CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

064 - Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Natuurontwikkeling Cortenoever

Gemeenteraad 21 januari 2021, gemeente BrummenBij agendapunt: Natuurontwikkeling Cortenoever24.340 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlagen ruimtelijke onderbouwing - D345538

Provincie Gelderland T.a.v. H. Boerdam Afdeling Vergunningen Betreft: Vergunningsplicht Wnb project Cortenoever Inleiding In deze brief wordt geconcludeerd dat het project Cortenoever niet vergunningplichtig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Met deze brief verzoeken we u om te beoordelen of u de conclusies aan het einde van deze brief kunt onderschrijven. Het project Cortenoever ligt in de uiterwaard aan de linkeroever van de IJssel ter hoogte van Brummen. Het gebied maakt onderdeel uit van het N2000=gebied Rijntakken en is grotendeels aangewezen als habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied en aan de zuidwestzijde alleen als Vogelrichtlijngebied (zie figuur 1).

Figuur 1. Ligging en status projectgebied. Het project Cortenoever heeft tot doel om N2000-doelen te realiseren. Dit gebeurt in samenhang met de realisatie van doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW-doelen) en de realisatie van het Gelders natuurnetwerk. Hierbij worden doelen en middelen gecombineerd zoals bedoeld in paragraaf 2.9 Uitvoeringsstrategie en ambitieniveau van het beheerplan Rijntakken (zie kader). Het plan bevat naast een aantal inrichtingsmaatregelen gericht op de ontwikkeling van N2000-doelen, de omvorming van landbouwgrond naar natuur (64 ha functieverandering) en de aanpassing van het beheer in bestaande natuur met als doel de ontwikkeling van glanshaverhooiland. Onderdeel van het project is tevens de inrichting van 2 ha natuurcompensatie voor het project ViA15 en een aantal kleinschalige aanpassingen ten behoeve van de recreatieve toegankelijkheid van het gebied.

2.9 Uitvoeringsstrategie en ambitieniveau Haalbaar en betaalbaar is een belangrijk uitgangspunt voor dit beheerplan. De uitvoering van het beheerplan moet enerzijds worden gefinancierd vanuit het ‘deelakkoord Natuur’ en de middelen die beschikbaar worden gesteld in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (*). Anderzijds staat meeliften met bestaande ontwikkelingen centraal. Dit betekent zoveel mogelijk koppelen aan de uitvoering van andere programma’s die al gepland staan voor de Rijntakken. Het gaat hierbij om de Rijksprogramma’s Ruimte voor de Rivier, Kaderrichtlijn Water (KRW), Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) en het Deltaprogramma. Het combineren van doelen en middelen, bijvoorbeeld natuurmiddelen met veiligheidsmiddelen of met Kaderrichtlijnwater middelen, kan een meerwaarde opleveren. Naast genoemde programma’s kan aangehaakt worden bij de provinciale programma’s voor de realisatie van natuuropgaven. Bron: beheerplan N2000 Rijntakken (*) Noot: Programma aanpak stikstof is inmiddels door de Raad van State vernietigd. Hoewel de PAS is vernietigd, blijven de middelen voor de uitvoering van de natuurmaatregelen beschikbaar Inrichtingsmaatregelen Er wordt in het kader van het project een vijftal inrichtingsmaatregelen uitgevoerd. Hier onder worden de maatregelen kort toegelicht. 1.

De verlande kronkelwaardgeulen in het gebied worden weer watervoerend gemaakt, waarbij gestreefd wordt naar de ontwikkeling van een begroeid watertype Meren met Krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150). Om te zorgen dat de benodigde gedempte peildynamiek, die hoort bij dit watertype, wordt gerealiseerd, wordt het sluisje bij de Schans weer bruikbaar gemaakt. Met deze maatregel worden ook KRW-doelen gerealiseerd. 2. Binnen het gebied wordt op een 2-tal locaties het maaiveld verlaagd met als doel in het voorjaar een plas-drassituatie te laten ontstaan. Gekoppeld aan de maaiveldverlaging bij de Batterij wordt een aantal bestaande kunstwerken aangepast met als doel water beter te kunnen vasthouden binnen de maaiveldverlaging. Deze maatregel is gericht op het realiseren van biotoop voor porseleinhoen (A119). Met deze maatregel worden ook KRW-doelen gerealiseerd. 3. Aansluitend op het bestaande Essen-Iepenbos wordt 8,5 ha extra bos ontwikkeld bestaande uit Hardhoutooibos (H91F0), Essen-Iepenbos (H91E0B) en 1,5 Zachthoutooibos (H91EoA). De totale toekomstige boskern wordt hiermee 10,4 ha groot. De ontwikkeling van de boskern leidt in beginsel tot ontoelaatbare waterstandseffecten op de rivier.

Het verwijderen van kleine boselementen zachthoutooibos (bij elkaar 1,5 ha) zorgt er in combinatie met een maaiveldverlaging bij de Hank evenwel voor dat het project niet leidt tot ontoelaatbare waterstandseffecten op de rivier en het project vergunbaar is in het kader van de Waterwet. Zonder het verwijderen van dit bos zou voor het project geen watervergunning kunnen worden afgegeven en het realiseren van de grote boskern ook niet mogelijk zijn. Deze aanpak waarbij kleine boselementen via een soort herverkaveling kunnen worden omgezet in grotere boskernen wordt beschreven in het beheerplan Rijntakken en leidt niet tot significante effecten (zie kader hieronder). Het verwijderen van 1,5 ha zachthoutooibos maakt ter plekke de ontwikkeling van Meren met krabbenscheer en Fonteinkruiden mogelijk. In de meeste gevallen ontbreekt een echt bosklimaat en is de leeftijdsopbouw en structuur erg eenvormig. Sleutelfactoren om de kwaliteit te verbeteren zijn omvang en duurzaamheid. Een zachthoutooibos moet oud kunnen worden. Voor dit type is geen uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Om toch een vergroting van de omvang per eenheid te kunnen realiseren (> 25 ha) wordt ingezet op het samenvoegen van verspreid gelegen stukjes bos zodat grotere boskernen ontstaan (“herverkaveling”).

Wanneer in dit kader kwalificerend zachthoutooibos wordt verwijderd om elders een grotere eenheid ooibos te kunnen realiseren

en per saldo de oppervlakte ooibos minstens gelijk blijft wordt dit niet beschouwd als een significante aantasting. Bron: beheerplan N2000 Rijntakken paragraaf 3.3.1 4.

5.

In het project wordt een aantal recreatieve voorzieningen aangebracht. Het gaat hierbij om het aanpassen van een laarzenpad (plaatsen paaltjes) en bebording aan de nieuwe inrichting en het plaatsen van een bankje bij de dijk. Het aangepaste laarzenpad is evenals het huidige laarzenpad in het broedseizoen gesloten. Ten slotte wordt een tweetal percelen ingericht als natuurcompensatie voor de ViA15, zoals vastgelegd in de Wnb vergunning voor de ViA15. Deze landbouwpercelen (gelegen binnen het Habitatrichtlijngebied) worden omgevormd naar stroomdalgrasland en glanshaverhooiland. De percelen maken deel uit van het GNN.

In onderstaande tabel staan de uit te voeren inrichtingsmaatregelen beschreven en wordt verwezen naar de bijbehorende maatregel in het beheerplan Rijntakken (bijlage 3 Beheerplan Rijntakken). Daarnaast wordt aangegeven welke ecologische doelstelling zoals genoemd in bijlage 3 wordt gerealiseerd met de maatregelen. Maatregel

Inrichtingsmaatregelen

Kronkelwaardgeulen

Uitbaggeren verlande kronkelwaardgeulen

Maaiveldverlagingen

Maaiveldverlaging “Reuversweerd”

IJ31

0,6

Maaiveldverlaging “De Batterij”

IJ31

4,9

Maaiveldverlaging “De Hank”

IJ31

Herstel sluis “De Spaanse Schans”

IJ33

Verwijderen duiker “De Batterij - IJssel”, direct gelegen aan de IJssel Vervangen duiker/ terugslagklep “De Batterij- Kerkedijkje”, gelegen aan de noordzijde van de ontgravingsvlakte. Verwijderen duiker “De Batterij-Midden”, gelegen in het midden

Y31

Kunstwerken

Maatregelnummer in het beheerplan IJ33

Oppervlakte (ha)

Doelstelling

6,1

Ontwikkeling habitattype Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (N2000), leefgebied Grote en Klein modderkruiper, voortplantingsbiotoop kamsalamander. Ontwikkeling broedbiotoop voor het porseleinhoen (N2000) Ontwikkeling broedbiotoop voor het porseleinhoen (N2000) Realisatie boskern (rivierkundige compensatie) Ontwikkeling habitattype Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (N2000). Ontwikkeling broedbiotoop voor het porseleinhoen (N2000)

Y31

Ontwikkeling broedbiotoop voor het porseleinhoen (N2000)

Y31

Ontwikkeling broedbiotoop voor het porseleinhoen (N2000)

Laarzen pad

van de ontgravingsvlakte Ontwikkelen 9 ha ooibos aansluitend op bestaand esseniepenbos en verwijderen 1,5 ha zachthoutooibos Inplanten haag “De Hank- Rustpunt” Plaatsen informatiepaneel “De Hank” Vervangen informatiepaneel “Heijendal” (Weg naar het Ganzenei) Aanpassen laarzenpad aan nieuwe inrichting

Rustpunt

Realisatie rustpunt “de Hank”

Ooibos

Hagen Informatiepanelen

Natuurcompensatie

Realisatie perceel glanshaverhooiland (1 ha) Realisatie perceel stroomdalgrasland (1 ha)

IJ31

Hardhout:2,2 Essen-Iepenbos: 5,0 Zachthoutooibos 1,5

Uitbreiding hardhoutooibos tot boskern

Natuur- en landschap maatregel Recreatie en toerisme

Behoud laarzenpad/recreatieve ontsluiting Recreatieve beleving vanaf de rand van het gebied Natuurcompensatie ViA15 glanshaverhooiland (700 m2) Natuurcompensatie ViA15 stroomdalgrasland (200 m2)

Realisatie doelen door functiewijziging en beheer Naast de doelen die gerealiseerd worden door inrichtingsmaatregelen worden in het gebied gronden omgevormd naar natuur (64 ha) door functiewijziging en natuurbeheer. Het beheer zal op de geschikte locaties worden gericht op de ontwikkeling van 30 ha glanshaverhooiland (H6510A, maatregel IJ35 Beheerplan), en een uitbreiding met 62 ha geschikt broedbiotoop voor kwartelkoning (A122, IJ31). Binnen de te ontwikkelen glanshaverhooilanden zal zich op de hoogstgelegen zandige locaties stroomdalgrasland (H6120) kunnen ontwikkelen (IJ31). Daarnaast zal binnen de bestaande eigendommen van Staatsbosbeheer het beheer worden gewijzigd en worden gericht op de ontwikkeling van het habitattype glanshaverhooiland en stroomdalgrasland (8ha). Deze percelen sluiten aan op een groter gebied dat als hooiland wordt beheerd en vormen samen een potentieel broedgebied voor kwartelkoning (totaal 70 ha). In bijlage 1 en 2 wordt op kaart aangegeven waar invulling wordt gegeven aan de N2000-maatregelen voor zowel soorten als habitats. Doelrealisatie gerelateerd aan opgave beheerplan De opgave voor de ontwikkeling van ooibos (21 ha) zoals genoemd in de maatregelentabel blijkt niet realiseerbaar. Dit heeft te maken met de maken met de eigendomssituatie en de rivierkundige ruimte.

De opgave voor glanshaverhooiland wordt ruimschoots gerealiseerd (na een ontwikkelperiode) waarbij binnen deze percelen op de zandige delen de ontwikkeling van stroomdalgrasland wordt verwacht. Ook wordt een uitbreiding van stroomdalgrasland verwacht op de bestaande natuurpercelen in beheer bij

Staatsbosbeheer. Aan de overige opgaven die in het beheerplan niet specifiek voor Cortenoever zijn gekwantificeerd wordt invulling gegeven. Conclusies Het project geeft uitvoering aan het Beheerplan N2000 Rijntakken. Daarom is het project niet vergunningplichtig op basis van artikel 2.7 lid 2 van de Wnb. Dit geldt voor het onderdeel gebiedsbescherming (art. 2.2 en 2.3 Wnb, uitvoering van instandhoudingsmaatregelen), als ook voor soortbescherming en houtopstanden (resp. art 3.8 lid 7 en art. 4.4. lid 1 Wnb). Op basis van de zorgplicht worden de volgende maatregelen getroffen: • Er is/wordt een inventarisatie uitgevoerd van de beschermde natuurwaarden in het gebied; • Op basis van de uitkomsten van deze inventarisatie wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld; • Het werkprotocol wordt besproken met het bevoegd gezag; • De voorschriften in het werkprotocol worden opgenomen in het contract met de aannemer, en tijdens de uitvoering gecontroleerd door een ecoloog.

Bijlage 1. N2000 doelrealisatie soorten

Bijlage 2. N2000 doelrealisatie habitats

CORTENOEVER WP 2.3 p3 - Aanvullende natuurtoets Wet Natuurbescherming Rijkswaterstaat PPO

26 NOVEMBER 2019

CORTENOEVER

Contactpersoon BAS VAN DEN DRIES

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

2 van 31

CORTENOEVER

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

6

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Werkwijze

5

1.3

Leeswijzer

5

JURIDISCH KADER

6

2.1

Natuurbescherming in Nederland

6

2.1.1

Onderdeel gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de Wnb)

6

2.1.1.1

Natura 2000-gebieden

6

2.1.2

Onderdeel soortbescherming (hoofdstuk 3 van de Wnb)

7

2.1.2.1

Categorieën

7

2.1.2.2

Verbodsbepalingen

7

2.1.2.3

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen

8

2.1.3

Natuurnetwerk Nederland

10

BESCHRIJVING PLANGEBIED EN INGREEP

12

3.1

Gebiedsbeschrijving en ligging

12

3.2

Voorgenomen ruimtelijke ingreep

12

GEBIEDSBESCHERMING - NATURA 2000 VOORTOETS

14

4.1

Effectbeoordeling habitattypen

14

4.2

Conclusie voortoets

14

GEBIEDSBESCHERMING - NATUURNETWERK

15

5.1

Beschrijving wezenlijke kenmerken en waarden

15

5.2

Effectbeschrijving

15

5.3

Toetsing aan Omgevingsverordening Gelderland

15

SOORTBESCHERMING

16

6.1

Beschermde soorten plangebied Cortenoever

16

6.1.1

Bever

16

6.1.2

Otter

17

6.1.3

Vleermuizen

17

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

3 van 31

CORTENOEVER

7

8

6.1.4

Vogels met jaarrond beschermde nesten

18

6.1.5

Kamsalamander

19

6.1.6

Rugstreeppad

19

6.1.7

Poelkikker

19

6.1.8

Kleine marters, bunzing, hermelijn en wezel

20

6.2

Effectbeschrijving

20

6.3

Toetsing

21

6.4

Vrijstellingen en gedragscode

21

6.5

Mitigerende maatregelen en zorgplicht

22

CONCLUSIES

24

7.1

Gebiedsbescherming

24

7.2

Natuurnetwerk Nederland

24

7.3

Soortbescherming

24

LITERATUUR

25

BIJLAGEN BIJLAGE A RELEVANTE ARTIKELEN WET NATUURBESCHERMING

26

BIJLAGE B BESCHERMDE SOORTEN ART. 3.5

29

BIJLAGE C BESCHERMDE SOORTEN ART. 3.10

30

COLOFON

31

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

4 van 31

CORTENOEVER

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De provincie Gelderland en Rijkswaterstaat werken in overleg met Staatsbosbeheer en de gemeente Brummen aan natuurontwikkeling in het uiterwaardengebied Cortenoever. In 2015 is gestart met het verkennen naar de kansen voor natuurontwikkeling in Cortenoever als uitwerking van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Naar aanleiding van deze verkenning zijn er doelen voor KRW, Natura 2000 en GNN opgesteld passend bij de landschappelijke kwaliteiten van Cortenoever. Deze doelen zijn samen met de wensen van verschillende partijen geland in een definitief ontwerp. Eerder heeft Tauw (2018) voor een tweetal varianten van Cortenoever een natuurtoets uitgevoerd. Omdat het Definitief Ontwerp (DO) van september 2019 afwijkt van beide getoetste varianten van Tauw is Arcadis gevraagd een aanvullende toetsing uit te voeren voor het onderdeel natuur. Voorliggende rapportage betreft deze aanvullende toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming (onderdeel soort- en gebiedsbescherming) en een toetsing aan het natuurbeleid van de provincie Gelderland, het Gelders Natuurnetwerk.

1.2

Werkwijze

Uit de toetsing van Tauw (2018) is gebleken dat voor een aantal beschermde soorten verder soortgericht onderzoek nodig was om de functie van Cortenoever te bepalen voor deze soorten. Soortgericht onderzoek is daarom uitgevoerd naar de volgende soorten en/of soortgroepen: • vleermuizen • bever • otter • kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) • poelkikker • kamsalamander • rugstreeppad • vogels met jaarrond beschermde nesten Voor meer informatie over het uitgevoerde soortgericht onderzoek wordt verwezen naar de uitgevoerde veldonderzoeken van Tauw (2019) en Ekoza (2019). De resultaten van het soortgericht onderzoek, in combinatie met beschikbare verspreidingsgegevens, vormen de basis van deze aanvullende natuurtoets. Voor toetsing aan het ‘Nee tenzij’ regime van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het onderdeel gebiedenbescherming van de Wet natuurbescherming is een bureaustudie uitgevoerd om de eerdere variant 1 uit de toetsing van Tauw (2018) te vergelijken met het DO van september 2019. De resultaten hiervan zijn opgenomen in dit rapport.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is het juridisch kader, de Wet natuurbescherming (Wnb), toegelicht. In Bijlage A zijn de relevante wetsartikelen opgenomen. Hoofdstuk 3 gaat in op de maatregelen die niet eerder getoetst zijn in het rapport van Tauw (2018). In hoofdstuk 4 en 5 vindt een toetsing plaats aan de Wnb voor respectievelijk het onderdeel gebiedsbescherming en het ‘Nee tenzij’ regime van het Natuurnetwerk Nederland. De toetsing aan de gebiedsbescherming in hoofdstuk 4 betreft een voortoets. Hoofdstuk 6 gaat over soortbescherming. In hoofdstuk 7 zijn de conclusies beschreven. Tenslotte is de gebruikte literatuur in hoofdstuk 8 opgenomen.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

5 van 31

CORTENOEVER

2

JURIDISCH KADER

2.1

Natuurbescherming in Nederland

De juridische bescherming van de Nederlandse natuur is in hoofdlijn geregeld via twee sporen. Hierbij zijn het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de soort- en gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming, die per 1 januari 2017 zijn geregeld onder de Wet natuurbescherming, de belangrijke kaders. In de onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op de wettelijke en beleidsmatige kaders voor natuurbescherming, die relevant zijn voor dit project.

2.1.1

Onderdeel gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de Wnb)

Hoofdstuk 2 van de wet gaat over de bescherming van Natura 2000-gebieden. Artikelen 2.7 en 2.8 schrijven voor dat een project, dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend kan worden uitgevoerd indien uit een Passende Beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien de vereiste zekerheid niet is verkregen, kan het project enkel worden uitgevoerd indien er geen alternatieve oplossingen zijn, sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen.

2.1.1.1

Natura 2000-gebieden

Met inbegrip van gebieden op het Nederlands Continentaal Plat hebben 166 gebieden in Nederland de status van Natura 2000-gebied. Deze gebieden worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Cortenoever bevindt zich in het Natura 2000-gebied Rijntakken en is op grond van de Habitat- en Vogelrichtlijn aangewezen. De essentie van de Habitatrichtlijn is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Voor ieder gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd ten aanzien van de aanwezige soorten en habitats, waarbij onderscheid gemaakt wordt in behoudsdoelstellingen (voor habitats en soorten die zich al op het doelstellingsniveau bevinden) en uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen (voor soorten en habitats die zich nog niet op doelstellingsniveau bevinden).

Om dit toetsbaar te maken kent de Wet natuurbescherming voor projecten en andere handelingen die gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben een vergunningplicht. De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer zeker is dat er geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied zullen optreden. Wanneer deze zekerheid bij globale beoordeling van een project (de Voortoets) niet op voorhand verkregen kan worden, moet een diepgaandere studie, de passende beoordeling, de wetenschappelijke informatie geven voor de onderbouwing van het besluit.

De soorten en habitats die in de betrokken Natura 2000-gebieden een instandhoudingsdoelstelling hebben, zijn leidend voor het bepalen van de relevante ingreep-effect relaties. In voorliggende aanvullende natuurtoets wordt vastgesteld of door de voorgenomen activiteiten de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden mogelijk worden aangetast of dat dit op voorhand kan worden uitgesloten.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

6 van 31

CORTENOEVER

2.1.2

Onderdeel soortbescherming (hoofdstuk 3 van de Wnb)

2.1.2.1

Categorieën

De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • • •

soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1); soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2); andere soorten (Wnb paragraaf 3.3).

Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1).

Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • • •

bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn; bijlage II bij het Verdrag van Bern of; bijlage I bij het Verdrag van Bonn (art. 3.5 lid 1);

en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern (art. 3.5, lid 5). In Bijlage B is een lijst opgenomen van de soorten die bij deze categorie horen. Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden.

Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat, zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Deze lijst is opgenomen als Bijlage C.

2.1.2.2

Verbodsbepalingen

Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5).

Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5).

Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

7 van 31

CORTENOEVER

rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c).

2.1.2.3

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen

Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale Staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies).

De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het bevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.

In de Verordening uitvoering Wet Natuurbescherming Gelderland is een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten: • Aardmuis • Bosmuis • Bruine kikker • Dwergmuis • Dwergspitsmuis • Egel • Gewone bosspitsmuis • Gewone pad • Haas • Huisspitsmuis • Kleine watersalamander • Konijn • Meerkikker • Middelste groene kikker • Ondergrondse woelmuis • Ree • Rosse woelmuis • Tweekleurige bosspitsmuis • Veldmuis • Vos Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

8 van 31

CORTENOEVER

3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie.

De eerste eis voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden.

Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4.

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met (art 3.10 lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of; 8. in het algemeen belang. Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

9 van 31

CORTENOEVER

2.1.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) heeft als doel om bijzondere en beschermde natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het NNN is beschermd via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het beschermingsregime vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De beleidsmatige verankering wordt gevormd door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012). Op provinciaal niveau is de planologische bescherming van het NNN geregeld via de Omgevingsverordening (Provincie Gelderland, 2018). Het NNN is begrensd via deze verordening en de actuele versie van het vastgestelde natuurnetwerk is te vinden via https://gldanders.planoview.nl/. Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen deze groene contour zijn in beginsel niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang (het ‘Nee, tenzij’- regime). Het plangebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (status ‘Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone).

Op dit moment zijn de volgende natuurbeheertypes in de directe omgeving aangewezen: • N00.02 Inrichting nieuwe natuur • N02.01 Rivier • N05.01 Moeras • N11.01 Droog schraalgrasland • N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland • N12.03 Glanshaverhooiland • N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland • N14.03 Haagbeuken- en essenbos • N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos

Figuur 1: Verdeling Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone bij Cortenoever zoals weergegeven op de website van de provincie Gelderland.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

10 van 31

CORTENOEVER

Een toetsing van het plan aan het beschermingskader van het Natuurnetwerk Nederland zal verder in hoofdstuk 5 plaatsvinden. De toetsing vindt alleen plaats wanneer werkzaamheden nog niet zijn getoetst volgens de rapportage van Tauw (2018) of daarbij niet kan worden aangesloten.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

11 van 31

CORTENOEVER

3

BESCHRIJVING PLANGEBIED EN INGREEP

3.1

Gebiedsbeschrijving en ligging

Voor een uitgebreide gebiedsbeschrijving verwijzen we naar hoofdstuk 2 van de eerder opgestelde Natuurtoets van Tauw (2018).

3.2

Voorgenomen ruimtelijke ingreep

Voor de uitvoering van het project natuurontwikkeling Cortenoever worden diverse werkzaamheden uitgevoerd, zie hieronder. De genoemde werkzaamheden betreffen enkel ingrepen die niet reeds zijn getoetst in de natuurtoets van Tauw (2018). De volgende werkzaamheden zijn ‘nieuw’ en niet eerder beoordeeld: • De aanleg van 1 ha glanshaverhooiland en 1 ha stroomdalgrasland ter compensatie van het project ViA15 nabij Heyendal. • De aanleg van rustpunt de Hank door de aanleg van een eenvoudige betonnen trap over de dijk, het realiseren van een verbindende haag van circa 135 meter en een onverhard wandelpad. De trap en het pad leiden naar een aan te leggen bank bij een oude Linde. • Nabij overstromingsvlakte de Batterij loopt een laarzenpad. Dit laarzenpad wordt, vanwege de ontgraving nabij de Batterij, deels verlegd. • Het extra verlagen van het maaiveld bij ‘de Batterij’ aan de zuidzijde van Cortenoever.

Figuur 2: Plangebied Cortenoever inclusief de bijbehorende plaatsnamen voor diverse onderdelen in het plangebied.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

12 van 31

CORTENOEVER

Figuur 3: Definitief Ontwerp van september 2019 zoals aangeleverd door de provincie Gelderland.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

13 van 31

CORTENOEVER

4

GEBIEDSBESCHERMING - NATURA 2000 VOORTOETS

Het wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden in Nederland wordt per 1 januari 2017 gevormd door de Wnb, en specifiek het onderdeel gebiedsbescherming. Meer informatie over het wettelijke kader is opgenomen in Bijlage A.

Het plangebied is onderdeel van Natura 2000-gebied Rijntakken. Voor een gebiedsbeschrijving, de instandhoudingsdoelstellingen en de trends van de aanwezige habitattypen en aangewezen richtlijnsoorten verwijzen we naar hoofdstuk 4 van Tauw (2018). De toetsing van Tauw van beide varianten (2018) is door het bevoegd gezag geaccepteerd en tevens als uitgangspunt en voorwaarde genomen voor deze toetsing. Daarmee zijn alleen afwijkingen/ruimtelijke ingrepen die niet zijn getoetst door Tauw relevant voor het Natura 2000-gebied. De opdrachtgever heeft verzocht het nieuwe Definitief Ontwerp van september 2019 te beoordelen op de effecten van beschermde habitattypen. Onderstaand wordt dan ook gekeken of de beoordeling door Tauw (2018) voldoende is of dat een aanvullende toetsing in verband met ruimtebeslag op habitattypen noodzakelijk is. Het onderdeel stikstofdepositie vormt geen onderdeel van deze uitvraag en wordt hier dan ook verder niet getoetst.

4.1

Effectbeoordeling habitattypen

Uit de eerdere toetsing van de mogelijke effecten door Tauw (2018) blijkt dat de getoetste variant 1 niet leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen bij de uitvoering van deze maatregelen. Het plangebied is gelegen in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Als gevolg van de inrichtingswerkzaamheden treedt oppervlakteverlies op van beschermde habitattypen zoals Tauw (2018) aangeeft bij variant 1. Het gaat hier om 0,49 hectare H91E0A Zachthoutooibos in het noordelijke deel van het plangebied. Een controle van het Definitief Ontwerp Cortenoever van september 2019 tegenover deze variant 1 blijkt dat er nergens in het ontwerp extra oppervlakteverlies is ten opzichte van de beoordeling door Tauw. De voorgenomen maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.2 leiden niet tot extra tijdelijk ruimteverlies anders dan beschreven en beoordeeld in het rapport van Tauw. De conclusies van Tauw blijven daarmee van kracht, namelijk dat enkel sprake is van een tijdelijk negatief effect. Door de voorgenomen maatregelen wordt 8,5 ha extra bos ontwikkeld bestaande uit Hardhoutooibos (H91F0), Essen-Iepenbos (H91E0B) en 1,5 Zachthoutooibos (H91EoA). De totale toekomstige boskern wordt hiermee 10,4 ha groot. Er is gekozen voor een aanpak waarbij kleine boselementen via een soort herverkaveling kunnen worden omgezet in grotere boskernen.

Op 1 oktober 2019 heeft het Bevoegd Gezag geconcludeerd dat het project uitvoering geeft aan het Natura 2000-beheerplan, zoals in detail uitgewerkt op pagina 75 van de Bijlage beheerplan Natura2000 Rijntakken (038) van de provincie Gelderland. Als gevolg hiervan is het project niet vergunningplichtig op basis van artikel 2.7 lid 2 van de Wnb. Dit geldt ook voor de vergunning gebiedsbescherming (art. 2.2 en 2.3 Wnb, uitvoering van instandhoudingsmaatregelen). Dit betekent dat er geen aanvraag voor een vergunning ingediend hoeft te worden alvorens begonnen kan worden met de uitvoering van de maatregelen.

4.2

Conclusie voortoets

Uit de vergelijking van de ligging van beschermde habitattypen in relatie tot het Definitief Ontwerp van september 2019 blijkt dat het ruimtebeslag op beschermde habitattypen nog identiek is aan de toetsing van Tauw. De bevindingen van Tauw van variant 1 blijven daarmee van toepassing en luiden:

“Bij de uitvoering van het voornemen voor variant 1 is een Wnb-vergunning nodig voor de tijdelijke aantasting van habitattypes en leefgebied van de soorten die voorkomen binnen de locaties waar werkzaamheden worden uitgevoerd, en/of die elders in Cortenoever aanwezig kunnen zijn. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten.”

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

14 van 31

CORTENOEVER

5

GEBIEDSBESCHERMING - NATUURNETWERK

5.1

Beschrijving wezenlijke kenmerken en waarden

Voor ieder NNN-gebied bestaan de wezenlijke kenmerken en waarden uit de in het gebied aanwezige natuurwaarden en voor gebieden met een bestemming natuur, tevens de potentiële natuurwaarden. Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan Gelderland (2020).

Het Gelders natuurnetwerk is binnen de provincie Gelderland ingedeeld in de categorieën: • Gelders natuurnetwerk (GNN) • Groene ontwikkelingszone (GO) Cortenoever behoort in zijn geheel tot het GNN en GO en met de voorgenomen activiteiten vindt ruimtebeslag op het natuurnetwerk plaats.

5.2

Effectbeschrijving

Het voornemen in Cortenoever dient meerdere GNN en GO-doelen zoals door Tauw (2018) is beschreven in paragraaf 5.3.10. De extra uit te voeren maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.2 van dit rapport leiden niet tot significante effecten op het GNN of de GO. De aanvullende maatregelen dragen bij aan de ontwikkeldoelen zoals in het Natuurbeheerplan beschreven voor de ontwikkeling van stroomdalgrasland en glanshaverhooiland, de inrichting van geplande nieuwe natuur en het daadwerkelijk realiseren van een functieverandering van landbouw naar natuur. De kleinschalige recreatieve voorzieningen zoals het laarzenpad of het realiseren van een bankje leiden tevens niet tot negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en het GO.

5.3

Toetsing aan Omgevingsverordening Gelderland

In de vorige paragraaf is het effect van het voornemen beschreven. De extra werkzaamheden zoals beschreven in paragraaf 3.2 leiden niet tot andere conclusies dan eerder beschreven in het rapport van Tauw. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden (in de provincie Gelderland bekend als de kernkwaliteiten) van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone zijn uitgesloten, mits negatieve effecten op de beschermde natuurwaarde kunnen worden uitgesloten. Dit is uitgesloten in het rapport van Tauw voor variant 1 die nagenoeg hetzelfde is als het DO van september 2019 met als uitzondering de maatregelen van paragraaf 3.2. Na afronding van de maatregelen voor het gehele project is de gewenste samenhang tussen aangrenzende natuurgebieden, ten bate van de kenmerkende natuurwaarden zoals beschreven voor het GNN, sterk vergroot.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

15 van 31

CORTENOEVER

6

SOORTBESCHERMING

Het wettelijk kader voor de bescherming van flora en fauna (los van de ligging van beschermde gebieden) in Nederland wordt gevormd door de Wnb, en specifiek het onderdeel soortbescherming. Voor het project Cortenoever is de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in en nabij het projectgebied relevant. Meer informatie over het wettelijke kader is opgenomen in bijlage A.

6.1

Beschermde soorten plangebied Cortenoever

Uit de natuurtoets van TAUW (2018) blijkt dat het voor diverse soorten noodzakelijk is de functies van Cortenoever verder te bepalen met soortgericht onderzoek. Het gaat om de soorten: • Bever • Otter • Vleermuizen, foerageergebied en verblijfplaatsen in bomen • Vogels met jaarrond beschermde nesten • Kamsalamander • Rugstreeppad Door het opheffen van de algemene vrijstelling in Gelderland voor kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) is ook soortgericht onderzoek naar deze soorten toegevoegd. Tenslotte is tijdens de monitoring voor amfibieën ook de poelkikker gehoord. Deze soort is door onderzoeksbureau Ekoza dan ook toegevoegd aan de lijst van te onderzoeken soorten. Onderstaande alinea geeft een overzicht van de functie van Cortenoever voor de hierboven genoemde relevante soorten op basis van het uitgevoerde soortgericht onderzoek.

6.1.1

Bever

Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 2 uit de rapportage van Tauw (2019). Van de bever zijn sporen aangetroffen in Cortenoever. Het gaat hier om verse knaagsporen, verse geurmerken en beverhoutjes. Er zijn geen beverholen in het gebied aangetroffen, echter gezien de hoeveelheid sporen is definitieve vestiging van de soort op korte termijn niet uit te sluiten. Met het uitgraven en verruimen van de bestaande kronkelgeulwaarden in het noorden van Cortenoever zal leefgebied van de bever tijdelijk verloren gaan. Er is momenteel geen sprake van een aanwezige burcht die hierbij vernietigd wordt. Ook Ekoza (2019) bevestigt tijdens de intensieve veldwerkperiode geen burchten of andere bewoningsporen zoals een hol in de oever te hebben waargenomen.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

16 van 31

CORTENOEVER

Figuur 4: De locaties van de waargenomen beversporen in het plangebied (Tauw, 2019).

6.1.2

Otter

Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 2 uit de rapportage van Tauw (2019). In het plangebied en langs de oevers van de IJssel zijn met het soortgericht onderzoek geen sporen van otter aangetroffen. Ook is de otter niet op één van de cameravallen in het plangebied vastgelegd. De aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) otters is daarmee uitgesloten.

6.1.3

Vleermuizen

Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 4 uit de rapportage van Ekoza (2019). Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen of andere locaties vastgesteld. Uit de inventarisatie blijkt dat vleermuizen Cortenoever enkel als foerageergebied gebruiken om vervolgens weer terug te keren naar hun verblijfplaats elders in de omgeving (buiten het plangebied). Uit de gegevens van het veldbezoek en het analyseren van de Anabats blijkt dat de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en de meervleermuis in het gebied zijn waargenomen. Kraam- en paarverblijfplaatsen in het gebied van vleermuizen zijn niet waargenomen en daarmee uitgesloten.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

17 van 31

CORTENOEVER

6.1.4

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 4 uit de rapportage van Ekoza (2019). Tijdens het soortgericht onderzoek in 2019 zijn 10 actieve nesten aangetroffen in Cortenoever. Hiervan waren er vijf bezet door buizerd, één door havik, drie door zwarte kraaien en één door steenuil. Hierbij dient opgemerkt te worden dat nesten van zwarte kraaien niet als jaarrond beschermd nest beschermd zijn. De nesten kunnen echter wel als opbouw dienen voor een roofvogelnest waardoor deze drie nesten in de toekomst mogelijk alsnog een jaarrond beschermd nest worden.

Figuur 5: Locaties van de actief in gebruik zijnde nesten. De nesten van buizerd, havik en steenuil zijn jaarrond beschermd, dit geldt echter niet voor zwarte kraai.

In Cortenoever is gedurende het soortgericht onderzoek naar nesten in de zomerperiode van 2019 regelmatig een paartje zeearenden waargenomen. De dieren toonden binding met een wilgenbos binnen Cortenoever. De zeearenden waren aanwezig in het bosje tussen de vier geplande uitgravingen op het noordelijke terreindeel (kronkelwaardgeulen). Door Ekoza is bevestigd dat de zeearenden geen nest aan het bouwen waren of dat er een (oud) nest was waar de dieren gebruik van maakten. Sinds eind augustus 2019 zijn de dieren niet meer gezien op de bekende locaties (pers. mededeling Ekoza). Waar de dieren momenteel verblijven is onbekend, maar ze zijn al enkele weken niet meer in het plangebied waargenomen. Van de zeven aanwezige jaarrond beschermde nesten in Cortenoever geldt dat deze zich niet op locaties bevinden waar kapwerkzaamheden in het kader van het project voorzien zijn. In sommige gevallen wordt Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

18 van 31

CORTENOEVER

echter wel gewerkt in de omgeving van deze nesten. Het opstellen van een mitigatieplan/ecologisch werkprotocol is dan ook noodzakelijk waarmee schade wordt voorkomen of tot een minimum beperkt voor de aanwezige soorten. Dit mitigatieplan/ecologisch werkprotocol zal dan ook worden besproken met het bevoegd gezag.

6.1.5

Kamsalamander

Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 4 uit de rapportage van Ekoza (2019). Binnen de potentieel geschikte voorplantingswateren van Cortenoever is de soort ondanks uitgebreide inventarisatie niet aangetroffen. Door het ontbreken van de soort in de wateren ter plaatse is tevens uit te sluiten dat het plangebied functioneert als landhabitat voor de soort. Dit bevindt zich vaak in de directe omgeving van voortplantingswateren van de kamsalamander. Deze zijn echter afwezig in het plangebied. De soort is daarmee in zijn geheel uit te sluiten binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden.

6.1.6

Rugstreeppad

Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 4 uit de rapportage van Ekoza (2019). Tijdens de soortgerichte inventarisatie is de soort niet gehoord of gezien. De soort kan daarmee worden uitgesloten in het plangebied.

6.1.7

Poelkikker

Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 4 uit de rapportage van Ekoza (2019). De poelkikker is op verschillende locaties in het plangebied roepend aangetroffen. Ekoza concludeert dat poelkikkers samen met de bastaardkikkers een populatie vormen binnen Cortenoever. Met het uitgraven en verruimen van de bestaande kronkelwaardgeulen in het noorden van Cortenoever zullen voortplantingswateren en aangrenzend landhabitat verloren gaan. Een deel van de kronkelwaardgeulen zal mogelijk na herinrichting weer geschikt worden voor de soort wanneer zich een goed ontwikkelde watervegetatie en ruige oever heeft ontwikkeld. Met name in de ondiepere delen zal zich na de aanleg nieuw leefgebied kunnen ontwikkelen. Daarnaast ontstaat mogelijk nieuw leefgebied voor de soort door een drietal voorgenomen maaiveldverlagingen binnen het plangebied.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

19 van 31

CORTENOEVER

Figuur 6: Aangetroffen amfibieën in het plangebied met in rood aangegeven waarnemingen van poelkikker.

6.1.8

Kleine marters, bunzing, hermelijn en wezel

In 2019 is door de Provincie Gelderland de algemene vrijstelling voor bunzing, wezel en hermelijn ingetrokken. Doordat Cortenoever potentieel leefgebied is voor deze soorten is tevens onderzoek naar kleine marters uitgevoerd. Voor de methode van het soortgericht onderzoek verwijzen we naar hoofdstuk 4 uit de rapportage van Ekoza (2019). Op diverse kansrijke locaties in het plangebied is onderzoek gedaan door middel van sporenbuizen, struikrovers en mostellakasten. Op één locatie aan de zuidkant van het plangebied bij ’T Fort zijn de afdrukken van een hermelijn op een sporenplank aangetroffen. Deze locatie ligt ruim buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden en dit bosje blijft dan ook volledig intact. Verder onderzoek in het noordelijke deel met de kronkelwaardgeulen heeft geen waarnemingen van kleine marters opgeleverd. Dit is de belangrijkste locatie waar ruimtelijke ingrepen plaatsvinden in potentieel geschikt leefgebied van de drie soorten. Door het ontbreken van de drie soorten bij de kronkelwaardgeulen kunnen de soorten worden uitgesloten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.

6.2

Effectbeschrijving

De mogelijke gevolgen van de ingrepen zijn als volgt: • Tijdens het broedseizoen kunnen de werkzaamheden negatieve effecten hebben op algemene broedvogels in de omgeving of aanwezige jaarrond beschermde nesten. Effecten op broedvogels kunnen niet worden uitgesloten. • Door werkzaamheden in de kronkelwaardgeulen zullen voortplantingsplaatsen en landhabitat van poelkikker verdwijnen. Effecten op de soort zijn dan ook niet uit te sluiten.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

20 van 31

CORTENOEVER

6.3

Toetsing

In Tabel 1 en Tabel 2 is voor vogels en poelkikker op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden (voor overige categorieën is dit niet aan de orde). Daarbij is nog geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in de volgende paragraaf.

Voor aanwezige algemeen voorkomende broedvogels is uitsluitend een mogelijke overtreding aan de orde van lid 2 (vernielen, beschadigen of wegnemen nesten). Lid 4 is niet aan de orde; er is mogelijk wel sprake van verstoring, maar er is geen wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soorten. Tabel 1: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn.

Soort

Lid 1

Lid 2

Algemeen voorkomende broedvogels

Lid 3

Lid 4

x

Als gevolg van Te kappen bomen in het broedseizoen

Vogels met jaarrond beschermde nesten

x

Uitvoeringswerkzaamheden in de directe omgeving van het nest in het broedseizoen

Verbodsbepalingen: Lid 1: te doden of te vangen. Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding.

Tabel 2: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn.

Soort Poelkikker

Lid 1|5

Lid 2 x

Lid 3

Lid 4 x

Als gevolg van Het vergraven van de kronkelwaardgeulen

Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2: opzettelijk te verstoren. Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6.4

Vrijstellingen en gedragscode

In paragraaf 2.1.2 is reeds aangegeven voor welke algemeen voorkomende diersoorten binnen de Provincie Gelderland een algemene vrijstelling geldt. Voor deze soorten zal dan ook geen verdere toetsing plaatsvinden. Wel blijft de algemene zorgplicht voor deze soorten van toepassing.

De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1 Wnb). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Voor de werkzaamheden in Cortenoever kan mogelijk gewerkt worden volgens de gedragscode soortenbescherming van Rijkswaterstaat. Wanneer de gedragscode gehanteerd wordt, is het belangrijk te motiveren dat voldaan wordt aan alle bepalingen van die betreffende gedragscode. Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

21 van 31

CORTENOEVER

6.5

Mitigerende maatregelen en zorgplicht

In deze paragraaf zijn in verkorte vorm de mitigerende maatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om overtreding van de verbodsbepalingen zo veel als mogelijk te voorkomen en de compenserende maatregelen die nodig zijn om een aantasting van de gunstige staat van instandhouding te voorkomen. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. De Wnb schrijft namelijk voor dat een ontheffing alleen verleend kan worden als er geen andere bevredigende oplossing is en de staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Dat betekent dat als mitigatie in redelijkheid mogelijk is, dit ook verplicht is. Verder zijn vaak ook nadere maatregelen noodzakelijk om tegemoet te komen aan de zorgplicht. Verder kan een ontheffing alleen verleend worden wanneer er geen gevolgen zijn voor de gunstige staat van instandhouding van de soort. Om dit zeker te stellen kan het nodig zijn een compenserende maatregel uit te voeren. Onderstaande maatregelen worden uitgebreider uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol.

Vogels • Voorkom altijd schade aan broedvogels. Werk zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (indicatief buiten half maart-half juli). Sommige vogels hebben een afwijkende broedperiode. • Werk alleen in het broedseizoen als hierbij geen broedvogels worden gestoord of nesten worden aangetast. Een ecologisch deskundige kan hierover uitsluitsel geven wat de mogelijkheden hiervoor zijn. Poelkikker • Voorkom schade aan poelkikker door te werken buiten de kwetsbare periode van de soort. Bij activiteiten die effect hebben op het waterhabitat van de poelkikker (zie Figuur 7) moeten de activiteiten plaatsvinden in de periode 15 september tot 15 maart, dat wil zeggen buiten de kwetsbare periode van de voortplanting. Bij activiteiten die effect hebben op de oevers van watergangen moet gewerkt worden in de periode 15 september tot 1 mei, dat wil zeggen buiten de kwetsbare periode van de periode van winterrust. • De oeverbegroeiing van de kronkelwaardgeulen wordt na de graafwerkzaamheden direct weer teruggeplaatst. Dit versnelt de ontwikkeling van oevervegetatie na de werkzaamheden ter plaatse. • De activiteiten in de kronkelwaardgeulen worden gefaseerd in de ruimte en tijd uitgevoerd zodat er voor de poelkikker op elk moment voldoende geschikt habitat aanwezig is waar voortplanting en overwintering kan plaatsvinden.

• Geschoond en uitgebaggerd materiaal minimaal één dag laten liggen voordat het verwijderd of verwerkt wordt, zodat eventueel aanwezige poelkikkers terug kunnen kruipen naar het water. • Plekken voor tijdelijke opslag van materialen, aanvoerwegen worden buiten voor de poelkikker geschikte delen gelegd.

Figuur 7: Weergave op hoofdlijnen van de kwetsbare perioden van de poelkikker (in rood).

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

22 van 31

CORTENOEVER

Algemeen • Voer de werkzaamheden bij daglicht uit. Dit voorkomt dat eventuele aanwezige vleermuizen uit de omgeving lichthinder ondervinden tijdens het foerageren/migreren. • Werk bij alle werkzaamheden rustig één kant op om het voor dieren mogelijk te maken de werkzaamheden te ontvluchten. • Let vanuit de algemene zorgplicht continu op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren tijdens de werkzaamheden.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

23 van 31

CORTENOEVER

7

CONCLUSIES

7.1

Gebiedsbescherming

Op basis van bovenstaande gegevens worden negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Rijntakken uitgesloten. Zoals Tauw (2018) ook reeds aangeeft, is in de aanlegfase wel sprake van een tijdelijk negatief effect waarvoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Omdat de gehele voorgenomen ruimtelijke ingrepen een resultaat zijn van het uitvoering geven aan het Natura 2000-beheerplan Rijntakken heeft de provincie Gelderland als bevoegd gezag aangegeven op 1 oktober 2019 dat de activiteiten vergunningvrij zijn. Het project is niet vergunningplichtig op basis van artikel 2.7 lid 2 van de Wnb. Dit geldt o.a. voor de vergunning gebiedsbescherming (art. 2.2 en 2.3 Wnb, uitvoering van instandhoudingsmaatregelen). Dit betekent dat er geen aanvraag voor een vergunning ingediend hoeft te worden alvorens begonnen kan worden met de uitvoering van de herstelmaatregelen.

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De werkzaamheden voor Cortenoever leiden tot ruimtebeslag op het Natuurnetwerk Nederland en daarmee tijdelijke aantasting van planologisch beschermd gebied. De werkzaamheden zijn echter ook gericht op verdere ondersteuning en ontwikkeling van de GNN en GO ter plaatste. Er is enkel sprake van effecten in de aanlegfase waarna het gebied zich weer snel zal herstellen. De geplande werkzaamheden voor de aanlegfase hebben geen significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

7.3

Soortbescherming

In het plangebied en de directe omgeving komen beschermde soorten van de Wet natuurbescherming voor. Het gaat om jaarrond beschermde nesten van buizerd, havik en steenuil. Verder is poelkikker aanwezig in enkele kronkelwaardgeulen waarin werkzaamheden voorzien zijn. Voor poelkikker geldt dat er overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming plaatsvindt. Voor vogels met jaarrond beschermde nesten geldt dat geen bomen gekapt worden, maar dat mogelijk overtreding van de verbodsbepalingen optreedt wanneer in de kwetsbare periode (broedperiode) gewerkt wordt. Ook voor algemeen broedende vogels geldt dat werken in het broedseizoen kan leiden tot mogelijk overtredingen. Voor zowel de jaarrond beschermde nesten, algemene broedvogels en de poelkikkers geldt dat mitigerende maatregelen helpen om schade te voorkomen en beperken. Voor vogels kan daardoor overtreding van de verbodsbepalingen worden voorkomen. Voor poelkikker geldt dit niet tenzij er besloten wordt geen maatregelen meer in de kronkelwaardgeulen uit te voeren. Dit is echter niet het uitgangspunt bij deze toetsing.

Voor vogels geldt dat werken buiten de broedperiode mogelijkheden biedt om overtreding te voorkomen en daarmee geen ontheffingsaanvraag voor deze soorten nodig is. Voor poelkikker geldt dat mitigerende maatregelen onvoldoende zijn om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen. Aangezien dit project tot doel heeft om Natura 2000 doelen te realiseren en de werkzaamheden onder het beheerplan Rijntakken vallen, heeft de provincie Gelderland als bevoegd gezag aangegeven dat in het kader van dit project voor soorten geen ontheffing aangevraagd dient te worden. Het bevoegd gezag heeft op 1 oktober 2019 aangegeven dat voor deze en overige soorten het werken met ecologische werkprotocollen voldoende is. Daarom is het project niet ontheffingsplichtig (resp. art 3.8 lid 7 Wnb). Dit betekent dat er geen aanvragen voor ontheffing nodig zijn alvorens begonnen kan worden met de uitvoering van de maatregelen. De uit te voeren ecologische maatregelen middels een ecologisch werkprotocol zullen voor de start van de werkzaamheden worden besproken met bevoegd gezag.

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

24 van 31

CORTENOEVER

8 • • • •

LITERATUUR Anonymous, 2019. Definitief ontwerp natuurontwikkeling Cortenoever. KRW | Natura 2000 | Gelders natuurnetwerk. Provincie Gelderland, Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer. September 2019. Ekoza, 2019. Nader onderzoek ecologie. Cortenoever. Arcadis. Projectnummer 19.031. 7 oktober 2019. Tauw, 2019. Soortgericht onderzoek naar bever en otter in Cortenoever. Rijkswaterstaat Grote Projecten en Onderhoud. Projectnummer 1268803. 18 mei 2019. Tauw, 2018. Natuurtoets Natura 2000-, GNN- en KRW-maatregelen in Cortenoever. Rijkswaterstaat Oost-Nederland. Projectnummer 1262593. 21 november 2018.

Websites • Interactieve atlas Gelderland: http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=11002823ff9c42ad9195668fd25ffb0 e • https://gldanders.planoview.nl/planoview/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningvst1?s=SAAXIYAKQgF7vzJFhERCBAN4P4P_______wP38wJiAMdOCzhy3qgpM4ZOGbcCBA

Onze referentie: 084009845 C - Datum: 26 november 2019

25 van 31

CORTENOEVER

BIJLAGE A RELEVANTE ARTIKELEN WET NATUURBESCHERMING HOOFDSTUK 1 Artikel 1.11 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. HOOFDSTUK 3 Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9618981/1