(084) Toelichting ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
392395
Bestemmingsplan | Toelichting
Buitengebied Brummen, landschaps- en natuurversterking Pongeweg 4a Gemeente Brummen
Datum: 27 september 2022 Projectnummer: 200211.02 ID: NL.IMRO.0213.BPBG700094-on01
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doelstelling Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 5 5
2
Planbeschrijving
6
2.1 2.2
Huidige situatie Toekomstige situatie
6 7
3
Beleidskader
9
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
9 10 11 12
4
Milieu- en omgevingsaspecten
15
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Milieueffectrapportage Bedrijven en milieuzonering Bodem Natuur Water Archeologie Cultuurhistorie Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Verkeer en parkeren
15 15 16 17 18 21 22 22 23 24 25
5
Wijze van bestemmen
26
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
26 27
6
Uitvoerbaarheid
29
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
29 29
Bijlagen − Bijlage 1: Inrichtingsplan − Bijlage 2: Potentiecheck flora en fauna
1 1.1
Inleiding Aanleiding en doelstelling De gemeente Brummen kenmerkt zich door haar natuur- en landschapswaarden. In diverse beleidsstukken, waaronder de Toekomstvisie 2030 en het Landschapsbeleidsplan, wordt de ambitie uitgesproken om deze waarden te versterken. In het Landschapsbeleidsplan geeft de gemeente onder meer aan landschapsversterkende initiatieven op agrarische percelen te willen bevorderen. De gemeente Brummen ondersteund hiervoor particulieren en agrarische ondernemers middels het beplantingsproject Groene opgave in het gebied tussen Brummen, Eerbeek en Zutphen. Met een substantiële inrichting van gronden, erven en kavelbeplanting worden daarbij de landschappelijke kwaliteiten, recreatieve aantrekkelijkheid en de biodiversiteit in het projectgebied vergroot. Voor een locatie op het adres Pongeweg 4a, in het buitengebied van de gemeente Brummen, geldt dat de eigenaar voornemens is om door middel van voorgenoemde regeling landschapsversterkende maatregelen te treffen op agrarische percelen. Ter plaatse van de gronden geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden A’. Binnen deze agrarische bestemming zijn nieuwe landschapselementen niet toegestaan.
Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch vast te leggen is het noodzakelijk om de huidige agrarische bestemming om te zetten in een natuurbestemming middels het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Voorliggend document voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Brummen. Het plangebied bevindt zich ten westen van de kleine kern Hall langs de Pongeweg. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging ten opzichte van Eerbeek en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.
3
Globale ligging plangebied ten opzichte van de kernen Eerbeek en Hall (Bron: pdokviewer).
Het plangebied bij benadering globaal rood omlijnd (Bron: pdokviewer).
4
1.3
Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6’. Dit plan is op 18 september 2014 door de gemeenteraad van Brummen vastgesteld. Binnen het plangebied geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden A’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting laag’. De beoogde landschapsversterkingsmaatregelen hebben een substantiële omvang en zijn niet inpasbaar binnen het geldende bestemmingsplan. De agrarische bestemming voorziet namelijk onder meer in de uitoefening van agrarische activiteiten en bestaande landschapselementen. Daarom wordt met een bestemmingsplanherziening het juiste planologische kader opgesteld om het beoogde landschapselement te kunnen realiseren.
Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ en ‘Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6’ met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: Ruimtelijkeplannen).
1.4
Leeswijzer Voorliggende toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de landschapsversterkingsmaatregelen en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 een toelichting gegeven op de juridische planopzet en hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5
2 2.1
Planbeschrijving Huidige situatie Het plangebied bestaat enkel uit agrarische gronden langs de Pongeweg 4a in Hall. Het naastgelegen erf is enkele jaren geleden herontwikkeld van agrarisch naar wonen ten behoeve van een nieuwe woning en een minicamping. In het noorden grenst het aan de Oekense beek. Vrijwel direct ten zuiden van het plangebied en in mindere mate in het noorden zijn enkele woningen aanwezig. Verder wordt het plangebied voornamelijk omringd door agrarische percelen met hier een daar een geriefbosje.
Sfeerimpressie van het plangebied met op de achtergrond de woning van Pongeweg 4a (Bron: Google Maps).
Luchtfoto omgeving van het plangebied (rood omlijnd) (Bron: pdokviewer).
6
2.2
Toekomstige situatie De gemeente Brummen kenmerkt zich door haar natuur- en landschapswaarden. In diverse beleidsstukken, waaronder de Toekomstvisie 2030 en het Landschapsbeleidsplan, wordt de ambitie uitgesproken om deze waarden te versterken. In het Landschapsbeleidsplan geeft de gemeente onder meer aan landschapsversterkende initiatieven op agrarische percelen te willen bevorderen. Hierdoor wordt de leefomgeving verbeterd, wordt bijgedragen aan het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering en worden de kernkwaliteiten van de natuur versterkt. Dit zorgt ervoor dat inwoners kunnen genieten van het landschap, agrariërs kunnen blijven ondernemen en de natuur kan bloeien. Binnen de Groene Opgave IJsselsprong maakt gemeente Brummen het particuliere en agrarische deelnemers mogelijk om deel te nemen aan beplantingsprojecten ter versterking van de landschapskwaliteit. Agrarische grond kan worden ingezet voor een landschappelijke versterking met daaraan gekoppeld een functieverandering van agrarisch naar natuur en een waardedalingscompensatie. Hiervoor komen alleen grotere landschapselementen in aanmerking, welke aangelegd worden met bosplantsoen en die voldoen aan een standaard afmeting. Voorliggend plangebied bestaat uit bijna 10.000 m2 (1 hectare) en voldoet daarmee aan de gestelde eisen en de deelnemer werkt graag mee met het beplantingsproject.
Initiatiefnemers kunnen voor het realiseren van de landschapsversterkende maatregelen subsidie krijgen. Aanvullend is er een subsidiemogelijkheid indien initiatiefnemers ook voornemens zijn om de agrarische gronden een natuurbestemming te geven ten behoeve van de landschapsmaatregelen. In deze subsidieronde wil één initiatiefnemer graag gebruik maken van deze subsidiemogelijkheid. Met voorliggend plan wordt deze wens juridisch-planologisch geborgd. De initiatiefnemer van het betrokken gebied heeft samen met de Stichting Landschapsbeheer Gelderland een inrichtingsplan1 opgesteld, passend bij de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. In voorliggend plan is dat de aanleg van een geriefbos, ook wel vogelbos. Navolgende afbeelding geeft een voorbeeld van een geriefbos. Geriefbossen kunnen door de rust die er heerst en de geringe betreding veel betekenen voor planten en dieren. Ook landschappelijk zijn geriefbossen van groot belang. Ze doorbreken de vlakke horizon en zorgen voor afwisseling in het landschap. Middels voorliggend plan zal de bestemming van de gronden worden gewijzigd van ‘agrarisch met landschapswaarden’ naar ‘Bos’. In overleg met de deelnemer is besloten om een geriefbos aan te leggen in het plangebied. Uiteraard is er gekozen voor de aanplant van inheemse, lokaal passende boom- en struiksoorten.
Een geriefbos is vaak een vrijliggend element in het landschap. Vaak zijn ze gesitueerd in een overhoek tussen weilanden. Dat is in voorliggende situatie ook min of meer het geval. Een geriefbos is vaak groter dan 500 m² en werd vroeger aangeplant om in geriefhout, hout voor dagelijks gebruik, te voorzien. Een geriefbos was vroeger vaak een
1
Stichting Landschapsbeheer Gelderland (2022). Inrichtingsplan Groene opgave Brummen. Rapportnummer: ER22BRUMM0010. 18 mei 2022. 7
monocultuur van bijvoorbeeld eik, es, wilgen of elzen. Doordat een geriefbos voor de houtvoorziening op eigen erf meestal niet meer van toepassing is, wordt tegenwoordig vaak geriefbos aangeplant om iets meer variatie te krijgen.
Geriefbos (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland).
Ontwerpkaart van het inrichtingsplan (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland).
8
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Binnen het plan is aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.2.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.
9
Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan valt niet binnen de reikwijdte van de onderwerpen uit het Barro. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. 10
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing De gronden van het plangebied hebben de status ‘Nationaal landschap’. In de provinciale omgevingsverordening is gesteld dat een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap alleen bestemmingen mogelijk maakt die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, als bedoeld in bijlage ‘Kernkwaliteiten Nationale Landschappen’, niet aantasten. Raadpleging van de bijlage wijst uit dat onderhavige locatie behoort tot het Nationaal Landschap De Veluwe deelgebied Zuidelijke IJsselvallei. De Zuidelijke IJsselvallei wordt gekenmerkt door de overgang van stuwwal (Veluwemassief) met besloten boslandschap via halfopen dekzandlandschap naar open rivierenlandschap (IJssel).
Het betreft een kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap en hiermee samenhangend een grote afwisseling van talrijke landgoederen, grondgebonden landbouw (met name weidebouw), bos, en beken die van de flank afstromen. Onderhavig initiatief draagt bij aan de kernkwaliteiten van de Zuidelijke IJsselvallei door de aanplant van een geriefbos, waarmee het kleinschalige mozaïeklandschap met afwisseling tussen open- en geslotenheid wordt versterkt. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030 – Visie op het niet-bundelingsgebied De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 is in november 2009 vastgesteld door de gemeenteraden van Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities voor de lange termijn tot 2030 voor het gebied buiten de grote stedelijke kernen Zutphen, Deventer en Apeldoorn en het landelijke gebied daartussen. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staan centraal. Om deze centrale doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd: − duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; − natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; − regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; 11
− stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; − toevoegen van centrum-stedelijke en landelijke woonmilieus. De visie zet in op de volgende zaken: − het versterken van de groene kernkwaliteit: veerkrachtig watersysteem in een robuust landschap; − het versterken van de rode kernkwaliteit: een netwerk van vitale kernen; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (I): landbouw als core business; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (II): toerisme en recreatie als troefkaart; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (III): vitaliteit door variatie. Toetsing Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van landschapsversterkingsmaatregelen. Er wordt bijgedragen aan de biodiversiteit en de kernkwaliteiten van het landschap. Zo vormt geriefbos vaak een schuilplaats voor veel vogels en kleine zoogdieren en wordt daardoor de landschappelijke en ecologische variatie vergroot. Ook doorbreekt geriefbos de vlakke horizon en zorgt het voor afwisseling in het landschap. Daarnaast zorgt het voor een versterking van de kernkwaliteiten van het landschap c.q. platteland. Dit tezamen maakt dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij de ambities uit de regionale structuurvisie. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Brummen de Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ vastgesteld. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn in drie thema’s onderverdeeld: − Ruimte voor papier en landgoederen: Papier en landgoederen zijn de kernwaarden die Brummen uniek maken. Deze kernwaarden krijgen alle ruimte. Niet alleen fysiek en bedrijfsmatig, maar op zoveel mogelijk terreinen worden deze kernwaarden binnen de gemeente versterkt. Bijvoorbeeld in de recreatiesector, maar ook in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Eerbeek is een papierdorp en dat wil de gemeente meer laten zien, lokaal en regionaal, maar ook nationaal en internationaal. Daarnaast worden cultuurhistorie, creativiteit en kunst in de gemeente gestimuleerd en gekoesterd. Om de recreatieve potentie van Brummen verder uit te bouwen wordt het netwerk voor de wandelaar, fietser en ruiter verbeterd. − Samen gezond wonen, werken en leven: De gemeente Brummen wil een aantrekkelijke gemeente zijn voor zowel jong en oud als voor bestaande en nieuwe inwoners. Daarbij hoort een gemeente waar men prettig kan wonen en werken. Het kleinschalige dorpsleven waar rust en vriendelijkheid heersen en sprake is van een
12
sterke sociale samenhang, zijn daarbij van belang. De identiteit, die wordt gekoesterd, moet worden behouden en versterkt. − Op groene voet met groene vingers: Er wordt ingezet op een groen en klimaatneutraal Brummen, waarbij zelf wordt voorzien in de energie, energiesystemen slim worden gekoppeld, hemelwater wordt geborgen en gebruikt en de biodiversiteit wordt versterkt. De natuur en het landschap zijn kernwaarden van de identiteit van Brummen. Ze vormen de historische basis en maken deel uit van het woongenot, vormen de trekker voor recreanten en toeristen en staan aan de basis van de ontwikkeling van de papierindustrie en de landgoederen. Het landschap en de natuur moeten daarom behouden blijven. Maar ook hier geldt dat er geen stolp op het buitengebied moet worden gezet. Er wordt vernieuwd met respect voor dat wat er is. Toetsing Bij de toekomstvisie is een integraal Uitvoeringsprogramma opgenomen. In dit uitvoeringsprogramma geeft de gemeente aan wat zij de komende jaren doet om de keuzes die in deze toekomstvisie gemaakt zijn in de praktijk te realiseren. Het Uitvoeringsprogramma is een flexibel programma, dat het beleid en de activiteiten op de korte termijn weergeeft. Het versterken van de landschappelijke kernwaarden maakt onderdeel uit van het uitvoeringsprogramma. Voorliggend plan sluit daarmee aan bij de ambities van de toekomstvisie. 3.4.2
Nota Ruimtelijke Kwaliteit Brummen 2013 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit, voorheen de welstandsnota, bestaat uit beschrijvingen van welstandsgebieden en bijzondere thema’s met daaraan gekoppeld afzonderlijke toetsingscriteria. In totaal worden zes verschillende gebieden onderscheiden: − Historische dorpsgebieden en linten. − Woongebieden met samenhang. − Woongebieden met diversiteit. − Bedrijventerreinen. − Landelijk gebied. − Gebieden met een bijzondere functie. Toetsing Het plangebied ligt binnen het gebied ‘Landelijk gebied’. Voor deze gebieden streeft de gemeente naar het behoud van het karakter van het agrarische buitengebied. De belangrijkste karakteristieken zijn het afwisselende landschap met daarin verspreid staande, vaak authentieke bebouwing. De welstandscriteria die de gemeente voor het gebied stelt zijn voor een groot deel gericht op het behoud van de kwaliteiten van boerderijen en bijbehorende opstallen. Met dit bestemmingsplan worden geen opstallen geamoveerd, bomen gekapt of oppervlaktewateren gedempt. Onderhavig initiatief voorziet uitsluitend in landschapsversterkingsmaatregelen in de vorm van een geriefbos , welke het kleinschalige mozaïeklandschap met afwisseling tussen open- en geslotenheid versterkt. Voor het perceel is een inrichtingsplan opgesteld (zie paragraaf 2.2), waardoor optimaal wordt bijgedragen aan de uitstraling en kwaliteiten van het gebied.
13
3.4.3
Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ De gemeenteraad van de gemeente Brummen heeft op 28 september 2006 de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente Brummen er over 25 jaar uit zou moeten zien. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie omvat een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (periode 2005 tot 2015). Samen vormen ze de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'. In de strategische visie tot 2030 zet men in op synergie met de omliggende gemeenten. Dit kan volgens de gemeente het beste bereikt worden door aan te sluiten op de onderscheidende kwaliteiten. Dé identiteitsdrager van de gemeente Brummen is de groene kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook ingezet te worden op de versterking van de groene kwaliteiten. Toetsing Voorliggend plan draagt bij aan het landschap en de groene kwaliteiten van Brummen, door de toevoeging van een geriefbos. Onderhavig initiatief komt ten goede aan hetgeen is gesteld in de gemeentelijke ontwikkelingsvisie.
3.4.4
Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 In het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 zijn de verschillende landschapstypen die de gemeente Brummen rijk is nader uitgewerkt. Karakteristiek voor het grondgebied van de gemeente Brummen is de opbouw van het landschap in verschillende landschapstypen die elkaar van oost naar west opvolgen. Per deelgebied zijn doelen ontwikkeld. Voor het gebied rondom Hall wordt in de in het beleidsplan gestreefd naar het bijdragen aan schaalverkleining door middel van erf- en kavelbeplantingen en houtwallen. Gestreefd wordt naar het toevoegen van herkenbare landschapselementen waarmee de kleinschaligheid en beslotenheid wordt teruggebracht. Het deelgebied Veluweflank is daarbij van groot belang voor struweelvogels. Toetsing Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Veluweflank’. Voor het plangebied is een inrichtingsplan opgesteld, waarbij is getracht aansluiting te vinden op de kernkwaliteiten van het hier voorkomende landschap zoals onder meer beschreven in het landschapsbeleidsplan. In paragraaf 2.2 is beschreven hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het landschap ter plaatse. Voorliggend plan sluit dan ook aan bij de ambities uit het gemeentelijk landschapsbeleidsplan. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.
14
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen.
Toetsing Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een geriefbos op een agrarisch perceel, waarmee de landschaps- en natuurwaarden ter plaatse worden versterkt en niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten zijn. Dit maakt dat, gelet op de aard en schaal, gesteld wordt dat er geen sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. Daarom wordt het opstellen van een vormvrije milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu plaatsvinden. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
4.2
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en 15
gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met het voorliggende plan wordt een landschapselement mogelijk gemaakt in de vorm van een geriefbos. Dergelijke elementen zijn niet van invloed op de milieuaspecten geluid, geur, gevaar of stof. Het plangebied krijgt een bosbestemming, dat niet wordt beschouwd als “zeer kwetsbaar gebied” als bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij. Als gevolg van de wijziging naar een bosbestemming worden geen veehouderijen belemmerd in de eventuele uitbreidingsplannen.
Natuur betreft geen milieuhinderveroorzakende dan wel -gevoelige functie. Een toetsing aan de milieuaspecten is daarom niet van toepassing. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.3
Bodem Algemeen Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. Ook als de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en er geen risico’s voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn is de geschiktheid voldoende aangetoond. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning mogelijk ook een actueel onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Hiernaast geldt dat de gemeente bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Brummen heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan (in samenwerking met de gemeenten Epe, Apeldoorn, Zutphen, Lochem en de voormalige gemeente Voorst).
16
Toetsing Omdat dit plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt moet de kwaliteit van de bodem inzichtelijk zijn. Op basis van het historische bodembestand, het bedrijvenbestand (inclusief ondergrondse tanks) en het bodeminformatiesysteem is de locatie onverdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging. Ten aanzien van onder- en bovengrondse tanks is geen informatie bekend dat deze aanwezig of aanwezig geweest zijn ter plaatse van de te ontwikkelen locaties. Conclusie Op basis van de bekende informatie is de te ontwikkelen locatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. De bodem wordt geschikt geacht voor de toekomstige natuurfunctie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Het voornemen bestaat om een agrarisch perceel in te richten als natuur. Om vast te stellen of er bij de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde soorten of hun verblijfplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied of de directe omgeving, en of deze eventueel worden aangetast, is een potentiecheck flora en fauna 2 uitgevoerd. Uit de potentiecheck volgt dat er geen beschermde planten of verblijfplaatsen/nesten aanwezig zijn die door de beoogde ingrepen verloren kunnen gaan. Er gaan tevens geen verblijfplaatsen indirect verloren, bijvoorbeeld door het blokkeren van invliegopeningen van vleermuizen/ toegang tot de poel. Het plangebied bestaat momenteel uit grasland. Door de omzetting naar gerief-/vogelbos gaat er mogelijk wat foerageergebied verloren voor diverse soorten, zoals das.
In de directe omgeving zijn voldoende agrarische percelen met grasland aanwezig, die behouden blijven als foerageergebied. Door de omzetting naar bos zal er meer gelegenheid voor diverse soorten, waaronder mogelijk kamsalamander en ringslang ontstaan om te schuilen, foerageren en te verblijven en/ of voort te planten, waardoor er meer biodiversiteit ontstaat. Geconcludeerd wordt dat de omzetting naar bos niet tot gevolg zal hebben dat de Wnb wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/ biodiversiteit tot gevolg hebben.
2
EcoTierra (2022). Potentiecheck flora en fauna. Pongeweg 4a te Hall. Rapportnummer: Q2022-WE-3018. 18 juli 2022. 17
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.5
Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 zijn een aantal nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1.
Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.
18
Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.
De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd.
3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
19
In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Beleid gemeente Brummen - Gemeentelijk Waterplan 2008 De gemeente Brummen heeft in samenwerking met het voormalige Waterschap Veluwe in 2008 een waterplan opgesteld. Met dit waterplan wordt invulling gegeven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het waterplan is afgebakend tot de deelsystemen oppervlaktewater (waterkwantiteit en kwaliteit), stedelijk grondwater, regenwater, drinkwater en afvalwater en heeft betrekking op het grondgebied van de gemeente Brummen. Vanuit de stroomgebiedsbenadering en watersysteemgedachte kan het noodzakelijk zijn voor bovengemeentelijke waterthema's over de gemeentegrenzen heen te kijken. De onderwerpen betreffen zowel stedelijke als landelijke waterthema's, die zijn toegespitst op de situatie in Brummen(maatwerk).
Het waterplan is thematisch opgezet aan de hand van onderstaande ambities: − geen wateroverlast door grond-, oppervlakte- en hemelwater; − geen verdroging; − verbeteren grond- en oppervlaktewaterwaterkwaliteit (zowel fysisch-chemisch als ecologisch); − duurzaamheidprincipes toepassen voor de afvalwaterketen; − meer zichtbaar maken van water voor de burgers; − goede productieomstandigheden;
20
− efficiënt beheer en onderhoud; − realisatie tegen de laagst maatschappelijke kosten; − water een prominentere rol geven in de ruimtelijke ordening. Toetsing Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op de realisatie van een geriefbos. Er zal geen nieuwe verharding of bebouwing worden gerealiseerd. Ook kent het plangebied geen primaire waterstaatkundige functie. De Oekense beek, aan de noordzijde van het plangebied, wordt door het waterschap Vallei en Veluwe als C-water gekwalificeerd. Deze wateren kennen geen obstakelvrije zone. Onderhavig plangebied loopt langs de beek, waardoor geen obstakels worden toegevoegd in of over de beek. De belangen van de watergangen worden met voorliggend initiatief niet geschaad. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.6
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor het grondgebied van de gemeente Brummen geldt het ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm onder het maaiveld en met een groter oppervlakte dan 2.500 m2 een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Met de beoogde landschapsversterkende maatregelen vinden geen grootschalige en diepe bodemingrepen plaats, waardoor het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Wanneer tijdens de uitvoering van werkzaamheden een monument wordt gevonden moet dit op grond van de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) verplicht worden gemeld aan de Minister van OCW en de gemeente Brummen.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
21
4.7
Cultuurhistorie Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Toetsing Uit raadpleging van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland volgt dat er in het gebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Daarnaast is het plangebied niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument zoals omschreven in de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit Brummen’ uit 2013. Om op goede wijze het landschap binnen het plangebied te versterken is een inrichtingsplan opgesteld, waarin is ingegaan op een passend beplantingsvoorstel, rekening houdend met de kernkwaliteiten van het landschap. Het inrichtingsplan is besproken in paragraaf 2.2. Zo is in voorliggend plan rekening gehouden met eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Onderhavig plan draagt bij aan de cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied.
4.8
Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPGtankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. 22
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Toetsing Met dit plan is geen sprake van de toevoeging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten dan wel risicobronnen in de zin van het aspect externe veiligheid. Bovendien zijn er geen stationaire en mobiele risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig die een belemmering kunnen vormen. Het uitvoeren van onderzoek naar externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.9
Geluid Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen, zoals in het plangebied, is bijvoorbeeld een
23
geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek toch wenselijk zijn. Toetsing Bij onderhavig plan is er geen sprake van een toename van het verkeer. Er hoeft daarom geen toename van geluidshinder als gevolg van verkeer te worden verwacht. Ook voorziet de beoogde ontwikkeling niet in nieuwe geluidgevoelige functies. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek in de zin van de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.10
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
24
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Bij onderhavig plan is er geen sprake van een toename van het verkeer. Er is daarom sprake van een ontwikkeling die ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (een verslechtering van) de luchtkwaliteit, conform de ministeriele regeling NIBM. Er hoeven daarom geen negatieve effecten te worden verwacht. Het uitvoeren van luchtkwaliteitsonderzoek is evenmin noodzakelijk.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.11
Verkeer en parkeren Bij onderhavig plan is er geen sprake van een toename van het verkeer. Er hoeven daarom geen negatieve effecten op de doorstroming of de verkeersveiligheid te worden verwacht. Ook zal er geen toenemende parkeerbehoefte gepaard gaan met de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
25
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (bouwvergunning) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (aanlegvergunning). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in het bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
26
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen ontheffingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels.
In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. In dit plan is een anti-dubbeltelregel opgenomen. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
27
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Bos Het plangebied heeft de bestemming ‘Bos’ toegekend gekregen. Deze bestemming is onder meer gericht op de houtproductie en het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van het bos. Tevens allerlei watervoorzieningen binnen de bestemming mogelijk, evenals extensief recreatief medegebruik. Het is niet toegestaan om bouwwerken binnen de bestemming op te richten. Voor het uitvoeren van verschillende werken en werkzaamheden is een vergunningenstelsel opgenomen. Waarde - Archeologie laag De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden. Op basis van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien ingrepen worden verricht met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 of een dieper bereik dan 40 cm onder maaiveld. Hiervan kan onder voorwaarden worden afgeweken.