075 - Toelichting ontwerp BP W Giermanstraat
Tekst van het document
d351169
Bestemmingsplan | Toelichting
Wethouder Giermanstraat
Gemeente Brummen
Datum: 24 juli 2020 Projectnummer: 190323 ID: NL.IMRO.0213.BPBRKOM100017-on01
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 5
2
Het plan
6
2.1 2.2 2.3
Historie Huidige situatie Toekomstige situatie
6 6 7
3
Beleid
9
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
9 10 11 13
4
Milieu- en omgevingsaspecten
15
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Milieueffectrapportage Bodem Conventionele explosieven Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Kabels en leidingen
15 15 16 16 17 18 20 24 28 30 31 31 32
5
Wijze van bestemmen
33
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
33 34
6
Uitvoerbaarheid
37
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
37 37
Bijlagen Bijlage 1: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 2: Explosievenonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek verkeerslawaai Bijlage 4: Digitale watertoets Bijlage 5: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 6: Ontheffing Wet natuurbescherming Bijlage 7: Archeologisch onderzoek
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op de adressen Wethouder Giermanstraat 9 tot en met 57 bevinden zich 25 sociale huurwoningen. Het voornemen bestaat om de woningen te slopen en om hier in 25 nieuwe sociale huurwoningen te voorzien, aangezien de huidige bebouwing niet meer voldoet aan huidige kwaliteitseisen. In de beoogde situatie worden de woningen echter niet op exact dezelfde locatie teruggebouwd en is sprake van een nieuwe inrichting (parkeerkoffers). Dit betekent dat de woningen dan ook niet binnen de ter plaatse aangewezen bouwvlakken worden gebouwd, waarmee het plan niet binnen de bouwregels van het geldende bestemmingplan past. Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in het gewenste juridisch-planologische kader voor de ontwikkeling.
1.2
Ligging plangebied Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Brummen, in de gemeente Brummen, in de provincie Gelderland. Het plangebied ligt in het oosten van de kern. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Baron van Sytzamastraat, waarachter de provinciale N348 het begin van het buitengebied markeert. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Wethouder Giermanstraat en aan de westzijde aan het adres Wethouder Giermanstraat 7. Ten noorden van het plangebied zijn woningen aanwezig met adressering aan de Gasfabriekstraat. Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging in Brummen en de globale begrenzing van het plangebied. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Globale ligging plangebied (rode cirkel) bron: pdokviewer.pdok.nl
3
Globale begrenzing plangebied (rood kader) bron: pdokviewer.pdok.nl
1.3
Vigerend bestemmingsplan Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Kom Brummen’, dat is vastgesteld op 26 november 2009. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Ter plaatse van de bestemming ‘Tuin’ zijn tuinen toegestaan, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, met daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waterlopen en waterpartijen. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep. Er geldt een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. Verder gelden de paraplubestemmingsplannen ‘Archeologie’, ‘Parkeren’ en ‘Mantelzorgwoning’. Op basis van het paraplubestemmingsplan Archeologie (ontwerpstatus) gelden voor het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie laag’, ‘Waarde - Archeologie middelmatig’ en ‘Waarde - Archeologie hoog’. Op basis van het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ geldt de gebiedsaanduiding ‘overige zone - parkeernormen rest bebouwde kom’. Deze aanduiding geldt als norm bij het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de ontwikkeling. Op basis van het bestemmingsplan ‘Mantelzorgwoning’ is het gebruik van woningen voor inwoning ten behoeve van mantelzorg toegestaan overeenkomstig de inwoonregeling gemeente Brummen (2014).
Navolgend is een uitsnede van het geldend bestemmingsplan weergegeven, met daarop een globale aanduiding van het plangebied.
Uitsnede 'Kom Brummen' met globale aanduiding plangebied (rood kader) bron: ruimtelijkeplannen.nl
4
1.4
Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk 6 gaat in op de en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5
2
Het plan
2.1
Historie Brummen is ontstaan op één van de oeverwallen langs de IJssel naar het dekzandgebied ten oosten van de Veluwe. Het is een esdorp, gevormd door boerderijen rondom gemeenschappelijk bouwland, de es. De historische dorpskern bestaat uit een gebogen wegenpatroon, met het Marktplein als centrum en gevarieerde dorpse bebouwing van grote en kleine woningen, boerderijtjes, horecagelegenheden, winkels en andere voorzieningen. Brummen is één van de dorpen langs de oostelijke Veluwezoom die in het verleden in trek waren als woonplaats en vakantieoord van welgestelden. Bij de historische toegangswegen getuigen imposante laanbomen en markante landhuizen van deze tijd. Na de tijd van individueel en kleinschalig bouwen, is het nodig meer woningen in één keer te bouwen en begint de periode van projectmatig opgezette woonwijken. In eerste instantie op kleine schaal, later in de naoorlogse periode op grotere schaal. Rijtjeswoningen, blokken van vier, maar ook hele straten van dezelfde twee-onder-eenkap woningen behoren tot de projectmatige bouw.
2.2
Huidige situatie Omgeving Het plangebied maakt deel uit van een naoorlogse projectmatig opgezette woonbuurt. De woonbuurt wordt gekenmerkt door een eenvoudig patroon van rechte straten met een symmetrisch straatprofiel en het straatgericht wonen. De woningen kenmerken zich veelal uit twee bouwlagen, afgedekt door een zadeldak. De aaneengesloten woningen zijn voorzien van regelmatigheden als schoorstenen, deurluifels en hebben een doorlopende gootlijn. De gevelindeling is duidelijk horizontaal, met grote ramen. Van oorsprong hebben de straten een open straathoek. Hierbij is er een duidelijk onderscheid tussen voor- en zijgevel. Huurwoningen hebben vaak een uniform kleurgebruik. Dit is goed zichtbaar in de omgeving van het plangebied. Plangebied In het plangebied zelf staan momenteel 25 sociale grondgebonden huurwoningen, verdeeld in blokken van 3, 4 en 6, welke zijn opgericht in 1946. De woningen hebben 1,5 laag met kap en zijn daarmee lager dan de meeste woningbouw in de omgeving. De woningen zijn geaccentueerd met kaders rond de deuren en ramen, uitgemetselde gootklossen en dakkapellen, waarmee de woningen het best gekarakteriseerd kunnen worden als arbeiderswoningen. Tot slot hebben de woningen elk een voortuin, resulterend in een kleinschalige dorpse woonomgeving. In de huidige situatie is er niet voorzien in parkeergelegenheid binnen het plangebied.
Parkeren gebeurt op straat. Navolgend is een impressie weergegeven van het huidige bebouwings- en straatbeeld ter plaatse van het plangebied.
6
Impressie huidige situatie plangebied gezien vanaf de oostelijke entree van het plangebied (bron: Google Maps)
2.3
Toekomstige situatie Alle 25 sociale huurwoningen zullen worden gesloopt, waarvoor vervangende nieuwbouw zal plaatsvinden. Het gaat om de nieuwbouw van 12 woningen voor 1-2 persoonshuishoudens en 13 eengezinswoningen. De nieuwbouwwoningen zijn eveneens beoogd in de vorm van rijwoningen in 4 bouwblokken. De nieuwbouw is iets verder naar achteren beoogd ten opzichte van de bestaande voorgevels, zodat meer ruimte ontstaat aan de straatzijde c.q. het openbaar gebied. Er zijn 12 tussenwoningen met een beukmaat van 4,8 meter. De overige 13 tussenwoningen en hoekwoningen kennen een beukmaat van 5,4 meter. Er is aandacht voor de karakteristieken van de omgeving. Zo worden de woningen, net als in de huidige situatie, voorzien van uitgemetselde gootklossen, dakkapellen en kaders rond de voordeur. Tevens worden twee hoekwoningen voorzien van een berging als klompenhok en kent het grootste bouwblok (8 woningen) een onderdoorgang in de vorm van een poort. Zo blijft de opzet van het plan dorps en kleinschalig, net zoals in de huidige situatie. De herontwikkeling van de woningen zorgt voor een toename in toekomstbestendigheid van de in de omgeving overheersende functie wonen. De ontwikkeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls in het plangebied op bouw-, woon- en energietechnisch gebied.
Tevens wordt parkeren zoveel mogelijk geconcentreerd in een tweetal parkeerkoffers, waar ter plaatse ruimte is voor nieuwe groenelementen. De in de omgeving aanwezige bebouwingskenmerken, inclusief bestaande langzaamverkeersroute, blijven behouden. Dit maakt dat de voorgenomen ontwikkeling ruimtelijk en functioneel aansluit bij de omgeving van het plangebied, waarbij ter plaatse in een toekomstgerichte juridisch-planologische situatie wordt voorzien. Navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de beoogde inrichting van het perceel en een impressie van de beoogde woningen.
7
Impressie beoogde inrichting kavel (bron: Architektengroep Gelderland)
Impressie beoogde woningen met rechts weergave berging (bron: Architektengroep Gelderland)
Impressie beoogde woningen met weergave poort (bron: Architektengroep Gelderland)
8
3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans: NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Toetsing Voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
9
Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Voorliggend plan voorziet niet in de toevoeging van extra woningen ten opzichte van de huidige situatie. Ook de aard van de beoogde woningen (sociale huur) blijft gelijk. Daarmee wordt gesteld dat er voor dit plan geen toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen hoeft te worden. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw 10
beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen provinciale belangen raakt. De Omgevingsvisie en -verordening werpen geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Eens temeer aangezien met de beoogde woningbouw een bijdrage wordt geleverd aan de energietransitie; er is immers sprake van het vervangen van 25 woningen op het gas naar 25 gasloze woningen. Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het provinciaal beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030 – Visie op het niet-bundelingsgebied De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 is in november 2009 vastgesteld door de gemeenteraden van Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities voor de lange termijn tot 2030 voor het gebied buiten de grote stedelijke kernen Zutphen, Deventer en Apeldoorn en het landelijke gebied daartussen. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staan centraal. Om deze centrale doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd: duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; toevoegen van centrum-stedelijke en landelijke woonmilieus.
11
De visie zet in op de volgende zaken: het versterken van de groene kernkwaliteit: veerkrachtig watersysteem in een robuust landschap; het versterken van de rode kernkwaliteit: een netwerk van vitale kernen; het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (I): landbouw als core business; het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (II): toerisme en recreatie als troefkaart; het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (III): vitaliteit door variatie. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in de sloop en nieuwbouw van 25 sociale huurwoningen, passend bij de omgeving, waarbij een kwaliteitsimpuls wordt gegeven aan het plangebied. Met het plan wordt bijgedragen aan de vitaliteit en toekomstbestendigheid van het plangebied en de bijbehorende uitstraling richting de directe omgeving. Tevens wordt aangesloten bij het principe van herstructurering boven stadsuitbreiding. Dit tezamen maakt dat voorliggend plan aansluit bij de ambities uit de regionale structuurvisie. 3.3.2
Regionale woonagenda In de Gelderse Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening is voor het provinciale woonbeleid opgenomen dat de regiogemeenten in Gelderland als onderdeel van de regionale woonagenda komen tot afspraken over de kwantitatieve opgave voor woningbouwprogrammering. Hierbij hebben partijen gedeeld dat dit kader voor regiogemeenten zowel als basis dient voor programmatische afwegingen volgende de Rijksladder voor Duurzame verstedelijking als het adaptief programmeren. In de Regionale Woonagenda is de gezamenlijke algemene visie op het wonen in de Stedendriehoek vertaald en gefocust op vier agendapunten voor de komende jaren: 1 Definiëring en benutting van de woonkwaliteiten in de regio; 2 Komen tot een voorraadstrategie ten behoeve van regionale afstemming; 3 Gezamenlijk inzicht vergroten in de ontwikkelingen binnen de sociale sector; 4 Gezamenlijk inzicht vergroten in de effecten van het scheiden van wonen en zorg. Ten tijde van de opstelling van de regionale woonagenda ontbrak op dat moment een actueel regionaal overzicht in vraag en aanbod en een strategie hoe tot afstemming te komen. Om deze reden is in de Woonagenda opgenomen om te komen tot een regionale voorraadstrategie, vanuit inzichten in de totale woningmarkt van de bestaande woningvoorraad én nieuwbouwplanning.
De woonagenda levert de voorraadstrategie zelf niet, maar bepaalt de contouren en zet de lijnen uit om tot resultaat te komen. Toetsing In het plangebied zijn momenteel 25 sociale huurwoningen gevestigd. Met voorliggend plan worden deze woningen gesloopt en komen hier 25 nieuwbouwwoningen voor terug. Het aantal wooneenheden neemt daarmee niet toe binnen het plangebied. Wel wordt een bijdrage geleverd aan het vergroten van de woonkwaliteiten. Dit maakt dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de afspraken uit de regionale woonagenda.
12
Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het regionale beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Herijking woonvisie 2016-2025 De gemeenteraad heeft op 26 mei 2016 de Woonvisie 2016-2025 vastgesteld, welke in 2019 is herijkt. Hierin zijn de ambities voor het wonen in de gemeente tot en met 2025 beschreven. De woonvisie is tot stand gekomen in samenwerking met de woningcorporaties, inwoners en de gemeente Brummen. Bij de totstandkoming van deze woonvisie is een aantal ontwikkelingen van invloed geweest. Zo is er sinds 2015 een nieuwe Woningwet, die gevolgen heeft voor de werkverhouding tussen de gemeente en de woningcorporaties. Maar ook andere factoren spelen een rol zoals de ontwikkelingen in de zorg, waarbij ouderen die behoefte hebben aan (intensieve) verzorging of verpleging steeds vaker zelfstandig blijven wonen. Met de Woonvisie wordt beoogd een koers te bepalen die de houding en inzet van het gemeentebestuur in het kader van de gemeentelijke rol op de woningmarkt van Brummen weergeeft voor de langere termijn. Concrete acties op het gebied van wonen zijn verder uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. Daarnaast is er een afwegingskader woningbouw opgesteld waaraan nieuwe woningbouwinitiatieven getoetst worden. In de woonvisie zelf zijn een viertal pijlers genoemd die de komende jaren de speerpunten zijn op het gebied van wonen. Het gaat om de volgende: 1 Betaalbaarheid en beschikbaarheid. 2 Wonen, zorg en vergrijzing. 3 Duurzaamheid. 4 Leefbaarheid.
In de herijking van de woonvisie zijn diverse trends opgenomen Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ingezet op de pijlers duurzaamheid, leefbaarheid en betaalbaarheid. De duurzaamheidspijler heeft onder meer betrekking op de energetische kwaliteiten die worden vergroot met de voorgenomen ontwikkeling. Tevens zorgt de ontwikkeling voor een duurzame oplossing, aangezien de toekomstige woningen niet langer op het gas worden aangesloten. De woningen worden allelectric, voorzien van PV-panelen en kennen hogere kwaliteitsnormen wat betreft isolatie dan in het Bouwbesluit is opgenomen. Dit behoudt de leefbaarheid van de locatie en zorgt tevens voor een verbetering van de woonkwaliteit ter plaatse. Ten slotte voorziet de ontwikkeling in een kwaliteitsimpuls van de betaalbare huursector. Daarmee wordt er een toekomstgerichte, duurzame ontwikkeling gerealiseerd die inspeelt op de beschikbaarheid van betaalbare woningen in de gemeente Brummen.
13
3.4.2
Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ De gemeenteraad van de gemeente Brummen heeft op 28 september 2006 de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente Brummen er 25 jaar later uit zou moeten zien. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie omvat een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (periode 2005 tot 2015). Samen vormen ze de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'. In de strategische visie tot 2030 zet men in op synergie met de omliggende gemeenten. Dit kan volgens de gemeente het beste bereikt worden door aan te sluiten op de onderscheidende kwaliteiten. Dé identiteitsdrager van de gemeente Brummen is de groene kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook ingezet te worden op de versterking van de groene kwaliteiten. Toetsing Met voorliggend initiatief wordt voorzien in een kleinschalig en dorps karakter, zoals dat veelvuldig voorkomt in de omgeving van het plangebied. Er is daarbij aandacht voor bestaande groene kwaliteiten. Zo zal er in de beoogde situatie ruimte zijn voor groene voortuinzones. De ontwikkeling past hiermee binnen de doelstellingen van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie.
3.4.3
Nota Ruimtelijke Kwaliteit Brummen 2013 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit, voorheen de welstandsnota, bestaat uit beschrijvingen van welstandsgebieden en bijzondere thema’s met daaraan gekoppeld afzonderlijke toetsingscriteria. In totaal worden zes verschillende gebieden onderscheiden: Historische dorpsgebieden en linten; Woongebieden met samenhang; Woongebieden met diversiteit; Bedrijventerreinen; Landelijk gebied; Gebieden met een bijzondere functie. Toetsing Het plangebied ligt binnen het gebied ‘Woongebied met samenhang’. Voor deze gebieden streeft de gemeente naar behoud van de stedenbouwkundige opzet, een zorgvuldige omgang met de openbare ruimten en een bebouwingsbeeld met een grote gemene deler, zoals herhaling van bouwblokken en bouwstijlen. Voorliggend plan beantwoordt aan deze criteria door het behoud van de samenhang op bouwblokniveau en de afstemming op het gebied van bebouwingskarakteristieken, schaal en detaillering met de omgeving. Dit tezamen maakt dat het plan in overeenstemming is met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Brummen. Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.
14
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Of een m.e.r.(beoordelings)-plicht vereist is ligt er aan of de activiteit genoemd is in de bijlage van het besluit m.e.r. en of de genoemde drempelwaarden uit lijst C en D overschreden worden. Het plan voorziet in de vervangende nieuwbouw van 25 sociale huurwoningen. De woningen worden grotendeels gebouwd binnen de reeds bestaande bouwvlakken. De ontwikkeling in het plangebied kan zodoende niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft zodoende geen (vormvrije) m.e.r. beoordeling uitgevoerd te worden. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing 1 Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit te kunnen beoordelen. Uit het onderzoek volgt dat de bodem bestaat wisselend uit zand en klei. Er is geen duidelijke gelaagdheid aan te geven. Bij verschillende boringen is sprake van zand op klei, terwijl dat bij andere boringen andersom is. In de ondergrond worden veen- en leemlaagjes aangetroffen. Verder toont het onderzoek aan dat er alleen lichte verhogingen in de bovengrond zijn. In de ondergrond zijn geen verhogingen aangetoond. In de geroerde bovengrond met bijmenging en de onderliggende zandlaag zijn PFAS aangetoond in een gehalte tussen 0,1 μg/kg.ds. en 3,0 μg/kg.ds. In de puinhoudende bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. De aangetoonde lichte verhogingen vormen geen aanleiding tot het uitvoeren 1
Grondslag (2019). Verkennend bodem- en asbestonderzoek Wethouder Giermanstraat 9-57 te Brummen. Project: 31364. 2 december 2019. 15
van een nader bodemonderzoek. Er worden geen belemmeringen gezien voor de voorgenomen werkzaamheden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.3
Conventionele explosieven Algemeen In de Tweede Wereldoorlog hebben in Nederland oorlogshandelingen plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat er in en/of om het plangebied nog niet gesprongen explosieven (NGE) in de bodem aanwezig zijn. Toetsing Om de risico’s op het aantreffen van explosieven binnen het plangebied in kaart te 2 brengen is een vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat op basis van literatuur- en archiefonderzoek en luchtfoto-interpretatie geen indicaties te achterhalen zijn voor de aanwezigheid van conventionele explosieven. Op basis hiervan wordt het plangebied als onverdacht gezien op het aantreffen van conventionele explosieven. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect conventionele explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.4
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing 3 Door Adviesburo Van der Boom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd vanwege de nabije ligging van de N348. Op basis van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
2
Explosive Clearance Group (2019). Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied Wethouder Giermanstraat te Brummen. Documentcode: 300-019-VO-01. 21 november 2019.
3
Adviesburo Van der Boom (2019). Geluidbelasting wegverkeer woningen Weth. Giermanstraat te Brummen. Opdrachtnummer: 19-152. 3 oktober 2019. 16
De geluidbelasting door de N348 ligt in negen rekenpunten boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee op vier woningen overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer bedraagt ten hoogste 53 dB na aftrek op de hoogst geluidbelaste gevels; Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiële of stedenbouwkundige aard. Een hogere grenswaarde dient te worden aangevraagd van 53 dB als gevolg van de N348 voor de vier woningen; Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voldaan wordt aan de eisen voor het verlenen van een hogere waarde en als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit; De geluidbelasting van 53 dB zonder aftrek wordt overschreden op de oost- en noordgevel van de meest oostelijk gelegen woning. Deze gevel is ter plaatse van de verblijfruimten uitgevoerd als blinde gevel. Er bevinden zich geen verblijfsruimten aan de zuidgevel op de 2de verdieping. Er bevinden zich daarmee geen lichte gevelelementen in de geluidbelaste gevels van verblijfsruimten. Er zijn daarom geen voorzieningen nodig die de standaardvoorzieningen te boven gaan. Op basis van de Wgh zal de gemeente Brummen daarom hogere waarden verlenen voor de geluidsbelasting als gevolg van de N348.
De verlening van de hogere waarde vindt plaats na een hogere waarde-procedure, die parallel loopt aan de bestemmingsplanprocedure. Conclusie Met inachtneming van het verlenen van een besluit hogere waarden vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.5
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in beteke-
17
nende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de vervangende nieuwbouw van 25 sociale huurwoningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaardeoverschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.6
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikke-
18
lingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen; onder andere rustige woonwijk/rustig buitengebied', 'gemengd gebied' en ‘functiemening. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen naast woonfuncties vrijwel geen of slechts weinig belastende andere functies voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Er is sprake van een gebied met functiemenging wanneer men te maken heeft met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd of waar men een grote levendigheid tot stand wil brengen. Hiervoor geldt een andere systematiek dan de hiervoor beschreven systematiek met richtafstanden.
Toetsing Rondom het plangebied zijn weinig bedrijfsfuncties aanwezig. Daarom is de omgeving van het plangebied te typeren als een ‘rustige woonwijk’. Aangezien voorliggend plan voorziet in de vervangende nieuwbouw van 25 sociale huurwoningen betreft het plan de realisatie van milieugevoelige functies. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstand. Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Huisartsenpraktijk
Zegerijstraat 10
Kerk
Kerkstraat 17
Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven Kerkgebouwen e.d.
Grootste richtafstand (m) 10 (geluid)
Gemeten afstand (m) 100
30 (geluid)
185
Zoals getoond in bovenstaande tabel wordt voldaan aan de grootste richtafstanden voor de functies. Daarmee wordt de omliggende bedrijvigheid niet onevenredig geschaad in de ontwikkelingsmogelijkheden en is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
19
4.7
Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPGtankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastge-6 legd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De orientatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
20
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie gemeente Brummen Met deze Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Brummen. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Brummen aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Het toetsingskader voorkomt afwegingen en besluiten op ad hoc basis en brengt consistentie door heldere uitgangspunten en reële ambities.
De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het in dit document weergegeven externe veiligheidsbeleid in acht. De uitgangspunten uit deze visie worden verder toegepast bij alle gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbinnen externe veiligheid een rol speelt (o.a. vergunningverlening en handhaving, routering gevaarlijke stoffen, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding en risicocommunicatie). Toetsing Raadpleging van de digitale risicokaart wijst uit dat in een straal van één kilometer rondom het plangebied verschillende risicobronnen aanwezig zijn. Navolgende afbeelding geeft de omliggende functies globaal weer.
Uitsnede digitale risicokaart inclusief weergave plangebied (paars kader) en omliggende risicobronnen (bron: risicokaart.nl)
21
Stationaire bronnen Binnen een straal van één kilometer bevinden zich drie stationaire risicobronnen. Het betreft, van west naar oost, Palletcentrum Eerbeek, aan de Rhienderstein 3 (op circa 1 kilometer), LPG-tankstation TinQ aan de Zuthpensestraat 144 (op circa 950 meter) en een gasdrukregel- en meetstation aan de Meengatstraat 37 (op circa 950 meter). Enkel het tankstation betreft een Bevi-inrichting. Voor de andere twee risicobronnen geldt dat de eventuele veiligheidsrisico’s worden opgelost binnen het eigen terrein. Deze risicobronnen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderha-6 vig plan. Het tankstation kent een maximum plaatsgebonden risicocontour (PR 10 ) van 25 meter. Gezien de grote afstand tussen deze risicobron en het plangebied (circa 950 meter) is een nadere beschouwing niet noodzakelijk. Buisleidingen Het plangebied ligt op circa 900 meter van de aardgasbuisleiding. Vanwege de grote afstand is de aardgasbuisleiding niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Transport over spoor Er loopt één spoorlijn binnen een straal van vier kilometer van het plangebied. Het betreft de spoorlijn Dieren - Zutphen (op circa 900 meter). Het plangebied ligt in het invloedsgebied van deze spoorlijn op basis van de stofcategorieën B2 en D4.
Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone) ligt, hoeft het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook de Veiligheidsregio moet in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit brengen. Transport over weg Het plangebied ligt op circa 66 meter van de provinciale weg N348 (IJsselgouw). Wethouder Giermanstraat 57 is ongeveer 50 meter gelegen van de N348. Conform de beleidsvisie van gemeente Brummen is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N348 beperkt tot de bevoorrading van enkele LPG-tankstations en propaantanks bij agrarische bedrijven. De vervoersintensiteiten van gevaarlijke stoffen over de N348 liggen ruim onder de drempelwaarden, zoals weergegeven in paragraaf 1.2.3 van de bijlage van de “Handleiding Risicoanalyse Transport” (HART). In deze paragraaf zijn vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld die een indicatie geven wanneer een risicoberekening zinvol is. Het transport van gevaarlijke stoffen -6 over de N348 zal niet leiden tot een PR 10 contour. Transport over water Er loopt één vaartransportroute binnen een straal van één kilometer van het plangebied.
Het betreft de binnenvaartroute Corridor Rijn - Oost-Nederland (op circa 800 meter). Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van deze risicobron. Een nadere beschouwing van deze risicobron is daarmee niet noodzakelijk. Uit het voorgaande blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Dieren – Zutphen ligt. Het plangebied bevindt zicht buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes betekent dit dat het groepsrisico voor de risicobronnen beperkt dient te worden verantwoord. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid
22
en zelfredzaamheid. Ook is de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om een advies hierover uit te brengen. Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Scenario’s Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. 1 Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk.
Dit kan door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier een bestaande spoorweg betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is, tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie en de specifieke risicolocatie cruciaal. De brandweer kan snel via de Oude Eerbeekseweg, de Tuinstraat, de Ambachtstraat, het Marktplein en de Zegerijstraat de ontwikkellocatie bereiken in geval van een calamiteit. De inschatting is dat de brandweer binnen circa 10 minuten aanwezig kan zijn. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Bij de Veiligheidsregio is advies ingewonnen of de bereikbaarheid en daarmee de opkomsttijden voldoende zijn gewaarborgd.
De veiligheidsregio stelt in hun advies dat de openbare weg tijdens en na de herbouw dient te voldoen aan het Bouwbesluit 2012, waarbij rekening gehouden moet worden met de breedte en vrijgehouden hoogte van de weg. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair
23
(geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit van één van de twee scenario's. Op dit punt is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Zij stellen dat op basis van de bij hun beschikbare gegevens voldoende bluswater voorhanden is. 2 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen de ontwikkellocatie moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op het spoor en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen. Primair gaat NLAlert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen.
Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor de ontwikkellocatie geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig moeten zijn om in geval van calamiteit te kunnen vluchten. Conclusie Het plan is besproken en akkoord bevonden met de Veiligheidsregio Noord- en OostGelderland. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.8
Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. Nederlanders leven waterbewust.
24
Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.
Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.
Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacua-
25
tie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe – Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het “hoe” volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken “beschermen tegen overstroming”, “schoon en voldoende oppervlaktewater” en “zuiveren van afvalwater” blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn: We beschermen ons gebied tegen overstromingen. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water. We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners. Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden.
Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen. Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit. Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Dit is het waterplein. Gemeente Brummen - Gemeentelijk Waterplan 2008 De gemeente Brummen heeft in samenwerking met het voormalige Waterschap Veluwe in 2008 een waterplan opgesteld. Met dit waterplan wordt invulling gegeven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het waterplan is afgebakend tot de deelsystemen oppervlaktewater (waterkwantiteit en kwaliteit), stedelijk grondwater, regenwater, drinkwater en afvalwater en heeft betrekking op het grondgebied van de gemeente Brummen. Vanuit de stroomgebiedsbenadering en watersysteemgedachte kan het noodzakelijk zijn voor bovengemeentelijke waterthema's over de gemeentegrenzen heen te kijken.
De onderwerpen betreffen zowel stedelijke als landelijke waterthema's, die zijn toegespitst op de situatie in Brummen(maatwerk). Het waterplan is thematisch opgezet aan de hand van onderstaande ambities: geen wateroverlast door grond-, oppervlakte- en hemelwater;
26
geen verdroging; verbeteren grond- en oppervlaktewaterwaterkwaliteit (zowel fysisch-chemisch als ecologisch); duurzaamheidprincipes toepassen voor de afvalwaterketen; meer zichtbaar maken van water voor de burgers; goede productieomstandigheden; efficiënt beheer en onderhoud; realisatie tegen de laagst maatschappelijke kosten; water een prominentere rol geven in de ruimtelijke ordening. Gemeente Brummen - Verbrede gemeentelijke rioleringsplan 2016-2020 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) beschrijft op hoofdlijnen hoe richting wordt gegeven aan de rioleringszorg, het betreft een visie en strategie voor de lange termijn. Ook wordt in het plan vastgelegd welke personele en financiële middelen er nodig zijn om de strategie te kunnen realiseren. Hiermee wordt de continuïteit van de rioleringszorg gewaarborgd, in lijn met de eisen uit de wetgeving. Op basis van de toetsing in hoeverre de huidige situatie van de rioleringszorg in de gemeente Brummen afwijkt van de gewenste situatie en het gestelde ambitieniveau zijn speerpunten opgesteld voor de komende planperiode. Door zich te richten op deze speerpunten kan de gemeente de gestelde doelen die voor de planperiode 2016 2020 zijn gesteld behalen.