindt in deze gidsen welke eisen op welke plek worden gesteld en hoe het plan kan bijdragen aan de identiteit en een goede omgevingskwaliteit. De ontwerprichtlijnen vormen ook het toetsingskader voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Op basis van de kwaliteiten, ambities en de ontwerprichtlijnen kan deze commissie een goed onderbouwd advies geven over (bouw)plannen.

Hoe gebruikt u de gidsen? Deel E Buitengebied en Buurtschappen sluit aan op Deel A Algemene Dorpskwaliteitsgids, waarin de opbouw van de gidsen wordt toegelicht. Deel A bevat bovendien de relatie met bestaand beleid en de Omgevingswet, het proces van kwaliteitsadvisering bij bouwplannen, algemene ontwerprichtlijnen, toetsingscriteria voor kleine bouwplannen, de excessenregeling, en uitgangspunten voor het onderhoud, de verbouwing en verduurzaming van monumenten, karakteristieke panden. Ook de ontwerprichtlijnen voor landgoederen staan in deel A. In deze gids (deel E) vindt u: • Algemene ontwerprichtlijen voor bebouwing in het buitengebied. • De ambities ruimtelijke kwaliteit voor het buitengebied en erven. • Een beschrijving van zes landschapstypen binnen de gemeente. Met per type de belangrijkste gebiedskwaliteiten en streekeigen beplanting. • Specifieke ontwerprichtlijnen voor twee typen erven: het traditionele erf en het jonge erf. Plannen worden getoetst aan de hand van hun bijdrage aan: • De gebiedskwaliteiten. • De gestelde ambities. • De bijbehorende ontwerprichtlijnen. Voor de begrenzing van de landschappen sluit deze gids aan bij het Omgevingsplan Landschapselementen Buitengebied (voorheen bestemmingsplan). Het stappenplan voor een bouwplan en het gebruik van deze gids staat op pagina 3.

4.

Cortenoever 5.

6. 6.

H2 De landschappen van gemeente Brummen De gemeente Brummen kent een rijk en afwisselend buitengebied met een grote landschappelijke diversiteit. In de landschapsbiografie van Brummen wordt het verhaal van het landschap en de bewoners uitgebreid beschreven. Deze verscheidenheid is het resultaat van eeuwenlange interactie tussen natuurlijke processen en menselijk gebruik. Binnen de gemeente zijn zes kenmerkende landschapstypen te onderscheiden. Elk type heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, ruimtelijke opbouw, beplantingsstructuur en erfkarakteristieken. Samen vormen zij de landschappelijke hoofdstructuur van Brummen. Van de hoge en droge heuvels van de Veluwe tot de natte lage uiterwaarden langs de IJssel, vormen samen een gevarieerd mozaïek van natuur, cultuur en historie. Iedere zone vraagt om een eigen aanpak in inrichting en beheer, met respect voor het verleden én oog voor toekomstige uitdagingen zoals klimaatverandering en duurzaam landgebruik. Door deze unieke kwaliteiten te koesteren, kan de identiteit van het buitengebied behouden én versterkt worden. De volgende landschapstypen worden onderscheiden: Veluwe De Veluwe is een uitgestrekt, hooggelegen natuurgebied met bossen, heidevelden en zandgronden. Oorspronkelijk was het bedekt met loofbossen, maar deze maakten plaats voor heidevelden door menselijk gebruik: begrazing en plaggen voor de potstal.

De huidige bossen zijn grotendeels aangeplant in de 19e eeuw. Het landschap is ruig en vrijwel onbewoond. Grondwaterstromen komen hier dichter onder het maaiveld voor, waardoor het mogelijk was tot op het grondwater te graven en zo water te onttrekken. De in dit deelgebied ontspringende Eerbeekse Beek is een voorbeeld van een uitgegraven ‘spreng’. Ten noorden van de Coldenhovenseweg liggen

naast woningen grootschalige functies in het bos als de papierfabriek Coldenhove, een zwembad en recreatiepark Coldenhove. Veluweflank Aan de voet van de Veluwe ligt de Veluweflank, een zone met reliëfrijke zand- en grindafzettingen uit de ijstijd. Deze zone bood droge grond voor akkerbouw en natte hooilanden voor vee. Hier ontstonden dorpen als Eerbeek en Hall. De aanwezigheid van waterbronnen maakte bewoning en industrie mogelijk, zoals papiermolens. Het landschap is kleinschalig, met afwisselend bos, landbouw en bebouwing, en kent een rijke agrarische en industriële geschiedenis. Ontginningen Tussen de Veluweflank en de landgoederen ligt de ontginningszone. In de 19e en 20e eeuw werden uitgestrekte heidevelden en moerassen ontgonnen tot rationeel verkaveld landbouwgebied. Alleen rond Hall en Eerbeek bestond al vroeg akkerbouw. Vandaag de dag is het een open landschap met lange rechte kavels, afrasteringen in plaats van houtsingels, en verspreide boerderijen. Het kent weinig historische bebouwing, maar is belangrijk voor de agrarische functie. Landgoederenzone In de 17e en 18e eeuw ontstond tussen de bewoningszones een zone van landgoederen, toen markegronden verkocht werden aan adel en rijke kooplieden. Ze bouwden landhuizen en kastelen zoals Huize de Wildbaan en Huis te Eerbeek. Het landschap werd omgevormd tot parkachtig bos met lanen, weilanden en akkers.

Door het natte terrein werden rabatten aangelegd voor eikenaanplant. Dit landschap is nu een waardevol cultuurlandschap waar natuur, historie en recreatie samenkomen.

7.

Buurtschappen Landgoederenzone In de landgoederenzone ligt het buurtschap ‘Broek’. Dit buurtschap bevindt zich aan en rond de Knoevennoordstraat, ter hoogte van de kruising met de Stouwstraat. Het vormt een herkenbaar geheel binnen het parkachtige landschap. Ontwikkelingen binnen het buurtschap moeten passen bij de gebiedskwaliteiten van de landgoederenzone. Dat betekent onder meer zorg voor landschappelijke inpassing, behoud van groene structuren en respect voor cultuurhistorische waarden. Nieuwe plannen dienen hierop afgestemd te worden. Een uitgebreidere toelichting is te lezen op pagina 22. Oeverwal Langs de IJssel ligt de Oeverwal: een zone met lage, droge zandheuvels gevormd door wind en rivierafzettingen. Deze heuvels waren net hoog genoeg voor vroege bewoning en akkerbouw. Hier ontstonden dorpen als Brummen, Rhienderen, Oeken en Empe. Het landschap is halfopen en afwisselend, met een losse structuur van erven, akkers en slingerende wegen. Het herinnert aan een tijd waarin boeren op de hogere zandkoppen leefden, omringd door moerassen. Buurtschappen Oeverwal In het oeverwalgebied liggen de buurtschappen ‘Tonden’ en ‘Voorstonden’. Tonden bevindt zich aan en rond de Tondensestraat en de Hoevesteeg. Voorstonden ligt aan en rond de Windheuvelstraat, Buurtweg en Stoeveweg. Beide buurtschappen vormen een herkenbaar onderdeel van het oeverwallandschap.

Ontwikkelingen in deze gebieden dienen aan te sluiten bij de gebiedskwaliteiten van de oeverwal: met zorg voor landschappelijke inpassing, behoud van groene structuren en aandacht voor cultuurhistorische waarden. Nieuwe plannen dienen hierop afgestemd te worden. Een uitgebreidere toelichting is te lezen op pagina 24.

8.

Uiterwaarden De uiterwaarden vormen een laaggelegen, nat gebied langs de IJssel, waar overstromingen, rivierklei en voedingsrijke afzettingen het landschap vormden. Vroeger waren hier wilgen- en eikenbossen, later werd het gebied gebruikt voor landbouw en vee. Grote boerderijen getuigen van vruchtbare gronden, ondanks het overstromingsrisico. Huize Reuversweerd en Laag-Helbergen zijn voorbeelden van historische bebouwing. Met dijkverleggingen in 2015 is ruimte gemaakt voor de rivier, in reactie op klimaatverandering. Vandaag de dag is het een open, natuurlijk gebied met waterberging, natuurontwikkeling en recreatie. Buurtschappen Uiterwaarden In de uiterwaarden ligt het buurtschap ‘Cortenoever’, gelegen tussen de Brummense Bandijk en de Cortenoeverseweg. Dit buurtschap vormt een karakteristiek onderdeel van het uiterwaardenlandschap. Ontwikkelingen in Cortenoever dienen aan te sluiten bij de gebiedskwaliteiten van de uiterwaarden: openheid, natuurlijke dynamiek, waterveiligheid en behoud van cultuurhistorische elementen. Nieuwe plannen dienen hierop afgestemd te worden. Een uitgebreidere toelichting is te lezen op pagina 26.

H3 Bebouwing in het buitengebied In het gevarieerde landschap liggen boerderijen, erven, landgoederen en bebouwing verspreid over het gebied. De spreiding van deze bebouwing weerspiegelt de natuurlijke ondergrond, de historische ontwikkeling en de agrarische gebruiken van het gebied. De samenhang tussen landschap en bebouwing vormt de kern van de ruimtelijke kwaliteit in dit landelijke gebied.

Kwaliteiten bebouwing buitengebied • Bijzondere en waardevolle landgoederen met voorname landhuizen, tuinen en omliggend landschap met lanen en bossen. • Historisch gegroeide erfstructuren en bebouwingstypologieën (zoals het hallehuis of T-boerderij). • Intieme buurtschappen van samenhangende en met het landschap verbonden erven. • Natuurlijke inpassing van erven en gebouwen in het landschap.

In het dekzandgebied (Veluwe, Veluweflank en Landgoederenzone) zijn deze veelal gesitueerd langs lange, rechte wegen. Hier vormt de bebouwing zelden aaneengesloten linten; vaak ligt een boerderij los in het veld. Op kruispunten van wegen ontstaan soms kleine concentraties van bebouwing, ook wel buurtschappen genoemd. Deze kleine gemeenschappen bestaan meestal uit enkele boerderijen of erven die samen een landschappelijk herkenbare eenheid vormen. Richting de IJssel verandert het beeld. De wegen slingeren hier meer, volgend langs de hoger gelegen oeverwallen en de rivierloop. Op deze oeverwallen is de bebouwingsdichtheid vaak wat hoger. Hier vinden we statige herenboerderijen, landhuizen en landgoederen, bijvoorbeeld bij Tonden, Cortenoever en Voorstonden. Rond deze historische buitenplaatsen is de bebouwing vaak iets verdichter, soms in de vorm van dienstwoningen, bijgebouwen of kleinere erven die zich in de loop der tijd hebben ontwikkeld rond de hoofdbebouwing.

9.

H4 Ambities ruimtelijke kwaliteit Buitengebied Het buitengebied van Brummen is bijzonder. De gemeente ligt op de overgang van de Veluwse bossen naar de IJsselvallei, wat zorgt voor een bijzondere landschappelijke diversiteit. Heide, bossen, beken, rabatten en open uiterwaarden wisselen elkaar af en vormen samen een uniek en rijk landschap. Deze variatie, samen met de landelijke charme en natuurwaarden, vormt een belangrijke kwaliteit van Brummen. De bebouwing van boerderijen, erven en landgoederen zijn daar onderdeel van. Ontwikkelingen in het buitengebied zijn ondergeschikt aan het behoud van landschap, natuur en cultuurhistorie. Tegelijkertijd willen we ruimte blijven bieden aan passende initiatieven die bijdragen aan de kwaliteit en toekomstbestendigheid van dit waardevolle gebied. Behoud en versterking van het landschap Nieuwe ontwikkelingen dragen waar mogelijk bij aan deze landschappelijke kwaliteit. Behoud en versterking van zichtrelaties met de rivier, het landschap en cultuurhistorische structuren. Ruimte voor kwaliteit, niet voor kwantiteit Bouwplannen hebben een aantoonbare meerwaarde voor het landschap, leefbaarheid en passen binnen de gebiedskwaliteiten. Toegankelijk landschap met oog voor natuur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de toegankelijkheid van het buitengebied, onder andere door de aanleg van (klompen)paden en fietspaden.

Daarbij moet rekening worden gehouden met kwetsbare natuurgebieden. Bodem en water als basis Bij iedere ontwikkeling wordt rekening gehouden met het bodem- en watersysteem. Dit vormt een fundament voor duurzame ruimtelijke 10. 10.

keuzes. Behoud van erfgoed en cultuurhistorie Behoud en revitalisatie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is belangrijk. Transformatie van vrijkomende agrarische bebouwing naar hoogwaardige woonfuncties (zoals via rood-voor-rood) is mogelijk, mits de landschappelijke kwaliteit wordt versterkt. Ruimte voor natuurinclusieve landbouw Een meer extensive en natuurinclusieve landbouw draagt bij aan het behoud en beheer van de bijzondere landschappen en natuurwaarden van Brummen. Gebiedsgerichte aanpak De kwaliteiten en ambities van het buitengebied zijn leidend en worden verder uitgewerkt in gebiedsspecifieke richtlijnen voor de verschillende landschappen.

11.

H5 Algemene ontwerprichtlijnen Buitengebied Om de unieke identiteit van het buitengebied te behouden en versterken, is het belangrijk dat toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen aansluiten bij de specifieke kenmerken van elk landschapstype en buurtschap. Deze algemene ontwerprichtlijnen bieden richting bij het vormgeven van de ruimtelijke toekomst van het buitengebied. Daarnaast zijn er specifieke ontwerprichtlijnen per erftypologie. Landschap De identiteit van de bebouwing in het buitengebied is sterk verbonden met de ligging in het landschap. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de kenmerkende landschapskwaliteiten van het landschapstype rondom de bebouwing. Dit zorgt ervoor dat het landschap en de bijbehorende cultuurhistorische elementen behouden blijven. Bouwplannen zijn ondergeschikt aan het landschap en passen in het bestaande patroon van bebouwing en open ruimte. Verharding blijft beperkt tot het functionele minimum en sluit aan bij het landelijke karakter. Nieuwbouw is bij voorkeur natuurinclusief, met oog voor biodiversiteit en ecologische waarde. Sluit aan bij de kernkwaliteiten van het landschap en de stedenbouwkundige structuur. Respecteert en versterkt waar nodig cultuurhistorische waarden en zichtlijnen op monumenten en erfgoed.

12. 12.

Schaal en Structuur De bebouwing in het buitengebied is overwegend kleinschalig en agarisch of dorps van aard. Hoogbouw en hoge dichtheden passen hier niet, zodat de kenmerkende landschappelijke structuren en historische sfeer behouden blijven. Ook is het van belang aandacht te hebben voor de impact van grootschalige infrastructuur, om verstoring van het kleinschalige karakter van deze bebouwing te voorkomen. De stedenbouwkundige structuur van de bebouwing wordt bepaald door oorspronkelijke agrarische wegen waarlangs boerderijen en later vrijstaande woningen perceelsgewijs zijn ontstaan. Het straatbeeld is daardoor wisselend, met een overwegend open bebouwingsstructuur die doorzichten biedt naar het omringende landschap. •

Erfstructuren: De situering van bebouwing bij voormalige agrarische erven is vaak bepaald door het oorspronkelijke functionele gebruik en de natuurlijke ligging in het landschap. Bij overige bebouwing is de oriëntatie vaak bepaald door de richting van de weg, waarbij panden regelmatig langs licht verspringende rooilijnen staan. Bebouwing en erven hebben een duidelijke overgang tussen openbaar en privégebied. Bebouwing Is zorgvuldig ingepast, zowel qua ligging als schaal, vorm, massa en oriëntatie.

•

Openbare ruimte: De openbare ruimte heeft een groene, landelijke uitstraling, met smalle straatprofielen, zachte grasbermen en hagen als erfafscheiding langs voortuinen. Dit zorgt voor een duidelijk onderscheid tussen openbaar en privégebied. Bebouwing draagt bij aan de kwaliteit van openbare ruimte en leefomgeving.

Bebouwing en Architectuur De bebouwing in het buitengebied is overwegend kleinschalig en agrarisch en landelijk van karakter, met één tot twee lagen met kap. De samenhang binnen de bebouwing wordt bepaald door de overeenkomsten in maat en schaal, eenvoudige hoofdvormen en het gebruik van kappen. •

Typologie en Architectuur: De bebouwing is individueel ontworpen en dateert uit verschillende tijdsperioden. Herhaling van hetzelfde type wordt beperkt. Het heeft een samenhangende gevelindeling en ingetogen kleurgebruik. Installaties voor energieopwekking in het ontwerp. Het ontwerp heeft sobere detaillering passend bij het landelijke karakter.

•

Gevelindeling en Materialen: Gevels zijn vaak traditioneel geordend, met gesloten gevelvlakken en raamopeningen die naar boven toe kleiner worden. Bij boerderijen is de gevelindeling van voor en achter herkebaar. Het materiaalgebruik draagt herkenbaar bij aan het historische karakter, met een mix van rode of bruine baksteen, pleisterwerk, keramische dakpannen in rode of antracietkleur, riet en hout. Het kleurgebruik is overwegend ingetogen en voegt zich naar kenmerken van de betreffende bouwstijl.

•

•

Gebruik duurzame materialen: Ook bij het gebruik van duurzame materialen, zoals hout, sluit het bouwplan aan bij het overwegende agrarische karakter van één tot twee lagen met kap en traditonele gevelindeling. Gebruik duurzame, streekeigen en natuurlijke materialen.

13.

14.

H6 Ruimtelijke karakteristieken landschapszones Buitengebied Het buitengebied van de gemeente kent een grote landschappelijke variatie. Door de wisselwerking tussen mens en natuur zijn verschillende landschapstypen ontstaan, elk met een eigen structuur, gebruik en uitstraling. Deze diversiteit vormt de basis voor de ruimtelijke identiteit van het buitengebied en vraagt om een zorgvuldige benadering bij ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk worden zes landschapszones onderscheiden: Veluwe, Veluweflank, Ontginningen, Landgoederen, Oeverwal en Uiterwaarden. Voor elk landschapstype worden de gebiedskarakteristieken beschreven: wat het landschap kwaliteit geeft, hoe het zich onderscheidt van andere typen en welke ruimtelijke kenmerken daarbij horen. Daarnaast komt het nederzettingspatroon kort aan bod: de wijze waarop bewoning en erven zich in het landschap hebben ontwikkeld. Tot slot wordt de streekeigen beplanting benoemd, als essentieel onderdeel van de landschappelijke samenhang en identiteit. Deze beschrijvingen vormen de basis voor ruimtelijke afwegingen in het buitengebied. Ze bieden handvatten voor het herkennen, behouden en versterken van de eigenheid en kwaliteit van elk landschapstype.

15.

Veluwe Gebiedskwaliteiten

Nederzettingspatroon

Het Veluwelandschap in de gemeente Brummen vormt het meest hooggelegen deel van het buitengebied. Deze zone ligt op de stuwwal, een geologisch reliëf dat in de ijstijd is ontstaan. De relatief hoge ligging zorgt voor een ander bodemgebruik en vegetatiepatroon dan in de lagere delen van de gemeente. Het landschap heeft een grootschalig, gesloten en natuurlijk karakter.

De bebouwing in het Veluwelandschap is schaars en kleinschalig. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij deze terughoudende en natuurlijke inbedding.

Een van de meest kenmerkende elementen is de uitgestrekte aanwezigheid van bos, met een nadruk op naaldbos. Deze bossen zijn deels spontaan gegroeid, deels aangeplant voor houtproductie, maar vormen vandaag de dag een belangrijk onderdeel van de beleving en ecologische waarde van het gebied. Uniek voor het Veluwelandschap zijn de sprengkoppen: bronnen waaruit grondwater opwelt. Deze sprengen werden van oudsher benut voor watermolens en beken en zijn hierdoor zowel hydrologisch als cultuurhistorisch waardevol. In de open delen van het Veluwelandschap komen weiden en akkers voor, die vaak zijn omzoomd met houtsingels of bosranden. De open plekken zijn beperkt, maar vormen belangrijke contrasten binnen het verder grotendeels beboste gebied.

16.

Streekeigen beplanting Beplanting verbindt de bebouwing aan het landschap. Door de juiste landschapselementen en streekeigen soorten wordt het onderscheid tussen de verschillende landschappen versterkt. Het gebruik van streekeigen soorten draagt bij aan de biodiversiteit van het landschap. De volgende beplanting past bij het veluwelandschap: Solitaire Boom: eik, paardenkastanje, tamme kastanje, beuk. Bosjes: hulst, zomereik, beuk, taxus, berk, lijsterbes, grove den. Houtsingel/struweelhaag: eik, lijsterbes, berk als boomvormer, ondergroei van meidoorn, veldesdoorn, hazelaar, gewone vuilboom, Gelderse Roos, hondsroos. Knip- of scheerhaag bij woning: meidoorn, beuk, haagbeuk en liguster.

Gebiedskwaliteiten Veluwe

17.

Veluweflank Gebiedskwaliteiten

Nederzettingspatroon

Het Veluweflanklandschap vormt de overgangszone tussen de hoge gronden van de Veluwe en de lagere delen van het rivierengebied. Deze flank kent een bijzondere gelaagdheid: het is een gebied waarin verschillende verkavelingsstructuren en historische gebruiksvormen elkaar raken en overlappen.

Het Veluweflanklandschap kent een afwisselend nederzettingspatroon. Langs voormalige enkcomplexen liggen verspreid erven op overgangszones tussen akker en grasland. In het kampenlandschap rondom Hall zijn deze kleinschalig en historisch gegroeid, terwijl bij Eerbeek juist een rationelere opzet zichtbaar is. Respectievelijk komen in het kampenlandschap voornamelijk klassieke erven en in het meer rationele deel rationele erven voor. Erven zijn zorgvuldig ingepast in het landschap en versterkten van oudsher het contrast tussen open en besloten ruimtes.

Aan de noord- en zuidzijde van Eerbeek treffen we een rationeel verkaveld landschap, dat herkenbaar is aan de rechte lijnen, open kavels en grootschaligheid. Dit deel van het Veluweflanklandschap sluit aan op het patroon van latere landbouwkundige ontginningen. In contrast daarmee ligt rondom Hall een kleinschalig kampenlandschap met een onregelmatig verkavelingspatroon. Hier is het landschap juist intiem, met een sterk historisch karakter en een grote ruimtelijke variatie. De kavelbeplanting speelt een belangrijke rol in de ruimtelijke beleving van het landschap. Houtsingels en bomenlanen markeren kavels, wegen en perceelsranden, en zorgen voor beschutting, structuur en groen erfgoed. Ze vormen het visuele raamwerk waarbinnen zowel open als kleinschalige landschappen worden beleefd. Het Veluweflanklandschap is daarmee een rijk geschakeerd overgangsgebied, waarin openheid en beslotenheid, oude en nieuwe structuren, en landbouw en natuur op een vanzelfsprekende manier naast elkaar bestaan. Deze complexiteit maakt het tot een waardevol en kwetsbaar landschapstype dat vraagt om zorgvuldig beheer en maatwerk in ruimtelijke ontwikkelingen.

18.

Streekeigen beplanting Beplanting verbindt de bebouwing aan het landschap. Door de juiste landschapselementen en streekeigen soorten wordt het onderscheid tussen de verschillende landschappen versterkt. Het gebruik van streekeigen soorten draagt bij aan de biodiversiteit van het landschap. De volgende beplanting past bij het veluweflanklandschap: Solitaire Boom: es, linde, paardenkastanje. Bosjes: eik, es, hazelaar Houtsingel/struweelhaag: es en eik met ondergroei van veldesdoorn, hazelaar, sleedoorn, hondsroos, lijsterbes en Gelderse Roos. Knip- of scheerhaag bij woning: meidoorn, beuk, haagbeuk en liguster. Hoogstamboomgaard: appel, peer, kers, pruim, mispel en walnoot.

Gebiedskwaliteiten Veluweflank

19.

Ontginningen Gebiedskwaliteiten

Nederzettingspatroon

Het ontginningenlandschap in de gemeente Brummen is het resultaat van grootschalige landbouwontginningen die vanaf de 19e eeuw plaatsvonden. In tegenstelling tot de organisch gegroeide, bochtige patronen van oudere landschappen, is dit landschap strak en functioneel ingericht. De verkaveling is rationeel van opzet, met lange, rechtlijnige kavels, rechte wegen en duidelijke eigendomsgrenzen. Dit patroon geeft het landschap een geordend, overzichtelijk karakter.

In het ontginningenlandschap ligt de bebouwing verspreid langs rechte wegen, in lijn met de rationele verkaveling. Boerderijen staan solitair op ruime kavels en zijn functioneel van opzet. De erven zijn open van karakter, met beperkte beplanting en een duidelijke oriëntatie op de weg. Doorgaans vallen de erven binnen de rationele erftypologie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij deze ruimtelijke ordening en het open, overzichtelijke karakter van het gebied.

Een van de meest opvallende eigenschappen van het ontginningenlandschap is de grote mate van openheid. Door het ontbreken van reliëf en de beperkte hoeveelheid beplanting is het zicht over het landschap vaak weids en ononderbroken. Hierdoor ontstaat een gevoel van ruimte, schaal en eenvoud dat kenmerkend is voor deze zones.

Beplanting verbindt de bebouwing aan het landschap. Door de juiste landschapselementen en streekeigen soorten wordt het onderscheid tussen de verschillende landschappen versterkt. Het gebruik van streekeigen soorten draagt bij aan de biodiversiteit van het landschap. De volgende beplanting past bij het ontginningenlandschap: Boomsingel: berk, es, els Struweelhaag: meidoorn, sleedoorn, hondsroos, hazelaar, lijsterbes, inheemse vogelkers, gewone vuilboom Knip- of scheerhaag bij woning: meidoorn, veldesdoorn, haagbeuk. Hoogstamboomgaard: appel, peer, kers, pruim, mispel en walnoot. Bosjes: berk, es, els, wilg

De beplantingselementen zijn in dit landschapstype beperkt aanwezig. Waar wel groen voorkomt, betreft het vaak laanbeplanting langs wegen of erfbeplanting rond individuele boerderijen. Deze elementen fungeren als accenten in het verder open landschap en dragen bij aan oriëntatie en herkenbaarheid. Samen vormen deze kenmerken een functioneel ingericht, agrarisch landschap waarin de mens de ordening heeft bepaald. Het ontginningenlandschap weerspiegelt daarmee een periode van landbouwkundige ontwikkeling, schaalvergroting en modernisering, en heeft een duidelijke, herkenbare ruimtelijke structuur.

20.

Streekeigen beplanting

Gebiedskwaliteiten Ontginningen

21.

Landgoederenzone Gebiedskwaliteiten

De aanwezigheid van historische landgoederen en buitenplaatsen vormt de kern van dit landschapsensembles zijn vaak ontstaan in de 17e tot 19e eeuw. De landgoederen liggen vaak op de overgang van de hogere flank van de Veluwe richting het lager gelegen landschap langs de rivieren. Ze bestaan uit een hoofdgebouw, omringende tuinen, bosgebieden, akkers en weilanden. Het gebied kenmerkt zich door een sterke coulissenstructuur: een afwisseling van open en gesloten ruimtes, waarin bossen, weilanden, houtwallen en lanen elkaar afwisselen. Hierdoor ontstaat een intiem en besloten landschap, met telkens wisselende zichtlijnen en perspectieven. De afwisseling van bossen en weilanden, vaak begrensd door houtsingels of bosranden, draagt bij aan de landschappelijke gelaagdheid en biodiversiteit. Een typisch element in het landgoederenlandschap is het gebruik van bomenlanen, die vaak als zichtas of verbinding tussen onderdelen van het landgoed functioneren. Ze geven structuur aan het landschap en benadrukken de formele, ontworpen elementen die bij buitenplaatsen horen. Daarnaast zijn er grote boscomplexen aanwezig, die soms overgaan in meer open landgoederenzones met agrarisch gebruik. Deze bossen vervullen niet alleen een landschappelijke functie, maar hebben ook ecologische en recreatieve waarde.

De ontginning in dit gebied is historisch van aard en vaak herkenbaar aan de manier waarop percelen en lanen haaks op de wegen liggen. Deze verkavelingspatronen zijn subtiel verweven in de landschapsopbouw en dragen bij aan de herkenbaarheid van het gebied.

22.

Het landgoederenlandschap is daarmee een waardevol en verfijnd landschapstype, waarin natuurlijke schoonheid en cultuurhistorische betekenis hand in hand gaan. Het vraagt om zorgvuldige instandhouding en beheer, passend bij de rijkdom aan structuren en verhalen die het herbergt.

Nederzettingspatroon De bebouwing in de landgoederenzone is vaak onderdeel van historische ensembles: hoofdgebouwen met bijgebouwen, tuinen en bossen. De erven liggen ingebed in een ontworpen landschap met lanen, zichtassen en een rijke beplantingsstructuur. Doorgaans vallen de erven binnen de rationele erftypologie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de formele opbouw en verfijnde ruimtelijke structuur van het landgoed, met grote zorg voor erf- en landschapsinpassing.

Streekeigen beplanting Beplanting verbindt de bebouwing aan het landschap. Door de juiste landschapselementen en streekeigen soorten wordt het onderscheid tussen de verschillende landschappen versterkt. Het gebruik van streekeigen soorten draagt bij aan de biodiversiteit van het landschap. Rondom landhuzien is vaak sprake van een historische parkaanleg. De volgende beplanting past bij het landgoederenlandschap: Solitaire boom: es, linde, paardenkastanje, meikers, walnoot. Bij een statig huis: (rode) beuk of passend bij parkaanleg. Houtsingel/struweelhaag: es en els met ondergroei van wilg, veldesdoorn, hazelaar, sleedoorn, hondsroos, gewone vuilboom en Gelderse Roos. Knip- of scheerhaag bij woning: beuk, haagbeuk en liguster. Hoogstamboomgaard: appel, peer, kers, pruim, mispel en walnoot. Bosjes: eiken, eikenhakhout, berk, es, beuk, els en wilg

Gebiedskwaliteiten Landgoederen

23.

Oeverwal Gebiedskwaliteiten Langs de oevers van de IJssel vinden we het kenmerkende oeverwallenlandschap. Op deze oeverwallen liggen de dorpen Brummen, Leuvenheim, Oeken en Empe. Het oeverwallenlandschap is ontstaan langs voormalige rivierlopen en wordt gekenmerkt door een duidelijk reliëfverschil ten opzichte van het omliggende gebied. Het is een hoger en droger landschap, waardoor het van oudsher geschikt was voor bewoning en landbouw. De hogere ligging bood bescherming tegen overstromingen, wat de oeverwallen tot aantrekkelijke vestigingsplekken maakte. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het landschap ingrijpend door ruilverkaveling. Het contrast tussen de hoger gelegen akkergronden en de lagere weidegronden vervaagde, de kavels werden vergroot en veel boomsingels verdwenen uit het landschap. De uitbreiding van bebouwing bleef beperkt, maar het landschap kreeg een meer open karakter, met grootschalige percelen en minder landschappelijke afwisseling. Het landschap heeft een bochtig en onregelmatig kavelpatroon, dat het gevolg is van een eeuwenlange, geleidelijke ontginning. De percelen zijn onregelmatig van vorm en volgen de natuurlijke lijnen van het terrein. Binnen dit mozaïek zijn nog altijd restanten van open akkercomplexen zichtbaar, vaak op de hoogste delen van de oeverwal. Deze oude bouwlanden vertellen het verhaal van het historische gebruik van de gronden.

Een ander bepalend element in het landschap is de aanwezigheid van slingerende wegen en het gebied op informele wijze ontsluiten. Deze wegen slingeren mee met het reliëf en de kavelstructuren, en dragen bij aan het kleinschalige, landelijke karakter van het gebied.

24.

Hoewel het landschap overwegend open is, wordt het op veel plekken verfraaid en verzacht door erfbeplanting. Hagen, solitaire bomen en kleine bosjes markeren erven en percelen, zonder dat ze het landschap afsluiten. Zo ontstaat een harmonieuze afwisseling tussen open ruimte en groen, die typerend is voor de oeverwal. Deze kenmerken samen zorgen voor een gevarieerd, herkenbaar en historisch rijk landschap, waarin natuurlijke vormen en menselijk gebruik op een evenwichtige manier samenkomen.

Nederzettingspatroon De dorpen in het oeverwallenlandschap liggen op de hoger gelegen delen langs de rivier en volgen een historische lintstructuur langs kronkelende wegen. Boerderijen en erven zijn onregelmatig verspreid en sluiten aan op het glooiende terrein. Doorgaans vallen de erven binnen de klassieke erftypologie. Nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig ingepast in het bestaande dorpslint of in het agrarische erfbeeld, met behoud van het open karakter en respect voor de historische verkavelings- en wegenstructuur.

Streekeigen beplanting Beplanting verbindt de bebouwing aan het landschap. Door de juiste landschapselementen en streekeigen soorten wordt het onderscheid tussen de verschillende landschappen versterkt. Het gebruik van streekeigen soorten draagt bij aan de biodiversiteit van het landschap. De volgende beplanting past bij het oeverwallenlandschap: Solitaire boom: es, linde, paardenkastanje, meikers, walnoot. Houtsingel/struweelhaag: Es en els met ondergroei van wilg, veldesdoorn, hazelaar, sleedoorn, hondsroos, en Gelderse Roos. Knip- of scheerhaag bij woning: meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, beuk, haagbeuk en liguster. Hoogstamboomgaard: Appel, peer, kers, pruim, mispel en walnoot.

Gebiedskwaliteiten Oeverwal

25.

Uiterwaarden Gebiedskwaliteiten

Nederzettingspatroon

Het uiterwaardenlandschap langs de IJssel vormt een dynamische en karakteristieke zone binnen de gemeente Brummen. Dit landschap is gevormd door de werking van de rivier en eeuwenlang menselijk ingrijpen, en wordt gekenmerkt door een combinatie van natuurlijke structuren en cultuurhistorische elementen.

De uiterwaarden zijn van oudsher grotendeels onbebouwd gebleven vanwege de overstromingsgevoeligheid. Bebouwing komt slechts sporadisch voor, veelal in de vorm van agrarische erven op veilige plekken nabij dijken. De ligging van erven sluit aan bij historische dijklinten en infrastructuur. Doorgaans vallen de erven binnen de klassieke erftypologie. Nieuwe functies in het gebied vragen om grote terughoudendheid en een zorgvuldige landschappelijke inpassing, met behoud van de openheid, waterveiligheid en cultuurhistorische elementen. kapotgeschoten

In het landschap zijn nog veel cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen zichtbaar, zoals dijken, kaden, wielen (kolkgaten ontstaan door dijkdoorbraken) en oude kleiputten of tichelgaten, die herinneren aan de voormalige kleiwinning voor baksteenproductie. Deze elementen vertellen het verhaal van strijd, aanpassing en gebruik van het rivierlandschap door de eeuwen heen. De bodem en vegetatie van het gebied laten nog altijd de sporen zien van waterdynamiek. Het gebied bevat geomorfologisch waardevolle patronen van oude geulen en richels, die samen met natuurlijke begroeiing als heggen, bosjes en moerassen een afwisselend beeld opleveren. Deze natuurlijke elementen dragen niet alleen bij aan de biodiversiteit, maar ook aan de landschappelijke gelaagdheid. Een belangrijk kenmerk van de uiterwaarden is hun open, agrarische karakter. Na inpoldering zijn delen van het gebied in gebruik genomen als weiland en hooiland. Hierdoor overheerst een vlak en weids landschap, dat slechts op enkele plaatsen onderbroken wordt door erfbeplanting of landschapselementen. Vanaf de dijken is het landschap bijzonder beleefbaar. Hier ervaart men uitgestrekte vergezichten, waarbij de openheid van de uiterwaarden scherp contrasteert met de hogere, vaak meer besloten gronden van de aangrenzende oeverwallen.

26.

Streekeigen beplanting Beplanting verbindt de bebouwing aan het landschap. Door de juiste landschapselementen en streekeigen soorten wordt het onderscheid tussen de verschillende landschappen versterkt. Het gebruik van streekeigen soorten draagt bij aan de biodiversiteit van het landschap. De volgende beplanting past bij het uiterwaardenlandschap: Solitaire boom: es, iep, meikers en walnoot. Houtsingel/struweelhaag: Es, populier en iep, met ondergroei van wilg, hazelaar, gelderse roos, sleedoorn, els, vlier en rode kornoelje. Knip- of scheerhaag bij woning: meidoorn en sleedoorn. Knotbomen: es en wilgen.

Gebiedskwaliteiten Uiterwaarden

27.

28.

H7 Ruimtelijke karakteristieken erven Buitengebied Erven komen veel voor in het buitengebied, en zijn daarmee beeldbepalend voor de omgeving. De inrichting en opbouw van erven dragen in belangrijke mate bij aan de ruimtelijke kwaliteit, samenhang en herkenbaarheid van het landschap. Een zorgvuldig ingericht erf versterkt niet alleen het karakter van het landschapstype waarin het ligt, maar ook de gebruikswaarde en leefkwaliteit van het erf zelf. In dit hoofdstuk worden de algemene ontwerprichtlijnen voor erven toegelicht: uitgangspunten voor ligging, oriëntatie, erfbeplanting, bebouwing en erfverharding. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen twee hoofdtypen erven binnen de gemeente: Traditionele erven en Jonge erven. Per erventype worden de ruimtelijke karakteristieken beschreven, met aandacht voor vormgeving, erfstructuur en inpassing in het landschap. Deze kenmerken vormen een belangrijke basis voor het beoordelen van nieuwe plannen of aanpassingen aan bestaande erven.

29.

Algemene ontwerprichtlijnen erven Boerenerven zijn onlosmakelijk verbonden met het landschap van Brummen. Ze vormen herkenbare punten in het buitengebied en vertellen het verhaal van de agrarische geschiedenis van de gemeente. Nu steeds meer erven hun oorspronkelijke functie verliezen, biedt dit kansen om deze erven op een zorgvuldige manier te transformeren, zodat zij bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit, natuur en biodiversiteit van het landschap. Behoud van karakteristieke erven en landschappelijke inpassing Historische en landschappelijk waardevolle erven worden behouden en op een manier ontwikkeld die recht doet aan hun karakter en omgeving. Een goed erf- en landschapsplan vormt daarbij altijd het vertrekpunt. Erftransformaties als kans voor kwaliteit Het omvormen van erven in het kader van functieverandering naar bijvoorbeeld naar wonen of passende bedrijvigheid, wordt toegestaan als dit bijdraagt aan de kwaliteit van het landschap. De gemeente heeft hiervoor de regeling functieverandering waarbij kwaliteitsverbetering een voorwaarde is. Landschap, schaal en structuur Herkenbare eenheid in het landschap Het erf is een herkenbaar ensemble in het landschap. Het bestaat uit gebouwen, erfinrichting en beplanting.

Door de positie van het erf, oriëntatie van gebouwen op landschapstructuren zoals kavelrichting of de weg en aansluiting op landschapstructuren zoals houtwallen is het erf verankerd in het landschap.

30. 30.

Achterzijde Werkzijde

Voorzijde Woonzijde

Onderscheid tussen ‘voor’ en ‘achter’ Het erf kent onderscheid tussen de woonzijde en de werkzijde. De woonzijde is de representatieve zijde met de moestuin of siertuin. Bij het achterhuis bevindt zich de werkzijde. De werkzijde waar de schuren staan en het erf meer functioneel is ingericht.

Gebouwen staan aan een open ruimte De gebouwen staan dicht bij elkaar, gegroepeerd op en rond een gemeenschappelijk erf. Zo waren de looplijnen tussen de verschillende gebouwen kort en kon het werk efficiënt uitgevoerd worden. Ook bij erven met meerdere woningen is dit het uitgangspunt.

Hiërarchie tussen gebouwen Het erf wordt gevormd door een aantal gebouwen waarvan er één de belangrijkste is. De boerderij is het hoofdgebouw en de schuren of nieuwe woningen zijn daar aan qua uitstraling aan ondergeschikt.

Verschillende erven Eén hoofdentree Een erf heeft van oudsher een duidelijke hoofdentree vanaf de weg. Ook bij meerdere woningen blijft er een hoofdentree. Soms was het erf vroeger ook verbonden met andere erven of een kerkenpad via voetpaden door het veld.

Bebouwing en architectuur Bebouwing op (voormalige) boerenerven sluiten aan op de schaal en het kleinschalige en landelijke karakter van het landschap en het erf zelf. Agrarische bedrijfsbebouwing • Staat terugliggend t.o.v. hoofdgebouw. • Heeft een eenvoudige hoofdvorm met kap, sobere detaillering en donkere kleuren. • Is functioneel, maar past in het landschap. Overige bebouwing • Heeft een enkelvoudige hoofdvorm met zadelkap. • Gebruikt natuurlijke materialen, past bij hoofdvorm van schuren. Historische boerderij • Behoudt hoofdvorm en forse kap. • Toont onderscheid tussen woon- en werkgedeelte in de gevelindeling. • Is uitgevoerd in roodbruine baksteen of lichtgekleurd stucwerk. • Heeft geen kunststof of industriële kozijn, gevel- en dakmaterialen.

Erven komen in verschillende vormen voor en variëren in ouderdom, opbouw, beplanting en hun relatie met het omliggende landschap. Grofweg zijn er in de gemeente Brummen twee hoofdtypen te onderscheiden: het traditioneel gegroeide erf en het jonge rationeel ontworpen erf. Traditionele erven Traditioneel gegroeide erven vinden we vooral in de oudere landschapstypen, zoals het oeverwallenlandschap, de uiterwaarden en de Veluweflank. Deze erven zijn vaak ontstaan vóór 1800 en zijn niet primair georiënteerd op de weg, maar op natuurlijke en functionele factoren zoals hoogteligging, relatie met de omliggende gronden en zonoriëntatie (bijvoorbeeld noord-zuid). De gebouwen liggen losser en minder geordend op het erf, dat meestal geen strakke rechthoekige vorm heeft. Jonge erven Jonge en meer rationele erven zijn aangelegd in de context van planmatige ontginningen, doorgaans na 1800. Ze zijn herkenbaar aan hun rechthoekige opzet, met gebouwen die haaks op elkaar staan en vaak met de voorzijde naar de weg gericht. Vanaf circa 1940 is er bij dit type erf vaak een duidelijke scheiding zichtbaar tussen de woonfunctie en de agrarische functie. Rationele erven komen vooral voor in de ontginningszones en de landgoederenzone, maar zijn soms ook elders te vinden wanneer er in latere tijd nieuwe erven zijn aangelegd.

31.

Traditonele erven Ontwerprichtlijnen Veel traditionele erven in de gemeente Brummen kennen van oudsher eenzelfde opbouw. Een losse en natuurlijke opbouw die aansluit bij historisch gegroeide landschap. Een kernmerkend element is dat de oriëntatie van het hoofdgebouw ten opzichte van de weg varieert. Soms is de voorgevel naar de weg gekeerd, soms juist de achtergevel. Deze wisselende oriëntatie weerspiegelt de organische ontwikkeling van de erven in het landschap. De bebouwing bestaat vaak uit traditionele boerderijtypen, zoals T-boerderijen en hallehuizen, die zich onderscheiden door een eenvoudige hoofdvorm. Het hoofdgebouw ligt meestal iets van de weg af, waardoor er ruimte ontstaat van een groene overgangszone. Deze wordt ingevuld met informele voortuinen die vloeiend overlopen in het omliggende landschap. De erven worden verder gekenmerkt door de aanwezigheid van gelijkwaardige bijgebouwen, zoals schuren en hooibergen, die doorgaans achter de voorgevel van het hoofdgebouw geplaatst zijn. Beplanting speelt een belangrijke rol in de erfstructuur. De erven zijn vaak rijk beplant, zonder dat er sprake is van formele boomsingels. In plaats daarvan ziet men veel streekeigen beplanting, solitaire bomen, hagen en gemengde erfbeplanting. Dit versterkt de landschappelijke inpassing en het karakteristieke groene beeld.

De passende soorten zijn te lezen op de pagina’s van de desbetreffende landschapstypen.

32.

Jonge erven Ontwerprichtlijnen Veel jonge en rationele erven in de gemeente Brummen kennen eenzelfde opbouw. Een strakke opbouw die aansluit bij planmatige landschappen. Een typisch kenmerk van deze erftypologie is dat het erf haaks op de weg is gepositioneerd, met de voorgevel van het hoofdgebouw georiënteerd op de weg. Het hoofdgebouw ligt niet strak aan de weg, maar juist iets teruggetrokken. De hoofdgebouwen zijn vaak uitgevoerd als hallehuis met een eenvoudige hoofdvorm. Ze worden aangevuld met forse bijgebouwen, zoals moderne schuren en werktuigenbergingen, die meestal achter de voorgevel van het hoofdgebouw zijn geplaatst. Deze positionering versterkt de hiërarchie op het erf en maakt een efficiënte benutting van de achterliggende kavel mogelijk. Opvallend is de toepassing van de blokvormige windsingel, een beplantingselement dat het erf beschut tegen wind en tegelijk een duidelijke begrenzing vormt ten opzichte van het omliggende open landschap. Deze singels, vaak samengesteld uit streekeigen soorten, dragen bij aan de herkenbaarheid en het functioneren van het erf. De beplanting op de erven bestaat uit streekeigen soorten en is vaak functioneel van aard. Ze bieden beschutting, markeren eigendommen en zorgen voor een zekere inpassing in het verder open landschap.

Er is weinig sprake van sierbeplanting of informele tuininrichting; het erf is in de eerste plaats gericht op gebruik en productie. De passende soorten zijn te lezen op de pagina’s van de desbetreffende landschapstypen.

33.

Gemeente Brummen Engelenburgerlaan 31 6971 BV Brummen

In samenwerking met:

geldersgenootschap.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15902984/1