(082) Planmotivering
Tekst van het document
28
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Op basis van het bestemmingsplan 'Beschermingszone bestrijdingsmiddelen' (vastgesteld door de raad op 25 oktober 2012) is het gebruik van gronden voor fruit-. druiven-, bollenteelt en/of boomteelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet in een zone van 50 meter rondom de kernen en woningen niet toegestaan. Het is derhalve niet redelijk om rekening te houden met een omschakeling naar een andere teelt dan bouw- of grasland op genoemd perceel. Het gebruik als bouwland en grasland kan derhalve worden gezien als een representatieve invulling van het agrarische gebruik. 6.7.3 Conclusie Op grond van voorgaande overwegingen wordt geconcludeerd dat ten aanzien van spuitzonering sprake is van voldoende afstand voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook ten aanzien van de aspecten geluid, geur, bodem, luchtkwaliteit en trillingen is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.8
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
6.8.1 Algemeen Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. 6.8.2 Situatie plangebied Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Vervolgens is beschreven hoe in onderhavige ontwikkeling rekening is gehouden met duurzaamheid en klimaatverandering.
Wateroverlast Uit kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er langs de Weijenbergweg plasvorming kan ontstaan na een korte of lange extreme bui. De kampeergronden ondervinden daar weinig hinder van. De gronden blijven onverhard, waardoor het water kan infiltreren in de bodem. Op het erf is er geen sprake van plasvorming.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
29
Kaart uit de klimaateffectatlas
Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat er in ons land meer tropische dagen en langere hitte verwacht kunnen worden. Met de verbouw van de voormalige boerderij zal het pand goed worden geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoet de woning aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. De ligging in het buitengebied en het aanwezige groen maakt dat hittestress minder snel voorkomt. Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte neemt toe op de Veluwe, ter hoogte van het plangebied is dat een middelhoge kans. De kans op een natuurbranden is bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie. Overstroming Op de Veluwe is er geen kans op overstromingen. 6.8.3 Conclusie In het plangebied zijn er voldoende mogelijkheden om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Hoofdstuk 7 7.1
Bescherming van de natuur
Algemeen
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
31
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
7.2
Situatie plangebied
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen' ligt op ca. 800 meter. Gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling kunnen externe effecten als gevolg van bijvoorbeeld trillingen, geluid of optische verstoring op voorhand worden uitgesloten. Het toevoegen van een woning en de uitbreiding met vijf kampeerplaatsen leidt tot een beperkte toename van het aantal verkeerbewegingen. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Daarom is een Voortoets stikstofdepositie uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie is dat als gevolg van voorliggend plan er zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet nodig. Soortenbescherming Voorliggend plan betreft de splitsing van de voormalige bedrijfswoning in twee wooneenheden en de uitbreiding van de camping met 5 tentplekken. Er is een Quickscan Natuur uitgevoerd, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 4.
Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn landschapselementen en structuren aanwezig die in potentie geschikt leefgebied vormen voor kleine marterachtigen. Bij de locatie van de vijf nieuwe kampeerplaatsen zijn enkele takkenhopen aanwezig die mogelijk kunnen functioneren als verblijfplaats. Dit geldt ook voor de aanwezige houtwal. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of verblijfplaatsen aangetroffen. De takkenhopen en houtwal worden niet verwijderd of aangetast door de voorgenomen ingreep. Aanvullend onderzoek en/of een vergunningsaanvraag voor het wegnemen van een verblijfplaats is niet nodig. De kwaliteit en kwantiteit van het leefgebied voor kleine marterachtigen op de planlocatie blijft behouden door het realiseren van extra groen (dat wordt aangeplant in het kader van landschappelijke inpassing, zie paragraaf 2.2.2) en marterhopen/takkenrillen. Binnen de planlocatie is bekend dat er een nestkast aanwezig is in de schuur die wordt bewoond door een steenuil. Hier vindt echter geen verandering van activiteit plaats en de steenuilen zijn hier gewend aan enige mate van verstoring doordat de camping reeds aanwezig is. Bij uitbreiding van het aantal kampeerplekken kan een beperkt deel van het foerageergebied van de steenuil worden aangetast. Dit deel is echter zeer klein ten opzichte van het ruim aanwezige foerageergebied binnen het territorium.
Omdat er bij de ontwikkeling aanvullend groen wordt aangeplant, kunnen negatieve effecten op het foerageergebied van de steenuil worden uitgesloten. Bij de te verbouwen woonboerderij is geconcludeerd dat deze niet geschikt is als verblijf- of nestplaats voor beschermde soorten. Houtopstanden Er worden geen beplantingen verwijderd of bomen gekapt.
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
7.3
Conclusie
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden, mits enkele maatregelen worden getroffen waardoor de kwantiteit en kwaliteit van het leefgebied voor kleine marterachtigen en steenuil niet achteruit gaat. Dit gebeurt door het realiseren van groen en extra marterhopen/takkenrillen. Tijdens de uitvoering van werkzaamheden dient daarnaast rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen tevens maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen (algemene en specifieke zorgplicht). Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
33
Hoofdstuk 8 8.1
Archeologie en cultuurhistorie
Algemeen
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie is opgenomen in de 'Beleidsnota archeologie gemeente Brummen'. Deze archeologische waarden en verwachtingen zijn vertaald in een archeologische dubbelbestemmingen in het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie'.
8.2
Situatie plangebied
8.2.1 Archeologie Volgens het Paraplubestemmingsplan Archeologie komen binnen het plangebied zowel de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie hoog', 'Waarde - Archeologie middelmatig' en 'Waarde Archeologie laag' voor. Elke dubbelbestemming heeft een eigen beschermingsniveau. Met voorliggend plan vinden geen ruimtelijke ingrepen of bodemingrepen plaats die zouden kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden. Het Paraplubestemmingsplan Archeologie blijft onverkort van toepassing op het gebied. 8.2.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen objecten aanwezig die aangewezen zijn als (rijks)monument of als cultuurhistorisch waardevol. De aanwezige boerderij is wel karakteristiek, met de voorgenomen woningsplitsing krijgt het pand een passende en duurzame invulling.
8.3
Conclusie
Vanuit archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het plan. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 10.
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Hoofdstuk 9 9.1
M.e.r.-beoordeling
Algemeen
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'. b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.
9.2
Situatie plangebied
Het onderhavige initiatief betreft de wijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonfunctie met behoud van de bestaande B&B, in combinatie met een woningsplitsing. Daarnaast wordt de bestaande minicamping uitgebreid van 19 naar 24 standplaatsen. De ontwikkeling is kleinschalig en valt niet onder een van de projecten die genoemd staan in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is niet nodig.
9.3
Conclusie
Als gevolg van het plan zijn geen belangrijke negatieve milieueffecten te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is niet nodig.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
35
Hoofdstuk 10
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” In een omgevingsplan moet worden aangetoond dat er met het plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Er worden geen normen overschreden of bijna overschreden.
Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Ook uit oogpunt van aspecten als water, verkeer, cultuurhistorie en archeologie kan worden gesteld dat er met dit plan sprake is van een goede omgevingskwaliteit. De aanplant van extra groenstructuren draagt er aan bij dat de kwaliteit en kwantiteit van het leefgebied voor marterachtigen en steenuil niet achteruit gaat. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Hoofdstuk 11 11.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit: Voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen en exploitatieplannen; Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; Bruidsschat; Bijzondere ruimtelijke besluiten (zie artikel 4.6 Invoeringswet) Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De voorgenomen ontwikkeling op de locatie Weg over 't Hontsveld 21 in Empe is in strijd met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan (i.c. het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008'). Het omgevingsplan moet daarom gewijzigd worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan.
Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22n van het omgevingsplan. Regels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Weg over 't Hontsveld 21 in Empe (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2: Functies en gebiedsaanwijzingen Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Voor het TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten (voorheen de bestemmingen) uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan ('Buitengebied 2008').
Ook de gebiedsaanwijzingen (voorheen gebiedsaanduidingen) zijn in dit hoofdstuk opgenomen. De bestemmingsregels zijn wel zodanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Hoofdstuk 3: Algemene regels voor activiteiten In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld de aanwijzing voor verboden gebruik en de aanvraagvereisten.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
37
Hoofdstuk 4: Overgangsregels De overgangsbepalingen voorzien er in dat de bestaande situatie mag blijven bestaan zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop functies, gebiedsaanwijzingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
11.2
Wijze van regelen
Met voorliggend TAM-omgevingsplan is aangesloten bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2008', maar wel geformuleerd in de terminologie van de Omgevingswet. Wat voorheen 'bestemmingen' waren zijn nu 'functies'. Voorliggend plan bevat de volgende functies: Wonen: deze functie omvat de woningen, erf en tuin. Ook de B&B ligt binnen de functie Wonen, aangezien een B&B een activiteit is die bij een woning hoort. Op de verbeelding is aangegeven dat er binnen het bouwvlak 2 wooneenheden zijn toegestaan. Recreatie: dit omvat het kampeerterrein. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de twee bestaande gebouwen liggen. Deze staan ten dienste van de camping. Met een maatvoeringssymbool zijn de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte en het maximaal bebouwd oppervlak aangegeven. In de regels is opgenomen dat de camping maximaal 24 standplaatsen mag hebben. Middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat de aanleg van vijf nieuwe kampeerplekken alleen is toegestaan als daartoe ook de landschappelijke inpassingsmaatregelen worden getroffen zoals deze in Bijlage 1 bij de regels zijn opgenomen. Agrarisch: deze functie ligt op het oostelijk deel van het plangebied. Voor een deel betreft dit gronden die in het vorige bestemmingsplan binnen het agrarisch bouwvlak lagen en om die reden in dit plan zijn meegenomen (bouwvlak vervalt).
Voor de overzichtelijkheid is in dit plangebied het gehele agrarische perceel opgenomen. Binnen de functie Agrarisch is een aanduiding voor het parkeerterrein opgenomen, met een relatieteken is aangegeven dat deze ten dienste staat van de camping. De toegestane aanlegactiviteiten zijn gebaseerd op de landschappelijke elementen die binnen het 'ontginningengebied' mogelijk zijn (conform het 'Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied'.
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Hoofdstuk 12
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
12.1
Participatie
De iniitatiefnemers (de vier toekomstige bewoners) hebben zich in september 2025 in een brief voorgesteld aan de omwonenden in de buurt en hun plan toegelicht om de woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden en de camping voort te zetten, met de uitbreiding van enkele kampeerplekken. Deze brief is met de erfinrichtingstekening verspreid bij 8 naaste buren aan de Weg over 't Hontsveld en de Hommelstraat. Naar aanleiding van de brief is met een aantal omwonenden gesproken. Een omwonende was bezorgd over het zicht op de nieuwe tentplekken en het mogelijke tekort aan parkeerplekken dat met de uitbreiding zou kunnen ontstaan. Initiatiefnemers hebben deze zorg kunnen wegnemen door de uitleg dat er ook beplanting wordt aangelegd en dat er voldoende parkeerruimte aanwezig is. Van overige buren is geen reactie ontvangen dan wel hebben zij aangegeven geen problemen met het plan te hebben.
12.2
Inzage ontwerp
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 16 december 2025 tot en met 26 januari 2026 voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is geen enkele zienswijze op het ontwerp TAM-omgevingsplan ontvangen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen bedenkingen zijn tegen het plan.
12.3
Kostenverhaal
Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Daarnaast wordt er in een overeenkomst nadeelcompensatie vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de eventuele nadeelcompensatie. Voor voorliggend plan geldt dat de gemeente geen investeringen hoeft te doen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
39
Bijlagen bij de motivering
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Bijlage 1
Digitaal wateradvies
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
41
Bijlage 2
42
Bodemonderzoek
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
Bijlage 3
Voortoets stikstofdepositie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe
43
Bijlage 4
44
Quickscan Natuur
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weg over 't Hontsveld 21 Empe