053 - Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe ontwerp
Tekst van het document
45
In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. 4.8.2
IJsselstraat 6
Watertoets De rood voor rood ontwikkeling zorgt per saldo voor een sterke afname van de bebouwing en verharding. De ontwikkeling is voorgelegd aan het waterschap Vallei en Veluwe via de digitale watertoets. Hier komt uit naar voren dat de korte procedure van toepassing is. Het waterschap heeft hiervoor een wateradvies opgesteld. Dit advies is opgenomen in Bijlage 12. Conclusie In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. 4.9
Ecologie
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000- gebieden. Daarnaast is het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom de gebieden aangewezen als buffer, om ontwikkelingen 46
Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe
die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Soortenbescherming Sinds 1 januari 2017 regelt Wet natuurbescherming de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden of er beschermde soorten aanwezig zijn in of nabij het plangebied, in hoeverre het plan negatieve gevolgen kan hebben op die beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen moeten worden genomen. Toets 4.9.1
Plagweg 20
Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. De realisatie van deze plannen (bouw ruimte voor ruimte woningen) en het gebruik van de woningen zal leiden tot een beperkte uitstoot van stikstofoxiden (NOx). In de bouwfase komt NOx vrij bij het verkeer van en naar de bouwplaats en machines met een verbrandingsmotor. In de gebruiksfase komt NOx vooral vrij bij het verkeer van en naar de woningen. De emissies van NOx kunnen leiden tot een zeer geringe neerslag van stikstofverbindingen in beschermde Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebieden en het plangebied, is onwaarschijnlijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot verhoogde depositie van NOx/NH3 in Natura2000-gebieden. Ter onderbouwing van deze hypothese is met behulp van Aerius Calculator (versie 2020_20201013_1649cba239) voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase berekend welke stikstofdepositie dit op de Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De gehanteerde uitgangspunten van de berekening en de uitkomstenhiervan zijn toegevoegd als Toelichting
47
Bijlage 13. Uit de Aeriusberekening blijkt dat in zowel de sloop-, bouw- als gebruikfase de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr bedraagt. Het plan heeft derhalve geen significant negatieve effecten op de instandhoudeingsdoelstellingen van de De Natura 2000-gebieden. Soortbescherming Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De bebouwing dient gesloopt te worden buiten de voortplantingsperiode van vogels of uit een broedvogelscan moet blijken dat er geen vogels nestelen in/aan de te slopen bebouwing.
Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk een rusten/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rusten voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied voorkomende vleermuis-, vogel- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten wordt niet aangetast. De gepresenteerde resultaten zijn afkomstig uit de door Natuurbank Overijssel uitgevoerde Quickscan natuurwaardenonderzoek. Het compete rapport is toegevoegd als Bijlage 14. Conclusie
48
Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe
Het plangebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf en ligt in een intensief beheerd agrarisch cultuurlandschap. Het bestaat grotendeels uit bebouwing en erfverharding en voor een klein deel uit opgaande beplanting zoals bomen, struiken, natuurlijke opslag van bomen en ruigte. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame- en kritische (grondgebonden) diersoorten en als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd. Mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden en er geen beschermde dieren verwond of gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Op basis van de Aeriusberekening kan worden geconcludeerd dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de Natura2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en -gebieden. 4.9.2
IJsselstraat 6
Er zijn concrete plannen om twee vrijstaande woningen te bouwen op een agrarisch erf aan de IJsselstraat 6 te Empe. Ter compensatie voor de bouw van de beide woningen, wordt overtollige agrarische bebouwing op hetzelfde erf gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 12 november 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en Toelichting
49
voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen fysieke activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. De realisatie van deze plannen (bouw ruimte voor ruimte woningen) en het gebruik van de woningen zal leiden tot een beperkte uitstoot van stikstofoxiden (NOx). In de bouwfase komt NOx vrij bij het verkeer van en naar de bouwplaats en machines met een verbrandingsmotor. In de gebruiksfase komt NOx vooral vrij bij het verkeer van en naar de woningen. De emissies van NOx kunnen leiden tot een zeer geringe neerslag van stikstofverbindingen in beschermde Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebieden en het plangebied, is onwaarschijnlijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot verhoogde depositie van NOx/NH3 in Natura2000-gebieden.
Ter onderbouwing van deze hypothese is met behulp van Aerius Calculator (versie 2020_20201013_1649cba239) voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase berekend welke stikstofdepositie dit op de Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De gehanteerde uitgangspunten van de berekening en de uitkomstenhiervan zijn toegevoegd als Bijlage 15. Uit de Aeriusberekening blijkt dat in zowel de sloop-, bouw- als gebruikfase de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr bedraagt. Het plan heeft derhalve geen significant negatieve effecten op de instandhoudeingsdoelstellingen van de De Natura 2000-gebieden. Soortbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen 50
Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe
fysieke activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een winterrustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied voorkomende vleermuis-, vogel- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, wordt niet aangetast. De gepresenteerde resultaten zijn afkomstig uit de door Natuurbank Overijssel uitgevoerde Quickscan natuurwaardenonderzoek. Het compete rapport is toegevoegd als Bijlage 16. Conclusie Het plangebied bestaat uit een agrarisch erf met bebouwing, erfverharding, grasland en enkele bomen. Het plangebied vormt een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten en een ongeschikte groeiplaats voor Toelichting
51
beschermde plantensoorten. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk beschermde diersoorten verwond en/of gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Beschermde dieren mogelijk niet opzettelijk verwond of gedood worden en bezette vogelnesten mogen niet beschadigd of vernield worden. Rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen wel beschadigd en vernield worden omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën verwond of gedood worden, dienen ze weggevangen of verjaagd te worden. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten beschadigd of verstoord worden, dienen werkzaamheden die een negatief effect op bezette vogelnesten hebben, uitgevoerd te worden buiten de broedtijd. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren verwond of gedood worden, dient een ontheffing verkregen te worden. Op basis van de Aeriusberekening kan worden geconcludeerd dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de Natura2000-gebieden.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. 4.10
Cultuurhistorie en archeologie
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de huidige Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen worden over enige tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen). 52
Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe
Toets 4.10.1 Plagweg 20 Op de archeologische beleidskaart van gemeente Brummen heeft het plangebied een lage archeologische verwachting. Binnen een gebied met een lage archeologische verwachting geldt bij ingrepen met een oppervlakte kleiner dan 2500 m2 en ondieper dan 30 cm beneden het maaiveld een vrijstelling voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De geplande ingrepen zullen deze vrijstellingsgrenzen niet zullen overschrijden. Vanuit het oogpunt van zowel archeologie als cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar. 4.10.2 IJsselsstraat 6 Het plangebied ligt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Brummen deels in een zone met een lage verwachting (vrijstellingsgrenzen 2500 m2/30 cm -Mv) en deels in een zone met vastgestelde (zeer) hoge archeologische waarde (vrijstellingsgrenzen 0 m2/30 cm -Mv). Door de geplande ingrepen zullen de vrijstellingsgrenzen van de zone waar de (zeer) hoge waarde geldt worden overschreden, waardoor een onderzoeksplicht geldt. Voor de locatie IJselstraat is daarom een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Dit rapport is bijgevoegd als Bijlage 17. Uit dit onderzoek volgt dat de archeologische waarden ter plaatse van de geplande woningen zeer laag is.
Ter plaatse van de berging zal de bodemverstoring minimaal zijn waardoor de eventuele archeologische resten intact blijven. Archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht, wat is bevestigd door de regio-archeoloog van de gemeente Brummen middels een selectiebesluit. Het selectiebesluit als als Bijlage 18 bijgevoegd. Conclusie Voor het aspect cultuurhistorie en archeologie is het planvoornemen uitvoerbaar.
Toelichting
53
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. 5.2
Juridische vormgeving
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten op het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008' van de gemeente Brummen, vastgesteld in 2008. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht. 5.2.1
Inleidende regels
Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten. 54
Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe
5.2.2
Bestemmingsregels
In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen benoemd. Artikel 3 Agrarisch met waarden Artikel 4 Wonen 5.2.3
Algemene regels
Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels. 5.2.4
Overgangsrecht en slotregels
In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
Toelichting
55
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Bij de uitvoering van een voornemen kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Omtrent de wettelijke verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan, wordt in deze paragraaf ingegaan op de economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Het plan wordt gefinancierd door de initiatiefnemers, de gemeentelijke kosten aan de plannen zijn gedekt middels de te heffen leges. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan zijn voor de initiatiefnemers. Wat betreft de Plagweg 20 zal een asbestsanering wordt uitgevoerd. Initiatefnemer weet wat de saneringskosten zijn. Vast is gesteld dat de initiatiefnemers de plannen kunnen financieren en dat het plan daarom economisch uitvoerbaar is. Met de initiatiefnemers zijn twee onafhankelijke anterieure overeenkomsten gesloten worden tussen initiatiefnemers en gemeente waarin onder andere het verhaal van eventuele planschade is geregeld. Op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro de gemeenteraad kan de gemeenteraad besluiten tot het niet vaststellen van een exploitatieplan. Aanvullend aan dit plan is er tussen beide initiatiefnemers een private overeenkomst opgesteld is om de te slopen meters te verzekeren.
Daarnaast is er een gezamelijke anterieure overeenkomst om de transactie en de daarbij behorende sloop ook publiekrechtelijk te verankeren.
56
Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De buurt is op de hoogte van de plannen. Er zijn geen uitingen geweest in het overleg dat men het saneren van de oude opstallen en de realisatie van de nieuwe woning bezwaarlijk vond. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van .... tot en met .... voor één ieder ter inzage gelegen. Ook is het plan in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening verzonden naar verschillende overlegpartners. Gedurende de terinzagetermijn heeft iedereen mondeling of schriftelijk de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze. Ontvangen zienswijzen zullen worden beoordeeld en beantwoord. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. De resultaten van de ter inzage legging worden opgenomen in een bijlage bij het plan. Vervolgens wordt het bestemmingsplan, al dan niet gewijzigd naar aanleiding van zienswijzen, vastgesteld door de gemeenteraad en 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen dan beroep indienen bij de Raad van State.
Toelichting
57
Bijlage
58
Bestemmingsplan 'Plagweg 20' en 'IJsselstraat 6' Empe
Bijlage 1 Advies Gelders Genootschap Plagweg 20
Toelichting
59
Erfadvies Plagweg 20 7399 RM Empe Uw referentie: Kasper Keukens en Erna Hartink Adviseur: Sjoerd Elgersma Rombouw Onze referentie: Christel Steentjes Ervenconsulent Datum: 18-01-2018
Aan de Plagweg 20 in Empe staat een voormalige agrarisch bedrijf. De activiteiten zijn verplaatst naar een andere locatie in de gemeente Brummen, de landbouwgronden blijven in gebruik. Op deze locatie willen de initiatiefnemers gebruik maken van de regeling functieverandering van de gemeente Brummen. Gemeente Brummen wil dat erftransformaties bijdragen aan de kwaliteit van het landelijk gebied. Om de mogelijkheden te onderzoeken heeft de familie advies gevraagd aan de ervenconsulent van het Gelders Genootschap. Landschap
De locatie ligt in een jong ontginningslandschap met kenmerkende rechtlijnige verkaveling. Het erf ‘Broekweide’ is op oude kaarten terug te vinden als een ontgonnen blokje tussen de bos- en
heidevelden. In de huidige tijd is de openheid één van de kenmerken van het gebied waarbij kavelgrensbeplanting de rechte lijnen accentueert. Veel kavelgrensbeplanting is verdwenen. Ambitie
vanuit het landschapsontwikkelingsplan is o.a. het 1900
versterken van de kavelgrensbeplanting. Aan de zuidzijde van de Plagweg ligt een ecologische verbindingszone.
2015
Erf en gebouwen
Het erf ligt op enige afstand van de Plagweg en heeft zich niet op een traditionele wijze ontwikkeld door de
historische eigendomssituatie. Achter de boerderij was de grond niet van de familie. De boerderij staat centraal op het erf met de ontsluiting dicht op de achtergevel van de boerderij. De boerderij heeft twee
wooneenheden, het achterhuis wordt ook bewoond. De voorgevel en voortuin en boomgaard liggen aan de oostzijde van de boerderij. De schuren staan ten
noorden van de boerderij, ook voorbij de voorgevel en ten zuiden van de boerderij aan de andere zijde van de toegangsweg. Wel is er qua inrichting onderscheid in Luchtfoto huidige situatie
‘voor’ het woongedeelte van de boerderij met de formele tuin en boomgaard, en ‘achter’ aan het oorspronkelijke achterhuis met een meer landschappelijke in informele inrichting. Ten noorden van de boerderij ligt ook een mestopslag. Deze wordt behouden, de gronden blijven in de familie maar de
overige agrarische activiteiten vinden elders plaats. In rood is het bouwblok aangegeven (bij benadering). In groen de boerderij en in geel de mestopslag.
Verouderde schuren met doorkijkje naar voorgevel boerderij
Uitgangspunten -
Rechtlijnige verkaveling en openheid. Versterken van verkaveling door kavelgrensbeplanting.
-
Ligging in het jonge ontginningslandschap. De richting van gebouwen sluit daar op aan.
-
Erf heeft zich ontwikkeld in verschillende richtingen. Herkenbaar onderscheid in voor en achter.
-
Oude boerderij centraal op het erf
-
Waardevolle erfbeplanting voor de boerderij met fruitbomen. Her en der ook enkele waardevolle
-
Karakteristieken erf met voor- en achtererf. Een hoofdgebouw met bijgebouwen en een entree.
bomen.
Wensen initiatiefnemer -
Ontsluiting verbeteren, minder (landbouw) verkeer achter de boerderij langs. Agrarische gronden en mestopslag zijn nu nog via het erf ontsloten en gaan vlak achter de boerderij langs.
-
Rekening houden met voldoende afstand tot de mestopslag vanwege milieu.
Advies
7
1.
De boerderij is en blijft de hoofdwoning op het erf.
2.
De kleine kapschuur blijft behouden en dient als
3.
bijgebouw voor de boerderij.
De mestopslag blijft in gebruik waardoor voldoende afstand tot de nieuwe woning nodig is.
4.
3 2
5
de plek van de schuren ten zuiden van de boerderij, aan het erf (gele cirkel). Deze woning heeft een enkelvoudig
1 4
De nieuwe woning met bijgebouw aan het pad, komt op
hoofdvolume met een fors gesloten zadeldak. Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en gedempte
6
kleuren. Een eigentijdse invulling van de traditionele
hoofdvorm is mogelijk. Het bijgebouw staat ook aan het
8
erf en maakt onderdeel uit van het concept. De randen van dit deel krijgen een gevarieerde streekeigen beplanting met een informele landschappelijke uitstraling.
Schets uitgangspunten
5. 6.
De fruitbomen voor de boerderij blijven behouden en vormen een waardevol landschapselement.
De plek van de voormalige kuilplaten krijgt een groene en agrarische uitstraling met hoogstamfruitbomen en streekeigen hagen.
7.
Langs de noordelijke grens worden enkele knotbomen toegevoegd in lijn met de enkele knotbomen die
verderop in het veld staan. Zo worden de lange lijnen van het ontginningslandschap versterkt. 8. Foto van boerderij met boomgaard
De landbouwpercelen en mestopslag worden via een bestaande dam ontsloten voor het zware landbouwverkeer.
Toelichting Het erf is door de vorm en eigendomssituatie niet op een traditionele manier gegroeid. De schuren staan niet direct aan het achterhuis maar ten zuiden en ten noorden ervan en ook voorbij de voorgevel. Omdat de mestopslag in gebruik blijft voor de landbouwpercelen is de ruimte voor de nieuwe woning beperkt.
Door te kiezen voor een woning met schuurachtige uitstraling en een locatie aan het oorspronkelijke erf wordt aangesloten bij de kenmerken van het bestaande erf. Het onderscheid tussen ‘voor’ en ‘achter’ wordt verbeterd door de sloop van de schuren en kuilplaten en uitbreiding van de hoogstamboomgaard en de informele beplanting rondom de nieuwe woning. Het ontginningslandschap wordt versterkt door het de knotwilgen op de noordelijke kavelgrens. Christel Steentjes Adviseur ruimtelijke kwaliteit en ervenconsulent Gelders Genootschap
Bijlage 2
Beplantingsplan Plagweg 20
Toelichting
63
Bijlage 1: Inrichtingsplan
13. Knotbomenrij
BMN01K 00631G0000
aan te planten knotboom aan te planten fruitboom
aan te planten boom
4. Knip-of scheerheg BMN01K 00701G0000
1. Knip-of scheerheg
9. Solitaire boom
BMN01K 00632G0000
bestaande boom
18
20
11. Houtsingel
BMN01K 00621G0000
bestaand groen aan te leggen groen
10. Bomenrij
weidegrond
7. Solitaire boom
BMN01K 00131G0000
12. Hoogstamboomgaard
verharding
3. Knip-of scheerheg
nieuwe woning + bijgebouw
BMN01K 00822G0000
6. Solitaire boom
Landschappelijke inpassing Goorsteeg Plagweg 20 8 5. Struweelhaag
BMN01K 00620G0000
2. Knip-of scheerheg
0
20
Schaal BMN01K 00702G0000
8. Bomenrij
30
40
50 m
: 1:1000
Project : Landschappelijke inpassing Deelnemernr : PA20Hartink Naam : Fam Keukens-Hartink Adres : Goorsteeg 8 PC, Plaats : 3882 LE Putten Opsteller Plan : E. Timmerman Datum : Februari 2017 Versie : concept
N 17
O
W zorg voor ons landschap
Z
Landschappelijke versterking Plagweg 20 Inrichtingsplan Projectcode: Naam: Straat: Postcode, plaats:
PA20HARTINK Fam Keukrns-Hartink Plagweg 20 7399 RM Empe
E-mail: Telefoonnr: Afwijkend postadres:
X X X
Opsteller plan:
Eward Timmerman
Datum:
22-7-2020
Versie
concept
Stichting Landschapsbeheer Gelderland Rosendael 2a, 6891 DA Rozendaal 026 35 37 444 info@landschapsbeheergelderland.nl www.landschapsbeheergelderland.nl
Inrichtingsplan De familie Keukens- Hartink is bezig met een ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Brummen. Om te voldoen aan de planologische procedure vraagt de gemeente Brummen onder anderen voor een landschappelijke inpassing van deze ruimtelijke ontwikkeling en het versterken van het omliggende landschap. Stichting Landschapsbeheer Gelderland is gevraagd hiervoor een passend beplantingsvoorstel op te stellen. Dit plan is een samensmelting van een drietal ontwerpprincipes en uitgangspunten. Zo heeft de erfadviseur in dit plan de analyse van het landschap waarin de ontwikkeling plaats vind (het Ontginningslandschap (bijlage 1)) en de bijbehorende cultuurhistorische principes gekoppeld aan uw eigen wensen en ideeën. Uiteraard is er gekozen voor de aanplant van inheemse, lokaal passende boom- en struiksoorten. Deze landschappelijke inpassing borduurt verder op het ‘Erfadvies Plagweg 20 Empe, Gemeente Brummen - Notitie Uitgangspunten en Randvoorwaarden’ van het Gelders Genootschap. Hierin is een stedenbouwkundige en landschappelijke analyse uitgevoerd en zijn uitgangspunten en randvoorwaarden gesteld. Hieronder volgt een concrete, landschappelijke uitwerking van deze notitie.
Leeswijzer In het plan wordt per aan te leggen landschapselement een korte toelichting gegeven op de cultuurhistorische waarde van dit element op het erf. Daarnaast is er een uitwerking gemaakt resulterend in een lijst van aan te leggen soorten en aantallen. Ten aanzien van de uitvoering, welke u zelf ter hand zal nemen, wil ik u wijzen op onze website www.landschapsbeheergelderland.nl waar, naast aanleg, ook de beheeraspecten van de diverse landschapselementen middels instructiefilmpjes te zien zijn (zie ook bijlage 3).
Beplanting Het plan omvat de volgende landschapselementen; • Knip- en scheerheggen [nr, 1,2,3,4 ] • Vrij uitgroeiende struweelhaag [nr. 5 ] • Elzensingel en elzenhakhoutsingel [nvt] • Vogelbosje en geriefbosje [nr ] • Solitaire boom, laanboom of bomengroep [nr 6 t/m 10] • Houtwal en houtsingel [nr 11] • Hoogstamboomgaard [nr. 12 ] • Knotbomen [nr. 13] • Leibomen [nvt] • Poel [nvt]
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
2
1. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Haagstructuur langs de noord west zijde van het erf. De haag vormt een natuurlijke scheiding tussen het nieuwe erf en het naast gelegen agrarische perceel. De doorzichten het landschap in blijven behouden, maar de haag breekt de wind en zorgt voor privacy op het achtererf.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : :
Zie ontwerpkaart 55 meter 4 stuks per meter 220 Gewone beuk/Haagbeuk/ veldesdoorn/ meidoorn 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten. Houd 1 werkgang vrij tussen eigendomsgrens en heg zodat de haag makkelijk onderhouden kan worden.
Cultuurhistorische waarde Knip- en scheerheggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringde landschap. Nabij boerderijen en rondom boomgaard en moestuin waren veelal de heggen te vinden. Vaak diende de heggen als eigendoms- of perceelsscheiding. De doornige heg had daarnaast ook nog een belangrijke veekerende functie. Langs de rivieren dienden de heggen om de waterstroom bij overstromingen te remmen en te verdelen, zodat het vruchtbare slib kon bezinken. Knip- en scheerheg Inmiddels zien we dat veel heggen bedreigd worden. Veel heggen zijn uit het landschap verdwenen door de komst van prikkeldraad, de ruilverkavelingen en achterstallig onderhoud. Alle reden om de heg weer terug te brengen in het landschap. Heggen zijn namelijk nog altijd functioneel als windscherm en als veekering, ook bij hoge rivierwaterstanden zorgen ze voor een permanente afrastering. Daarnaast houden ze de grond vast en dragen ze bij aan een goede waterhuishouding. Ook veel dieren hebben profijt van de aanwezigheid van een heg. Vogels gebruiken het als broedplaats; veel kleine zoogdieren vinden er voedsel en een schuilplaats en voor vleermuizen is een haag erg belangrijk als oriëntatiepunt.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
3
2. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Haagstructuur op het nieuwe erf, breekt het zicht op de woning en de weg.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : :
Zie ontwerpkaart 30 meter 4 stuks per meter 120 Gewone beuk/ Haagbeuk/ veldesdoorn/ meidoorn 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten
3. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Haagstructuur langs het kavelpad (zwaar landbouwverkeer), de haag is een natuurlijke scheiding tussen kavelpad en weide/ boomgaard. De Haag zorgt dat de weg niet steeds breder wordt (geleiden van zwaar landbouwverkeer).
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : :
Zie ontwerpkaart 450 meter 4 stuks per meter 180 veldesdoorn/ meidoorn 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
4
4. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Haagstructuur langs de zuidzijde van het ‘oude’erf. De heg breekt het zicht op beide woningen.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : :
Zie ontwerpkaart 30 meter 4 stuks per meter 120 Gewone beuk 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten. Houd 1 werkgang vrij tussen weg en heg, zodat de haag makkelijk onderhouden kan worden.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
5
5. Struweelhaag ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Langs de zuid-west zijde van het erf een Vrij uitgroeiendehaag aanleggen. De beplanting zorgt voor luwte en privacy op het erf.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantrijen Plantwijze Aantal Soort
: : : : : :
Maat Aanleg en beheer Overig
: : :
Zie ontwerpkaart 60 1 Plantrijen 2 stuks per meter 120 15 x Eenstijlige meidoorn 15 x Gelderse roos 15 x krent 15 x gewone liguster 10 x rode kornoelje 10 x hazelaar 10 x haagbeuk 10 x wilde appel 10 x lijsterbes 5 x hondsroos 5 x aalbes 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten. Houd 1 werkgang vrij tussen eigendomsgrens en beplantingstrook, zodat de beplanting makkelijk onderhouden kan worden.
Cultuurhistorische waarde Gelderland kent een grote diversiteit aan lijnvormige landschapselementen, waaronder de vrij uitgroeiende haag en de struweelhaag. De vrij uitgroeiende haag bestaat uit een enkele rij struiken die vrijuit kunnen groeien en de struweelhaag bestaat uit meerdere rijen. De functie van deze hagen was perceelsscheiding en veekering, daarom bestonden de hagen vroeger voornamelijk uit doornsoorten. Soms werden ook nog wat andere struiken en bomen in de haag aangeplant, denk hierbij aan hondsroos, sleedoorn, braam, wilg, eik of es. De Struweelhaag hagen boden beschutting voor het vee en zorgden voor gebruikshout. Door de komst van het prikkeldraad, de schaalvergroting en de ruilverkavelingen zijn veel van deze elementen verdwenen. Vaak worden de termen heggen en hagen door elkaar gebruikt, en regionaal hebben ze soms verschillende betekenissen. De term heg gebruiken we voor strak geschoren elementen, de
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
6
term haag gebruiken we voor de meer breed en hoog uitgroeiende elementen. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals bij het leggen of vlechten van hagen. Hagen hebben een grote natuurwaarde. Ze zijn vaak een schuilplaats voor veel vogels en kleine zoogdieren en vergroten daardoor de landschappelijke en ecologische variatie.
Mantel-zoom vegetatie ……………………………………………………………………………………………………………………… Voor houtsingels/ bosjes of andere (kleinere en grotere) boselementen is het zeer waardevol om een gevarieerd ecologische beheer toe te passen en om op de juiste plaatsen een mantel-zoom vegetatie te ontwikkelen. Een mantel-zoom vegetatie bestaat uit 3 onderdelen die een natuurlijke overgang maken van de gras,- en kruidenlaag, de struikenlaag en het opgaande bos. Deze overgangen zijn zeer waardevol, zeker wanneer deze door de zon beschenen worden. ( wanneer de mantelzoom zone oost-west gericht ontwikkeld wordt is dit het meest interessant)
Mantel-zoom vegetatie
Bij aanleg van bosjes/houtwallen kan door het gebruik van de diversiteit van soorten (struikvormers/boomvormers) de basis worden gelegd voor een goede mantelzoom vegetatie. Een eenvoudige ingreep daarbij is het plaatsen van een raster op 2 meter buiten de aanplant. Er ontstaat dan vanzelf ruigte/ kruiden wat samen met de aanplant de basis vormt voor de mantelzoom vegetatie. De opbouw van de mantelzoomvegetatie wordt versterkt door het toepassen van hakhoutbeheer
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
7
6. Solitaire boom ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Een beeldbepalende boom op het achtererf erf.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : : :
Zie ontwerpkaart nvt Nvt Plantafstand minimaal 8 meter uit bebouwing 1 1 x zomer linde 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten
Cultuurhistorische waarde Een solitaire boom of bomengroep werd regelmatig in het weiland aangeplant als schaduw voor het vee of om het landschappelijke beeld compleet te maken. Ook werd een solitaire boom regelmatig op de hoek van het perceel aangeplant als afbakening (grensboom). Verder vindt men ook regelmatig solitaire bomen rondom het huis. Veel boomsoorten hadden een functie. Zo werd een walnoot vaak in de buurt van de keuken aangeplant omdat de walnoot muggen en vliegen weert en ook zorgde voor schaduw. Laanbomen kennen een historische functie op Solitaire boom bijvoorbeeld landgoederen en grotere boerderijen en buitenplaatsen als onder andere aankleding van wandellanen. Door deze aanplant ontstond er schaduw op het wandelpad. De welgestelde bewoners konden op deze manier geriefelijk wandelen zonder dat men werd gebruind door de zon. Iets wat in die dagen als teken van armoede werd gezien. De statigheid van een rij laanbomen werd door het gebruik van speciale soorten bomen versterkt.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
8
7. Solitaire boom ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Een beeldbepalende boom op het achtererf erf.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : : :
Zie ontwerpkaart nvt Nvt Plantafstand minimaal 10 meter uit bebouwing 1 1 x walnoot 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten
8. Bomenrij ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Een bomenrij langs de toegangsweg naar het erf. Westzijde beplanting ivm schaduwwerking
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort
: : : : : :
Maat Aanleg en beheer Overig
: : :
Zie ontwerpkaart 45 Nvt Plantafstand 10 meter 5 4 x winterlinde 1 x zomerlinde bij de entree naar het erf 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
9
9. Solitaire boom ………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Een beeldbepalende boom bij het begin van de heg (nr 4).
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
10.
: : : : : : : : :
Zie ontwerpkaart nvt Nvt Plantafstand minimaal 6-8 meter uit bebouwing 1 1 x haagbeuk 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten
Bomenrij
………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein Een bomenrij langs het kavelpad
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort
: : : : : :
Maat Aanleg en beheer Overig
: : :
Zie ontwerpkaart 110 Nvt Plantafstand minimaal 10 meter 5 3 x zomerlinde (voorzijde boom gaard) 3 x zomereik 2 x haagbeuk 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
10
11.
Versterken hakhoutsingel
………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein De achterzijde van de nieuwe schuur (noordelijke erfgrens) aanzetten met een wat forse beplantingsstrook. De haag (nr 1) gaat ter hoogte van de schuur over in een hakhoutsingel. Wenselijk is om hier een hakhoutbeheer toe te passen (zij inlegvel Houtsingel)
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantrijen Plantwijze Aantal Soort
: : : : : :
Maat Aanleg en beheer Overig
: : :
Zie ontwerpkaart 25 2 plantrij Plantafstand 1.50 in de rij tussen de rij 1.50 35 + 2 laanbomen 5 x hazelaar 5 x Eenstijlige meidoorn 5 x krent 5 x Geldere roos 5 x haagbeuk 5 x winterlinde 5 x veldesdoorn 2 x zoetekers 10-12 cm 60 -80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Bomen minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten struiken minimaal 0,5 meter
Cultuurhistorische waarde Een houtwal is een lijnvormig door de mens opgeworpen zandlichaam waarop bomen en/of struiken groeien. De wallen dienden vroeger om vee binnen of wild buiten het omgeven gebied te houden. Houtwallen werden ten tijde van de ontginningen (middeleeuwen) op de hogere zandgronden aangelegd. Langs houtwallen vind je vaak aan één of beide zijden greppels. Deze werden gegraven om met de vrijkomende grond de wal op te kunnen werpen. De wallen waren tussen de 50 en 100 cm hoog. Een houtsingel is een lijnvormige aanplant van bomen Houtsingel en/of struiken van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Er is echter geen sprake van een opgeworpen wal. Houtsingels werden vooral op de lagere zandgronden aangelegd, meestal parallel aan sloten. De singels leverden brand- en geriefhout, waaraan in het gemengde bedrijf grote behoefte was. Omdat de boer verschillende diktes hout nodig had, werd een hakhoutbeheer gevoerd. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
11
De houtwal en houtsingel hebben landschappelijk en ecologisch een belangrijke verbindende functie. Ze zijn tevens van belang voor vleermuizen om zich te oriënteren en als verbindingszone voor fauna. Bij de houtwal zorgt met name de wal voor extra ecologische waarde door de variatie in nat-droog en warm-koud.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
12
12.
Hoogstamboomgaard
………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw terrein In de weide naast de woning een hoogstam boomgaard realiseren.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Rassen Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : : :
Zie ontwerpkaart 50 meter 30 meter Plantafstand 10 meter 12 Zie rassentabel hoogstam Zie informatievellen in de bijlage
Cultuurhistorische waarde Al vele eeuwen wordt in Nederland fruit geteeld in hoogstamboomgaarden. Aanvankelijk waren het vooral kloosters, kastelen en landgoederen. Eind 19de eeuw begon een grote uitbreiding aan fruitboomgaarden. Onder invloed van de landbouwcrisis stapten veel agrariërs in het rivierengebied over van graanteelt naar hoogstamfruit. Een groot voordeel van het hoogstamfruit was dat er dieren onder konden grazen. Vanaf 1950 is het areaal aan hoogstamboomgaarden flink achteruit gegaan, vanwege de opkomst van de moderne fruitteelt (laagstam). Hoogstamboomgaarden hebben een grote ecologische waarde. Ze leveren nestgelegenheid aan allerlei vogels. De steenuil is een soort die graag broedt in holle takken van fruitbomen. Een heg om de boomgaard als windsingel vergroot de Hoogstamboomgaard natuurwaarde van de boomgaard. Rassentabel:
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
13
Ras appel
moes/hand
Notarisappel Groninger kroon* Ribston pippin
hand zoetzuur hand/keuken/verwerking zoetzuur saprijk zacht zuur
Schone van Boskoop Peer
Hand/ moes/ verwerking Zuur
begin vroeg sept midden oktober midden/vroeg oktober Eind Vroeg sept
Dirkjespeer*
stoof
zoet
midden
Oranjepeer* Jodenpeer Provisiepeer pruim Dubbele Boerenwitte* Opal* Kers Meikers
hand/stoof hand stoof
sappig sappig zoet
midden midden laat
begin aug eind sept oktober oktober
wit Blauwrood
vroeg vroeg
half aug eind juli
ongevoelig ongevoelig
Rood
Midden
ongevoelig
Rood
Laat
Half juni Eind juni
Wijnkers
smaak/kleur
bloeitijd
pluktijd Houdbaar
ziekte
slecht goed matig
gevoelig ongevoelig gevoelig
Zeer goed
Gevoelig
redelijk
ongevoelig
redelijk goed zeer goed
ongevoelig ongevoelig ongevoelig
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
ongevoelig
14
Kruidenrijk grasland beheer in de boomgaard ………………………………………………………………………………………………………………………
Ecologische en/of cultuurhistorische waarde De manier waarop hooiland wordt beheerd, is belangrijk voor plant en dier. Bij SLG streven we naar een extensief beheer waarbij zoveel mogelijk kruiden in het grasland tot bloei komen. Wij onderscheiden hierin twee beheertype, te weten maaien en afvoeren en sinusbeheer. Maaien en afvoeren Na het maaien van het grasland wordt het maaisel eerst Sinusbeheer gedroogd, gehooid en daarna verwijderd. Door 1 tot 2 keer per jaar te maaien en steeds af te voeren krijg je een soortenrijkere vegetatie. Door het maaisel te laten drogen voordat het afgevoerd wordt, kunnen zaden nog narijpen en op de bodem vallen. Door gefaseerd te maaien en 10 tot 25% van de vegetatie te laten staan houd je rekening met blijvende schuilgelegenheid voor de aanwezige fauna. Sinusbeheer Sinusbeheer is een alternatieve manier van gefaseerd maaien, waarbij vrijheid en flexibiliteit sleutelwoorden zijn. In het kort komt sinusbeheer erop neer dat je als beheerder zelf bepaalt waar, wanneer en hoe vaak je maait, met als richtlijn dat bij elke maaibeurt ca. 40% van de oppervlakte blijft staan. Advies is om het maaisel af te voeren; dit verhoogt in de meeste situaties sterk de soortenrijkdom van de vegetatie.
Sinusbeheer in een notendop • Laat bij iedere maaibeurt +/- 40% van de begroeiing staan; • Maai een slingerend maaipad van ca. 2 meter breed en voer het maaisel af; • Maai na enige tijd de binnenzijde van het pad en voer het maaisel af. Het pad zelf en de buitenzijde blijft ongemaaid. • Deze twee stappen kunnen, wanneer een terrein of het weer daarom vraagt, meerdere keren per jaar (meestal 2x) herhaald worden.
Eerst een sinuspad maaien (1), een paar weken later de binnenzijde van het pad maaien (2); dit proces herhaalt zich (3) Afbeeldingen: Jurgen Couckuyt
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
15
Voor de ontwikkeling van vegetatie is het tijdstip van maaien van belang. Maaiadvies is afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem en de reeds aanwezige vegetatie. Is de bodem niet extreem voedselrijk en is de begroeiing reeds soortenrijk, dan kunt u de eerste maaibeurt uitstellen tot na 15 juni. Daarmee houdt u de aanwezige soortenrijkdom in stand. Heeft u echter een hoogproductieve soortenarme grasbegroeiing, dan is verschralen wenselijk. Dat bereikt u door vaker te maaien (met afvoeren van maaisel) en door de eerste maaibeurt vroeg in het seizoen uit te voeren, bijvoorbeeld in de tweede helft van mei. Maar check wel of er weidevogels broeden die u zou kunnen verstoren. Voor meer informatie over sinusbeheer kunt u terecht op www.vlinderstichting.nl/sinusbeheer.
13.
Knotbomenrij
………………………………………………………………………………………………………………………
Op uw erf Knotbomenrij lang de noordelijke eigendomsgrens doorzetten,. Zo worden de lange lijnen van het ontginningslandschap verder versterkt.
Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig
: : : : : : : :
Zie ontwerpkaart 75 meter Plantafstand 10 meter 6 6 x Schietwilg (Salix alba) 250-350 cm lengte Zie informatie vellen in de bijlage Worden de knotbomen langs een watergang gepoot? Dan is daarvoor mogelijk een watervergunning nodig van het waterschap. Deze kunt u zelf aanvragen bij uw waterschap
Cultuurhistorische waarde Wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk kwamen al voor het begin van onze jaartelling als knotbomen voor. Knotbomen deden dienst als grensafscheiding of als houtleverancier. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat voor allerlei doeleinden werd gebruikt. Zo werd het gebruikt voor bezems, manden, oeverbeschoeiingen, takkenbossen en gebruikshout zoals hekken en gereedschapsstelen. Oudere knotbomen herbergen allerlei planten en dieren. Het aantal diersoorten dat in een knotboom huist is zeer groot. Van de vele vogels die in een knotboom te vinden zijn, is de steenuil een van de trouwste bewoners.
Knotbomen
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
16
Plantsoenlijst landschappelijke inrichting Onderstaande plantsoenlijst omvat de beplanting die nodig is om het voorgestelde plan uit te voeren. Volgt na afstemming van het plan
*Soorten kunnen in overleg met de gemeente worden gewijzigd
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
17
Bijlage 1 Gebiedskenmerken (Natte) heide/ broek ontginningen Het landschappelijk inrichtingsplan is zoveel mogelijk afgestemd op het Landschapsbeleid van de gemeente Brummen. Dit resulteert in een landschappelijk en cultuurhistorisch verantwoorde inrichting, waarbij niet alleen is gelet op de inrichting van het erf (zie bijlage 2), maar ook op de mogelijkheden het landschap in de directe omgeving te versterken. Het erf ligt in het broek ontginningslandschap. Een landschap dat relatief kort geleden is ontgonnen. De ontginning kent een planmatige aanpak waardoor een rechtlijnig landschap is ontstaan met rechte wegen en percelen. Het landschap wordt gekenmerkt door rechte wegen met laanbeplanting, hier en daar een bosje en de erven als groene eilanden in een vrij open landschap. Veel van de karakteristieke beplanting is door de verder schaalvergroting verdwenen. De nadruk ligt in dit landschappelijke inrichtingsplan daarom op het behouden van de structuren kenmerkend voor het heide/ broek ontginningslandschap; openheid behouden, aanzetten van lanen, erf- en kavelbeplanting rond de wegen en de ecologische structuren in het landschap versterken Richtlijnen Natte heideontginningen/ Broekontginning • • • • •
Relatieve openheid door begrenzing met boomsingels Herstel en behoud bospercelen Begeleiding door forse lanen (zonder ondergroei) als structuurdrager van het landschap Herstel en behoud van houtwallen en houtsingels Behoud van regelmatige kavelvormen
Kavel vorm Blokken en slagenpatronen ingepast in grootschalig geometrisch ontginningspatroon Bouwblok omvang structuur • •
•
Slagen en smalle kavelindeling Bijgebouwen integreren in, of plaatsen achter (ten opzichte v an de openbare weg), het woongebouw/de woongebouwen Bijgebouw en/of bedrijfsgebouw ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Te bereiken doormiddel van ligging en beplanting. Een lagere goothoogte kan dit effect versterken. Op deze manier wordt een goede presentatie van het gehele bebouwingscluster naar de openbare weg bewerkstelligd.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
18
Erfinrichting/ beplanting • • • • •
(Knot)elzen- of (Knot)wilgen langs sloten en op de kavelgrenzen in de lengterichting van het landschap Bestaande lijnen in het landschap benadrukken met houtwallen en houtsingels Aanleggen van broekbosjes Voorzijde complex inrichten als (formele) voortuin Eventueel een solitair of groepen op het erf
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
19
Bijlage 2 Boerenerven Traditioneel gebruik Van oudsher stonden boerderijen en boerenerven in dienst van de agrarische bedrijfsvoering. Alles wat te vinden was op en rond het erf had een functie. Nut ging altijd voor sier en niets was toevallig. De boerenerven verschillen per regio. De grondsoort en de oorspronkelijke agrarische bedrijfsvoering had grote invloed op de inrichting van het erf en de keuze van bomen en struiken. Maar ook de godsdienst drukte onbewust een stempel op het erf. Katholieke erven in het rivierengebied stonden vol bloemen, terwijl in de protestantse gebieden van de achterhoek het erf veel eenvoudiger was ingericht, zonder uitbundige bloemen. Opbouw van een boerenerf Ook de taakverdeling tussen de boer en boerin heeft een belangrijke invloed gehad op de traditionele erfinrichting. De taken waren duidelijk verdeeld en daarmee de grond rondom de boerderij ook. De vrouw had de verantwoordelijkheid over het woongedeelte, het daar dichtbij liggende terrein met de bleek, de moestuin, de huisweide, eventueel de siertuin met
boerenerf met een voor en achter structuur
bloemperken en de boerenboomgaard. Op de boerderij werd dat meestal “voor” genoemd en “voor” was het domein van de boerin. Voor deze delen van het boerenerf was een goede zichtbaarheid vanuit het woonhuis vereist, omdat in de boomgaard bijvoorbeeld de jonge kalveren liepen, die extra aandacht nodig hadden. De man had de verantwoordelijkheid voor de dieren, de wagens, de werktuigen en het bedrijfsgedeelte. Kortom, hij had de zorg voor “achter”. “Voor” is van oorsprong meestal een stuk groener dan “achter”. Voor staan de meeste bloemen, struiken en bomen. Ook speelde aan de voorkant het laten zien dat het goed ging, een belangrijke rol. Daarom werden daar later parkbomen zoals de treurbeuk, de paardenkastanje, de rode beuk, (lei)linden en sierstruiken, kortom, de wat meer luxe soorten, aangeplant. Het voorste deel van het boerenerf was meer gericht op het gezin en had een bepaalde beslotenheid. Aan de achterkant moest men ruimte hebben om met paard en wagen te manoeuvreren en later met steeds groter wordende tractors. “Achter” stonden ook de schuren. De boer was er de hele dag te vinden. Hij hield zich bezig met het bewerken van het land, de verzorging van het vee óf met onderhoud en reparaties
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
20
aan machines en bedrijfsgebouwen. “Achter” werden de zakelijke contacten met de omgeving afgehandeld, koop en verkoop van zaken vonden vooral daar plaats. Aan de achterkant lag ook de verbinding met de bij het bedrijf behorende percelen. De beplanting aan de achterkant bestond meestal uit bomen en struiken die ook in de omgeving voorkwamen. De beplanting achter was hoog, los en afwisselend en bestond uit singelachtige beplantingen. Ook kwamen vaak solitaire bomen voor. Voor en achter worden nog altijd door een denkbeeldige lijn tussen de verschillende gebouwen van elkaar gescheiden. Deze lijn kan globaal over het gehele erf worden doorgetrokken, waardoor de functionele scheiding tussen wonen en werken goed zichtbaar wordt.
Variatie Vanwege de functionaliteit van veel landschapselementen was er van oudsher veel beplanting op en rondom het erf aanwezig. Dit zorgde voor een grote variatie aan beplanting en beplantingsstructuren. Landschapsbeheer Gelderland streeft er dan ook naar deze structuren weer terug te brengen op erven, aan de hand van onze 4 lagen benadering. Dit houdt in dat we zowel kruiden, hagen, hoogstamfruit en singels met hoge bomen graag op erven zien. Dit vergroot de biodiversiteit en biedt veel kansen voor vogels en zoogdieren.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
21
Bijlage 3 Algemene plant informatie Struiken en bosplantsoen Algemeen Dit zijn soorten die of in een rij of per oppervlakte beplant worden. De maat van het geleverde materiaal is doorgaans 60-100 cm hoog. Struiken planten we 1,25 x 1,25 meter uiteen. Bosplantsoen 1,50 x 1,50 meter. In de meeste gevallen krijgt u een gevarieerd sortiment. Er zitten dan wat boomvormers in en wat struikvormers. Met name de manier waarop de menging wordt uitgevoerd kan bepalend zijn voor een goed of minder goed resultaat. Boomvormers: Berk, Es, Els, Eik, Beuk, Esdoorn zijn boomvormers die ook in een beplanting met struiken kunnen voorkomen. De boomvormers dient men als ze gemengd worden geplant met struiken in het midden van een beplanting (niet aan de rand dus) aan te leggen. Struikvormers: Gelderse roos, Sleedoorn, Kardinaalsmuts, Hondsroos en Egelantier zijn soorten die aan de rand van een beplanting het beste resultaat leveren. De Krent, Vuilboom, Hulst, Lijsterbes, Kornoelje en Hazelaar zijn de soorten die beter schaduw verdragen kunnen. Het is dan wel raadzaam om deze soorten in groepjes (wanneer mogelijk, 3-5 stuks) aan te planten. Aanleg De beplanting kan in verschillende verbanden aangeplant worden, in rijen, in driehoeksverband, in een wildverband enz. Voor alle verbanden geldt dat er in zwarte grond geplant dient te worden. Van tevoren ploegen, spitten of frezen is van groot belang.
Daarnaast dient de grond onkruid vrij te zijn en na aanplant ook de eerste jaren onkruidvrij te blijven (gebruik geen gif aangezien de jonge aanplant hier sterk van te lijden heeft). Het planten zelf kan vrij vlug uitgevoerd worden. Let op dat u niet te diep plant. De diepte is o.a. afhankelijk van de omvang van het wortelstelsel. Steek een gat, (houdt de grond op de schop), plaats het plantje zo dat alleen de wortels in het gat zitten. Gooi de grond weer in het gat, terwijl u het plantje vasthoudt. De grond iets aanduwen.
Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan
22
Onderhoud De beplanting begint klein, na 2 tot 3 jaar echter zal de beplanting gesloten raakt (d.w.z. de takken van de beplanting elkaar raken) er moet worden gesnoeid. Een beplanting van alleen struikvormers kunt u onderhouden om jaarlijks takken die problemen geven af te knippen. Ook is het mogelijk om dunningen uit te voeren, door struiken af te zetten. Zo kunnen de struiken zich ontwikkelen tot een mooie dichte, met kleurige bessen en bloemen, groene beplantingsvorm. Doet u daarna niks meer dan schieten bepaalde soorten door en wordt de beplanting hol van onderen. Er moet een verjonging plaatsvinden. Verjonging, als de struiken mooi in sluiting zijn, kan plaatsvinden door bijvoorbeeld jaarlijks 1/4 deel af te zetten (niet te laag 15-20 cm). Na 4 jaar is de gehele beplanting dan verjongd. Dit afzetten kan het beste, evenals de dunningen in het najaar plaatsvinden. Voor een beplanting met alleen boomvormers, wat op termijn dus bos dient te worden geldt dat de plantafstand groter is namelijk 1.50 x 1.50 meter en dat het daardoor de eerste jaren niet nodig is om te snoeien e.d. Wanneer de beplanting in sluiting komt, d.w.z. dat de kruinen van de bomen elkaar raken dan is het zaak om de zogeheten "blijvers" te kiezen. Met andere woorden welke bomen mogen groot en oud worden.