0714 - Ontwerpbestemmingsplan toelichting en regels ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Plagweg 16
27
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.
6.3
Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro
De initiatiefnemers hebben omwonenden op de hoogte gesteld van de plannen.
6.4
Verslag zienswijzen
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
28
Plagweg 16
Bijlagen bij de toelichting
Plagweg 16
29
30
Plagweg 16
Bijlage 1
Plagweg 16
Landschappelijk inpassings- en beplantingsplan
31
32
Plagweg 16
Bijlage 2
Plagweg 16
Watertoets
33
34
Plagweg 16
Bijlage 3
Plagweg 16
Voortoets stikstofdepositie
35
36
Plagweg 16
Bijlage 4
Plagweg 16
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
37
38
Plagweg 16
Regels
Plagweg 16
39
40
Plagweg 16
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan Plagweg 16 met identificatienummer NL.IMRO.0213.BPBG700073-on01 van de gemeente Brummen; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen; 1.3 aanbouw Een gebouw dat als afzonderlijke/zelfstandige ruimte aan het hoofdgebouw is gebouwd en die ruimtelijk (door zijn constructie en afmetingen) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aan huis gebonden bedrijf bedrijfsmatige activiteit voorkomend in milieucategorie 1 of 2, dan wel een naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een kapsalon of schoonheidssalon; evenwel met uitzondering van een seksinrichting; 1.7 aan-huis-gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling of uitwerking heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is, zoals arts,
notaris of advocaat; evenwel met uitzondering van prostitutie; 1.8 afwijken van de bouwregels en/of van de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.9 archeologisch deskundige: de regio-archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. 1.10 archeologisch onderzoek: het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.11 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende bekende of te verwachten waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten. 1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.13 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.14 bedrijfswoning een (gedeelte van een) gebouw, noodzakelijk voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, belast met het beheer van en/of toezicht op het krachten deze regels toegelaten (agrarisch) bedrijf of instelling;
Plagweg 16
41
1.15 bestaand bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.16 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.17 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.18 bijgebouw een vrijstaand gebouw, dat door zijn situering, afmetingen en gebruik ondergeschikt is aan dat op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.19 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.20 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.21 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct, indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt op of in de grond; 1.23 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten behoeve van verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met
uitzondering van perifere detailhandel; 1.24 escortbedrijf de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; 1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk (met 2 of meer wanden) omsloten ruimte vormt; 1.26 hobbymatige basis houden van dieren het uit liefhebberij/vrijetijdsbesteding houden van dieren waarbij de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan € 3.000 standaardbedrijfsopbrengst (SO); 1.27 hoofdgebouw een gebouw dat ruimtelijk (door zijn constructie en afmetingen) en functioneel (gelet op de bestemming) als belangrijkste gebouw op een bouwperceel valt aan te merken; 1.28 huishouden Een persoon of vaste groep personen die gezamenlijk en bestendig, voor onbepaalde tijd samenwonen; 1.29 luifel een (horizontaal) dak, dat aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daar tegenoverliggende zijde vrij dragend is.
Wanneer een luifel wordt ondersteund door één of meerdere kolommen is er sprake van een overkapping; 1.30 manege een gebruiksgericht, dienstverlenende paarden- en ponyhouderij, waarbij het doel is het geven van gelegenheid om met paarden en/of pony's binnen en/of buiten het betreffende perceel te rijden en het daaruit genereren van inkomsten;
42
Plagweg 16
1.31 ondergronds bouwwerk (een gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen beneden peil; 1.32 overkapping een bouwwerk met een open constructie met maximaal één gesloten wand op een bouwperceel, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebruik van het hoofdgebouw; 1.33 paardenbak buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactviteiten, voorzien van een zandbed, al dan niet in combinatie met een andere ondergrond en al dan niet voorzien van een omheining; 1.34 paardenhouderij paarden- en/of ponyhouderij met als doel het bedrijfsmatig stallen, trainen en africhten van paarden en/of pony's op het perceel met aanverwante dienstverlenende activiteiten, zoals privé- en groepslessen, workshops, cursussen, clinics en lezingen; 1.35 paddock afgeperkte ruimte voor paarden; 1.36 paardenfokken agrarische bedrijvigheid bestaande uit het fokken van paarden en/of pony's al dan niet in combinatie met het trainen en/of africhten van deze paarden en/of pony's; 1.37 parkeervoorzieningen elke al dan niet overdekte stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer; 1.38 peil de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.39 perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling; 1.40 seksinrichting een voor publiek toegankelijk, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele
handelingen worden verricht of vertoning van erotische-pornografische aard plaatsvindt. Hieronder wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.41 uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte aan een hoofdgebouw is gebouwd en dat ruimtelijk (door zijn constructie en afmetingen) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.42 voorgevel De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel van een hoofdgebouw, gekeerd naar de weg of het openbaar gebied; 1.43 voorgevellijn de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 1.44 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden;
Plagweg 16
43
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 Goothoogte van een bouwwerk De goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden wolfseinden en dakkapellen buiten beschouwing gelaten, behoudens dakkapellen waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel; 2.3 Inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 Oppervlakte van een bouwwerk a. voor gebouwen: tussen buitenwerkse gevelvlakken en/of hart van de scheidingsmuren en/of het overkapte gedeelte, neerwaarts geprojecteerd tot op peil; b.
voor bouwwerken zonder wanden of met één wand (open overkappingen of daarmee vergelijkbare bouwwerken geen gebouwen zijnde): het overdekte en/of bebouwde grondoppervlakte (gemeten loodrecht onder het dakoppervlak en/of bouwwerk); 2.5 Uitzondering bij wijze van meten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt.
44
Plagweg 16
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels Agrarisch met waarden - Landschapswaarden A
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden A' aangewezen gronden zijn bestemd voor: agrarische doeleinden, alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden, met daaraan ondergeschikt het op hobbymatige basis houden van dieren en/of het telen van gewassen; a. een paardenbak ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak'; b. een of meer paddocks ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paddock'; c. parkeergelegenheid ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'. 3.2 Bouwregels Op gronden met deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming toegestaan. Voor bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt dat: a. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak' en 'specifieke vorm van agrarisch - paddock' maximaal 1,5 meter bedraagt; b. overigens de bouwhoogte maximaal 1,25 m bedraagt. 3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.3.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in art.
2.1, eerste lid onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op gronden binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden A', de volgende werkzaamheden of werken geen bouwwerken zijnde, uit te voeren: binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - beslotenheid/houtopstanden': het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen tengevolge kunnen hebben. 3.3.2 Uitzondering vergunningplicht Het in lid 3.3.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud; b. werken en werkzaamheden in het kader van natuur- en bosbeheer; c. werken en werkzaamheden welke reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanleg- of omgevingsvergunning; d. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uit-voering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; e. het aanleggen van erfverhardingen voor ontsluitende wegen en paden naar agrarische bouwpercelen, woonpercelen, recreatieterreinen en bedrijfsterreinen van niet-agrarische bedrijven of ter ontsluiting van agrarische gronden, met een maximale breedte van 3 m; f.
werken en werkzaamheden die in overeenstemming zijn met het landschapsbeleidsplan (2008) en de instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000.
Plagweg 16
45
3.3.3 Beoordelingscriteria De omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover: a. de aanvrager de noodzaak van het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden aantoont op basis van een onderzoek door een terzake deskundige partij waarbij tevens de mogelijke significante (nadelige) gevolgen voor de cultuurhistorische – en/of archeologische aardwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische waarden en de waterhuishoudkundige kwaliteiten in beeld zijn gebracht; b. de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming; c. geen significante aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van de gronden; d. geen significante aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en –kwantiteit; e. geen significante aantasting plaatsvindt van de natuur-, landschappelijke -, ecologische -, cultuurhistorische – en/of archeologische waarden van de gronden. f. de kernkwaliteiten van het landschap in Agrarisch gebied - Waardevol landschap worden behouden en versterkt; g. daarmee de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS niet significant worden aangetast; h.
op grond van objectieve gegevens wordt uitgesloten dat de uitvoering van het plan significante gevolgen heeft de instandhoudings-doelstellingen van het Natura 2000-gebied. De aanlegvergunning wordt ook verleend indien op basis van een passende beoordeling zekerheid is verkregen dat het initiatief geen schadelijke gevolgen heeft voor instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
46
Plagweg 16
Artikel 4
Bedrijf - Paardenhouderij
4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijf - Paardenhouderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van een paardenhouderij; met daaraan ondergeschikt: b. één bedrijfswoning; c. het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf; d. het op hobbymatige basis houden van dieren; e. detailhandel in eigen voortgebrachte producten en streekgeproduceerde producten; f. bij het bedrijf behorende erven, voor onder andere een paardenbak, paddocks en parkeervoorzieningen. 4.1.2 Inrichtingseisen Bij uitvoering van de in artikel 4.1.1 vermelde doeleinden dient op de aangewezen gronden in voldoende mate te worden voorzien in parkeergelegenheid en in voldoende ruimte voor de logistieke afwikkeling van het (vracht)verkeer. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op gronden met deze bestemming zijn gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van deze bestemming toegestaan. Daarbij moeten de aanduidingen op de verbeelding in acht worden genomen. 4.2.2 Gebouwen a. de gezamenlijke de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 1.800 m²; b. er is één bedrijfswoning toegestaan met een maximale oppervlakte van 150 m²; c. indien de bestaande oppervlakte van de bedrijfswoning meer dan 150 m² bedraagt, geldt deze oppervlakte als maximum bij herbouw; d.
de herbouw van de bedrijfswoning is mogelijk waarbij de nieuwe bebouwingscontour op enig punt is geprojecteerd op maximaal 3 m van de bestaande bebouwingscontour; e. voor de bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen gelden de volgende maximale goothoogte- en hoogtematen: goothoogte / hoogte (in meters) bedrijfswoning 3/9 bedrijfsgebouwen 6 / 10
4.3 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken het volgende: a. de maximale hoogte hiervan is in onderstaande tabel vermeld: andere bouwwerken hoogte (in meters) overkappingen 3 verlichtings- en vlaggenmasten 8 b. hoogte van overige andere bouwwerken mag maximaal 2 m bedragen.
Plagweg 16
47
4.4 Afwijken van de bouwregels 4.4.1 Omgevingsvergunning 10% afwijken van maten Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning maximaal 10% afwijken van de in de regels genoemde maten mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het landschaps- en bebouwingsbeeld, de verkeersbelangen en de belangen van eigenaren en/of gebruikers van aangrenzende gronden en gebouwen niet onevenredig worden geschaad. 4.4.2 Omgevingsvergunning ander bedrijf Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning een ander bedrijf toelaten onder de volgende voorwaarden: a. Uitsluitend niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zoals die voorkomen in bijlage 1 “Toegelaten functies” of functies die in milieuhygiënisch oogpunt daaraan gelijk te stellen zijn, worden toegelaten; b. De verkeersaantrekkende werking neemt niet of slechts in beperkte mate toe (in relatie tot de wegcategorie en de bijbehorende capaciteit) en het verkeer kan in de toekomst zonder probleem via de bestaande wegen en paden worden afgewikkeld; c. Er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen en de bedrijven worden niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad; d. Het parkeren en de logistieke afhandeling behorende bij de bedrijfsactiviteiten vinden plaats binnen het bouwperceel; e.
De nieuwe activiteit betekent geen onevenredige aantasting voor natuur, landschap en milieu in vergelijking met de bestaande activiteit; f. De maximale oppervlakte voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten bedraagt 500 m²; g. De overige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt. 4.5 Specifieke gebruiksregels 4.5.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik in de zin van artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de in de bestemming aangegeven gronden en de daarop voorkomende bouwwerken c.q. gebouwen of delen daarvan als bedoeld in artikel 4.1.1 onder a, waarbij sprake is van het gebruik van versterkte muziek en/of versterkt stemgeluid. 4.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Binnen 1 jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden dienen de landschappelijke inpassingsmaatregelen, zoals die zijn opgenomen op de tekening in bijlage 2 te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.5.1, mits uit akoestisch onderzoek blijkt dat het ten gehore brengen van versterkte muziek en/of versterkt stemgeluid geen onevenredig nadelige effecten op de omgeving heeft.
48
Plagweg 16
Artikel 5
Waarde - Archeologie hoog
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voorrangsbepaling In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie hoog" voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 5.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 5.2.1 De aanvrager van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, overlegt een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. 5.2.2 Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 5.2.1 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 5.2.3 In de situatie als bedoeld in artikel 5.2.2, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.2.4 Het bepaalde in 5.2.1 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 250 m 2; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of d. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m. 5.2.5 Indien het bepaalde in artikel 5.2.3, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
Plagweg 16
49
5.2.6 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 5.2.2, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 5.2.3, is het bepaalde in artikel 5.2.4, aanhef en de onderdelen b en c, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 5.2.2, 5.2.3 en 5.2.5 is van overeenkomstige toepassing. 5.2.7 a. Het bepaalde in 5.2.1 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b. In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 5.2.3. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 5.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo, van het bevoegde gezag (aanlegactiviteit) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a.
afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 cm; b. het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; c. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; d. verlagen of verhogen van het waterpeil; e. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; h. het frezen en scheuren van grasland. 5.3.2 Het in lid 5.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 5.2 van toepassing is; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m2; c. reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; d. worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e. worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of g. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
5.3.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld. 5.3.4 Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 5.3.3 genoegzaam blijkt dat:
50
Plagweg 16
a. b.
er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de aanlegvergunning verbonden voorschriften.
5.3.5 In de situatie als bedoeld in artikel 5.3.4, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de aanlegvergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.3.6 Indien het bepaalde in artikel 5.3.5 , onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken. 5.3.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 5.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 5.3.5, is het bepaalde in artikel 5.3.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
Het bepaalde in de artikelen 5.3.4, 5.3.5 en 5.3.6 is van overeenkomstige toepassing. 5.3.8 a. Het bepaalde in 5.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b. In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 5.3.5. 5.4 Wijzigingsbevoegdheid 5.4.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien: a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. 5.4.2 Bij een besluit als bedoeld in artikel 5.4.1 geven burgemeester en wethouders de grenzen en de diepte aan waarvoor de gehele of gedeeltelijke verwijdering geldt.
Plagweg 16
51
Artikel 6
Waarde - Archeologie laag
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voorrangsbepaling In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie laag" voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 6.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 6.2.1 De aanvrager van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, overlegt een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. 6.2.2 Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 6.2.1 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 6.2.3 In de situatie als bedoeld in artikel 6.2.2, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.2.4 Het bepaalde in 6.2.1 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m 2; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of d. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m. 6.2.5 Indien het bepaalde in artikel 6.2.3, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
52
Plagweg 16
6.2.6 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 6.2.2, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 6.2.3, is het bepaalde in artikel 6.2.4, aanhef en de onderdelen b en c, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 6.2.2, 6.2.3 en 6.2.5 is van overeenkomstige toepassing. 6.2.7 a. Het bepaalde in 6.2.1 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b. In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 6.2.3. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 6.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo, van het bevoegde gezag (aanlegactiviteit) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a.
afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 cm; b. het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; c. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; d. verlagen of verhogen van het waterpeil; e. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; h. het frezen en scheuren van grasland. 6.3.2 Het in lid 6.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 6.2 van toepassing is; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m2; c. reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; d. worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e. worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of g. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
6.3.3 De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld. 6.3.4 Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 6.3.3 genoegzaam blijkt dat:
Plagweg 16
53
a. b.
er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de aanlegvergunning verbonden voorschriften.
6.3.5 In de situatie als bedoeld in artikel 6.3.4, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de aanlegvergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.3.6 Indien het bepaalde in artikel 6.3.5 , onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken. 6.3.7 Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 6.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 6.3.5, is het bepaalde in artikel 6.3.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
Het bepaalde in de artikelen 6.3.4, 6.3.5 en 6.3.6 is van overeenkomstige toepassing. 6.3.8 a. Het bepaalde in 6.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b. In een situatie als bedoeld onder a kunnen burgemeester en wethouders voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 6.3.5. 6.4 Wijzigingsbevoegdheid 6.4.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien: a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. 6.4.2 Bij een besluit als bedoeld in artikel 6.4.1 geven burgemeester en wethouders de grenzen en de diepte aan waarvoor de gehele of gedeeltelijke verwijdering geldt.
54
Plagweg 16
Hoofdstuk 3
Artikel 7
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8
Algemene bouwregels
8.1 Algemene regel Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daarvoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het plan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan. 8.2 Algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen en ondergrondse werken 8.2.1 Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze planregels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 8.2.2 Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan waar op grond van dit plan bovengronds gebouwen mogen worden gebouwd; b. bij het berekenen van het blijkens de verbeelding of deze planregels geldende maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mede in aanmerking genomen voor zover niet gebouwd wordt onder een bovengronds bouwwerk. 8.2.3 Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.2.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden; c.
het woongenot of de gebruiksmogelijkheden op de belendende percelen niet onevenredig wordt aangetast.
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de planregels voor het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot maximaal 5 meter, mits: 1. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving gewaarborgd wordt; b. de planregels ten behoeve van het oprichten van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 40 meter.
Plagweg 16
55
Artikel 10
Overige regels
10.1 Paraplubestemmingsplan Parkeren Het bepaalde in het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren', vastgesteld door de raad op 18 oktober 2018, is mede van toepassing. 10.2 Bestemmingsplan Beschermingszone bestrijdingsmiddelen Het bepaalde in het bestemmingsplan 'Beschermingszone bestrijdingsmiddelen' , vastgesteld door de raad op 25 oktober 2012, is mede van toepassing.
56
Plagweg 16
Hoofdstuk 4 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
11.1 Overgangsrecht bouwwerken 11.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 11.1.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 11.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 11.1.1 met maximaal 10%. 11.1.3 Uitzondering Artikel 11.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 11.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
11.2.2 Verbod Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1 , te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 11.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1 , na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 11.2.4 Uitzondering Artikel 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 12
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Plagweg 16'.
Plagweg 16
57
58
Plagweg 16
Bijlagen bij de regels
Plagweg 16
59
60
Plagweg 16
Bijlage 1
Plagweg 16
Toegelaten functies
61
62
Plagweg 16
Bijlage 2
Plagweg 16
Landschappelijke inpassing
63
64
Plagweg 16
Plagweg 16
65
66
Plagweg 16
Bijlage M Toegelaten functies
1.
Buitengebied Brummen
toegelaten functies functie
koppeling aan functies
categorieindeling Bedrijven en Milieuzonering
Landbouw verwante functies - agrarische hulpbedrijven .loonbedrijven
N
V
2/3
.veehandelsbedrijven
N
V
3+
.spermabank
N
V
3
.fouragehandel
N
V
2
.zaaizaad en pootgoed
N
V
3
.opslag agrarische producten
N
V
3+
.hoefsmederij
N
V
2
.hoveniersbedrijven
N
V
1
.boomverzorgingsbedrijven
N
V
1
.natuur- en landschapsbeheer
N
V
1
N
V
2
- toeleverende bedrijven
- semi-agrarische bedrijven
.vis- escargot- wormkwekerij - sociale nevenfunctie op agrarisch bedrijf (resocialisatie, therapie, gehandicapten)
N
1
Opslag .caravans / boten
N
V
.inboedel
N
V
Recreatie -horeca .eethuis
N
L
2
.ijssalon
N
L
1
.theeschenkerij
N
-paardenpension / -stalling
L
1
N
V
2/3
.paarden
N
V
2/3
.fietsen
N
V
2
.kano's
N
V
-verhuur
-logies met ontbijt alsmede lichte horecavoorzieningen
N
2 L
1
Dienstverlening -individuele (para)medische of therapeutische praktijk
N
V
L
-dierenarts
N
V
L
-atelier
N
V
L
-privé-kliniek
L
2
-kuuroord
L
2
L
2/3
-dierenkliniek
1
-cursuscentrum
N
V
-crèche / peuterspeelzaal
N
V
-museum / tentoonstellingsruimte Ambachtelijke landbouwproductverwerkende bedrijven
N
V
.vleesverwerking
N
V
2/3
.zuivelverwerking
N
V
2/3
.plantaardige productverwerking
N
V
3+
2 L
2
functie
koppeling aan functies
categorieindeling Bedrijven en Milieuzonering
.imkerij
N
V
2
.wijnmakerij
N
V
2
.bierbrouwerij
N
V
3
.riet- en vlechtwerk
N
V
2
-meubelmakerij / restauratie
N
V
3
-meubelstoffeerderijen
N
V
1
-vervaardigen en reparatie sieraden
N
V
2
-vervaardigen en reparatie muziekinstrumenten
N
V
2
-spinnen en weven van textiel
N
V
3
-pottenbakkerij
N
V
2/3
Overige ambachtelijke bedrijven
koppeling aan functies: N toelaatbaar als nevenactiviteit met een maximale oppervlakte van 350 m² op agrarisch bedrijf V toelaatbaar als vervolgactiviteit met een maximale oppervlakte van 500 m² op voormalig agrarisch bedrijf L toelaatbaar bij landhuizen/op landgoederen als nevenactiviteit met een maximale oppervlakte van 350 m² categorie-indeling: 1 grootste afstand 0 tot 10 meter 2 grootste afstand 30 meter 3 grootste afstand 50 tot 100 meter 4 grootste afstand 200 tot 300 meter
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN TAKT ACADEMY
Struweel Salix caprea
Vrijstaande bomen Crataegus laevigata
Houtwal Corylus avellana, Malus sylvestris, Carpinus betulus, Ulmus laevis, Tilia plathyphyllos, Crateagus monogyna, Rosa rubiginosa
Vrijstaande boom Crataegus laevigata
Gemengde haag Corylus avellana, Carpinus betulus, Ulmus laevis, Tilia plathyphyllos, Crateagus monogyna, Rosa canina
Knotwilgen Salix alba Knotwilgen Salix alba
P Vrijstaande boom Crataegus monogyna
P* Gemengde haag Corylus avellana, Malus sylvestris, Carpinus betulus, Ulmus laevis, Tilia plathyphyllos, Crateagus monogyna, Rosa canina
Gemengde haag Carpinus betulus, Ulmus laevis, Tilia cordata, Morus alba Alnus glutinosa 0
LEGENDA
P
20
30
40
50
60 m
TOELICHTING BEBOUWING BESTAAND
BOMEN BESTAAND
GEMENGDE HAAG NIEUW
RIJBAK BESTAAND
KNOTBOMEN NIEUW
GEMENGDE HAAG PARKEREN NIEUW
PADDOCK ZAND
VRIJSTAANDE BOMEN NIEUW
COMPOSTHOOP GFT
KRUIDENRIJKE WEIDE
HOUTSINGEL NIEUW
PARKEERPLAATS
STRUWEEL NIEUW
P* UITWIJKLOCATIE PARKEREN Opdrachtgever Project Projectadres Postcode Plaats
: : : :
Takt Academy
Omschrijving
P/20-29/O
Datum
Plagweg 16
Versie
:
Empe
7399 RN
Formaat Schaal
: : : : :
Landschappelijk inpassingsplan 6 januari 2021 2
Het perceel heeft de bestemming Agrarisch met landschapswaarden. Deze bepaling komt uit het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Typerend is de blokvormige verkaveling. Belangrijke landschappelijke waarde is de beslotenheid van het landschap dat wordt bepaald door de aanwezige bosjes en de bomenrijen langs wegen.
Bladzijde Tekenaar Ontwerpbureau
Om het bedrijf in te passen in de omgeving en de landschappelijke waarde te verhogen is een beplantingsplan gemaakt. Hiermee wordt de blokvorm van het perceel benadrukt door het te omlijsten met struweel, hagen en bomen(rijen). Deze worden op strategische plekken geplaats om bebouwing vanuit de omgeving aan het zicht te ontnemen. Het perceel is niet volledig omsloten, om uitzicht op de omgeving en binding met de omgeving te behouden. Bij de soortkeuze is gelet op het vergroten van de biodiversiteit. Hagen en houtwallen bestaan uit diverse inheemse soorten om over een zo lang mogelijke periode een variatie aan voedselaanbod te bieden voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Daarnaast zijn al deze soorten eetbaar voor paarden en aanvulling op hun ruwvoer. De aanwezige keuzevrijheid in voedselaanbod stimuleert het fourageer gedrag. De wilg is voor paarden een absolute favoriet. Zowel blad als takken worden graag gegeten. De boom groeit snel en daardoor ontstaat er nieuw aanbod. Wilgen zijn bovendien waardevolle bomen voor bijen en andere nectarbehoevende insecten door hun vroege bloei in de wintermaanden. De meidoorns zijn voor vogels en insecten een verrijking: de uitbundige bloesem in het voorjaar, de rijke besdracht in het najaar en bescherming tussen de doorns.
: : :
1/2 Ing L. Knoops Paardentuinen
A2 1 : 500
Alle maten en peilen in het veld nameten. Er is geen hoogtemeting verricht. Tekening is gebaseerd op aangeleverde inmeting. Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleend.
Paardentuinen - Haneman 3 - 6645 CA Winssen - 06-23 45 28 28 - www.paardentuinen.nl - laura@paardentuinen.nl