CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

083 - Toelichting bij bestemmingsplan

Gemeenteraad 24 juni 2021, gemeente BrummenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Breestraat 3 te Empe (aangenomen)9.363 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Breestraat 3 Empe

Plannaam: Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’ Identificatienummer: NL.IMRO.0213.BPBG700068-on01 Status: va01 Datum: 7 april 2021

Opdrachtgever: Mevr. Schurink

RAACC Adviesbureau Adviseur Telefoon E mail Postadres Bezoekadres

S. (Sjoerd) Elgersma 06 12141607 sjoerd@raacc.nl Ringlaan 9, 6961 KJ Eerbeek Enkweg 37, 7383 CW Voorst

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Geldend bestemmingsplan 1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Archeologie 4.2 Bodem 4.3 Cultuurhistorie 4.4 Ecologie 4.5 Externe veiligheid 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Milieuzonering 4.9 Water 4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Algemeen 5.2 Regels Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Bodemonderzoek Quickscan Flora Fauna Akoestisch onderzoek Watertoets

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Ten noordwesten van het dorp Empe, in de gemeente Brummen, bevindt zich aan de Breestraat 3 een voormalig agrarisch bedrijf. De agrarische gebouwen betreffen een ligboxenstal, mestbassin en voeropslagen. Het voornemen is om de ligboxenstal, de mestopslag en voeropslagen te saneren. Voor de sanering zal een compensatiewoning worden gerealiseerd. Om deze reden is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Geldende bestemmingsplan Op dit moment geldt voor het gehele plangebied het bestemmingsplan Buitengebied 2008 van de gemeente Brummen dat is vastgesteld op 17 december 2009. Het plangebied de bestemming ‘ Agrarisch met landschapswaarden’. Daarnaast geldt een aantal gebiedsaanduidingen op het perceel. Deze gebiedsaanduidingen betreffen: 'Agrarisch gebied’ , 'beslotenheid/houtopstanden' en 'Gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde'. De omliggende percelen van het plangebied zijn bestemd als 'Agrarisch met landschapswaarden'. In de onderstaande afbeelding is in het rode kader het planologische regime voor de planlocatie weergegeven.

Uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied 308' (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Ook geldt het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren', vastgesteld op 18 oktober 2018. De relevante bepalingen uit dit bestemmingsplan zijn overgenomen in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 3

Verder geldt het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie', vastgesteld Oktober 2020. De relevante bepalingen uit dit bestemmingsplan zijn overgenomen uit de regels van het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Archeologie. Tot slot geldt ook het bestemmingsplan 'Buitengebied Beschermingszone bestrijdingsmiddelen' van de gemeente Brummen dat is vastgesteld op 25 oktober 2012. Dit bestemmingsplan heeft echter geen doorwerking in het onderhavige bestemmingsplan omdat het plangebied de agrarische bestemming omgezet zal worden in de bestemming wonen.

1.3 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de omgeving van het plangebied en de huidige en toekomstige inrichting. Vervolgens komt in Hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie, regio en gemeente aan de orde. Hoofdstuk 4 is gewijd aan het onderzoek naar de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 behandelt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. In het laatste hoofdstuk wordt ten slotte ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 4

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt op ongeveer 500 meter afstand van het dorp Empe en ligt te midden van agrarische percelen waarbinnen voornamelijk burgerwoningen zijn gelegen. In de directe omgeving zijn geen agrarische bedrijven gelegen. Op een afstand van 700 meter is het dichtst bijgelegen agrarisch bedrijf gevestigd. Op de kavel zijn een woonhuis en een drietal bijbehorende bouwwerken aanwezig. Deze bijbehorende bouwwerken werden voorheen gebruikt voor agrarische bedrijfsvoering. De te slopen ligboxenstal beslaat een 840 vierkantemeter. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door agrarische percelen en verspreid daartussen houtopstanden. Ook is het perceel als gevolg van beplanting vanaf de doorgaande weg gedeeltelijk aan het zicht onttrokken, zoals ook in de onderstaande afbeeldingen te zien.

Luchtfoto plangebied (bron google).

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 5

Aanzicht plangebied vanaf de hoek Breestraat – Noord Emperweg (bron: Google).

2.2 Toekomstige situatie De bebouwing is oud, niet meer functioneel en door het stoppen van de agrarische activiteit overtollig. Naast dat ze niet meer functioneel zijn bevatten ze asbest. Het saneren van het asbest en het slopen van de opstallen is de enige goede optie. Het mestbassin is onlangs gesaneerd.

Te bouwen

Te slopen

Woning: max. 150 m2

Bestaande ligboxenstal 840 m2

Bijgebouw: 75 m2 Totaal: 225 m2

Totaal: 840 m2

Uit de bovenstaande tabel is op te maken dat de het bebouwingsoppervlakte op het betreffende perceel met 615 m2 afneemt als gevolg van deze ruimtelijke ontwikkeling. Het scenario is ook op de onderstaande afbeelding inzichtelijk gemaakt.

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 6

Afbeelding: Erfinrichtingsplan

(bron: Raacc, Landschapsbeheer Gelderland)

Het inrichtingsplan is uitgewerkt door Landschapsbeheer Gelderland. De westelijke kavel is de bestaande woning met de ruim ingerichte tuin. De oostelijke kavel is kleinschaliger opgezet rondom de nieuwe woning. Landschappelijk gezien is de aansluiting van de nieuwe bebouwing bij het voormalig erf een gewenste uitwerking. Voorop het erf zal een woning worden geprojecteerd en verder op de achtergrond een schuur. Hierachter voornamelijk veel gras en achterop de bestaande erfsingel, hierdoor word de openheid behouden. Ter hoogte van de Breestraat heeft de woning een zichtlijn in westelijke richting. De bestaande oprit naar de voeropslagen kan als toegangsweg gebruikt worden. De afname van de hoeveelheid bestaande bebouwing in combinatie met de te behalen kwaliteitsslag, het verwijderen van de overtollige oude bebouwing, heeft ertoe geleid dat de gemeente medewerking verleent aan het plan. Op 26 februari 2019 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Brummen een principe akkoord afgegeven onder kenmerk Z029427/D296758.

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 7

Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte Op 13 maart 312 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 340 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 328 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt: 1. vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. verbeteren van de bereikbaarheid; 3. zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Met de hiervoor genoemde Rijksdoelen zijn dertien nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's.

Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Paragraaf 3.1.2 van deze toelichting gaat hier verder op in. De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van dit bestemmingsplan met ruimtelijke onderbouwing past in die lijn van een goed woon en leefklimaat.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Sinds augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 8

De ladder is geen op zichzelf staand instrument maar is onderdeel van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De betreffende minister zorgt ervoor dat decentrale overheden over de juiste instrumenten beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Onderdeel hiervan is het voorkomen van over programmering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. Dit bestemmingsplan gaat ervan uit dat een dergelijke 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in het Bro zich hier niet voordoet. In dit bestemmingsplan gaat het immers om het slopen van bestaande bebouwing en daarvoor op dezelfde plek een nieuwe woning terugbouwen. Een nadere toets aan de Ladder is daarom niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie en -verordening provincie Gelderland Omgevingsvisie Op 9 juli 2014 is de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Vervolgens is hiervan op 1 januari 2018 een geconsolideerde versie uitgebracht. Deze geconsolideerde versie verwerkt alle actualisatieplannen die na de inwerkingtreding van de Omgevingsvisie Gelderland in juli 2014 zijn gaan gelden. In de Omgevingsvisie staan de maatschappelijke opgaven in Gelderland. Deze opgaven zijn ontstaan in gesprekken tussen overheden, organisaties en particulieren. De hoofddoelen die de provincie Gelderland voor zichzelf formuleert zijn: 1. een duurzame economische structuur; een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige en innovatieve bedrijven enerzijds en een kwalitatief goed aanbod aan werklocaties, woonlocaties en arbeidspotentieel anderzijds. 2. Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving; Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving, waterhuishouding en ondergrond. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. Deze twee hoofddoelen vertaalt de provincie Gelderland naar drie ambities voor de gehele provincie.

Deze ambities (een divers, dynamisch en mooi Gelderland) werkt de provincie onder andere uit in verschillende uitvoeringsprogramma's. Wonen en werken in het 'buitengebied' De provincie en haar partners streven samen naar een vitaal buitengebied: • met behoud van levendigheid; • met een verbetering van de kwaliteit van wonen, werken en vrijetijdsbesteding; • rekening houdend met grote verschuivingen door schaalvergroting in de landbouw, energietransitie en urbanisatie de komende jaren.

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 9

De provincie stelt bij initiatieven voor functieverandering dat deze de aanwezige en te ontwikkelen economie en gebiedskwaliteiten versterken. Dit kunnen initiatieven zij voor wonen en werken. Bijvoorbeeld functieverandering en landgoederen. Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening worden regels gesteld aan de inhoud van plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Vanuit de omgevingsverordening zijn het nationaal landschap en het thema wonen relevant. Nationaal Landschap Op grond van artikel 2.56 van de Omgevingverordening mag een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap alleen bestemmingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van een Nationaal landschap niet aantasten. Activiteiten die toch deze kernkwaliteiten aantasten zijn alleen mogelijk als: a. er geen reële alternatieven zijn b. er sprake is van reden van groot openbaar belang c. compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen. Het plangebied is binnen de kaart landschap is het plangebied binnen de Nationale Landschap gelegen. De Nationale Landschappen zijn de symbolen bij uitstek van het Gelderse cultuurlandschap. Ze geven op een afspiegeling van de landschappelijke diversiteit weer.

Ruimtelijke ontwikkelingen binnen nationale landschappen zijn mogelijk als deze passend zijn in het gebied. De voorgestelde ontwikkeling is het wegnemen van overtollige bebouwing en het toekennen van een nieuwe functie aan het voormalig agrarisch erf. Het project word landschappelijk verantwoord ingepast waarmee het bestaande landschap voldoende word gerespecteerd. Thema wonen De verantwoordelijkheid om een regionale woonagenda op te stellen, ligt bij de regio’s. De provincie is een betrokken partner en brengt bij elke woonagenda in elk geval de provinciale doelstellingen in: 1. het energieneutraal en klimaatbestendig maken van nieuwe en bestaande woningen; 2. de bestaande woningen aantrekkelijk houden en maken voor nieuwe bewoners; 3. het bouwen van betaalbare, toekomstbestendige en duurzame woningen met aandacht voor flexibel programmeren en flexibele woonvormen. Deze doelen zijn in de regionale woonagenda terug gekomen.

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 10

Toetsing Het voormalig agrarisch bedrijf aan de Breestraat 3 bestaat nog uit een grote oude ligboxenstal. De sloop en het toekennen aan een nieuwe functie aan het perceel is een goed alternatief tegengaan van verloedering en verrommeling van het buitengebied. De locatie wordt landschappelijk ingepast waardoor er een kwaliteitsverbetering ontstaat. Het initiatief is passend binnen de regionale afspraken waarbij de realisatie van 1 compensatiewoning in het kader van rood voor rood een kleinschalige ontwikkeling is. Deze ontwikkeling van de rood voor rood woning is passend binnen de regionale opgave.

3.3 Regionaal beleid Regionale structuurvisie Naast provinciaal beleid geldt voor het plangebied ook regionaal beleid. De gemeente Brummen heeft samen met de gemeenten Apeldoorn, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen de 'Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030' opgesteld (vastgesteld door de gemeenteraad van Brummen op 26 november 2009). De doelen van deze structuurvisie zijn: •

Duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling;

•

Natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties;

•

Regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer;

•

Stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen;

•

Toevoegen van centrum stedelijke en landelijke woonmilieus.

Onderdeel van deze structuurvisie is het aspect wonen. De gemeenten geven in de structuurvisie aan dat de bevolkingsomvang in de toekomst zal toenemen en er dus behoefte is aan nieuwe woningen. Deze woningen zullen echter voornamelijk in de omgeving van bestaande kernen komen. Dat betekent echter niet dat in de dorpen, de landelijke woonmilieus, en daaromheen geen ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Met deze regionale visie is het onderhavige bestemmingsplan in overeenstemming. Door te voorzien in vervangende kwalitatief hoogwaardige nieuwbouw wordt het landelijke woonmilieu op een duurzame manier ontwikkeld. Regionaal afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering Stedendriehoek 2015 – 2024. In dit afsprakenkader is voor de regio Stedendriehoek een kader afgesproken van maximaal 7090 toe te voegen woningen voor de periode 2015-2024. In de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is de wens uitgesproken om voor de regiogemeenten te komen tot een binnenregionale verdeling van het behoeftekader. In het afsprakenkader is afgesproken dat wordt uit gegaan van 560 woningen voor de gemeente Brummen. Tevens is in het afsprakenkader de definiëring van een woning opgenomen en wanneer er sprake is van een netto toevoeging van een woning. In het afsprakenkader is afgesproken dat elke nieuw te bouwen woning als zodanig telt. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 11

Conclusie Het initiatief betreft het omzetten van een agrarische locatie naar een woonbestemming. Het plan past binnen het 'afsprakenkader wonen'. Het initiatief is daarmee passend binnen de regionale afspraken en de woonagenda.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie 'Ligt op groen' Het doel van de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie is sturing geven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Brummen. In de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie is de groene kwaliteit van de gemeente het vertrekpunt. Het Veluwemassief, het aantrekkelijke kleinschalige (agrarische) landschap, de IJssel, de beken, de rust en de ruimte zijn structuurdragers die in belangrijke mate de identiteit van de gemeente bepalen. Hiermee onderscheidt de gemeente zich binnen de stedelijke regio Stedendriehoek. Brummen wil in de toekomst een eigen gemeenschap blijven vormen, fysiek en mentaal op afstand van de steden. Nieuwe ontwikkelingen worden ingezet ter versterking van deze groene kwaliteiten. In de nota Grondbeleid 2006 van de gemeente Brummen is het fonds Ligt op Groen vastgesteld. Het fonds moet projecten op het gebied van natuur en landschap, water en recreatie en toerisme financieel mogelijk maken. Het voorliggende initiatief zal een financiële bijdrage aan het fonds leveren. 3.4.2 Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 Om behoud en versterking van de natuur- en landschapswaarden werkelijk te laten plaatsvinden, heeft de gemeente in 2008 het landschapsbeleid geactualiseerd. Het Landschapsbeleidsplan Brummen is erop gericht de wensbeelden uit de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op groen' tot uitvoer te brengen.

Het vertrekpunt van deze notitie wordt gevormd door de gebiedsbeschrijvingen uit het landschapsbeleidsplan 1992 en het bestemmingsplan Buitengebied 2005. De locatie ligt in het deelgebied 'Oeverwal'. Karakteristiek voor dit gebied is: • Openheid en regelmatige verkaveling; Het plangebied is op korte afstand gelegen van een kleine kern aan de rand van de oeverwal. De verkaveling in de directe omgeving is rechtlijnig en open. De voorgenomen ontwikkeling is niet negatief van invloed op de aanwezige karakteristieken van het gebied, de ontwikkeling, het opruimen van overtollige oude bebouwing , kan als een kwaliteitsslag gezien worden. 3.4.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Brummen 2013 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit, voorheen de welstandsnota, bevat handvatten voor verbouwingen en beschrijft hoe om te gaan met verbouwingen aan huizen, bedrijven, Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 12

landgoederen en monumenten. Ook worden suggesties gegeven over duurzaamheid en worden oplossingsrichtingen gegeven voor de herindeling van boerenerven. De locatie valt onder de criteria voor het landelijk gebied. Het streven van de gemeente is gericht op het behoud van het karakter van het agrarisch buitengebied. Belangrijkste karakteristieken zijn het afwisselende landschap met daarin verspreid staande, vaak authentieke bebouwing. Belangrijk is het in stand houden van het onderscheid tussen agrarische bebouwing in het buitengebied en de burgerwoningen in de bebouwde kom. Bij de uitwerking van het ontwerp van de woning zullen in de ontwerpfase deze karakteristieken meegenomen worden. Belangrijk is de samenhang tussen de bebouwing en het omliggende landschap. 3.4.5 Paraplubestemmingsplan Parkeren Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening vervallen. De juridische borging van het gemeentelijke parkeerbeleid dient te gebeuren via het bestemmingsplan. Hiervoor is het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Parkeren opgesteld. Dit is een partiële herziening en geldt aanvullend op de vigerende bestemmingsplannen. Voor Brummen geldt dat het een gemeente is die weinig stedelijk is. In de gegeven bandbreedte wordt de norm gehanteerd die het gemiddelde is van de minimale en maximale normen. Dit is gedaan om enige ruimte te geven aan initiatieven.

Daar komt bij dat de parkeernorm inclusief een bezoekersaandeel is en het is bij diverse functies gebruikelijk dat bezoekers in het openbare gebied parkeren. Ook daarom is niet gekozen voor de maximale norm uit de bandbreedte. Bij de normstelling is aansluiting gezocht bij de functielijsten en de waarden uit de publicatie 2017 van het CROW. Per woning zal er ruimte moeten worden geboden aan minimaal 2,4 parkeerplaatsen. Verder worden een drietal gebieden onderscheiden: centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Het plangebied valt onder het buitengebied. Gezien de omvang van het plangebied kan er ruimschoots aan de parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen (vrijstaande woning) worden voldaan. 3.4.6 Woonvisie 2016 - 2025 De gemeenteraad heeft op 26 mei 2016 de Woonvisie 2016 – 2025 vastgesteld. Hierin zijn de ambities voor het wonen in de gemeente tot en met 2025 beschreven. De Woonvisie is tot stand gekomen in samenwerking met de woningcorporaties, inwoners en de gemeente Brummen. Bij de totstandkoming van deze woonvisie is een aantal ontwikkelingen van invloed geweest. Zo is er sinds 2015 een nieuwe Woningwet, die gevolgen heeft voor de werkverhouding tussen de gemeente en de woningcorporaties.

Maar ook andere factoren spelen een rol zoals de ontwikkelingen in de zorg, waarbij ouderen die behoefte hebben aan (intensieve) verzorging of verpleging steeds vaker zelfstandig blijven wonen. Met de Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 13

Woonvisie wordt beoogd een koers te bepalen die de houding en inzet van het gemeentebestuur in het kader van de gemeentelijke rol op de woningmarkt van Brummen weergeeft voor de langere termijn. Concrete acties op het gebied van wonen zijn verder uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. Daarnaast is er een afwegingskader woningbouw opgesteld waaraan nieuwe woningbouwinitiatieven getoetst worden. Afwegingskader woningbouw Uit de Woonvisie volgt dat Brummen in 2025 een aantrekkelijk woonmilieu moet bieden voor bewoners van alle leeftijden. De gemeente wil daarbij inspelen op de kansen en behoeften die zich voordoen op de lokale woningmarkt. Om deze reden heeft de gemeente een woningbehoefteonderzoek uitgevoerd om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan nieuwbouw in beeld te brengen. Door het slopen van agrarische bedrijfsgebouwen en de landschappelijke inpassing van de locatie is hier sprake van een initiatief dat voldoet aan het afwegingskader. De gewenste ontwikkeling bestaat uit het wijzigen van de agrarische bestemming in de woonbestemming met realisatie van een compensatiekavel. 3.4.7 Beleidskader functieverandering van vrijkomende agrarische gebouwen In het beleidsdocument 'Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies' hebben de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Lochem, Voorst en Zutphen gezamenlijk het regionale beleid voor functieverandering vastgelegd.

De regeling voor functieverandering is van toepassing op vrijkomende en vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied. De mogelijkheden voor hergebruik of vervangende nieuwbouw zijn afhankelijk van de hoeveelheid vrijkomende bedrijfsbebouwing. Functieverandering kan plaatsvinden in de vorm van wonen of werken, en in de vorm van hergebruik van de bestaande opstallen of sloop en vervangende nieuwbouw. Bij toepassing van functieverandering dient voldaan te worden aan een aantal algemene voorwaarden: 1. Functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijkomende agrarische gebouwen in het buitengebied. 2. De regeling geldt ook voor eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen. 3. Overtollige bebouwing wordt gesloopt met uitzondering van monumentale en karakteristieke gebouwen. 4. Voor de woningen geldt een maximummaat die overeenkomt met de maat uit het bestemmingsplan Buitengebied en maximaal 75 m² voor bijgebouwen. 5. Mestsilo's, kuilplaten en erfverharding tellen niet mee als vrijkomende bebouwing.

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 14

6. De functieverandering van gebouwen wordt geëffectueerd door bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel en verkleining van het bouwvlak. 7. De ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving wordt niet belemmerd door de functiewijziging. 8. Functieverandering mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. 9. Met een beeldkwaliteitsplan wordt de verschijningsvorm afgestemd op de omgeving. De functieverandering dient gepaard te gaan met, naast sloop, een vorm van verevening: een bijdrage aan de kwaliteit van de omgeving. Plan specifiek Het plan voldoet aan de algemene voorwaarden voor de realisatie van rood-voor-rood woningen, zoals opgenomen in het beleidskader. Het plangebied ligt in zone met minder dan 50% functieverandering naar wonen. In deze zone is bij vrijkomende bedrijfsbebouwing met een oppervlakte tot 1.000 m² het realiseren van 1 nieuwe vrijstaande woning toegestaan. Het initiatief, de sloop van 840 m2 aan overtollige bebouwing, past in het regionale functieveranderingsbeleid.

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 15

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. De Monumentenwet en haar opvolger, de Erfgoedwet, regelen hoe met archeologische vindplaatsen en zichtbare monumenten moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken. Op 2 oktober 2014 heeft de gemeente Brummen de 'Beleidsnota archeologie gemeente Brummen' vastgesteld. Gemeente Brummen wil met deze beleidsnota haar wettelijke taak vervullen evenals deze verantwoordelijkheden vertalen naar een eigen visie en een zelfstandig archeologiebeleid. In de beleidsnota onderscheidt de gemeente vijf verschillende categorieën aan archeologische verwachtingen. Voor het overgrote deel van het plangebied van dit bestemmingsplan geldt een middelmatige archeologische verwachting. Voor gronden met een middelmatige archeologische verwachting geldt dat de gemeente streeft 'naar behoud in huidige staat'. Daarbij geldt dat 'inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht (volgens Richtlijn Archeologisch Onderzoek) als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 1.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv'.

Met dit planvoornemen is van ingrepen in de bodem van meer dan 1.000 m2 geen sprake. Ter plaatse waar de nieuwe woning gerealiseerd zal worden is de bodem tot zeker 2 meter geroerd. De fundering van de nieuwe woning zal ongeveer op 80 centimeter komen, heien is op deze plek niet nodig. Zodoende is een inventariserend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan is wat betreft archeologie dus uitvoerbaar.

4.2 Bodem Inleiding Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan dient de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie en dat het de financiële haalbaarheid van het plan niet in gevaar brengt. Onderzoek De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en woningbouw op de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 16

Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek Breestraat 3 te Empe, De Klinker Milieu, kenmerk K192001, datum 25 juli 2019. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Analytisch is asbest niet aangetoond. Grondverzet Voor grondverzet op basis van het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeente Brummen beleid opgesteld dat is vastgelegd in de nota bodem beheer met bij behorende bodemkwaliteitskaarten. Een partij grond die na 1 oktober 2019 wordt toegepast, moet volgens het “Tijdelijk handelingskader PFAS houdende grond bij hergebruik” (Ministerie van I&M, 8 juli 2019 en 29 november 2019), ook gekeurd zijn op PFAS. Omdat deze stof geen onderdeel is van de bodemkwaliteitskaart kan vanaf deze datum de kaart niet meer als bewijsmiddel worden gebruikt voor het toepassen van grond. Momenteel is een nieuwe nota bodembeheer met bodemkwaliteitskaarten in voorbereiding. Hierin wordt ook PFAS opgenomen. Het streven daarbij is dat medio 2020 de nieuwe nota bodembeheer (inclusief bodemkwaliteitskaarten) gereed zijn.

Conclusie Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: • de bodem op de locatie bevat zintuiglijk geen afwijkende waarnemingen; • de bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PCB; • in de ondergrond is een licht verhoogd gehalte kwik aangetroffen; • het grondwater is licht verontreinigd met barium; • de grond ter plaatse van de ‘druppelzone’ is niet asbesthoudend; • de hypothese (onverdacht) dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden; • De hypothese voor het asbestonderzoek (verdacht) dient verworpen te worden, aangezien er • Er is zintuigelijk geen asbest is aangetroffen. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Het volledige onderzoek is als bijlage aan het bestemmingsplan gevoegd.

4.3 Cultuurhistorie en beeldkwaliteit Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Uit de kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' van de provincie Gelderland blijkt dat het plangebied valt te typeren als 'jong landbouwontginning in het natdroge zandgebied'. Daarbuiten betreft het plangebied geen waardevol gebied en is er ook Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 17

geen sprake van monumentale of cultuurhistorische waarden. Doordat het planvoornemen verder geen invloed heeft op de omgeving, anders dan dat de bebouwing afneemt, de beeldkwaliteit toeneemt, vormt het milieuaspect cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Het schetsplan is voorgelegd aan de rayonarchitect voor een eerste globale welstandstoets. Het advies is positief met als nader advies de nieuwe bebouwing in zowel kleur als materiaalgebruik terughoudend uit te voeren.

4.4 Ecologie Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er geen strijdigheid ontstaat met de wetgeving ten aanzien van de gebiedsbescherming en de soortenbescherming van de Wet Natuurbescherming. Onderzoek Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland 2017; vastgesteld 19-12-2018 (Gelders Natuurnetwerk). Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en Natura2000. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. Hiervoor is een Aerius berekening opgesteld waaruit is gebleken dat er geen stikstofeffecten te verwachten zijn. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Wettelijke consequenties m.b.t.

soortbescherming: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën- vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied, vleermuizen bezetten er geen rust- of verblijfplaats en amfibieën bezetten er geen rust- of voortplantingsplaats. Voor sommige grondgebonden zoogdiersoorten die een rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van verblijf- en voortplantingsplaatsen. Deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren verwond of gedood worden, dienen ze verjaagd of weggevangen te worden. Indien beschermde dieren opzettelijk verwond of gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen te worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 18

plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde diersoorten niet aangetast. Samenvattende conclusie Het plangebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf, omgeven door intensief beheerd agrarisch cultuurlandschap en bestaat grotendeels uit bebouwing en erfverharding en voor een klein deel uit gazon. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer van het plangebied, wordt het plangebied als een weinig geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame- en kritische (grondgebonden) diersoorten en als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd. De voorgenomen activiteiten worden beschouwd als ruimtelijke ontwikkeling. Voor een aantal vrij talrijke diersoorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van verblijf- en voortplantingsplaatsen, maar beschermde dieren mogen zonder ontheffing niet gedood worden. Wel mogen deze beschermde soorten gevangen worden. Mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde soorten gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Mits geen beschermde dieren gedood worden, hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten is het aannemelijk dat een eventuele ontheffing verleend zal worden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Het volledige rapport met de bevindingen is als bijlage aan dit bestemmingsplan gevoegd.

4.5 Externe veiligheid De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en beperkt kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal slachtoffers beperkt blijft. Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 19

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb).

Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 20

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 21

plangebied Voor heel Nederland is een risicokaart opgesteld. De risicokaart heeft een signalerende functie voor risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Op basis van de risicokaart is gekeken naar risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied. Een uitsnede van de risicokaart is onderstaand weergegeven.

Uitsnede risicokaart met in het blauwe kader het plangebied (bron: risicokaart.nl). Defensie Pijplijn Organisatie De meest nabije mobiele bron is een buisleiding (rode stippellijn) van Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO). De planlocatie ligt op ca. 12 m van de Defensie Pijplijn Organisatie. De 1% letaalzone is 30 m (invloedzone). Voor dit initiatief heeft afstemming plaatsgevonden met Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO). Deze defensie buisleiding geeft geen belemmering voor het initiatief. Er geldt een belemmeringsstrook van 5 meter, het initiatief valt daarbuiten. Er heeft afstemming plaatsgevonden, per email en telefonisch, met Defensie Pijpleiding Organisatie over de planvorming. DPO geeft aan dat bij het bestemmingsplan en de graafen bouwwerkzaamheden de VELIN voorwaarden van toepassing zijn (Vereniging van Leidingeigenaren in Nederland). Dit houdt onder meer in dat vooraf toestemming moet worden gevraagd aan de beheerder van de leiding wanneer in de belemmeringsstrook van de leiding graaf- of bouw werkzaamheden worden verricht, grond of goederen worden opgeslagen of diepwortelende bomen of struiken worden geplant. Deze strook is volgens de wet vastgesteld op 5 meter aan weerszijden van de leiding. Binnen de voorgenomen plan Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 22

wijziging zijn er geen activiteiten binnen deze zone voorgenomen. Volledigheidshalve zijn de voorwaarden als bijlage aan de regels van dit bestemmingsplan toegevoegd.

Provincialeweg N345 De planlocatie ligt op een afstand van ongeveer 450 m van de provinciale weg N345 (Rijksstraatweg). Conform de Nota milieuveiligheid van de Gemeente Brummen is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N345 beperkt tot de bevoorrading van enkele lokale bedrijven. De provinciale weg levert geen belemmering op voor het initiatief. Spoorlijn Zutphen-Apeldoorn De planlocatie ligt op ca. 400 m van de spoorlijn Zutphen-Apeldoorn. Hoewel over dit traject geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dient het aanbeveling de spoorlijn op te nemen in de afweging. De spoorlijn vormt geen belemmering voor het initiatief. LPG-tankstation Rijksstraatweg 182a Voorst Het LPG-tankstation aan de Rijksstraatweg 182a in Voorst (DCO Voorst) is een stationaire bron. Deze heeft een maximale invloed van 160 m en ligt op een afstand van ongeveer 875 meter. Het levert hierdoor geen belemmering voor het planinitiatief. Risicobeschouwing De defensiebuisleiding wordt gebruikt voor het vervoer van brandbare vloeistoffen. De methodiek voor de berekening van de risico's van transportleidingen brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie is vastgelegd in een RIVM rapport uit 2006 (Risicoanalyse voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen, RIVM rapport 620120001/2006) .

Aanvullend op het RIVM-rapport is de faalfrequentie voor de kans op een leidingbreuk voor deze leidingen herzien. Dit is uitgewerkt in de RIVM-memo van april 2008, die als brief aan het toenmalige ministerie van VROM is aangeboden. De Handleiding risicoberekeningen Bevb (Module C) is gebaseerd op de genoemde documenten. Met de handleiding kunnen de risico's van leidingen met aardolieproducten specifiek worden berekend, zoals is voorgeschreven in de Revb. Op basis van het rapport van het RIVM uit 2006 heeft het RIVM in 2008 de memo 'Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1,K2,K3' opgesteld. Hiermee is de laatstgenoemde memo van het RIVM een volwaardig product voor het beoordelen van de externe veiligheidsrisico's van buisleidingen met brandbare vloeistoffen conform het Bevb. Plaatsgebonden risico Uit de memo van het RIVM blijkt dat voor het transport van K2 en K3 vloeistoffen door een buisleiding geen contour voor het plaatsgebonden risico 10-6 wordt berekend. Het plaatsgebonden risico levert derhalve geen belemmering voor het bouwplan. Wel moet rekening worden gehouden met een belemmerende strook van 5 m aan weerszijden van de

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 23

leiding. Artikel 14 van het Bevb geeft aan welke gegevens opgenomen moeten worden in het bestemmingsplan. Groepsrisico Ten aanzien van het groepsrisico vermeld de memo van het RIVM dat tot een personendichtheid van 100 personen per hectare het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het invloedsgebied van de buisleiding binnen het plangebied wordt gekenmerkt als buitengebied. Conform PGS 1 deel 6 (aanwezigheidsgegevens) wordt hiervoor een kengetal van 1 persoon per hectare gehanteerd. Dit betekent dat het huidige groepsrisico geen aandachtspunt oplevert. Conform het Bevb zal in het kader van de verantwoording van het groepsrisico alleen aandacht besteed moeten worden aan de mogelijkheden voor de voorbereiden op en bestrijden van een ramp en de zelfredzaamheid van personen. Hiervoor moet advies ingewonnen worden bij de commandant van de regionale brandweer. Gezien het lage groepsrisico zal dit advies niet leiden tot ruimtelijke aanpassingen. Mogelijk dat er wel organisatorische aanpassingen worden geadviseerd. Bereikbaarheid De bereikbaarheid is voldoende voor het buitengebied. Het plangebied is voldoende voor een buitengebied. Het plangebied is vanaf de N345 via de Breestraat bereikbaar. De Breestraat is tamelijk smal, passeren is hier met aangepaste snelheid mogelijk.

Conclusie Ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan de eisen van de externe veiligheid en van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect externe veiligheid legt geen beperkingen op voor realisatie van het plan. Voor K2- en K3-leidingen ligt de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 voor alle druk-diameter combinaties op minder dan vijf meter van de leiding. Het plan is vanwege de ligging nabij de brandstofleiding getoetst door de VNOG. Er zijn geen extra maatregelen in het kader van de veiligheid nodig. Uit een nader advies blijkt dat dit ook geldt voor de bluswatervoorziening. Deze is voldoende.

4.6 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen) door wegverkeer. Het gaat daarbij om de geluidsbelasting in het maatgevende toekomstige jaar. In het algemeen is dit het jaar 10 jaar na realisatie of na het uitvoeren van het akoestisch onderzoek. Het plangebied ligt binnen de geluidszones van de Breestraat, de Noord Emperweg en de Perleweg. Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuwe woning vanwege de Breestraat lager is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De hoeveelheid verkeer op de Noord Emperweg en de Perleweg is niet hoger dan op de Breestraat, terwijl de afstand van de nieuwe woning tot deze wegen groter is dan de afstand tot de Breestraat. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 24

Daarom zal ook de geluidsbelasting vanwege de Noord Emperweg en de Perleweg lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai zal vanwege elk van de wegen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Dit geldt ter plaatse van zowel de nieuwe woning als de voormalige bedrijfswoning. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig. Het akoestisch onderzoek is als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd.

4.7 Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 309 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Het plan biedt de mogelijkheid om op het perceel een stal te saneren en een woning te bouwen. Deze ontwikkeling leidt niet tot een verkeerstoename van meer dan 1.30 motorvoertuigen per etmaal. Er is een afname in het aantal verkeersbewegingen doordat er geen agrarisch bevoorradingsverkeer meer naar de locatie gaat. Het voornemen kan daarom worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterweg blijven en het omgevingsaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

4.8 Milieuzonering Milieuaspecten worden geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. Het gaat dan om de situering van milieugevoelige objecten ten opzichte van milieuhinderlijke elementen. Van belang is dat de omgevingskwaliteit passend is voor de nieuwe bestemmingen. Andersom geldt dat met de nieuwe bestemmingen de aanwezige bedrijven en functies niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkeling. De Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 25

toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse typen bedrijven en een rustige woonwijk. Deze afstanden hebben uitdrukkelijk niet het karakter van een norm of een richtlijn. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: •

binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen;

•

concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie;

•

de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn;

•

afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken.

Het plangebied betreft een voormalig agrarisch bedrijf in een rustig buitengebied. Op het perceel zijn de bedrijfsactiviteiten inmiddels gestaakt en op dit moment (volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008' en als gevolg van onderhavig bestemmingsplan) geldt de bestemming 'Agrarisch met landschappelijke waarden'. Bij het herbestemmen naar wonen moet er aandacht zijn voor aan eventuele omliggende bedrijven, agrarische bedrijven, welk milieuhinder veroorzaken. Door de herbestemming mogen eveneens omliggende bedrijven en functies niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. In de directe omgeving van de planlocatie zijn er geen andere bedrijven gelegen welke door de gewenste ontwikkeling gehinderd worden. Het plangebied bevindt zich op een grote afstand van andere bedrijvigheid, hiermee vormt andere bedrijvigheid geen belemmering voor het planvoornemen. De omliggende functies vormen daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Omgekeerd belemmeren de voorgenomen ontwikkelingen het functioneren van de omliggende functies niet. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.

4.9 Water 4.9.1 Beleidskader Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 26

4.9.2 Onderzoek Voor het plan is d.d. 23 december 2019 een watertoets uitgevoerd. De uitkomsten van de watertoets zijn als bijlage 5 (Watertoets) opgenomen. Uit het advies van het Waterschap Vallei en Veluwe blijkt dat in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren of waterkeringen aanwezig zijn. Ook is het plangebied niet aangewezen voor regionale waterberging. Anders geformuleerd: het plan raakt geen essentiële waterbelangen en op basis daarvan heeft het Waterschap Vallei en Veluwe een positief wateradvies gegeven. Wel geeft het Waterschap Vallei en Veluwe aan dat er een aantal algemene aspecten zijn waarmee in het planvoornemen rekening gehouden moet worden. Een belangrijk aspect is bijvoorbeeld dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Ook adviseert het Waterschap Veluwe en Vallei om enkel te bouwen boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Tot slot adviseert het waterschap ook om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen. In dit planvoornemen wordt met de bovenstaande aspecten rekening gehouden.

Hemelwater wordt op de omliggende gronden geïnfiltreerd en bij het bouwen worden uitsluitend gecertificeerde materialen gebruikt. Gezien het feit dat het Waterschap Veluwe en Vallei een positief wateradvies geeft betekent dat het planvoornemen wat betreft het aspect water als uitvoerbaar kan worden geacht. De watertoets is als bijlage aan het plan gevoegd.

4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het (gewijzigde) Besluit m.e.r. in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Daarbij zijn in het bijzonder de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EU-richtlijn van belang. Deze omstandigheden betreffen onder andere de kenmerken van de potentiële effecten en cumulatie. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn eventuele keuze voor géén m.e.r.-beoordeling voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de overwegingen van het moederbesluit. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Op basis van de vormvrije m.e.r. blijkt of al dan niet een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling blijft onder de drempelwaarden van alle activiteiten zoals opgenomen in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.

Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, en de uitgevoerde stikstof berekening, blijkt voorts dat het voornemen geen significante effecten op de omgeving heeft. Voor het voornemen hoeft daarmee geen (vorm vrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure of een plan – m.e.r. te worden opgesteld. De toelichting van dit bestemmingsplan kan gezien worden als Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 27

vorm vrije mer beoordeling, uit de beoordeling hiervan is gebleken dat het plan uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Algemeen Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het krachtens artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag liggen, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van het overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.

5.2 Regels Het navolgende stelt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels aan de orde. Deze ziet er als volgt uit: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. Dit wordt in het navolgende nader toegelicht. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Het hoofdstuk 'Inleidende regels' bevat de begripsbepalingen en de wijze van meten. De definities van de begrippen sluiten aan bij de Regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008' van de gemeente Brummen. Ook voldoen ze aan de eisen van de SVBP 2012. De 'Begrippen' geven aan wat in de regels van het bestemmingsplan met bepaalde termen wordt bedoeld en de 'Wijze van meten' geven aan hoe men moet meten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels. In de 'Wijze van meten' zijn ook meetvoorschriften uit het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' toegevoegd. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels

Bestemmingsplan ‘Breestraat 3 Empe’

Blz. 28

Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen et cetera. De aard van de toegelaten inrichting van de gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. In de bestemmingsplannen worden verscheidenen bestemmingen onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn regelingen als de bestemmingsomschrijving, bebouwingsmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden gekoppeld. Per bestemming hanteert men de indeling volgens de SVBP 2012. Deze volgorde en de naamgeving zijn standaard en dienen in principe te worden gevolgd. Het bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: •

enkelbestemming Wonen;

•

dubbelbestemming Waarde - Archeologie laag.

•

dubbelbestemming Waarde - Archeologie middelmatig.

•

dubbelbestemming Leiding - Brandstof

Wonen De enkelbestemming Wonen is opgenomen in het plan ten behoeve van wonen met daaraan een aantal functies ondergeschikt zoals erven, aan huis gebonden beroep en bedrijf en het hobbymatig houden van dieren. De bouwregels voor de hoofdgebouwen bepalen geldt dat ter plaatse van een bouwvlak 1 woning mag worden gebouwd. Ook bepalen de bouwregels dat de oppervlakte van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 150 m2. De goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 3 en 9 meter. Voor de bijgebouwen, al dan niet aangebouwd, geldt een maximum oppervlakte van 75 m2 per hoofdgebouw. Uit de 'Specifieke gebruiksregels' en de afwijkingen daarvan (artikel 3.4) volgt: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10270305/1