074 - Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Natuurontwikkeling Cortenoever
Tekst van het document
210.916; 457.802
Oppervlakte plangebied
Circa 26 ha.
Oppervlakte archeologische begeleiding: Insteek voormalige gracht schans Maaiveldverlaging rivierkundige compensatie Maaiveldverlaging De Batterij
800 m2 3,9 ha 12,4 ha
Onderzoeksmelding Archis3 van bureauonderzoek
4701072100
Uitvoerder
Arcadis Nederland BV
Contactpersoon
Floris van Oosterhout Arcadis Nederland B.V. Floris.vanoosterhout@arcadis.com
Opdrachtgever
Provincie Gelderland
Bevoegd Gezag
Gemeente Brummen
Inleiding In de periode mei – juni 2019 is door Arcadis een bureauonderzoek Landschap, Archeologie en Cultuurhistorie (LACH) uitgevoerd voor het project Cortenoever. In de uiterwaard Cortenoever realiseren de Provincie Gelderland en Rijkswaterstaat (opdrachtgevers) natuurdoelen vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW), Natura2000 en het
Arcadis Nederland B.V., Beaulieustraat 22, 6814 DV Arnhem
T +31 (0)88 4261 261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504
www.arcadis.com
Gelders Natuurnetwerk (GNN) via een integrale gebiedsaanpak. Binnen de uiterwaard van 250 ha is een plangebied, waar grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Concreet vinden de volgende werkzaamheden plaats, waarbij de bodem in verschillende mate wordt verstoord: • Potentieel glanshaverhooiland en potentieel stroomdalgrasland • Aanplant bosplantsoen • Aanleg struinroute door middel van paaltjes; aanplant haag • Insteek kronkelwaardgeulen uitgraven al dan niet met handhaven van sliblaag • Maaiveldverlaging in drie gebieden: • Maaiveldverlaging Reuversweerd. • Maaiveldverlaging rivierkundige compensatie. • Maaiveldverlaging De Batterij. Voor bovenstaande werkzaamheden is in het bureauonderzoek een advies opgesteld met betrekking tot een goede omgang met archeologische waarden. Voor een deel van de werkzaamheden is geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Voor drie andere delen is planaanpassing geadviseerd en indien dit niet mogelijk was, een archeologische begeleiding. Het betreft de volgende gebieden: • Insteek kronkelwaardgeulen ter plaatse van de voormalige gracht van schans Cortenoever. • Maaiveldverlaging rivierkundige compensatie. • Maaiveldverlaging De Batterij. De provincie Gelderland heeft dit advies meegenomen in de optimalisaties die hebben geleid tot het Definitief Ontwerp.
In dit Plan van Aanpak is gekeken in hoeverre de maaiveldverlaging zich boven de 30 cm houdt, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden beschermd blijven en geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. In een aantal zones is de ingreep inderdaad beperkt tot de bovenste 30 cm, maar in grote delen gaat deze ook dieper. In deze zones is een archeologische begeleiding van toepassing (Figuur 3).
Plan van Aanpak Archeologie De drie zones van het plangebied waar de archeologische begeleiding wordt uitgevoerd, liggen in verschillende verwachtingszones. Daartoe is een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld in het bureauonderzoek (Mol en Van Oosterhout 2019; Tabel 1). In het gebied met de maaiveldverlaging De Batterij bevinden zich twee verschillende types archeologische verwachting. Binnen de zone van de voormalige gracht van de batterij, bevindt zich een hoge verwachting (Figuur 3). Bij de uitvoering van de archeologische begeleiding, is gedurende de ontgravingen permanent een archeoloog aanwezig. Tijdens het ontgraven dienen de vlakken en profielen gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van archeologische resten. Naast een visuele inspectie van het vlak dient het vlak ook met behulp van metaaldetectie geïnspecteerd te worden. Indien er archeologische resten aangetroffen worden, zullen de resten gedocumenteerd en ingemeten worden. De documentatie dient te gebeuren middels foto’s, tekeningen en inmetingen met behulp van GPS. De resultaten van de begeleiding worden vastgelegd in één rapport van het gehele plangebied. Voorafgaand aan de uitvoering van de archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag, de gemeente Brummen.
In het PvE dient te worden opgenomen wat de voorwaarden zijn voor de opschaling of afschaling van de onderzoeksintensiteit van de archeologische begeleiding. Daarnaast dient door de opdrachtnemer een draaiboek te worden opgesteld met daarin opgenomen een veiligheidsplan. Om bovenstaande voorwaarden te borgen dient het opstellen van het draaiboek en het PvE onderdeel te zijn van het bestek bij het contract.
Onze referentie: 084024759 B - Datum: 29 november 2019
2 van 6
Tabel 2. Gespecificeerde verwachting voor de gebieden waar archeologische begeleiding dient te worden uitgevoerd. Deelgebied
Verwachting
Periode
Complextype en kenmerken
Diepteligging
Gaafheid
Voormalige gracht schans Cortenoever
Hoog
Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd
Voorwerpen behorende bij de verdediging van de schans
Direct onder de bouwvoor
Goed
Maaiveldverlaging rivierkundige compensatie
Middelhoog en laag
Neolithicum tot de Nieuwe tijd
Vondst- en sporen niveau, mogelijk water gerelateerd nabij strangen.
In de (top) van de kronkelwaardafzettingen
Slecht tot redelijk
Maaiveldverlaging De Batterij
Laag
Neolithicum tot de Nieuwe tijd
Vondst- en sporen niveau, mogelijk water gerelateerd nabij strangen.
In de (top) van de kronkelwaardafzettingen
Slecht tot redelijk
Maaiveldverlaging De Batterij – voormalige gracht van fort
Hoog
Nieuwe tijd
Voorwerpen behorende bij de verdediging van de schans
Direct onder de bouwvoor
Goed
Literatuur -
Mol, K. en F. van Oosterhout. Bureauonderzoek Landschap, Archeologie en Cultuurhistorie Cortenoever. Arcadis Archeologische Rapporten 186.
Onze referentie: 084024759 B - Datum: 29 november 2019
3 van 6
Figuur 1. Ontgravingskaart voor het gebied Maaiveldverlaging rivierkundige compensatie.
Onze referentie: 084024759 B - Datum: 29 november 2019
4 van 6
Figuur 2. Ontgravingskaart voor het gebied Maaiveldverlaging De Batterij.
Arcadis Nederland B.V., Beaulieustraat 22, 6814 DV Arnhem
T +31 (0)88 4261 261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504
www.arcadis.com
Figuur 3. Advies voor het plangebied.
Onze referentie: 084024759 B - Datum: 29 november 2019
6 van 6
RAPPORT Waterbodemonderzoek in het kader van herstel watervoerendheid kronkelwaardgeulen, uiterwaard Cortenoever, Brummen
PROJECTGEGEVENS
opdrachtgever:
Provincie Gelderland Markt 11 6811 CG Arnhem
object/locatie:
Uiterwaard Cortenoever Brummen
type onderzoek:
waterbodemonderzoek
rapportnummer:
20185381/R01/V02
datum rapport:
6 juli 2019
status:
definitief
EnviroPlan Nederland BV Grafwegen 35 6562 KG Groesbeek 06 – 5334 7664 bodemsanering@enviroplan.nl
Documentnummer 20185381/R01/V02
INHOUDSOPGAVE
blz.
1.
INLEIDING ..................................................................................................................................1 1.1 Aanleiding en doelstelling ..........................................................................................1 1.2 Verantwoording ...........................................................................................................1 1.3 Leeswijzer .....................................................................................................................1
2.
VOORONDERZOEK ...................................................................................................................2 2.1 Geraadpleegde bronnen .............................................................................................2 2.2 Ligging, begrenzing en bodemgebruik ......................................................................2 2.3 Historisch bodemgebruik ............................................................................................3 2.4 Reeds uitgevoerd bodemonderzoek ..........................................................................3 2.5 Bodemzoneringskaart ..................................................................................................3 2.6 Terreinverkenning ........................................................................................................5 2.7 Voorgenomen werkzaamheden..................................................................................5
3.
HYPOTHESESTELLING EN BEPALING ONDERZOEKSSTRATEGIE .....................................6
4.
VELDWERKZAAMHEDEN EN -RESULTATEN ........................................................................8 4.1 Veldwerkzaamheden ...................................................................................................8 4.2 Resultaten veldonderzoek ...........................................................................................9 4.2.1 Bodemopbouw .................................................................................................9 4.2.2 Veldwaarnemingen ..........................................................................................9
5.
LABORATORIUMONDERZOEK EN –RESULTATEN ............................................................ 10 5.1 Analyseprogramma .................................................................................................. 10 5.2 Analyseresultaten en toetsing ................................................................................. 10 5.3 Resultaten onderzoek PFAS ..................................................................................... 14
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................... 15
7.
LITERATUURLIJST................................................................................................................. 17
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Gegevens vooronderzoek Situatietekeningen projectlocatie met monsternamelocaties Profielbeschrijvingen grondboringen Analyserapporten waterbodemmonsters Toetsingstabellen waterbodemmonsters Situatietekening met toetsingsresultaten Verantwoording veldwerkzaamheden
Documentnummer 20185381/R01/V02
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doelstelling In opdracht van Provincie Gelderland is een waterbodemonderzoek uitgevoerd in de uiterwaard Cortenoever in de gemeente Brummen. De aanleiding voor het uitvoeren van het waterbodemonderzoek is het beoogde herstel van de watervoerendheid van een aantal kronkelwaardgeulen in dit gebied alsmede het voornemen tot het treffen van (natuur)compenserende maatregelen vanwege ingrepen elders in het watersysteem. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bij de uitvoerende werkzaamheden vrijkomende waterbodem c.q. baggerspecie.
1.2
Verantwoording Het uitgevoerde onderzoek beoogt een waarheidsgetrouw beeld te geven van de waterbodemkwaliteit binnen het onderzoeksgebied op het moment van de monstername. Gezien het steekproefsgewijze karakter van het onderzoek waarbij de monstername op (deels) willekeurig bepaalde locaties plaatsvindt, kan nimmer worden uitgesloten dat een eventueel aanwezige verontreiniging niet wordt aangetroffen (restrisico) dan wel de daadwerkelijke situatie blijkt af te wijken van de onderzoeksresultaten. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname betreft en dat naarmate meer activiteiten op de locatie plaatsvinden en de periode verstreken sedert uitvoering van het onderzoek langer wordt, de onderzoeksresultaten met een grotere omzichtigheid moeten worden gehanteerd. De uitvoering van het onderzoek vindt op zorgvuldige wijze volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden bij onderzoek naar bodemverontreiniging plaats. EnviroPlan aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade ontstaan als gevolg van of verband houdende met het hiervoor aangehaalde restrisico en/of de geldigheidsduur van het onderzoek.
1.3
Leeswijzer In het voorliggende rapport worden in hoofdstuk 2 de bevindingen naar aanleiding van het vooronderzoek weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de vooronderstellingen ten aanzien van de verontreinigingssituatie en wordt de keuze van de onderzoeksstrategie gemotiveerd. In hoofdstuk 4 worden de werkzaamheden op locatie besproken alsmede de bevindingen naar aanleiding daarvan. In hoofdstuk 5 komen de opzet en resultaten van het laboratoriumonderzoek aan de orde. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies en aanbevelingen naar aanleiding van het waterbodemonderzoek opgenomen.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 1
2.
VOORONDERZOEK Het doel van het vooronderzoek is een uitspraak te doen over de verwachte milieuhygienische kwaliteit van de waterbodem, de daaruit vrijkomende baggerspecie en eventueel overige relevante gegevens.
2.1
Geraadpleegde bronnen In onderstaande tabel zijn de in het kader van het vooronderzoek geraadpleegde bronnen opgesomd. Tabel 2.1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek
2.2
nr.
bron
verwijzing
1
topografische kaart, schaal 1 : 12.500 (Kadaster)
bijlage 1
2
informatie van opdrachtgever
paragraaf 2.7
3
website ‘topotijdreis.nl’
bijlage 1, paragraaf 2.3
4
Rapport ‘Actualisatie bodemzoneringskaart’ CSO Adviesbureau, rapportnummer 09K206.R01/6 d.d. 01-10-2011
paragraaf 2.5
5
Rapport ‘Historisch vooronderzoek Gelderse IJssel en uiterwaarden’ Reaseuro, rapportnummer RO-120036 versie 1.0 d.d. 20-11-2012
6
Rapport ‘Vooronderzoek KRW-maatregelen uiterwaarden IJssel traject Dieren-Kampen’ CSO Adviesbureau, rapportnummer 11J147.R01 d.d. 12-09-2012
paragraaf 2.4
7
Rapport ‘Verkennend waterbodemonderzoek Reuversweerd’ CSO Adviesbureau, rapportnummer 11J149.R02 d.d. 24-02-2014
paragraaf 2.4
8
Rapport ‘Verkennend waterbodemonderzoek toepassingslocaties oeverwallen Reuversweerd’ CSO Adviesbureau, rapportnummer 14J101 d.d. 04-12-2014
paragraaf 2.4
9
Rijn in beeld: Natuurontwikkeling langs de grote rivieren, Deel 3: De IJssel
paragraaf 2.3
10
locatiebezoek d.d. 15-10-2018
paragraaf 2.6
Ligging, begrenzing en bodemgebruik Het onderzoeksgebied betreft een zogenaamde kronkelwaard en is een uiterwaard, Cortenoever genaamd, op de westoever van de IJssel ten noorden van Brummen. Aan de zuid-, oost- en noordzijde wordt de uiterwaard begrensd door de rivier de IJssel. Aan de westzijde wordt de begrenzing gevormd door de dijk (Brummense Bandijk). Het noordelijke deel van de uiterwaard heeft de functie van natuurgebied. Het centrale en zuidelijke deel zijn hoofdzakelijk in gebruik als – extensief beheerd – grasland met enkele verspreide bosjes. Het gebied wordt doorsneden door een groot aantal geulen die overwegend zuid-noord en zuidoost-noordwest georiënteerd zijn. Delen van deze geulen zijn (vrijwel) het gehele jaar watervoerend. Alleen tijdens perioden van hoog water stromen deze geulen mee. Zuidelijk in het gebied bevinden zich in de oeverzone enkele plassen, onder andere ter plaatse van een voormalige batterij, waarin onder normale omstandigheden het gehele jaar rond water staat.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 2
In het gebied staat een aantal panden die zijn ontsloten door middel van een met klinkers verharde weg (Weg naar het Ganzen Ei). Dit is de enige verharde weg in het gebied. 2.3
Historisch bodemgebruik Voor een beschrijving van het historisch bodemgebruik is onder andere de website ‘topotijdreis.nl’ geraadpleegd (bron 3). Onder bijlage 1 is aan aantal uitsneden van historische topografische kaarten opgenomen. De eerste bebouwing in het gebied is waarneembaar op de topografische kaart van 1850. Behalve enkele verspreide terpboerderijen is zuidoostelijk ook een verdedigingswerk (batterij) waarneembaar. In de periode van circa 1900 tot 1930 zijn enkele bochten in de IJssel meer rechtgetrokken. Hierbij is ook het verdedigingswerk ontmanteld. Behalve uitbreiding van de bestaande boerderijen is er geen nieuwe bebouwing in het gebied meer bij gekomen. Waar de aanvankelijk westelijk in het gebied aanwezige kades bij extreem hoogwater nog overstroomden, is met de aanleg van de Brummense Bandijk, na omstreeks 1960 het westelijk deel van Cortenoever niet meer overstroomt. Vanaf de jaren ’60 van de 20e eeuw zijn door Staatsbosbeheer stelselmatig gronden in het gebied verworven en is inmiddels de grootste grondbezitter binnen het gebied. Door de geïsoleerde ligging van de uiterwaard is het grondgebruik in de loop der tijd gemiddeld genomen vrij extensief geweest. Er zijn geen steenfabrieken in het gebied gevestigd geweest en er heeft ook geen kleiwinning plaatsgevonden. Andersoortige industriële activiteiten zijn evenmin aan de orde geweest.
2.4
Reeds uitgevoerd bodemonderzoek Van het onderzoeksgebied is een aantal onderzoeksrapporten aangaande de (water)bodemkwaliteit beschikbaar. Uit de bevindingen van het in 2012 door CSO uitgevoerde vooronderzoek (bron 6) komen voor onderhavig onderzoeksgebied geen verdachte deellocaties naar voren. In het kader van de aanleg van een nevengeul noordelijk in het gebied, zijn in 2014 twee verkennende waterbodemonderzoeken in het gebied uitgevoerd (bronnen 7 en 8). Uit de resultaten van deze onderzoeken volgt dat de kwaliteit van de bovengrond overwegend in klasse B valt en de ondergrond in kwaliteit varieert van vrij toepasbaar tot klasse B.
2.5
Bodemzoneringskaart Uit raadpleging van de geactualiseerde bodemzoneringskaart van 2011 (bron 4) volgt dat ter plaatse van de uiterwaard Cortenoever, de verwachte waterbodemkwaliteit hoofdzakelijk in zone 4 valt en beperkt in de zones 0 tot en met 3. Verder valt het meest zuidelijke en oostelijke deel in de ‘oeverzone’. Onderstaande afbeeldingen geven de zone-indeling van Cortenoever weer evenals de procentuele verdeling over de verschillende kwaliteitsklassen per zone. Voor zone 4 geldt dat het aandeel vrij toepasbaar, klasse A en klasse B naar verwachting min of meer gelijk
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 3
zal zijn. Ter plaatse van de oeverzone is er een minimale kans op het aantreffen van niettoepasbare waterbodem.
In de voorbereidingsfase van het onderzoek is door Rijkswaterstaat aangegeven dat de bodemzoneringskaarten niet meer mogen gebruikt c.q. dat de onderzoeksstrategieën in NEN 5720 waarbij gebruik wordt gemaakt van een bodemverwachtingswaardekaart, niet meer mogen worden toegepast in onderzoeken die zijn bedoeld als milieuhygiënische verklaring. Niettemin kan de bodemzoneringskaart worden gebruikt voor het formuleren van een onderzoekshypothese aangaande de verwachte kwaliteit van de waterbodem.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 4
2.6
Terreinverkenning Bij de terreinverkenning op 15 oktober 2018 zijn geen indicaties waargenomen die duiden op de aanwezigheid van verdachte deellocaties ter plaatse van de te onderzoeken gebiedsdelen. Door de langdurige droogte waren de meeste geulen droog gevallen waardoor een goed beeld van de eventuele aanwezigheid van gestorte materialen kon worden verkregen. Deze zijn niet aangetroffen. In enkele geulen zijn, waarschijnlijk al in het verre verleden, dammen aangelegd met puin zodat de grazers de geulen kunnen oversteken. Hoewel puin in principe een indicatie is voor de mogelijke aanwezigheid van verontreiniging met asbest, is hieraan binnen onderhavig onderzoek geen verdere aandacht geschonken aangezien de dammen bij de voorgenomen werkzaamheden gehandhaafd zullen blijven.
2.7
Voorgenomen werkzaamheden De voorgenomen werkzaamheden in het projectgebied worden ingegeven door het streven naar de realisatie van doelstellingen vanuit de Kaderrichtlijn water, Natura 2000 en het Gelders natuurnetwerk. De kronkelwaardgeulen in het projectgebied zijn grotendeels verland, een proces dat eeuwen heeft geduurd. Voor de uiterwaard Cortenoever wordt gestreefd naar het herstel van de geulen naar de vroegere situatie waarbij de geulen weer watervoerend zullen zijn gedurende het grootste deel van het jaar. Buiten de aanpak van de geulen wordt voor een aantal deellocaties de mogelijkheid van maaiveldverlaging overwogen, deels bedoeld als verschraling ten behoeve van natuurontwikkeling, deels bedoeld als rivierkundige compensatie.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 5
3.
HYPOTHESESTELLING EN BEPALING ONDERZOEKSSTRATEGIE Voor de uitvoering van het waterbodemonderzoek is als richtlijn de Nederlandse Norm NEN 5720 (2017) gehanteerd; Bodem – Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek. Hierbij is uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor oevergebieden mét bodemverwachtingswaardekaart en diffuse bodembelasting (strategiecode OM). Omdat de onderzoeksstrategieën waarbij gebruik wordt gemaakt van de bodemzoneringskaart volgens het beleid van Rijkswaterstaat niet meer mogen worden gehanteerd voor waterbodemonderzoek bedoeld ter verkrijging van een milieuhygiënische verklaring volgens het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, moeten de resultaten van het onderzoek als indicatief worden beschouwd. Consequentie hiervan is dat in de uitvoeringsfase van het werk door het uitvoeren van aanvullend waterbodemonderzoek en/of het uitvoeren van partijkeuringen, alsnog de vereiste milieuhygiënische verklaringen voor de afzet van de bij het grondwerk vrijkomende waterbodem/baggerspecie dienen te worden verkregen. Op basis van de informatie en gegevens uit het vooronderzoek wordt verwacht dat de waterbodemkwaliteit van de te onderzoeken deellocaties in de kwaliteitsklassen vrij toepasbaar, klasse A en klasse B zal vallen. Er zijn geen indicaties dat niet-toepasbare waterbodem zal kunnen worden aangetroffen.
Het uit te voeren waterbodemonderzoek is uitsluitend gericht op de objecten zoals beschreven in paragraaf 2.7. Elders in de uiterwaard zijn geen grondwerkzaamheden c.q. ingrepen in de waterbodem voorzien. In onderstaande tabel zijn de in dit waterbodemonderzoek betrokken deellocaties weergegeven. De nummering van de deellocaties is niet opeenvolgend aangezien in de voorbereidingsfase van het onderzoek een aantal objecten zijn komen te vervallen. Bij het vaststellen van het onderzoeksprogramma zijn enkele deellocaties welke aan elkaar grenzen, gecombineerd tot één deellocatie. Deellocatie 23 is in een latere fase (april 2019) nog aan het project toegevoegd. Tabel 3.1: Onderzoeksprogramma object/ soort object deellocatie 1 6 7 9 11 12 13 14 15+17+18 16+19 21 22 23
oppervlakte totaal m2
geul geul geul geul geul geul geul maaiveldverlaging verdieping verdieping plas maaiveldverlaging maaiveldverlaging
9.132 6.324 5.006 13.781 16.469 3.977 19.106 8.676 27.888 20.104 3.259 37.032 ca. 20.000
boordiepte m 2,5 2,5 2,5 2,5 2,5 2.5 2,5 1,5 1,5 1,5 sliblaag 1,5 1,5
aantal boringen NEN 5720 tabel 12 5 4 4 5 5 4 5 4 6 5 6 7 6
aantal analyses pakket C2 3 2 2 3 3 2 3 2 4 3 1 4 4
De boordieptes zijn gebaseerd op de maximale diepte van de in de toekomst uit te voeren grondwerkzaamheden, vermeerderd met 0,5 m.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 6
Vanwege de recente problematiek rondom het voorkomen van Poly- en perFluor Alkyl Stoffen (afgekort PFAS) in de (water)bodem bij een aantal projecten elders in het watersysteem, is in juni 2019 nog een indicatief onderzoek uitgevoerd naar de eventuele aanwezigheid van het voorkomen van deze stoffen binnen onderhavig projectgebied. Hiervoor zijn op basis van de reeds beschikbare onderzoeksresultaten, de deellocaties 1, 11 en 16 geselecteerd.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 7
4.
VELDWERKZAAMHEDEN EN -RESULTATEN In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de op de locatie uitgevoerde werkzaamheden (paragraaf 4.1) alsmede de resultaten daarvan (paragraaf 4.2).
4.1
Veldwerkzaamheden De bemonsteringswerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) en het daarbij behorende protocol 2003 (Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek). De bemonsteringswerkzaamheden zijn uitgevoerd op 17 en 18 oktober 2018 door Ortageo Metingen en Controle BV (procescertificaat EC-SIK-20289) door en onder leiding van de heer H.H. Wolters. Aanvullend zijn op 15 april 2019 bemonsteringswerkzaamheden ter plaatse van deellocatie 23 uitgevoerd door de heer R. Snel van VCMI (procescertificaat K23753/12). Onder bijlage 7 is de verantwoording van het veldwerk opgenomen. Op 19 juni 2019 is door EnviroPlan de bemonstering uitgevoerd ten behoeve van het onderzoek naar het voorkomen van PFAS in de waterbodem. De veldwerkzaamheden bestonden uit: - het uitvoeren van handboringen (zie tabel 4.1); - het zintuiglijk beoordelen van het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal op bodemkundige eigenschappen en op eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken; - het nemen van monsters van het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal. De monstertrajecten zijn weergegeven aan de rechterzijde van de boorprofielen in bijlage 3. Een gedeelte van de boorlocaties is in het veld uitgezet door middel van GPS.
De boorlocaties ter plaatse van de geulen zijn volgens het boorplan bepaald en ingemeten door middel van GPS. Onder bijlage 2 zijn de overzichtstekeningen met de monsterpunten opgenomen. In onderstaande tabel is het veldwerkprogramma weergegeven. Tabel 4.1: Veldwerkprogramma object/ boordiepte* deellocatie m 1 6 7 9 11 12 13 14 15+17+18 16+19 21
22 23
aantal boringen 2,5 2,0 à 2,5 2,2 à 2,5 2,5 2,5 à 3,0 2,1 à 2,5 2,0 à 2,5 1,5 1,5 1,5 sliblaag
1,5 1,5
4 4 3 6 6 5 6 5 6 6 samenstellen mengmonster uit 10 gutssteken 9 6
nummering boringen 01-01/01-04 06-01/06-04 07-01/07-03 09-01/09-06 11-01/11-06 12-01/12-05 13-01/13-06 14-01/14-05 15-01/15-06 16-01/16-06 21.SM01
22-01/22-09 23-01/23-06
Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de onderzoeksprotocollen.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 8
Voor de uitvoering van het indicatieve onderzoek naar het mogelijke voorkomen van PFAS in de waterbodem, zijn binnen de begrenzing van de deelgebieden 1, 11 en 16 met een steekguts uit 20 tot 25 monstersteken, mengmonsters samengesteld uit de bovenste 30 cm van de waterbodem. 4.2
Resultaten veldonderzoek
4.2.1
Bodemopbouw Ter plaatse van de boringen in de geulen (deellocaties 1 t/m 13) wordt op een enkele uitzondering na vanaf maaiveld klei aangetroffen. De dikte van de kleilaag varieert van minimaal 1 tot meer dan de maximale boordiepte van 2,5 m. Onder de kleilaag wordt overwegend matig fijn zwak siltig zand aangetroffen, plaatselijk grindhoudend. De kleilaag in de geulen is over het algemeen goed gerijpt. Incidenteel zijn minder gerijpte lagen aangetroffen. Dit zal mede het gevolg zijn van de droge zomer waardoor de geulen zo goed als droog gevallen zijn. Ter plaatse van de boringen op de locaties 14 en 22 (buiten de geulen) wordt in de bovengrond overwegend klei aangetroffen, zij het in (aanzienlijk) geringere laagdikten dan ter plaatse van de geulen. Zuidelijk in het gebied bestaat de bodem veelal over de volledige boordiepte van 1,5 m uit klei. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de bodemopbouw wordt verwezen naar de in bijlage 3 opgenomen profielbeschrijvingen.
4.2.2
Veldwaarnemingen De zintuiglijke waarnemingen staan vermeld in de boorprofielen in bijlage 3. Bij de uitvoering van het veldwerk zijn in de opgeboorde grond geen bijmengingen van bodemvreemde materialen aangetroffen.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 9
5.
LABORATORIUMONDERZOEK EN –RESULTATEN
5.1
Analyseprogramma De waterbodemmonsters zijn ter analyse naar het laboratorium van Eurofins Analytico BV overgebracht. Dit laboratorium is geaccrediteerd op basis van de criteria in NEN-ENISO/IEC 17025:2000 (accreditatienummer L010) en op basis van AS3000. Op de analysecertificaten (zie bijlage 4) is aangegeven welke laboratoriumverrichtingen onder de genoemde accreditaties zijn uitgevoerd. Op basis van de bodemprofielen zijn per deellocatie in het laboratorium één of meer mengmonsters samengesteld ten behoeve van laboratoriumonderzoek op de parameters van waterbodempakket C2. Dit pakket omvat de volgende parameters: -
Metalen: arseen, barium, cadmium, kobalt, chroom, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK); Minerale olie; Polychloorbifenylen (PCB); Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB); Pentachloorfenol.
De mengmonsters zijn meestal samengesteld uit 3 deelmonsters en incidenteel uit 2, 4 of 5 deelmonsters. De mengmonsters zijn steeds samengesteld uit deelmonsters van vergelijkbare textuur en uit lagen van vergelijkbare diepte, daarbij rekening houdend met eventueel afwijkende maaiveldligging. Voor het onderzoek naar het mogelijke voorkomen van PFAS in de waterbodem, zijn de mengmonsters van de deellocaties 1, 11 en 16 onderzocht op PFOS (perfluoroctaansulfonzuur) en PFOA (perfluoroctaanzuur), zowel lineair als vertakt. 5.2
Analyseresultaten en toetsing De analysecertificaten van het laboratoriumonderzoek zijn opgenomen in bijlage 4. De analyseresultaten zijn getoetst aan de toetsingswaarden voor de waterbodem uit de Regeling bodemkwaliteit (toetsingskader Besluit bodemkwaliteit). In de Regeling bodemkwaliteit worden voor waterbodems de volgende toetsingswaarden onderscheiden:
Achtergrondwaarde (AW): het gehalte in onbelaste natuurgebieden en landbouwgronden. Dit betekent dat de waterbodem vrij toepasbaar is; Maximale Waarde klasse A (MWA): het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit in waterbodemklasse A wordt ingedeeld; Maximale Waarde klasse B (MWB): het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit in waterbodemklasse B wordt ingedeeld. Bij overschrijding van de maximale waarde voor klasse B Is de vrijkomende waterbodem niet toepasbaar (klasse NT). De analyseresultaten zijn getoetst met BoToVa (module T3). De toetsingsresultaten per mengmonster zijn in bijlage 5 opgenomen en in tabel 5.1 samengevat. Op de tekeningen onder bijlage 6 zijn ook de toetsingstabellen opgenomen. De analyseresultaten betreffende het onderzoek naar het voorkomen van PFAS worden besproken in paragraaf 5.3.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 10
Tabel 5.1: Overzicht toetsingsresultaten deellocatie code deelmonsters mengmonster zuidelijke deel onderzoeksgebied 15 MM01
MM02
MM03
MM04 16
MM05
uitsplitsing MM05 metalen
M08 M09 M10 MM06
MM07
21 23
21-SM01 MM71
MM72
MM73
MM74
centrale deel onderzoeksgebied 9 MM21
MM22
MM23
MM24
22
MM25
MM26
monsterdiepte (cm-mv)
% lutum
% organische stof
klasse Rbk
15,4
8,6
B
25,4
7,6
B
6,0
1,0
AW
25,5
3,3
A
28,8
8,9
B
28,8 28,8 28,8 25,4
8,9 8,9 8,9 8,3
B B B B
13,4
2,2
B
14,9 6,3
3,8 3,6
B AW
6,0
4,4
AW
6,4
<0,7
AW
4,0
<0,7
AW
15-01.1 15-02.1 15-03.1 15-04.1 15-05.1 15-06.1 15-02.2 15-04.2 15-05.2 15-03.2 15-06.2 16-01.1 16-02.1 16-03.1 16-01.1 16-02.1 16-03.1 16-04.1 16-05.1 16-06.1 16-01.2 16-02.2 16-03.2 21-SM01 23-01.1 23-03.1 23-05.1 23-02.1 23-04.1 23-06.1 23-01.2 23-03.2 23-05.2 23-02.2 23-04.3 23-06.2
0-50 0-40 0-40 0-40 0-40 0-40 50-100 50-100 50-100 50-100 50-100 0-40 0-40 0-40 0-40 0-40 0-40 0-40 0-40 0-50 50-100 50-100 50-100 0-50 0-50 0-50 0-50 0-50 0-50 0-50 50-100 50-100 50-100 50-100 70-110 50-100
9-01.1 9-02.1 9-03.1 9-04.1 9-05.1 9-06.1 9-01.2 9-02.2 9-03.2 9-04.2 9-05.2 9-06.2 22-03.1 22-06.1 22-08.1
0-50 0-50 0-50 0-50 0-50 0-50 50-100 50-100 50-100 50-100 50-100 50-100 0-50 0-50 0-50
37,5
6,8
B
27,4
4,4
B
24,5
3,1
A
21,3
5,0
A
22,3
4,3
AW
22-01.1 22-04.1 22-07.1
0-50 0-50 0-50
19,9
4,7
AW
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 11
MM27
22-02.1 22-05.1 22-09.1 22-01.2 22-02.2 22-05.2
0-50 0-50 0-50 50-90 50-80 50-100
24,8
4,9
AW
17,8
1,5
AW
noordelijke deel onderzoeksgebied 1 MM41 1-01.1 1-02.1 1-03.1 1-04.1 MM42 1-01.2 1-02.2 1-03.3 1-04.2 MM43 1-01.3 1-02.3 1-03.4 1-04.3 6 MM44 6-01.1 6-02.1 6-03.1 6-04.1 MM45 6-02.2 6-03.2 6-04.2 MM46 6-02.3 6-03.3 6-04.3 7 MM47 7-01.1 7-02.1 7-03.1 MM48 7-02.2 7-03.2 M63 7-02.3 11 MM49 11-01.1 11-02.1 11-03.1 MM50 11-04.1 11-05.1 11-06.1 MM51 11-01.2 11-03.2 11-05.2 11-06.2 MM52 11-04.3 11-05.3 11-06.3 12 MM53 12-01.1 12-02.1 MM54 12-03.1 12-04.1 12-05.1 MM55 12-01.2 12-02.2 MM56 12-03.2 12-04.2 12-05.2 13 MM57 13-01.1 13-02.1 13-04.1 MM58 13-05.1 13-06.1 MM59 13-02.2 13-04.2
0-50 0-50 0-50 0-40 50-100 50-100 80-130 50-100 100-150 100-150 130-180 100-150 0-50 0-50 0-50 0-50 50-100 50-100 50-100 50-100 50-100 50-100 0-50 0-20 0-30 20-50 30-80 50-100 0-40 0-30 0-40 0-50 0-50 0-50 50-100 50-100 50-100 50-100 100-150 100-150 100-150 0-50 0-50 0-50 0-40 0-40 50-100 50-100 50-100 50-100 50-100 0-30 0-40 0-50 0-20 0-50 50-100 50-100
28,4
11,6
B
28,0
9,0
A
27,2
5,7
B
33,7
9,5
A
27,6
8,4
A
21,2
4,5
AW
19,7
10,1
A
31,3
8,4
A
34,4 19,5
6,2 8,1
AW B
26,4
11,1
B
26,4
7,1
B
21,4
4,1
AW
32,2
9,5
B
17,7
9,9
B
29,2
9,6
B
41,7
3,8
AW
43,1
9,7
A
20,6
8,9
B
30,2
7,8
AW
MM28
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 12
MM64 MM65
MM66
14
MM60
MM61
MM62
13-05.2 13-05.3 13-06.2 13-01.4 13-02.3 13-03.4 13-04.3 13-05.4 13-06.3 14-01.1 14-02.1 14-03.1 14-04.1 14-05.1 14-01.2 14-02.2 14-03.2 14-04.2 14-05.2 14-02.3 14-03.3 14-04.3 14-05.3
20-50 50-100 50-100 110-160 100-150 100-150 100-150 100-150 100-150 0-30 0-30 0-30 0-30 0-30 30-50 30-70 30-60 30-70 30-70 70-100 60-100 70-120 70-120
26,6
7,3
A
27,8
3,7
AW
26.1
2,9
AW
25,8
8,8
B
29,9
2,5
AW
8,4
0,7
AW
Bespreking resultaten zuidelijke deel onderzoeksgebied In het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied blijkt ter plaatse van de deellocaties 15 en 16 de bovengrond tot 0,4 à 0,5 m diepte steeds in kwaliteitsklasse B te vallen, overwegend op basis van metalen en PCB. Ter plaatse van deellocatie16 is ook de laag van 0,5 tot 1,0 m van kwaliteitsklasse B op basis van een marginale overschrijding van MWA voor nikkel. De ondergrond van deellocatie 15 is van kwaliteitsklasse A en AW. Het slib van deellocatie 21 valt in kwaliteitsklasse B op basis van het gehalte PCB dat een fractie boven MWA ligt. De bovengrond (0-0,5 m) van object 23, dat qua maaiveldligging duidelijk hoger ligt dan 15 en 16, valt in klasse achtergrondwaarde. De ondergrond dieper dan 0,5 m is van kwaliteitsklasse achtergrondwaarde. Gezien over het gehele waterbodemonderzoek zijn de relatief grootste normoverschrijdingen van de maximale waarde voor klasse A, gemeten voor metalen in mengmonster MM05 van deellocatie 16. Dit mengmonster is samengesteld uit 3 deelmonsters. Om te bepalen of er in individuele monsters sprake is van overschrijdingen van de MWB, zijn de drie deelmonsters afzonderlijk op metalen onderzocht. Alle drie de monsters vallen voor wat betreft de metalen in klasse B.
Er is weliswaar sprake van variaties in gehalten, echter in geen van de monsters wordt de maximale waarde voor klasse B ook maar enigszins benaderd.
Bespreking resultaten centrale deel onderzoeksgebied In het centrale deel van het onderzoeksgebied liggen de deellocaties 9 (kronkelwaardgeul) en 22 (terrein bestemd voor rivierkundige compenserende maatregel). In de geul is de laag van 0,0-0,5 m van kwaliteitsklasse B en de laag van 0,5 tot 1,0 m van kwaliteitsklasse A. Voor de indeling van de bovenste laag in klasse B is alleen arseen bepalend. Mogelijk speelt kwel van ijzerhoudend en daarmee ook arseenhoudend water hierin een rol.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 13
De bovengrond van 0-0,5 m van object 22 valt over de gehele oppervlakte in kwaliteitsklasse achtergrondwaarde en dit geldt ook voor de laag van 0,5 tot circa 1,0 m van de boringen het meest nabij de geul. In een aantal monsters is het gehalte nikkel gelijk aan of iets hoger dan de achtergrondwaarde maar op basis van de toetsingsregel van artikel 4.4.2., lid 4 van de Regeling bodemkwaliteit, kan deze waterbodem dan alsnog in klasse achtergrondwaarde worden ingedeeld.
Bespreking resultaten noordelijke deel onderzoeksgebied Met uitzondering van deellocatie 14 zijn alle deellocaties in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied kronkelwaardgeulen. Deellocatie 14 betreft een gebiedsdeel waar in het kader van de natuurontwikkeling maaiveldverlaging is voorzien. De laag van 0-0,5 m van de uiterst noordelijk gelegen geulen 1, 11, 12 en 13 is overwegend van klasse B. Van de geulen 11 en 12 valt ook de laag van 0,5-1,0 m (grotendeels) in klasse B. Bepalend voor de indeling in klasse B zijn altijd de metalen en vaak ook PCB. De lagen dieper dan 1,0 m vallen in klasse A of achtergrondwaarde. Dit met uitzondering van de laag van circa 1,0-1,5 m ter plaatse van deellocatie 1 welke in klasse B valt op basis van arseen en PCB. In de meer zuidelijk gesitueerde geulen 6 en 7 bestaat de laag van 0-0,5 m uit waterbodem klasse A. De laag van 0,5 tot 1,0 m bestaat gedeeltelijk uit klasse A respectievelijk achtergrondwaarde. Ter plaatse van deellocatie 14 bestaat de bovengrond van 0-0,3 m uit waterbodem klasse B op basis van de gehalten metalen en PCB. De diepere lagen worden ingedeeld in klasse achtergrondwaarde. 5.3
Resultaten onderzoek PFAS De analysecertificaten van het onderzoek naar PFOA en PFOS in de waterbodem zijn opgenomen onder bijlage 4. Uit de analyseresultaten volgt dat in de monsters van alle drie de deelgebieden PFOA en PFOS zijn aangetroffen waarbij de hoogste gehalten steeds zijn gemeten in het monster van deelgebied 16 met 3,2 µg/kg d.s. aan som PFOA en 17 µg/kg d.s. aan PFOS. In de bovengrond van dit deelgebied zijn in het reguliere waterbodemonderzoek ook de hoogste gehalten aan metalen gemeten. Landelijk zijn er zijn op dit moment nog geen maximale waarden voor waterbodem klasse A en klasse B vastgesteld. Het is op dit moment dan ook niet duidelijk of de aanwezigheid van PFAS in de waterbodem van het projectgebied consequenties heeft voor de klasseindeling en daarmee de hergebruiksmogelijkheden van de grond.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 14
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Onderhavig waterbodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van het voornemen tot herstel van de watervoerendheid van een aantal kronkelwaardgeulen alsook enkele compenserende maatregelen in de uiterwaard Cortenoever van de IJssel, iets ten noorden van Brummen. Het doel van het onderzoek is inzicht te krijgen in de kwaliteit van de waterbodem ter plaatse van de voorgenomen werkzaamheden ter bepaling van de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende baggerspecie. Voor de uitvoering van het waterbodemonderzoek is als richtlijn NEN 5720 (2017: Bodem – Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek) gehanteerd waarbij is aangesloten voor de onderzoeksstrategie van oevergebieden mét bodemverwachtingswaardekaart en diffuse bodembelasting. Omdat de onderzoeksstrategieën waarbij gebruik wordt gemaakt van de bodemzoneringskaart volgens het beleid van Rijkswaterstaat niet meer mogen worden gehanteerd voor waterbodemonderzoek bedoeld ter verkrijging van een milieuhygiënische verklaring volgens het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, moeten de resultaten van het onderzoek als indicatief worden beschouwd. Het onderzoek heeft betrekking op verschillende deellocaties.
Dit betreft zowel te verdiepen kronkelwaardgeulen als terreindelen waar een maaiveldverlaging is voorzien ten behoeve van verschraling of rivierkundige compensatie voor projecten elders in het watersysteem. Op basis van de bevindingen van het vooronderzoek zijn er binnen de te onderzoeken deellocaties geen verdachte puntbronnen aanwijsbaar. Op basis van eerdere onderzoeken binnen de uiterwaard en de bodemverwachtingswaardekaart van 2011, wordt verwacht dat de waterbodem binnen het projectgebied in de kwaliteitsklassen achtergrondwaarde (AW), klasse A en klasse B valt. Er is een minimale kans op het aantreffen van niet-toepasbare waterbodem. Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen waarnemingen gedaan die aanwijzingen vormen voor de aanwezigheid van puntbronnen van verontreiniging ter plaatse van de onderzochte deellocaties. De bodem bestaat over het algemeen tot 1 à 2,5 m (maximale boordiepte) uit klei met daaronder zand. Uit de resultaten van het per deellocatie uitgevoerde laboratoriumonderzoek volgt dat ter plaatse van de geulen over het algemeen de bodemlaag tot 0,5 à 1 m beneden maaiveld uit waterbodem klasse B bestaat met daaronder klasse A en AW. Dit geldt ook voor de deellocaties 15 en 16 in het zuidelijke gebiedsdeel. Ter plaatse van de wat hoger gelegen deellocaties 9 en 23 bestaat het profiel geheel uit waterbodem van klasse achtergrondwaarde.
Er zijn in het gehele waterbodemonderzoek geen overschrijdingen van de maximale waarden voor klasse B vastgesteld. Ook de hoogste gecorrigeerde gehalten liggen nog ruimschoots beneden de maximale waarden voor klasse B. De op basis van het vooronderzoek gedane aannames ten aanzien van de verwachtte waterbodemkwaliteit blijken correct. Uit het indicatieve onderzoek naar het voorkomen van PFAS in de waterbodem binnen het projectgebied blijkt dat deze inderdaad aanwezig zijn. In hoeverre dit consequenties heeft voor de uiteindelijke klasse-indeling valt op dit moment vanwege het ontbreken van normstelling, niet te zeggen.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 15
De resultaten van onderhavig onderzoek kunnen worden benut voor het bepalen van de opzet van aanvullend onderzoek en/of uit te voeren partijkeuringen ten behoeve van het verkrijgen van de milieuhygiënische verklaringen voor de afzet van de in de uitvoeringsfase vrijkomende waterbodem. Voor de deellocaties waar een maaiveldverlaging is voorzien door het ontgraven van zandlagen in de ondergrond, kan de (klei)bovengrond hierna desgewenst weer worden teruggeplaatst onder het regime van tijdelijk uitnemen zoals bedoeld in artikel 36, lid 3 van het Besluit bodemkwaliteit.
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 16
7.
LITERATUURLIJST 1. 2. 3. 4.
NEN 5717: Bodem – Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygienisch vooronderzoek; NEN 5720: Bodem – Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygienisch onderzoek; Regeling Bodemkwaliteit (http://wetten.overheid.nl/BWBR0023085) Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013-16675.html).
Documentnummer 20185381/R01/V02
pagina 17
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Gegevens vooronderzoek Situatietekeningen projectlocatie met monsternamelocaties Profielbeschrijvingen grondboringen Analyserapporten waterbodemmonsters Toetsingstabellen waterbodemmonsters Situatietekening met toetsingsresultaten Verantwoording veldwerkzaamheden
documentnummer 20185381/R01
BIJLAGE 1 GEGEVENS VOORONDERZOEK
documentnummer 20185381/R01