(083) TAM-omgevingsplan Groene opgave 2025 - Motivering
Tekst van het document
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 7.5.2
Situatie plangebied
Er wordt in voorliggend plan geen trillinggevoelig gebouw mogelijk gemaakt. Van trillingshinder is dan ook geen sprake. 7.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het 31
gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 7.6.2
Situatie plangebied
Natuur heeft een aantoonbaar positieve invloed op de gezondheid, zowel lichamelijk als mentaal. Het verblijven in groene omgevingen verlaagt stressniveaus, doordat natuurlijke elementen zoals bomen, water en open landschappen het zenuwstelsel helpen ontspannen. Onderzoek laat zien dat mensen die regelmatig in de natuur wandelen of verblijven een lagere bloeddruk en hartslag hebben en zich energieker voelen. Daarnaast bevordert natuur beweging: een groene omgeving nodigt uit tot wandelen, fietsen of sporten, wat bijdraagt aan een betere conditie en een lager risico op chronische ziekten. Voorliggend plan heeft dan ook een positief effect op de gezondheid. 7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
7.7
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
7.7.1
Algemeen
Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart. 7.7.2
Situatie plangebied
In voorliggend plan wordt er natuur toegevoegd. Natuur heeft een duidelijk positief effect op zowel de biodiversiteit als de kwaliteit van het landschap. Door het creëren of herstellen van natuurlijke gebieden ontstaat een groter aanbod aan leefgebieden voor planten, dieren en insecten. Variatie in bodem, water, beplanting en structuur zorgt ervoor dat meer soorten zich kunnen vestigen, waardoor ecosystemen sterker, veerkrachtiger en beter in balans raken. Daarnaast draagt natuurontwikkeling bij aan een aantrekkelijker en robuuster landschap. Natuurlijke elementen zoals bloemrijke graslanden, houtwallen of struweelhagen versterken de landschappelijke identiteit en zorgen voor een gevarieerd en samenhangend ruimtelijk beeld. Het landschap wordt niet alleen ecologisch rijker, maar ook visueel diverser en natuurlijker, wat het geheel toekomstbestendiger maakt en het vermogen van het gebied om klimaatveranderingen op te vangen vergroot. 7.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
32
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 8.1.2
Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking. 8.1.3
Situatie plangebied
Natura 2000-gebieden Met het plan wordt natuur- en landschapsontwikkeling mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied liggen Natura 2000-gebieden. Gelet op de aard en omvang van dit plan zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten. GNN-gebieden De locatie Cortenoeverseweg 94 ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk. De locatie valt binnen het kernkwaliteit deelgebied: Landgoederen Brummen. Voor dit gebied zijn de volgende ontwikkelingsdoelen opgesteld ten aanzien van de GNN: Ontwikkeling zwakgebufferde vennen, vochtige heiden, heischrale graslanden, blauwgraslanden, 33
pioniervegetaties met snavelbiezen en beekbegeleidende bossen Ontwikkeling biotopen voor kamsalamander en drijvende waterweegbree Ontwikkeling ecologische verbinding Eerbeek - IJssel en Soerense Poort: singels, graslanden, poelen, plas- drasbermen en moeraszones, in het bijzonder langs de beken Vermindering barrièrewerking N786, N348, spoorlijn en Apeldoornsch Kanaal Ontwikkeling bronnen en beken Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden Ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën Ontwikkeling cultuurhistorische patronen en beheersvormen Ontwikkeling van het kleinschalig landschap op de landgoederen; houtsingels, beken, schrale graslanden, akkers en poelen Binnen het plangebied zullen landschappelijke- en natuurversterkende elementen worden gerealiseerd in de vorm van een houtsingel. Dit heeft landschappelijke en ecologische kwaliteiten en sluit aan bij de doelen van het GNN. Groene Ontwikkelingszone De volgende locaties liggen binnen de Groene Ontwikkelingszone: Lendeweg 9 Hall, Hogestraat 3 Hall, Cortenoeverseweg 94 Brummen en Hoevesteeg 23 Tonden.
De Groene Ontwikkelingszone combineert: ecologische waarden (biodiversiteit, natuur), klimaatrelevante waarden (waterbeheer, duurzaamheid, CO2-vastlegging), ruimtelijke en landschappelijke waarden (divers landschap, identiteitsbehoud, variatie), sociale en recreatieve waarden (leefbaarheid, recreatie, esthetiek), duurzame ontwikkeling (natuurinclusieve landbouw, landschapsonderhoud) Met voorliggend project wordt actief ingezet op vergroting van natuurwaarden: door aanleg van streekeigen beplanting, hagen, bosjes, poelen, natuurvriendelijke oevers en andere landschapselementen. Dit draagt bij aan een rijker ecosysteem, meer biodiversiteit en een beter leefmilieu voor planten en dieren. Beschermingszone natte landnatuur In de beschermingszone natte landnatuur ligt de locatie Hogestraat 3 Hall, Hoevesteeg 23 Tonden en Langedijk 4 Tonden. De beschermingszone zorgt voor bescherming van gebieden die sterk afhankelijk zijn van grond- en oppervlaktewater: dat betekent dat de hydrologische situatie essentieel is voor het voortbestaan van de habitats en soorten. Aan de Hogestraat 3 Hall en Hoevesteeg 23 Tonden worden bomen en struweel aangeplant. Aan de Langedijk 4 Tonden wordt een poel aangelegd. Dit leidt niet tot negatieve effecten op de beschermingszone natte landnatuur.
Nationaal landschap Alle locaties, op Cortenoeverseweg 94 Brummen na, liggen binnen Nationaal Landschap De Veluwe – Zuidelijke IJsselvallei. Dit betekent een zeer gevarieerd landschap: open uiterwaarden, kleinschalig agrarisch gebied, bos, heide, lanen, houtwallen en landgoederen wisselen elkaar af. Deze variatie is essentieel voor de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het gebied. Voorliggend initiatief draagt bij aan de kernkwaliteiten van de Zuidelijke IJsselvallei door de aanleg van onder meer bomen, struweel en poelen.
34
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie plangebied
EcoTierra Ecologisch Adviesbureau heeft voor alle locaties een potentiecheck uitgevoerd. De resultaten van deze check zijn getoetst aan de Omgevingswet en aan eventuele andere relevante natuurwetgeving. In Bijlage 1 zijn de bevindingen opgenomen. Voor alle locaties wordt geconcludeerd dat het realiseren van de groen- en watervoorzieningen niet leidt tot overtreding van de Omgevingswet. De plannen hebben juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg.
8.3
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
35
Hoofdstuk 9 9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. In het plangebied gelden meerdere dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie laag', 'Waarde Archeologie hoog', 'Waarde - Archeologie middelmatig' en 'Waarde - Archeologie waardevol'. In voorliggend plan zijn de geldende archeologische bestemmingen overgenomen.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Er zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in of nabij het plangebied. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden kent.
9.4
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, indien vervolgonderzoek uitgevoerd is en hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
36
Hoofdstuk 10 10.1
M.e.r.-beoordeling
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
10.2
Situatie plangebied
Voorliggende wijziging op het omgevingsplan voorziet in de aanleg van groen- en watervoorzieningen. Deze landschapsversterkende maatregelen dragen bij aan de landschappelijke kwaliteit van de gemeente Brummen. In Bijlage 2 is hiervoor een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Er wordt geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van vaststelling van voorliggende wijziging op het omgevingsplan.
10.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
37
Hoofdstuk 11 11.1
Economische uitvoerbaarheid
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
11.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
11.3
Situatie plangebied
In voorliggend geval is er geen sprake van te verhalen kosten omdat er sprake is van een gemeentelijk plan.
38
Hoofdstuk 12 12.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De inrichtingsplannen zijn in overleg met de perceeleigenaren opgesteld en ter goedkeuring ondertekend.
12.2
Vooroverleg instanties
De wijziging van het omgevingsplan is met de betrokken instanties afgestemd.
12.3
Zienswijzen
De wijziging van het omgevingsplan heeft vanaf 20 december 2025 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend. De zienswijze wordt behandeld in de 'Nota beantwoording zienswijze' in Bijlage 3.
39
Hoofdstuk 13 13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrecht en slotbepalingen. 13.2.2 Preambule voor hoofdstukken artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit TAM-omgevingsplan beoogt de planologisch-juridische borging van het omzetten van een agrarische functie naar een natuurfunctie.
Het plan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22t) van het
40
omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22t van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22t' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22t’ gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 13.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen.
Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt: Artikel 1 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Groene opgave 2025, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0213.TAMBG7012-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/zoeken/locatie. 13.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied.
Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 13: Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen; Artikel 14:Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten; Artikel 15: In dit artikel worden de specifieke gebruiksverboden behandeld die gelden voor het gehele plangebied; Artikel 16: Wanneer het aanvragen van een omgevingsvergunning nodig is, op basis van de regels uit hoofdstuk 2, zijn de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Brummen van toepassing. 13.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
41
13.3
Verantwoording van de regels
Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” en de overige gebiedsaanwijzingen uit het plaatselijk planologisch regime. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen. De functie Natuur is opgenomen voor de gronden waar landschapsversterkende maatregelen worden genomen. De begrenzing van deze functie is overeenkomstig zoals ingetekend in de landschapsplannen. Deze functie is bedoeld voor de bescherming, behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De regels sluiten aan bij de bestemming 'Natuur' uit het huidig planologisch regime in het buitengebied van de gemeente Brummen. Voor de overige artikelen zijn de regels uit het geldende planologisch regime overgenomen.
42