CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(066) APV 2019 (2024) volledige tekst - D477433

Besluitvormende raadsvergadering 19 december 2024, gemeente BrummenBij agendapunt: Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 201920.405 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aan zien van motorijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel: 35

c. binnen de in het omgevingsplan aangewezen terreinen zoor zover die activiteit daarbij is toegestaan. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Afdeling 8. Vuurverbod Artikel 5:28 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden, zoals barbecueën binnen de bebouwde kom en in het nietopenbare buitengebied van de gemeente, voor zover het geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. d. het verbranden van schoon snoeihout in de maanden oktober tot en maart in het buitengebied van de gemeente. Voor het stoken van een paasvuur is altijd een ontheffing nodig. Zelfs als Pasen binnen deze periode valt. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Als er sprake is van een situatie, zoals omschreven in lid 2, onder d.

dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: - Er mag alleen snoeihout afkomstig van landschapsonderhoud en erfbeplanting worden verbrand; - Er mag geen snoeihout, dat is ontstaan binnen de bebouwde kom, naar het buitengebied worden overgebracht om daar te verbranden; - De totale hoeveelheid te verbranden snoeihout mag maximaal 50 m3 zijn. Dit mag geen bedrijfsmatig kap- en snoeihout betreffen. Het mee verbranden van andere (afval)stoffen is nadrukkelijk niet toegestaan; - Vanaf de brandplaats moet de afstand tot woningen van derden en bos- en heidegebieden minimaal 100 meter bedragen. De afstand tot brandbare objecten (gebouwen) en wegen moet minimaal 50 meter bedragen; - De brandplaats mag een maximale oppervlakte hebben van 20 m2; - Er mag geen verbranding binnen het terrein van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer plaatsvinden; - Er moet worden zorggedragen dat er geen verontreiniging van de bodem dan wel oppervlaktewater optreedt. Artikel 13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) en artikel 6.2 van de Waterwet mogen niet worden overtreden.

Voor het maken van vuur mag daarom geen gebruik worden gemaakt van vloeibare brandstoffen; - Vanaf de brandplaats moet een afstand van minimaal 5 meter tot een watergang worden aangehouden; - Het verbranden van snoeihout moet geschieden op een voorziening, zoals bijvoorbeeld beton, stenen, tegels of metaal; - De verbrandingsresten moeten binnen 72 uur na de verbranding op een verantwoorde wijze worden verwijderd en afgevoerd; - De weersomstandigheden moeten voldoen aan de volgende twee eisen: a. Het moet droog weer zijn, dus bij regen of mist mag er geen verbranding plaatsvinden; b. De windkracht mag maximaal 5 Beaufort zijn (max. 10,7 m/s). − Er mag allen gestookt worden als op de site van Natuurbrandrisico.nl fase 1 wordt gegeven; − Er mag geen gevaar of overlast voor de omgeving optreden. Dit geldt zowel voor buurtbewoners als het verkeer; − Er moet onafgebroken toezicht zijn op het vuur door een meerderjarige; − Er moet worden zorggedragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijke rookontwikkeling plaatsvindt. Verder moet zodanig worden gestookt, dat er geen vliegvuur of hinder ten gevolge van rook kan ontstaan. Bij hinder aan derden moet het stoken direct worden beëindigd; − Er moeten voldoende blusmiddelen aanwezig zijn om, indien nodig, het vuur te temperen of te doven. Dit kan bijvoorbeeld met (een combinatie van) de volgende blusmiddelen: 36

een schop en voldoende zand; een tuinslang of emmers water; − een brandblusser. − Verbranding mag slechts plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang; − Er mag geen verbranding plaatsvinden op zon- en feestdagen, met uitzondering van paasen kampvuren; − Aanwijzingen van het bevoegd gezag (zoals politie, brandweer of gemeente) worden in verband met openbare orde en/of veiligheid direct gevolgd. 6. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of bij of krachtens de Omgevingswet. de provinciale omgevingsverordening. − −

Afdeling 9. Asvertrooiing Artikel 5:29 Begripsbepaling Vervallen Artikel 5:30 Verboden plaatsen Vervallen Artikel 5:31 Hinder of overlast Vervallen

Afdeling 10 Reiniging door middel van stralen of onder hoge druk reinigen Artikel 5:32. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 5:33 Verbodsbepaling Vervallen Artikel 5:34 Uitzonderingen Vervallen Artikel 5:35 Verhouding met andere artikelen uit deze verordening. Vervallen

Afdeling 11. Openbare veiligheid Artikel 5:36 Versperring van brandkranen a. nabij, op of over openbare brandkranen, brandputten of andere waterwinplaatsen zodanig voorwerpen te plaatsen of geplaatst te hebben, dat de brandweer in het onmiddellijke gebruik daarvan belemmerd wordt: b. voorwerpen zodanig te plaatsen of geplaatst te hebben, dat daardoor het onmiddellijke gebruik van in- en uitritten van brandweergebouwen belemmert wordt.

Afdeling 12 Wegsleepregeling Vervallen Artikel 5:37 Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 5:38 Aanwijzing van wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld in het belang van het vrijhouden van wegen en weggedeelten Vervallen Artikel 5:39 Plaats bewaring voertuigen en openingstijden Vervallen 37

Artikel 5:40 Kosten overbrengen en bewaren voertuigen en loze ritten Vervallen. Artikel 5:41 Beleidsregels Vervallen

Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste lid wordt een overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikelen 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en 2:58, 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, 2:11 en 2:12 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit en 4:12, eerste lid. 4. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet Veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid van de Wet Veiligheidsregio’s. Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: a. de algemene opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering; b.

de bijzondere opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering; c. functionarissen van de sector brandweer van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met toezicht belasten. Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Hardheidsclausule Het bevoegd gezag is bevoegd om af te wijken van enig voorschrift in deze verordening, wanneer deze voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het voorschrift te dienen doelen. Artikel 6:5 Intrekking oude verordening De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Brummen 2013 met citeertitel 2015, wordt ingetrokken.

Artikel 6:6 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:5, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6:7 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na bekendmaking van het vaststellingsbesluit. Artikel 6:8 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening gemeente Brummen 2019. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 december 2018, bij raadsbesluit met kenmerk D289135. Laatstelijk gewijzigd in de openbare raadsvergadering van 26 januari 2023, bij raadsbesluit met kenmerk D401034 38

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 februari 2024, bij raadsbesluit met kenmerk D423843

39

Bijlage 1: Kaart met bebouwde kommen:

40

41

Bijlage 2: Gebieden zoals bedoeld in Artikel 4:12, zesde lid:

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14864275/1