CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(093) Nota van zienswijzen

Besluitvormende raadsvergadering 20 november 2025, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen Regionaal programma energievoorziening39.912 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In het RPE wordt niet gepleit voor volledige zelfvoorziening of het loslaten van internationale samenwerking, maar voor het vergroten van de regionale veerkracht en leveringszekerheid. Een belangrijk onderdeel daarvan is het regionaal opwekken van energie met lokaal eigendom, zoals ook beschreven in het RPE. Het streven naar een robuuste, betaalbare en eerlijke energievoorziening sluit internationale verbondenheid dus niet uit, maar zoekt naar een evenwicht tussen samenwerking, lokale betrokkenheid en zelfredzaamheid.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

70

De indiener stelt dat de rol van gemeenten in de praktijk veel beperkter is dan geschetst in het ontwerp RPE. Volgens de indiener worden gemeenten regelmatig buitenspel gezet door initiatiefnemers. Hierdoor voelen provincies zich soms buitenspel gezet en beperkt in hun sturingsmogelijkheden. De indiener pleit ervoor om in het RPE beter rekening te houden met de realiteit van de uitvoeringspraktijk, in plaats van te vertrouwen op formele rollen en papieren werkelijkheden.

Het RPE benoemt gemeenten terecht als spil in de energietransitie. In zowel de Omgevingswet, de toekomstige Energiewet als de Warmtewetgeving hebben gemeenten een belangrijke rol bij het ruimtelijk afwegen van opgaven, het betrekken van bewoners en het vormgeven van lokale projecten. Die formele positie is een uitgangspunt in het RPE. Tegelijkertijd is er besef dat de praktijk weerbarstig kan zijn. Het RPE beoogt daarom niet alleen richting te geven aan strategische keuzes, maar ook aan de manier van samenwerken. Juist daarom zijn afspraken opgenomen over participatie, lokaal eigendom en spelregels voor een zorgvuldige ruimtelijke afweging. Daarmee wil de regio bijdragen aan een proces waarin gemeenten hun rol goed kunnen vervullen, in balans met andere betrokken partijen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Reactie

Conclusie

Indiener C, zienswijze ontvangen op 27-06-2025 (zienswijze 5) #

Zienswijze

1

De indiener stelt dat er bij de RES 1.0 een uitgebreid bewonersprogramma is geweest om mee te denken over de invulling van de RES, waarbij een inspanningsverplichting voor 2030 werd afgesproken die nu wordt doorgeschoven naar 2035. De indiener vraagt zich af of regionale politici wel in staat zijn om besluiten te nemen over grote projecten, omdat daarvoor voldoende kennis nodig is. Ten slotte wijst de indiener erop dat de provincie Overijssel wel duidelijk sturing geeft op windenergie, ook richting gemeenten zoals Deventer.

De keuze om de doorlooptijd van de RPE-planning te verlengen naar 2035 is niet eenvoudig gemaakt. We hebben goed gereflecteerd op de ontwikkelingen van de afgelopen jaren waardoor 2030 te vroeg komt om het bod te bereiken. De onderbouwing van deze keuze staat in hoofdstuk 4.4 van het RPE. De besluitvorming rondom de regionale energieopgave is complex en vraagt om een zorgvuldige afweging van verschillende belangen. Het is belangrijk dat regionale politici goed geïnformeerd zijn en over de juiste handvatten beschikken om besluiten te nemen die soms maatschappelijk gevoelig kunnen zijn. De samenwerking in de energieregio helpt hen hierbij. Juist omdat de decentrale energievoorziening een lokale en regionale opgave is, kan het voorkomen dat de aanpak tussen provincies verschilt. We hebben als energieregio structureel overleg met andere RES-regio’s en in het bijzonder met de gemeente Deventer om kennis en ervaringen uit te wisselen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2

De indiener stelt dat het doel uit de RES 1.0 ongewijzigd is overgenomen in het ontwerp RPE, zonder kwalitatieve aanscherping. De indiener uit zorgen over het feit dat een groot deel van de doelstelling wordt ingevuld met zonneenergie, terwijl dit nu al leidt tot problemen zoals netcongestie en lage opbrengsten. Ook wordt gewezen op het wegvallen van financiële prikkels, zoals de salderingsregeling en terugleverkosten, waardoor investeringen in zonneenergie minder aantrekkelijk worden.

Het klopt dat het (kwantitatieve) bod van 1,07 TWh uit de RES 1.0 is overgenomen in het RPE. Dit bod wordt gezien als een belangrijke mijlpaal op weg naar een klimaatneutrale energievoorziening in 2050. In het RPE is echter nadrukkelijk gekozen voor een bredere benadering van de energievoorziening dan in de RES 1.0. Niet alleen grootschalige opwek met zon en wind, maar ook vraag, aanbod, transport, opslag en flexibel gebruik van energie maken nu integraal onderdeel uit van de strategie. De zorgen over netcongestie en de veranderende financiële kaders voor zonne-energie worden herkend. In het RPE wordt daarom sterk ingezet op slimme combinaties van opwek, opslag en lokaal gebruik van energie. Ook wordt het belang van een diverse energiemix benadrukt, waarin naast zonne-energie ook andere bronnen zoals windenergie, omgevingsenergie, restwarmte, biogas en (op termijn mogelijk) waterstof een rol spelen. Tot slot wordt in het RPE expliciet aandacht besteed aan het belang van netvriendelijke oplossingen en het beter benutten van bestaande infrastructuur.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3

De indiener stelt dat het rapport weliswaar aandacht besteedt aan netcongestie, maar dat het onderscheid tussen de verschillende niveaus van het elektriciteitsnet ontbreekt. Elk

De zienswijze raakt een belangrijk punt. In het RPE wordt netcongestie benoemd als een van de grote uitdagingen in de energietransitie. Daarbij wordt ingezet op oplossingen zoals lokaal opwekken, opslag en flexibel

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4

netniveau (hoog-, midden- en laagspanning) kent zijn eigen problematiek en oplossingsrichtingen. De indiener benadrukt dat piekbelasting het grootste knelpunt vormt en vraagt zich af of het RPE voldoende inzet op het reduceren van pieken in de vraag. Ook wordt erop gewezen dat het importeren van meer elektriciteit van buiten de regio leidt tot extra investeringen in het hoogspanningsnet, met mogelijke ruimtelijke en maatschappelijke gevolgen zoals bovengrondse hoogspanningslijnen.

gebruik van energie. Hoewel het RPE niet expliciet ingaat op de verschillende spanningsniveaus van het elektriciteitsnet, is er in de uitvoeringspraktijk veel aandacht voor de specifieke kenmerken en knelpunten van het hoog-, maar met name midden- en laagspanningsnet. Deze niveaus vragen elk om maatwerkoplossingen, die in samenwerking met de netbeheerder worden uitgewerkt. Het RPE zet sterk in op het verminderen van piekbelasting, onder andere door het stimuleren van energiebuffers, slimme sturing en het gebruik van energieprofielen. Daarmee wordt niet alleen bijgedragen aan een stabieler net, maar ook aan het beperken van de noodzaak tot grootschalige uitbreiding van infrastructuur. Landelijk zien we ook een ontwikkeling ontstaan waarbij beprijzing van hoge piekvraag op ongunstige momenten in beeld komt. Dat soort ontwikkelingen kunnen de inzet van buffers sterk stimuleren. De zorgen over de ruimtelijke impact van extra hoogspanningslijnen worden herkend. Door vraag en aanbod zoveel mogelijk lokaal in balans te brengen, beperken we de afhankelijkheid van het landelijke hoogspanningsnet beperkt.

De indiener stelt dat het begrip ‘betaalbaarheid’ weliswaar meerdere keren wordt genoemd in het ontwerp RPE, maar dat er onvoldoende inzicht wordt gegeven in de kosten van verschillende energiebronnen en technieken. Er wordt bijvoorbeeld iets gezegd over de kosten van zonne- en windenergie, maar niet over biogas of kernenergie. Ook de kosten van transport en opslag blijven onderbelicht. De indiener benadrukt dat goede keuzes alleen gemaakt kunnen worden als er meer transparantie is over de totale kosten van het energiesysteem.

Het RPE is opgesteld als een programmatische verkenning van mogelijke richtingen voor een robuuste, betaalbare en duurzame energievoorziening in de regio. Daarbij is in algemene zin aandacht besteed aan maatschappelijke kosten en baten van verschillende energiebronnen. In bijlage 1 van het RPE – de handreiking bij het energieperspectief – zijn per energiebron, energiedrager en opslagtechnologie de belangrijkste kenmerken beschreven, waaronder ook aspecten van betaalbaarheid en investeringskosten. Deze handreiking is bedoeld als hulpmiddel voor gemeenten en andere partijen om op lokaal niveau afwegingen te maken die passen bij hun situatie. Het RPE maakt geen gedetailleerde kostenvergelijking tussen alle technieken, omdat dat niet past bij de het strategische niveau van het programma. We zijn het met de indiener eens dat goed en samenhangend inzicht in kosten, kansen en risico's van bepaalde keuzes belangrijk is voordat die keuzes daadwerkelijk worden gemaakt. Toch zijn wij wel positief over de betaalbaarheid van onze toekomstige energievoorziening, zonder dat we harde garanties hebben. We zien

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

sterke indicaties dat een volledig duurzaam en decentraler systeem uiteindelijk goedkoper, toegankelijker en gezonder is dan het systeem dat we nu kennen.

Indiener D, Vereniging Hobama, zienswijze ontvangen op 04-07-2025 (zienswijze 10) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

1

De indiener spreekt waardering uit voor de in de ogen van de indiener realistische benadering in het ontwerp RPE, met name voor het uitstellen van het bod tot uiterlijk 2035 in verband met de netcongestie. Ook wordt positief gereageerd op de bredere benadering van energiebronnen. Wel wordt benadrukt dat deze bronnen moeten worden beschouwd als onderdeel van een integrale energiemix, waarbij het mogelijk moet zijn om bij een grotere bijdrage van bijvoorbeeld biogas of kernenergie, het aandeel zon en wind navenant te verlagen. De indiener pleit ervoor om deze systematiek explicieter op te nemen in het RPE. Daarnaast wordt gewezen op het belang van energiegemeenschappen, met de oproep om deze niet alleen via energiecoöperaties te organiseren, maar ook ruimte te geven aan lokale initiatieven in dorpen en kernen.

We bedanken de indiener voor de in de zienswijze uitgesproken waardering. Het RPE is nadrukkelijk bedoeld als programmatisch kader waarin ruimte is voor het sturen op een evenwichtige en flexibele energiemix. In de uitvoering wordt gekeken naar de optimale combinatie van bronnen, passend bij de lokale situatie, ruimtelijke inpassing en maatschappelijke voorkeuren. Daarbij geldt dat een grotere bijdrage van bepaalde bronnen inderdaad kan leiden tot een lagere inzet van andere, mits dit past binnen de landelijke RES-systematiek. Wat betreft energiegemeenschappen: het RPE benadrukt het belang van lokaal eigendom en betrokkenheid. Daarbij is er nadrukkelijk ruimte voor initiatieven van onderop, zoals die van lokale groepen in dorpen en kernen. Energiecoöperaties kunnen hierin een ondersteunende rol spelen, maar het initiatief hoeft daar niet toe beperkt te blijven. De regio blijft inzetten op het versterken en ondersteunen van deze lokale dynamiek, onder andere via het Ondersteunings- en Kenniscentrum voor Energie-initiatieven (OKE).

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2A

De indiener uit grote zorgen over de mogelijke locaties voor windturbines in het kader van het RPE. Vanuit de eigen positie benadrukt de indiener dat grootschalige windturbines niet passen in het kleinschalige landschap van de gemeente Lochem. De voorkeur gaat uit naar plaatsing op zee, om zo het landschap te sparen.

De zorg over de landschappelijke impact van windturbines wordt herkend en serieus genomen. In het RPE is het uitgangspunt dat zorgvuldig wordt omgegaan met het landschappelijk kapitaal van de regio. Daarbij is landschappelijke inpassing een belangrijke randvoorwaarde, net als aandacht voor natuur- en cultuurhistorische waarden en het behoud of de versterking van ruimtelijke kwaliteit. Voor windenergie wordt in het RPE geen keuze gemaakt voor specifieke locaties. Voor meer informatie over de rol van windenergie in de decentrale energievoorziening verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2B

De indiener wijst op de verwijzing in het ontwerp RPE naar het provinciale PlanMER Windbeleid en RES, en op de bijbehorende studie van ROM/Sweco waarin circa 12 locaties in de gemeente Lochem zijn onderzocht op geschiktheid voor windturbines met tiphoogten tussen 178,5 en 246 meter. De indiener roept de gemeenteraad van Lochem specifiek op om de negatief beoordeelde locaties in de provinciale planMER uit te sluiten voor windenergie.

In de provinciale planMER en in het RPE worden geen besluiten genomen over locaties. De uiteindelijke afwegingen worden lokaal gemaakt, waarbij gemeente Lochem uiteraard de ruimte heeft om op basis van hun eigen ruimtelijke en maatschappelijke context keuzes te maken.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3

De indiener stelt dat het ontwerp RPE 2.0 onvoldoende terugblikt op de uitvoering van de RES 1.0. Een gedegen evaluatie van het vorige programma wordt gemist, terwijl dit volgens de indiener essentieel is voor verdere planning. Daarnaast wordt opgemerkt dat actuele cijfers over gerealiseerde en geplande duurzame opwekcapaciteit in de regio ontbreken, terwijl deze wel beschikbaar zijn via bronnen als CBS en RVO. De indiener pleit voor meer cijfermatige onderbouwing en een expliciete evaluatie van de RES 1.0 in het RPE.

Voor meer informatie over de evaluatie van de RES 1.0 en de monitoring van de voortgang van het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4

De indiener wijst op een kentering in het landelijke energiebeleid, waarin de nadruk ligt op wind op zee en het beperken van zonneparken op landbouw- en natuurgrond. Dit is onder meer vastgelegd in de Kamerbrief van 26 oktober 2023 en de aangescherpte zonneladder. De indiener vindt het merkwaardig dat het RPE deze lijn niet expliciet volgt. In plaats daarvan worden volgens de indiener ‘sluiproutes’ opengehouden via het begrip agri-PV, zonder duidelijke definitie. Dit zou ruimte laten voor grootschalige zonneparken op landbouwgrond onder het mom van dubbelgebruik. De indiener pleit voor een heldere lijn: geen zonneparken op landbouwgrond, en roept op dit expliciet in het RPE vast te leggen.

De uitgangspunten met betrekking tot zonneparken op daken en op land, zijn na de vaststelling van RES 1.0 aangescherpt door de invoering van de regels in de Aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon. Deze staan uitgewerkt in Artikel 5.90 van de omgevingsverordening van provincie Gelderland. De aangescherpte voorkeursvolgorde zon werkt concreet door in het RPE. De term ‘agri-PV’ komt in het RPE niet voor.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

5

De indiener merkt op dat in het RPE wordt gewerkt met verschillende eenheden, zoals terawattuur (TWh), hectares zonnepark en aantal windturbines. Volgens de indiener zou het duidelijker zijn om te rekenen met het benodigde vermogen, uitgedrukt in megawatt (MW) voor wind en megawattpiek (MWp) voor zon. Dat geeft volgens de indiener beter inzicht in wat er gerealiseerd is en wat nog nodig is. Ook wordt opgemerkt dat het onderscheid tussen zon op dak en zon op veld voor de energieproductie zelf niet relevant is.

In het RPE wordt inderdaad gerekend met TWh als maat voor de jaarlijkse energieproductie, omdat dit aansluit bij de nationale doelstellingen (zoals het RES-bod) en het eindbeeld voor 2050. Tegelijkertijd worden MW en MWp gebruikt om het benodigde vermogen van installaties te duiden, bijvoorbeeld bij de inschatting van ruimtebeslag of netbelasting. Het gebruik van hectares en aantallen windturbines is bedoeld om de ruimtelijke impact van energie opwek inzichtelijk te maken voor beleidsmakers en inwoners. Deze vertaalslag helpt bij het voeren van het gesprek over inpassing in het landschap. Het is echter niet bedoeld als rekenkundige maatstaf voor de energieopgave en deze aantallen zijn daarmee ook geen doel op zich. Ook het verschil tussen opbrengt uit zon op dak of zon op veld is relevant in relatie tot de RES-systematiek. In de landelijke afspraken wordt gerekend met een autonome groei van zon op dak van circa 7 TWh tot 2030. Deze bijdrage telt niet mee in de gezamenlijke opgave voor de RESregio’s van 35 TWh. Alleen het deel van zon op dak dat bovenop die autonome groei komt, mag als extra ambitie worden meegeteld.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6

De indiener stelt dat het RES-bod voor 2035 mogelijk al grotendeels of zelfs volledig is behaald. Daarbij wordt gewezen op verschillende doelstellingen en cijfers uit het Klimaatakkoord, het regionale bod van de Stedendriehoek en de gemeentelijke doelstellingen van Lochem. De indiener vraagt zich af waarom beschikbare cijfers uit betrouwbare bronnen (zoals RVO, CBS, RES Nederland en SDE++) niet zijn gebruikt in het RPE.

Voor meer informatie over de monitoring van het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6A

De indiener stelt dat in het Klimaatakkoord wettelijke doelstellingen staan voor windenergie en zonne-energie en dat deze doelstellingen bijna zijn behaald (op basis van goedgekeurde SDE++ subsidies) en dat het restant in te vullen is met de potentie voor zon op dak.

Het is belangrijk om te benadrukken dat het Klimaatakkoord geen wettelijk bindende doelstelling per regio bevat. De verdeling van de landelijke opgave van 35 TWh is gebaseerd op een vrijwillig bod van de RES-regio’s, waaronder de Stedendriehoek. Voor meer informatie over de monitoring van het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6B

De indiener stelt dat de energieregio Stedendriehoek heeft gekozen voor een fors hogere ambitie dan de wettelijk vereiste doelstelling uit het Klimaatakkoord. De indiener vraagt zich af of, in navolging van het verlengen van de doorlooptijd, ook de ambitie in omvang en energiemix niet moet worden bijgesteld, mede vanwege netcongestie en nieuwe bronnen in de energiemix zoals biogas en kernenergie.

Het is belangrijk om te benadrukken dat het Klimaatakkoord geen wettelijk bindende doelstelling per regio bevat. De verdeling van de landelijke opgave van 35 TWh is gebaseerd op een vrijwillig bod van de RES-regio’s, waaronder de Stedendriehoek.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Het klopt dat het (kwantitatieve) bod van 1,07 TWh uit de RES 1.0 is overgenomen in het RPE. Dit bod wordt nog steeds gezien als een belangrijke mijlpaal op weg naar een klimaatneutrale energievoorziening in 2050 Netcongestie was voor ons een aanleiding om de doorlooptijd van het RPE te verlengen. Wij zien echter geen noodzaak om naar aanleiding van netcongestie het bod bij te stellen.

6C

M

De indiener verwijst naar de beleidsdoelstellingen van de gemeente Lochem. Daarbij stelt de indiener dat de gemeente Lochem haar beleidsdoelstelling voor zonne-energie al heeft behaald, waarvan 45% via zon-op-dak. Omdat er nog veel potentie voor zon op dak in de gemeente is volgens de indiener, stelt de indiener dat de gemeente geen grootschalige zon op land of natuur nodig is. De indiener refereert daarnaast naar de gemeente beleidsuitspraken over windenergie en de uitspraken tijdens de informerende raadsronde in Lochem over het RPE> De indiener betoogt dat de suggestie van de gemeenteraad om lokaal een goede verhouding te hanteren tussen zon en wind onjuist is, aangezien opgewekte elektriciteit altijd in het landelijke net wordt ingevoed en niet lokaal wordt verbruikt.

De indiener refereert aan gemeentelijk beleid. Voor meer informatie over het RPE in relatie tot gemeentelijk of provinciaal beleid verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.

De indiener stelt dat het onbegrijpelijk is dat zon op dak in RES 1.0 niet meetelde voor het bod van 1,07 TWh. Vanaf 2026 wordt dit volgens de indiener wel mogelijk, en dat zou voor de regio Stedendriehoek betekenen dat circa 0,4 TWh aan zon op dak mag worden meegeteld. De indiener vindt dat de energieregio deze ontwikkeling negeert en roept op om deze

In het RPE volgen we de NP RES-systematiek. Het is belangrijk dat alle 30 energieregio’s daarin dezelfde systematiek hanteren, zodat de voortgang landelijk goed gemonitord kan worden. In het Klimaatakkoord ten aanzien van kleinschalig zon op dak het volgende afgesproken:

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Het klopt dat opgewekte elektriciteit wordt ingevoed op het landelijke net, maar regionale keuzes over bronnen en locaties dragen bij aan de balans in het energiesysteem en aan het realiseren van de regionale bijdrage. Voor meer informatie over de rol van windenergie in de decentrale energievoorziening verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Naar aanleiding meerdere zienswijzen hebben we in de teksten over zonneenergie in het RPE beter geduid dat en

hoeveelheid groene energie alsnog toe te voegen aan het bod.

“Naast de afspraak om tenminste 35 TWh grootschalig hernieuwbaar op land in 2030 gerealiseerd te hebben, worden regio’s ook aangemoedigd om kleinschalig zon-op-dak te betrekken in de RES. Hierin wordt een autonome groei verwacht van 7 TWh in 2030. Het extra vermogen wat boven deze 7 TWh gerealiseerd kan worden, mag meegerekend worden als extra ambitie bovenop de 35 TWh.”

waarom we kleinschalige zon op dakinstallaties niet meerekenen in ons regionale bod.

Tot slot verwijzen wij graag naar hoofdstuk 4 van deze nota voor meer informatie over de rol van windenergie in de decentrale energievoorziening. N

Volgens de indiener is er reden om de oorspronkelijke energiemix (zon en wind) te herzien. Daarbij zou het uitgangspunt moeten zijn dat het totale bod van 1,07 TWh ongewijzigd blijft, maar dat de bijdrage van verschillende bronnen onderling kan worden aangepast. De indiener pleit voor een duidelijke systematiek in het RPE om dit soort verschuivingen transparant en onderbouwd mogelijk te maken.

Het RPE is nadrukkelijk bedoeld als programmatisch kader waarin ruimte is voor het sturen op een evenwichtige en flexibele energiemix. In de uitvoering wordt gekeken naar de optimale combinatie van bronnen, passend bij de lokale situatie, ruimtelijke inpassing en maatschappelijke voorkeuren. Daarbij geldt dat een grotere bijdrage van bepaalde bronnen inderdaad kan leiden tot een lagere inzet van andere, mits dit past binnen de bredere doelstellingen van betrouwbaarheid, betaalbaarheid en klimaatneutraliteit en binnen de landelijke NP RES-systematiek. In bijlage 1 bij het RPE staan de verschillende mogelijke energiebronnen en hun karakteristieken toegelicht.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

O

De indiener wijst op de aanhoudende netcongestie als een van de grootste knelpunten in de energietransitie. Er wordt gepleit voor een regeling in het RPE die voorkomt dat nieuwe grootschalige projecten worden toegestaan als deze de netcongestie verergeren. Ook wordt gewaarschuwd voor eenzijdige stimulering van batterijen bij grootschalige projecten. De indiener pleit voor gelijke stimulering van thuisbatterijen voor particulieren en voor het stimuleren van zon op dak, gezien het grote onbenutte potentieel in Lochem.

De zorgen over netcongestie worden breed gedeeld en zijn een belangrijk uitgangspunt in het RPE. In hoofdstuk 2.1 wordt expliciet benoemd dat het elektriciteitsnet op veel plekken overbelast is en dat dit op korte termijn niet verandert. Niet de energieregio, maar de netbeheerder ziet toe op het voorkomen van onaanvaardbare situaties op het elektriciteitsnet.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Het RPE kiest voor een bredere benadering van de energievoorziening, waarin netcongestie structureel wordt meegenomen in de afwegingen. Er wordt gestuurd op: · netvriendelijke oplossingen, zoals slimme energieknooppunten (Smart Energy Hubs), · lokale buffering en opslag, waaronder batterijen en warmtebuffers,

· flexibel gebruik van energie, bijvoorbeeld door apparaten aan te sturen op momenten van overvloed of schaarste, · en ruimtelijke afstemming van vraag en aanbod op het niveau van onderstations.

De indiener roept de gemeente Lochem op om specifiek beleid te formuleren voor natuur, Nationale Landschappen, Groene Ontwikkelingszones en Ecologische Verbindingszones.

Deze zienswijze bevat een oproep voor de gemeente Lochem (en niet voor de energieregio). De gemeente Lochem heeft kennisgenomen van de zienswijze.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Indiener E, Lochem Energie, zienswijze ontvangen op 04-07-2025 (zienswijze 11) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

1

Volgens de indiener geeft het RPE een duidelijk beeld van de omvang van de opgave en worden verschillende invalshoeken zorgvuldig benoemd. De indiener benadrukt dat het essentieel is dat iedere gemeente het RPE vertaalt naar een solide uitvoeringsprogramma.

De energieregio waardeert de positieve waardering voor het RPE. De daadwerkelijke uitwerking van het RPE vindt deels plaats op gemeentelijk niveau, in bijvoorbeeld uitvoeringsprogramma’s of omgevingsvisies. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen hoe en met wie zij deze uitvoering vormgeven.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2

De indiener signaleert dat investeringen in zonneenergieprojecten op dit moment financieel minder aantrekkelijk zijn, wat leidt tot een beperkt aantal nieuwe initiatieven. De indiener merkt op dat versnelde inzet op opslag mogelijk helpt, maar onvoldoende is om de energiemix sluitend te maken. Geadviseerd wordt om meer nadruk te leggen op alternatieve vormen van duurzame opwek en de scenario’s in het RPE beter af te stemmen op de realiteit.

We erkennen dat de realisatie van de opgave afhankelijk is van zowel technische als economische ontwikkelingen. In hoofdstuk 4 van het RPE wordt ingegaan op de onzekerheden in de markt en de noodzaak om te blijven sturen op een robuuste energiemix. Daarbij is juist expliciet gekozen voor scenario’s waarin verschillende vormen van duurzame opwek een rol spelen, waaronder windenergie, zon op dak, zon op veld, en aanvullende maatregelen zoals besparing en opslag.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3

De indiener stelt dat windenergie essentieel is voor het slagen van de energietransitie. Volgens de indiener raakt deze boodschap in het publieke debat soms ondergesneeuwd door emotie of polarisatie, en is het belangrijk om de rol van wind op basis van rationele argumenten te blijven benadrukken. De

Windenergie is in het RPE opgenomen als belangrijk onderdeel van een robuuste en toekomstbestendige energiemix (zie ook hoofdstuk 4 van deze nota). Zoals op pagina 51 van het RPE staat toegelicht, is ervoor gekozen om windenergie niet als onderscheidend element op te nemen in de scenario’s, omdat het aandeel in ons bod in absolute zin klein is, en

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

tekst op pagina 51 van het ontwerp-RPE zou volgens de indiener de indruk kunnen wekken dat windenergie slechts een beperkte rol speelt, terwijl de rol in de energiemix juist groot is. De indiener stelt voor om windenergie explicieter te benoemen in beide scenario’s. Ook pleit de indiener ervoor om lopende initiatieven voort te zetten en te realiseren vóór 2035, zodat deze als voorbeeld kunnen dienen.

omdat de mogelijkheden voor nieuwe windinitiatieven om uiterlijk in 2035 energie te produceren beperkt zijn, dus hierin geen verschil te maken is voor de scenario’s.

4

De indiener pleit voor expliciete aandacht voor alternatieve opwektechnieken. Daarbij noemt de indiener onder andere warmteopwek via diepe geothermie, inzet van warmtebuffers en de uitbreiding van thermische panelen. Daarnaast stelt de indiener dat ook bronnen zoals waterkracht en biomassa een plek zouden moeten krijgen in de energiemix.

Het RPE richt zich op de gehele regionale energievoorziening van de toekomst en neemt daarin veel verschillende energiebronnen mee. In bijlage 1 van het RPE staan verschillende (kenmerken van) energiebronnen toegelicht, waaronder diepe geothermie, biomassa en zonthermische panelen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

5

De indiener adviseert om in scenario 2 van het ontwerp-RPE (versnelde energieopslag) expliciet ruimte op te nemen voor warmte- en koudeopslag, naast elektriciteitsopslag. Daarnaast pleit de indiener ervoor om het directe verbruik van lokaal opgewekte energie te stimuleren en te faciliteren.

We delen de mening van de indiener dat opslag en flexibel gebruik belangrijke aspecten zijn. In het RPE is daarom opgenomen dat opslag van energie – zowel warmte als elektriciteit – een cruciale rol speelt in het balanceren van vraag en aanbod in een decentraal energiesysteem.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6

De indiener geeft aan dat het vanwege het snelle tempo van technologische ontwikkelingen belangrijk is dat het RPE actueel blijft. Volgens de indiener bieden actuele vraagstukken vaak inspiratie voor toekomstgerichte oplossingen. De indiener geeft aan dit proces graag te ondersteunen, bijvoorbeeld via pilots en kennisdeling over innovaties.

Het RPE is opgesteld met het besef dat de energietransitie zich in hoog tempo ontwikkelt en dat nieuwe inzichten en technologieën snel kunnen leiden tot andere oplossingsrichtingen. In het RPE wordt daarom ook niet gekozen voor één vast pad, maar voor een set van uitgangspunten en afspraken die ruimte bieden voor bijstelling op basis van nieuwe kennis, beleidsontwikkelingen of technologische doorbraken.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Lopende initiatieven – waarover gemeenten zelf besluiten – kunnen waardevolle bijdragen leveren aan het realiseren van de doelstelling en kunnen dienen als voorbeeld voor andere projecten. Deze initiatieven zijn opgenomen in de berekening van het bod en sluiten aan bij de bredere strategie van het RPE.

Indiener F, Stichting Slagkracht, zienswijze ontvangen op 05-07-2025 (zienswijze 13)

#

Zienswijze

Reactie

Conclusie

1

De indiener stelt dat het ontwerp-RPE geen expliciete uitsluiting bevat van gebieden met hoge landschappelijke en ecologische waarde, zoals het buitengebied rondom de Papenslagweg. Volgens de indiener geeft dat initiatiefnemers vrij spel in deze kwetsbare gebieden.

Het RPE bevat geen besluiten over locaties of concrete projecten. Voor meer informatie over wat het RPE wel en niet is, verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2.

De indiener stelt dat het RPE formeel geen bindend kader is, maar dat het in de praktijk door provincies en gemeenten wél wordt gebruikt als beleidsmatige legitimatie voor windprojecten. Volgens de indiener betekent dit dat het RPE feitelijk juridische werking heeft zonder democratische verankering op lokaal niveau.

Voor meer informatie over de status van het RPE en hoe gemeenten het RPE kunnen verbruiken verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van de nota. Belangrijk om te benadrukken is dat het RPE wel democratisch verankerd is, het RPE wordt als strategisch beleidskader formeel vastgesteld door de democratisch gekozen organen van de betrokken overheden.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3.

De indiener stelt dat de provincie steeds vaker de regie overneemt van gemeenten. Hierdoor zouden lokale omgevingsvisies buitenspel worden gezet en raken bestuurlijke verhoudingen verstoord.

Voor meer informatie over besluitvormingsprocessen rondom windenergie verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4.

De indiener stelt dat het Regionaal Programma Energievoorziening (RPE) wordt gepresenteerd als een herijking van de RES 1.0, terwijl een duidelijke evaluatie van de lessen uit die eerste ronde ontbreekt. De indiener vraagt welke concrete leerpunten zijn getrokken en hoe deze zijn verwerkt in het RPE.

Voor meer informatie over de evaluatie van de RES 1.0 verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

5.

De indiener stelt dat de RES-regio’s – en daarmee ook de energieregio als samenwerkingsverband – een onduidelijke democratische basis hebben. Volgens de indiener is de invloed van gemeenteraden op de totstandkoming van regionaal beleid beperkt.

De energieregio Stedendriehoek is een vrijwillig interbestuurlijk samenwerkingsverband van zeven gemeenten, de provincie Gelderland en het waterschap Vallei en Veluwe en waterschap Rijn en IJsel. Zoals toegelicht in hoofdstuk 2 van deze nota van zienswijzen, hebben de RESregio’s geen formele bestuurslaag en nemen zij geen besluiten met juridische werking.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6

De indiener stelt dat de oorspronkelijke bijdrage van de gemeente Lochem in de RES 1.0 (0,11 TWh) door sommige initiatiefnemers driemaal wordt overschreden. Volgens de indiener gebeurt dit zonder dat daar gemeentelijk beleid aan ten grondslag ligt, waarmee het oorspronkelijke RES-bod zou worden misbruikt.

Dit is geen reactie op het RPE. Het door de energieregio vermelde bod is een inspanningsverplichting. Binnen de energiemix is variatie mogelijk.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

7

De indiener wijst op mogelijke juridische risico’s voor beleidsmakers en initiatiefnemers als opzettelijk schade aan de volksgezondheid of het milieu wordt toegebracht. Daarbij verwijst de indiener naar artikelen 173a/b van het Wetboek van Strafrecht, naar actuele voorbeelden zoals Tata Steel en Chemours, en naar internationale ontwikkelingen rond ecocidewetgeving.

De opmerking van de indiener betreft algemene juridische en strafrechtelijke risico’s bij het ontwikkelen van energieprojecten. Zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van deze nota van zienswijzen bevat het RPE geen besluiten over specifieke projecten of locaties.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8

De indiener stelt dat het RPE nergens de mogelijke gezondheidseffecten van windturbines noemt, zoals slaapverstoring, stress of hinder door laagfrequent geluid.

Voor meer informatie over gezondheid en windenergie verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

9

De indiener wijst op dat landelijk landelijke normen voor afstand, geluid en trillingen ontbreken. Turbines van 280 meter veroorzaken volgens indiener structurele aantasting van de leefomgeving. Volgens indiener draagt ook restenergie via betonnen funderingen bij aan lokale warmtebelasting en bodemverstoring.

Voor meer informatie over gezondheid, milieu en windenergie verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

11

De indiener stelt dat de regio – met name de gemeente Lochem – sterk vergrijst, zoals ook benoemd in de Kadernota 2025 van de gemeente Lochem. Volgens de indiener zijn ouderen extra gevoelig voor geluidsoverlast en stress. De indiener vraagt waarom deze kwetsbare groep niet expliciet wordt meegenomen in het RPE.

Zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van deze nota van zienswijzen, bevat het RPE geen besluiten over specifieke projecten of locaties, maar vormt het een strategisch programma op regionaal niveau. Gezondheidsaspecten – waaronder de mogelijke effecten van geluid en stress – worden betrokken bij de verdere planvorming en besluitvorming op projectniveau. Voor meer informatie over gezondheid en windenergie verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

12

De indiener stelt dat de beoogde windturbines tientallen hectaren leefomgeving beïnvloeden. Volgens de indiener wordt de omvang van deze impact systematisch onderschat in het ontwerp-RPE.

Het RPE bevat geen besluiten over specifieke locaties of opstellingen van windturbines, maar beschrijft de rol van verschillende energiebronnen – waaronder windenergie – binnen een robuust, betaalbaar en toekomstbestendig energiesysteem.

10 13, – 19, 21, 22, 28 – 30, 38

De indiener gaat in verschillende zienswijzen in op windpark Papenslagweg, en benoemt daarin onder andere: • Afstandsnormen bieden onvoldoende bescherming • Aantasting kleinschalig landschap • Onvoldoende bescherming weidevogelgebieden, ecosystemen en bedreigde vogelsoorten • Onvoldoende of verkeerd georganiseerde participatie • De locatie van het windpark is ongeschikt en te klein • De locatie op grens van twee provincies maakt misbruik van bestuurlijke versnippering • Het verzoek om de locatie Papenslagweg uit te sluiten • De extra gezondheidsrisico’s in verband met vergrijzing • Het verzoek om informatie over het principeverzoek dat in maart 2024 is ingediend bij de provincie • De vraag waarom het bevoegd gezag afnemers van de energie in beeld brengen omdat dit niet zou passen bij een zorgvuldig proces • Onbalans op het elektriciteitsnet door grote projecten zoals windpark Papenslagweg • Windpark Papenslagweg zou niet passen binnen de local4local aanpak. • Windpark Papenslagweg zou niet voldoen aan de uitgangspunten uit de RES 1.0 • Windpark Papenslagweg zou niet kunnen worden aangesloten vanwege netcongestie

Zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van deze nota van zienswijzen bevat het RPE geen besluiten over specifieke projecten of locaties. Het RPE beschrijft op strategisch niveau de opgave voor een toekomstbestendige energievoorziening en benoemt daarbij verschillende energiebronnen, waaronder windenergie. Voor meer informatie over de zorgvuldige inpassing van windenergie verwijzen we naar hoofdstuk 4.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

20

De indiener stelt dat binnen de RES-aanpak een robuust systeem ontbreekt voor monitoring, terugkoppeling en kennisuitwisseling tussen gemeenten en burgers.

In het RPE is een belangrijke plaats ingeruimd voor transparantie, samenwerking en communicatie. Zoals beschreven in hoofdstuk 5 & 6 van het RPE werken de partners in de energieregio aan het versterken van bewustwording, betrokkenheid en samenwerking, onder andere via lokale projecten en communicatiestrategieën. Voor meer informatie over de monitoring van het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

23

De indiener verzoekt om gezondheidseffecten van windturbines standaard op te nemen als criterium in regionale en lokale afwegingen.

Voor meer informatie over windenergie en gezondheid verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota. Om te verduidelijken dat we het belang van een goede afweging van de gezondheidseffecten erkennen, nemen we hierover een aanvullende afspraak op in het RPE.

Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van het RPE. We nemen in het RPE de volgende afspraak op: We beschermen de gezondheid van bewoners door landelijke ontwikkelingen rondom milieunormen te volgen en deze bij de uitvoering van energieprojecten goed onderbouwd en zorgvuldig toe te passen.

24

De indiener verzoekt om de Lochemse Omgevingsvisie en de Kadernota 2025 leidend te maken bij de beoordeling van projecten in Lochem.

Het RPE is een strategisch kader en bevat geen besluiten over specifieke locaties of projecten. De energieregio kan het verzoek van de indiener niet oppakken, omdat het hier gaat om de beleidsvrijheid van de gemeente Lochem (en in gevallen de bevoegdheid van de provincie Gelderland). De gemeente Lochem en provincie Gelderland hebben kennisgenomen van deze zienswijze.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

25

De indiener verzoekt om in het RPE duidelijk te maken hoe er gebiedspecifiek rekening wordt gehouden met landschap, gezondheid, biodiversiteit en participatie.

Het RPE beschrijft op hoofdlijnen de ruimtelijke en maatschappelijke opgaven voor de energievoorziening in de regio en bevat regionale afspraken en uitgangspunten. Specifieke, gebiedsgerichte afwegingen met betrekking tot landschap, biodiversiteit en participatie vinden plaats in de vervolgprocessen op lokaal of provinciaal niveau. In hoofdstuk 3 wordt deze context verder toegelicht. Voor meer informatie over windenergie en gezondheid verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

26

De indiener verzoekt om bestaande structuren voor participatie, communicatie en kennisdeling te verbeteren om een transparanter en democratischer proces te waarborgen.

In hoofdstuk 5 van het RPE wordt uitgebreid stilgestaan bij het belang van communicatie, participatie en bewustwording. In de regio wordt voortdurend gewerkt aan het verbeteren van deze processen, onder andere via lokale pilots en projecten en via ondersteuning van energiecoöperaties en gemeenten. We hebben daarbij afgesproken dat gemeente met lokaal maatwerk invulling geven aan participatie over het RPE. Ook voor communicatie zijn zij het eerste aanspreekpunt voor bewoners.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

27

De indiener stelt dat in het ontwerp-RPE sprake is van twee verschillende definities van het begrip "klimaatneutraal". Volgens de indiener is deze inconsistentie verwarrend en vreest men dat in de praktijk vooral de beperkte, technische definitie wordt gehanteerd, waarbij de belangen van omwonenden en leefomgeving onderbelicht blijven. De indiener benadrukt dat bescherming van omwonenden en waarden in de leefomgeving nadrukkelijk moet worden meegenomen.

In de op pagina 6 benoemde definitie bedoelen we dat klimaatneutrale oplossingen zo weinig mogelijk effect hebben op de fysieke leefomgeving. Deze definitie, hoewel anders opgeschreven, sluit voor ons aan bij de gangbare invulling van klimaatneutraal, (zoals op pagina 5 van het RPE toegelicht): dat de netto uitstoot van broeikasgassen nul is. We hebben de tekst van het RPE gewijzigd om duidelijker te maken welke definitie van klimaatneutraal we in het RPE hanteren.

Naar aanleiding van deze zienswijze is de tekst op pagina 6 gewijzigd.

31

De indiener reageert op de passage in het RPE waarin wordt gesteld dat de RPE-partners een open oog houden voor nieuwe ontwikkelingen. Zij wijzen op aankondigingen van de Minister van Defensie over toekomstige ontwikkelingen in het gebied, waaronder een laagvlieggebied, een helikopterlandingsplaats en een route voor cargo-drones. De indiener vraagt hoe het RPE hiermee rekening houdt, met name in relatie tot cumulatieve effecten op geluid,

Of een initiatief uiteindelijk haalbaar en verantwoord is, wordt beoordeeld in de planvorming en besluitvorming op lokaal of provinciaal niveau. Daarbij wordt onder andere gekeken naar relevante regelgeving, cumulatie van effecten en nieuwe ontwikkelingen in de omgeving, zoals ruimtelijke claims van Defensie of andere rijksprogramma’s.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

gezondheid en veiligheid, en stelt de vraag of grootschalige windopwek dan nog acceptabel is. 32

De indiener reageert op de passage waarin wordt gesteld dat het bod uit de RES 1.0 (1,07 TWh in 2030) wordt gezien als mijlpaal op weg naar een klimaatneutrale energievoorziening in 2050. De indiener stelt dat er sinds de RES 1.0 nationaal en regionaal veel is veranderd, bijvoorbeeld door realisatie van zon op dak en wind op zee. Volgens de indiener zou het logisch zijn om het bod en de ambitie in het RPE te actualiseren en aan te scherpen.

In hoofdstuk 4 van het RPE wordt toegelicht waarom het bod van 1,07 TWh uit de RES 1.0 wordt gehandhaafd. Daarbij wordt ook ingegaan op het belang van een robuust, betrouwbaar en decentraal energiesysteem. Wat betreft het regionale bod hanteren we de NP RES-systematiek. Binnen die systematiek vallen wind op zee en kleinschalig zon op dak niet binnen de regionale opgave.

Naar aanleiding meerdere zienswijzen hebben we in de teksten over zonneenergie in het RPE beter geduid dat en waarom we kleinschalige zon op dakinstallaties niet meerekenen in ons regionale bod.

33

De indiener stelt dat de aangescherpte normen voor zonneen windenergie op land er niet voor niets zijn gekomen. De indiener vraagt zich af waarom in het RPE de bescherming van de gezondheid van omwonenden en aan de waarden van de leefomgeving niet vooropgesteld wordt bij onderzoeken en overwegingen.

Het RPE zelf bevat geen besluiten over specifieke locaties of projecten. Voor meer informatie over windenergie en gezondheid verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

34

De indiener stelt dat het RPE zelf nog geen keuzes maakt voor de inrichting van de lokale energievoorziening, maar dat speculatieve claims van initiatiefnemers daardoor wel langdurig hun schaduw vooruitwerpen. Volgens de indiener veroorzaakt dit direct schade aan bijvoorbeeld de verkoopbaarheid en waarde van woningen in de omgeving.

Het RPE bevat geen besluiten over specifieke projecten of locaties. Wij begrijpen dat het vooruitzicht van een mogelijk project spanning kan opleveren bij omwonenden. Tegelijkertijd is het belangrijk om te benadrukken dat pas na formele besluitvorming – inclusief alle onderzoeksverplichtingen, participatie en bezwaarprocedures – duidelijkheid ontstaat over de haalbaarheid van een initiatief. Juist omdat bij de inpassing van windenergie zorgvuldigheid erg belangrijk is, kunnen ontwikkelingen een erg lange doorlooptijd kennen. De ervaring leert dat het belangrijk is dat overheden, initiatiefnemers en omwonenden vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan, juist om onduidelijkheid te verminderen. In het RPE benadrukken we daarom het belang van

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

zorgvuldige participatie en communicatie, zodat belangen en zorgen vroegtijdig besproken worden. 35

De indiener stelt vragen over hoe de vigerende windladder binnen het RPE wordt toegepast of gehanteerd. Daarnaast vraagt de indiener hoe de verschillende leidende principes uit het Gelders Beleidskader Energiesysteem — zoals de voorkeur voor decentrale opwek, energiebesparing en participatie — onderling gewogen en geprioriteerd worden in termen van ‘hardheid’ of verplichtend karakter.

De windladder is een provinciaal beleidsinstrument dat richting geeft aan de ruimtelijke afweging van windprojecten, maar maakt geen onderdeel uit van het RPE en is daarin ook niet juridisch verankerd. Het kan wel een rol spelen in de verdere uitwerking van projecten binnen de regio. Het RPE bevat zelf geen besluiten over projecten of locaties. De leidende principes uit het Gelders Beleidskader Energiesysteem, zoals decentrale opwek, energiebesparing en participatie, zijn richtinggevend en worden in samenhang afgewogen. Er is geen vooraf vastgelegde prioritering of juridische rangorde tussen deze principes. Het beleidskader ligt niet ter inzage als onderdeel van het RPE. Het RPE past binnen het provinciale beleid.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

36

De indiener stelt de vraag hoe direct omwonenden bij nieuwe energie-initiatieven een stem krijgen in de analyses en beschouwingen. Hiermee wordt verwezen naar het belang van lokale kennis en betrokkenheid zoals genoemd in het RPE, en gevraagd op welke manier die betrokkenheid concreet vorm krijgt voor omwonenden.

Zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van deze nota van zienswijzen, bevat het RPE geen besluiten over specifieke projecten of locaties. Het RPE bevat ook geen directe leidraad over hoe omwonenden worden betrokken bij de projecten in de uitvoering van het RPE. Binnen de energieregio hebben we afgesproken dat gemeenten (en de provincie) invulling geven aan de participatie-eisen voor nieuwe energie-initiatieven, omdat zij hierin het beste kunnen aansluiten bij de lokale en maatschappelijke context.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

37

De indiener vraagt welke garanties er geboden kunnen worden ten aanzien van lagere en stabielere energieprijzen bij coöperatieve energieprojecten, en voor wie die voordelen concreet gelden. Hiermee wordt gevraagd naar de mate van zekerheid en de doelgroep van de beloofde voordelen binnen het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom.

Lokale samenwerking, coöperatief eigendom en slimme combinaties van opwek, opslag en gebruik kunnen bijdragen aan lagere kosten op de lange termijn en zijn voorbeelden van hoe het energieperspectief houvast biedt aan het betaalbaar maken van de regionale energievoorziening. Energieprijzen worden sterk beïnvloed door een veelvoud aan factoren, maar lokaal eigendom beperkt de invloed die externe factoren kan hebben op de energieprijs.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

39

De indiener wijst op een mogelijke tegenstrijdigheid in het ontwerp-RPE. Op pagina 6 wordt kernenergie genoemd als één van de energiebronnen waarnaar wordt gekeken, terwijl op pagina 48/49 (paragraaf 4.3) staat dat kleinschalige kernenergie vooralsnog geen onderdeel uitmaakt van de

Er is geen sprake van een inhoudelijke tegenstrijdigheid: kernenergie wordt erkend als een potentiële bron, maar maakt op dit moment geen onderdeel uit van de concrete scenario’s en strategieën van de regio tot 2035. Mocht de ontwikkeling van (kleinschalige) kernenergie in de

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

regionale energiemix. De indiener vraagt hoe dit met elkaar te rijmen is.

toekomst wel een relevante regionale rol kunnen spelen, dan kan dat bij een volgende herziening van het RPE worden meegenomen.

40

De indiener vraagt of er grenzen zijn of komen aan de schaal van energiegemeenschappen, zowel minimaal als maximaal.

De Energiewet, die per 1 januari 2026 in werking treedt, introduceert de energiegemeenschap als nieuwe juridische entiteit in de energiemarkt. De wet stelt geen vaste grenzen aan de schaal van een energiegemeenschap in termen van grootte of aantal deelnemers. Wel gelden er wettelijke criteria rond openheid, non-discriminatie, lokale betrokkenheid en het niet-prioriteren van winst als hoofddoel. In de praktijk zullen schaal en vorm afhangen van het type initiatief, de betrokken partners, en de lokale context.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

41

De indiener vraagt hoe het nog vast te stellen provinciale PlanMER een rol speelt binnen het Regionaal Programma Energievoorziening (RPE), met name in relatie tot de uitwerking van grootschalige windprojecten. Specifiek wil de indiener weten of en in welke situaties een initiatief als Papenslagweg op basis van het PlanMER en/of het RPE kan worden afgewezen.

De verwijzing naar het provinciale PlanMER Windbeleid en RES in het RPE is bedoeld om beleidsvorming op regionaal en lokaal niveau te ondersteunen met objectieve milieukundige informatie.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Een planMER legt geen locaties vast, maar sluit ook geen locaties uit. Een projectMER is in tegenstelling tot een planMER gekoppeld aan een concreet initiatief en gaat in op alle relevante milieuaspecten. Op basis van een projectMER kan een bevoegd gezag het besluit nemen dat een locatie ongeschikt is. Het RPE bevat daarnaast ook geen besluiten over specifieke projecten of locaties. Zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van deze nota van zienswijzen, biedt het RPE een strategisch kader op regionaal niveau, zonder daarmee directe planologische grondslag te leggen voor individuele initiatieven.

42

De indiener refereert aan de verschuiving in bevoegdheden naar aanleiding van de nieuwe Energiewet. De indiener vraagt of het bevoegd gezag op grond van deze nieuwe wetgeving weer bij de gemeente Lochem komt te liggen?

Het RPE bevat geen besluiten over specifieke projecten of locaties. De grens voor de bevoegdheidsverdeling tussen gemeente en provincie wordt inderdaad verhoogd van 5 MW naar 15 MW opgesteld vermogen. De wijziging van het bevoegd gezag geldt alleen voor nieuwe besluiten na inwerkingtreding van de Energiewet. Op aanvragen die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het oude recht van toepassing.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

43

De indiener reageert op bijlage 1. De indiener stelt: dat het toevoegen van eenzelfde vermogen aan windenergie in gebieden met veel zonnepanelen niet zonder meer mogelijk is zonder extra belasting van het net. De indiener vraagt hoe kan worden gegarandeerd dat beide bronnen niet tegelijkertijd leveren.

De passage in de handreiking verwijst naar het principe van complementariteit: zonnepanelen leveren vooral elektriciteit overdag in de zomer, terwijl windenergie relatief meer produceert in de winter en ’s nachts. Daardoor kunnen beide bronnen op veel momenten in tijd elkaar aanvullen. Dit betekent niet dat ze nooit tegelijk produceren, maar dat hun pieken elkaar deels compenseren, waardoor opwekcapaciteit slimmer kan worden benut op het net. Tegelijk is het waar dat gelijktijdige productie van zon en wind niet volledig te voorkomen is. Vergunningsvoorwaarden binnen de transportvergunning door de netbeheerder moeten dit voorkomen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

44

De indiener stelt aan de hand van het RPE dat bij windprojecten de terugverdientijd kort is en het rendement hoog. De indiener stelt dat deze kenmerken passen bij een nationaal project en niet bij een regionaal of lokaal project zoals benoemd in dit RPE.

In het RPE zijn regionale of lokale projecten niet gedefinieerd aan de hand van terugverdientijden of rendement. Regionale of lokale projecten zijn projecten die in de regio spelen, ongeacht de schaalgrootte van het project of het rendement.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

45

De indiener vraagt wat de betekenis is van de stelling in het programma dat windturbines op land drie keer efficiënter gebruikmaken van de netcapaciteit dan zonnepanelen. Daarbij wordt de vraag opgeworpen of deze bewering wel relevant is, aangezien het volgens de indiener draait om een balans tussen aanbod en afname binnen de gekozen (lokale) energiemix.

De opmerking over de efficiënte benutting van netcapaciteit door windturbines is wel relevant in het kader van het RPE. Het Regionaal Programma Energievoorziening kijkt namelijk integraal naar de toekomstige energievoorziening, waarbij niet alleen de energiemix zelf, maar ook de benodigde transportinfrastructuur en het ruimtegebruik meewegen. Windturbines leveren relatief stabiele en gespreide productie, ook in de winter en ‘s nachts, en maken daardoor efficiënter gebruik van het bestaande elektriciteitsnet. Dit helpt om netverzwaring te beperken en draagt bij aan het verlagen van de maatschappelijke kosten van de energievoorziening. Daarmee ondersteunt het een betaalbare, betrouwbare en robuuste energie-infrastructuur voor de regio. Uiteraard is ook de balans tussen aanbod en afname van belang en ook daarin geeft windenergie een belangrijke aanvulling. In de avond en winter wordt relatief veel energie gebruikt.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

46

De indiener vraagt hoe aantoonbaar is dat de regionale aanvulling op het PlanMER Windbeleid en RES een feitelijk en onafhankelijk onderzoek betreft, zoals in het RPE wordt gesteld. Daarnaast wijst de indiener op de wespendief als indicatorsoort en vraagt welke andere bedreigde diersoorten mogelijk negatieve effecten ondervinden van grote windturbines, en hoe deze soorten verspreid aanwezig zijn binnen het zoekgebied voor grootschalige windenergie.

In deze nota gaan wij niet in op zienswijzen die inhoudelijk betrekking hebben op de provinciale planMER omdat deze een eigen inspraaktraject heeft gekend.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Indiener G, Stichting beheer en behoud Landgoed Foezelorend, zienswijze ontvangen op 4 juli 2025 (zienswijze 15) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

Alg em een A1

De indiener vindt het vreemd dat de gemeenteraad van Lochem de RPE al op 26 juni in discussie heeft genomen, voordat de zienswijzeperiode is afgelopen.

De gemeenteraad neemt pas een besluit over het RPE als de zienswijzeperiode is afgelopen en de nota van zienswijzen beschikbaar is.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

A2

De indiener maakt in meerdere zienswijzen duidelijk dat volgens indiener kleinschalig zon op dak meegerekend zou moeten worden in het regionale bod en dat er meer aandacht zou moeten zijn voor zon op dak. Volgens de indiener is er door de groei, potentie en maatschappelijke voordelen van zon op dak geen noodzaak meer voor zon op land.

In het RPE volgen we de RES-systematiek. Het is belangrijk dat alle 30 energieregio’s daarin dezelfde systematiek hanteren, zodat de voortgang landelijk goed gemonitord kan worden. In het Klimaatakkoord is ten aanzien van kleinschalig zon op dak het volgende afgesproken;

Naar aanleiding meerdere zienswijzen hebben we in de teksten over zonneenergie in het RPE beter geduid dat en waarom we kleinschalige zon op dakinstallaties niet meerekenen in ons regionale bod.

Naast de afspraak om tenminste 35 TWh grootschalig hernieuwbaar op land in 2030 gerealiseerd te hebben, worden regio’s ook aangemoedigd om kleinschalig zon-op-dak te betrekken in de RES. Hierin wordt een autonome groei verwacht van 7 TWh in 2030. Het extra vermogen wat boven deze 7 TWh gerealiseerd kan worden, mag meegerekend worden als extra ambitie bovenop de 35 TWh. Concreet betekent deze afspraak dus dat het regionale bod niet kan worden ingevuld met energie afkomstig uit kleinschalige zon op dak installaties. De potentie voor kleinschalig zon op dak staat dus los van het regionale bod van 1,07 TWh. Hoewel energieproductie afkomstig van kleinschalig zon op dakinstallaties zoals beschreven buiten de kaders van de RES-systematiek

en doelstellingen valt, stuurt de energieregio wel op het zoveel mogelijk benutten van daken voor zonne-energie. We volgen hierin de Voorkeursvolgorde zon. De gemeenten uit de energieregio werken hierin samen door middel van kennisuitwisseling. Alleen of teveel inzetten op zon op dak leidt daarentegen niet tot een betrouwbare, betaalbare en klimaatneutrale energievoorziening. 1

De indiener waardeert de open aanpak van de gemeente Lochem en verwacht dat deze zal leiden tot een breder draagvlak voor RES 2.0 in vergelijking met RES 1.0, die achter gesloten deuren tot stand is gekomen.

Wij hebben de waardering van de indiener doorgezet naar de gemeente Lochem.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2

De indiener waardeert dat het College van Lochem energie in brede zin bespreekt en zich niet beperkt tot alleen zon en wind, of uitsluitend windmolens en zonneparken.

Wij hebben de waardering van de indiener doorgezet naar de gemeente Lochem.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3

De indiener stelt dat het RES-rapport ontbreekt aan een duidelijk, actueel en correct cijfermatig overzicht van de reeds behaalde duurzame energieprestaties. Het rapport maakt volgens hen alleen gebruik van verouderde cijfers uit 2023, terwijl recentere data beschikbaar zijn. Hierdoor is volgens de indiener niet duidelijk wat de actuele stand van zaken is. Indiener vindt dat dit moet worden aangepast.

Voor meer informatie over de monitoring van het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4

De indiener merkt op dat Stedendriehoek (voorheen Cleantech) in haar eerdere bijdrage een energiemix van wind en zon (zowel dak- als veldopstellingen) in TWh heeft voorgesteld. Indiener vraagt zich af waarom in het RPE niet naar deze verdeling wordt gerefereerd.

In bijlage 2 van het RPE reflecteren we op de doorontwikkeling van de RES 1.0 naar het RPE. Daarin benoemen we dat het bod van 1,07 TWh opgebouwd is uit een aandeel windenergie en een aandeel zonneenergie, opgesplitst naar grootschalig zon op dak en zonneparken. In het RPE houden we vast aan dit bod (en benoemen we dat op verschillende plekken). Daarbij benoemen we ook dat we dit bod niet zien als een doel op zich, maar als een belangrijke mijlpaal op weg naar een betrouwbare, betaalbare en duurzame energievoorziening in de toekomst.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

5

Indiener geeft aan dat de huidige benadering van zonneenergie in het rapport zich niet alleen zou moeten richten op TWh productie en hectares (ha), maar ook op MWp (Megawatt piek) vermogen. Dit maakt zonneparken en zon op dak, evenals kernenergie, beter vergelijkbaar. Volgens hen zijn hectares zonnepark en zon op dak daardoor geen relevante grootheden meer en zouden ze ook niet als doelstellingen moeten worden gebruikt. Tevens wordt gevraagd om windenergie ook in MW te vermelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16162818/2