Bijlage 5 Uitgangspuntennotitie IHP Bronckhorst - U20168.pdf
Tekst van het document
Uitgangspuntennotitie IHP Onderwijs Gemeente Bronckhorst
Opdrachtgever Opgesteld door Kenmerk Datum
Gemeente Bronckhorst, de heer J. van Cranenburgh Jan Roelofs en Marieke Stevering-Rutten U20168 8 april 2020
Postbus 2145 | 7302 EM Apeldoorn | T (055) 538 66 90 | info@pentarho.nl | www.pentarho.nl | KvK-nr. 08169718 | Btw-nr. NL8189.60.115.B01
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
Inleiding
3
1.1 1.2
3 3
Visie op relevante thema’s Het IHP in relatie tot de gemeentelijke verordening
Wettelijk kader
4
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10
4 5 6 6 7 7 7 8 8 9
WPO en WVO Status van het IHP op landelijk niveau Regelgeving passend onderwijs Kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie Wmo, Jeugdwet en Participatiewet Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool Wet meer ruimte voor nieuwe scholen Wet toekomstbestendig onderwijsaanbod Lokale regelgeving Conclusie
Samenwerking
10
3.1.1 Voorzieningen voor een doorgaande leer- en ontwikkelingslijn
10
3.1.2 Samenwerken met wijk en zorgpartijen
12
3.1.3 Passend onderwijs
13
3.1.4 Demografie en spreiding
14
De gebouwen
15
4.1 4.2 4.3
15 16 17
Duurzaamheidsambitie Financieringsmogelijkheden ESCo = Energy Service Company
Beleidskader voor het IHP
19
5.1 5.2
19 19
Samenwerking De gebouwen
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 2 van 19
1
Inleiding
De gemeente Bronckhorst heeft de ambitie om samen met de schoolbesturen een nieuw Integraal Huisvestingsplan Onderwijs op te stellen. De gemeente Bronckhorst onderscheidt hierin drie fasen: Voorbereidingsfase → bepalen (inhoudelijke) uitgangspunten en kaders; Analysefase → in beeld brengen feitelijke situatie en vraagstukken; Integraal Huisvestingsplan → toekomstige ontwikkelingen in beeld brengen op basis van discrepantie tussen de inhoudelijke visie en huidige situatie. In de voorbereidingsfase van het Integraal Huisvestingsplan (IHP) worden de uitgangspunten en kaders voor het IHP vastgesteld. Deze uitgangspuntennotitie is het resultaat van bilaterale gesprekken met alle schoolbesturen van het primair onderwijs en de gemeente. Vervolgens is een gezamenlijke visiebijeenkomst georganiseerd. Het voortgezet onderwijs is niet betrokken bij het IHP, omdat hiervoor een separate haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd. 1.1
Visie op relevante thema’s In hoofdstuk 2, 3 en 4 worden de reikwijdte, diepgang, doelstellingen en accenten van het IHP vastgesteld. In hoofdstuk 2 zijn de relevante wettelijke kaders opgenomen. In hoofdstuk 3 is het thema samenwerking nader uitgewerkt. In hoofdstuk 4 is dieper ingegaan op de gebouwen en het verduurzamen daarvan. Op deze manier is het ‘speelveld’ bepaald, waarop het IHP in de volgende fases wordt uitgewerkt. In hoofdstuk 5 is vervolgens het beleidskader voor het IHP beschreven.
1.2
Het IHP in relatie tot de gemeentelijke verordening Het IHP bepaalt de planning en realisatie van onderwijshuisvestingsvraagstukken. Specifieke aanvullende huisvestingsaanvragen (bijvoorbeeld bij calamiteiten) dienen apart en conform de gemeentelijke verordening ingediend te worden. Naast de eisen uit de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bronckhorst, dienen de aanvragen in lijn te zijn met het op te stellen IHP. Onderwijshuisvesting heeft een wettelijke verankering in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra. Als wettelijk document is de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs opgesteld. Een IHP kent vooralsnog géén wettelijke basis en is daarmee een document dat op basis van consensus opgesteld dient te worden. De gemeente en schoolbesturen hebben met elkaar afgesproken dat de geactualiseerde Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bronckhorst als vangnet op de achtergrond fungeert. Het IHP is de leidraad voor de wijze waarop wordt omgegaan met onderwijshuisvesting en wordt iedere vier jaar - en in het geval van relevante (wettelijke) ontwikkelingen - geactualiseerd.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 3 van 19
2
Wettelijk kader
Dit hoofdstuk brengt de relevante wettelijke kaders in beeld, alvorens een verdieping te maken op de visie van de gemeente Bronckhorst en de schoolbesturen, ten aanzien van de relevante thema’s in de gemeente Bronckhorst. Een strategische visie op onderwijshuisvesting houdt rekening met de huidige en toekomstige wet- en regelgeving en wordt opgesteld binnen de gestelde beleidskaders. De onderhavige visie biedt de basis voor de onderwijshuisvesting in de gemeente Bronckhorst op de korte, middellange en lange termijn. Naast de kaders voor onderwijs, zijn ook de kaders voor kinderopvang en zorg en welzijn bepalend voor de inhoud van deze strategische visie. Wet- en regelgeving die medebepalend zijn voor deze strategische visie, zijn: Wet op het primair onderwijs (WPO); Wet op het voortgezet onderwijs (WVO); Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bronckhorst 2011; Wet passend onderwijs; Wet kinderopvang; Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); Participatiewet; Jeugdwet; Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool; Wet meer ruimte voor nieuwe scholen; Wet toekomstbestendig onderwijsaanbod. In de navolgende paragrafen wordt een beknopte strekking van de relevante kaders uiteengezet. In de gemeente Bronckhorst is geen school voor speciaal onderwijs. Vandaar dat de Wet op de expertisecentra (WEC) niet behandeld wordt in dit hoofdstuk. 2.1
WPO en WVO In de WPO en WVO is de verantwoordelijkheid van de gemeente en schoolbesturen ten aanzien van onderwijshuisvesting geregeld. Per 1 januari 2015 is de WPO gewijzigd. De wetswijzigingen houden in dat de zorgplicht voor onderhoud en aanpassingen van schoolgebouwen voor gemeenten vervalt. Vanaf 1 januari 2015 ontvangen de schoolbesturen de hiervoor benodigde vergoeding rechtstreeks van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Naast de taakverantwoordelijkheid die schoolbesturen al hadden, hebben zij vanaf dat moment ook een financiële verantwoordelijkheid ten aanzien van onderhoud en aanpassingen van gebouwen en terreinen. Situatie scholen voor het PO per 1 januari 2015 De wetswijziging heeft betrekking op de bekostiging van buitenonderhoud en op aanpassingen aan het gebouw en terrein. Het schoolbestuur kan niet langer een beroep doen op de gemeente voor een vergoeding van deze kosten. Het schoolbestuur zal daar zelf voor moeten zorgen en ontvangt daartoe een extra component in de rijksvergoeding. Het bekostigde bedrag voor buitenonderhoud wordt gebaseerd op het aantal leerlingen dat een school heeft. De huidige omvang van een schoolgebouw is niet van invloed op de bekostiging. Dit betekent dat wanneer een school in leerlingenaantal krimpt, dit een verlaging van de vergoeding tot gevolg heeft.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 4 van 19
De gemeente blijft in de nieuwe situatie wel verantwoordelijk voor de bekostiging van de volgende voorzieningen voor het PO: nieuwbouw; uitbreiding; medegebruik (van leegstand andere schoolgebouwen); constructiefouten; herstel in geval van bijzondere omstandigheden/calamiteiten (zoals brand, diefstal en stormschade); opstalverzekeringen en eigenaarsheffingen; eerste inrichting. Voor het VO geldt dat de gemeente verantwoordelijk is voor de bekostiging van de volgende voorzieningen: nieuwbouw; uitbreiding (drempel van 10% van de capaciteit); medegebruik (van leegstand andere schoolgebouwen); herstel van constructiefouten aan het gebouw en/of terrein; herstel in geval van bijzondere omstandigheden/calamiteiten (zoals brand, diefstal en stormschade); eerste inrichting meubilair en onderwijsleerpakket. Onderhoud en aanpassingen van het schoolgebouw is in het VO al vanaf 2005 een (financiële) verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Aanverwante thema’s Naast deze directe effecten van de wetswijzigingen zijn tevens een aantal onderwerpen te benoemen die de huisvesting raken, maar die niet of nauwelijks veranderd zijn: gymnastiekvoorzieningen: er is niets veranderd aan de bekostiging van het onderhoud van de lokalen voor bewegingsonderwijs voor het PO die eigendom zijn van de schoolbesturen.
Bekostiging van buitenonderhoud aan deze lokalen blijft de verantwoordelijkheid van de gemeente. renovatie: de wijziging van de genoemde wetten heeft vooralsnog niet geleid tot concretisering omtrent een algehele aanpassing of renovatie van een schoolgebouw. Gelijktijdig met het wetsvoorstel over het verplicht opstellen van een IHP, wordt ook een wetsvoorstel verwacht over renovatie dat ook voor het VO geldt. Dit thema wordt verder uitgewerkt in paragraaf 2.2. 2.2
Status van het IHP op landelijk niveau Eind 2016 is door de Commissie Nijpels – een bestuurlijke commissie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), PO-Raad en VO-Raad – aan (destijds) staatssecretaris Dekker het Huisvestingsvoorstel verzonden. In dit Huisvestingsvoorstel (2016) hebben de partijen een voorstel gedaan richting het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), naar aanleiding van het rapport ‘De praktijk gecheckt’ (2016) van de Algemene Rekenkamer (ARK). De ARK heeft in dit rapport een aantal tekortkomingen in het bestaande huisvestingsstelsel gesignaleerd, waardoor gemeenten en schoolbesturen onvoldoende worden geprikkeld om publiek geld efficiënt en doelmatig in te zetten voor onderwijshuisvesting.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 5 van 19
Op 9 mei 2018 hebben de VNG en sectorraden een rapport uitgebracht waarin een voorstel wordt gedaan voor drie wetswijzigingen: de jaarcyclus (verordening) maakt plaats voor een IHP met een looptijd van minimaal zestien jaar, waarvan de eerste vier jaar ook vastgelegd is in een meerjareninvesteringsplan; renovatie (levensduurverlengend) wordt een onderwijshuisvestingsvoorziening en is daarmee een taak van de gemeente; schoolbesturen voor PO en (V)SO mogen zelf investeren in het gebouw als dit leidt tot een financieel voordeel. Dit voorstel is nog niet besproken in de Tweede Kamer. De invoeringsdatum is daarmee nog onduidelijk. Het bovenstaande is vooral van toepassing voor het PO. 2.3
Regelgeving passend onderwijs Sinds 1 augustus 2014 is de Wet passend onderwijs in werking. Passend onderwijs gaat over alle leerlingen in het PO, VO, SO en mbo. In de praktijk gaat het vooral over alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Deze ondersteuning kan nodig zijn vanwege een lichamelijke of verstandelijke beperking, een chronische ziekte, een gedragsprobleem of een leerstoornis. Na invoering van de Wet passend onderwijs, is het onderwijs in cluster 1 en 2 nog steeds in een landelijk systeem georganiseerd. Cluster 1 is er voor leerlingen die blind of slechtziend zijn. Cluster 2 is er voor leerlingen die doof of slechthorend zijn of ernstige spraak- en taalmoeilijkheden hebben. Scholen die onder deze clusters vallen, maken geen deel uit van de regionale samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. Het onderwijs binnen cluster 3 en 4 maakt door de invoering van het passend onderwijs wel deel uit van de regionale samenwerkingsverbanden. Cluster 3 is er voor leerlingen met een verstandelijke beperking, een lichamelijke beperking of een chronische ziekte. Cluster 4 is er voor leerlingen met gedragsstoornissen, ontwikkelingsstoornissen of een psychiatrisch probleem. Het overige PO en VO maakt ook deel uit van de regionale samenwerkingsverbanden. De gevolgen voor onderwijshuisvesting zijn merkbaar met betrekking tot zowel de omvang als de kwaliteit.
Er zullen meer leerlingen binnen de ‘reguliere’ scholen onderwijs genieten, waardoor minder leerlingen aan het (V)S(B)O deelnemen. Ook dienen scholen maximaal toegerust te zijn op een veranderende ‘onderwijsvraag’ (toegankelijkheid, veiligheid, MIVA-toiletten, lift, time-out ruimten/zorgruimten etc.). Dit heeft vooralsnog niet geleid tot aanpassing van de regelgeving en vergoedingen rondom onderwijshuisvesting.
2.4
Kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie Per 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk van kracht. Deze wet zorgt ervoor dat peuterspeelzalen aan dezelfde kwaliteitseisen moeten voldoen als kinderopvang en dat peuterspeelzalen dezelfde juridische status krijgen als kinderopvang. Dit betekent dat ouders kinderopvangtoeslag kunnen ontvangen voor peuteropvang, mits zij hier recht op hebben. Gelijktijdig met deze wet is ook de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang geïmplementeerd. Deze wet zorgt ervoor dat de kinder- en peuteropvang aan hogere kwaliteitseisen moeten voldoen dan voorheen verplicht was. Een deel van deze maatregelen is uitgesteld tot 1 januari 2023 (www.veranderingenkinderopvang.nl). Vanuit het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) ontvangt de gemeente rijksmiddelen om onderwijsachterstanden bij
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 6 van 19
kinderen vroegtijdig te signaleren en te bestrijden. Op grond van artikel 165, 166 en 167 van de WPO is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend aanbod voor de voor- en vroegschoolse educatie (vve). De gemeente is verplicht tot het maken van afspraken met vve-aanbieders en het PO over welke kinderen in aanmerking komen voor vve, hoe de toeleiding naar vve verloopt en hoe de doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie verloopt. De uitvoering hiervan gebeurt door de kinderopvangorganisaties en groep 1 en 2 van het PO. 2.5
Wmo, Jeugdwet en Participatiewet De gemeenten hebben sinds 1 januari 2015 extra taken door drie grote decentralisaties. Het gaat om de overheveling van taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) naar de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet. De decentralisaties zijn een ontwikkeling naar de steeds grotere verantwoordelijkheid van de gemeenten. De Wmo geeft kaders aan voor de invulling van diverse met elkaar samenhangende beleidsthema’s, zoals: ouderen, jeugd, gezondheid, sport, welzijn, werken in de wijken en fysieke toegankelijkheid. In de Wmo staat integraliteit van beleid centraal. De gemeente is inhoudelijk en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo. De Jeugdwet regelt dat de gemeenten verantwoordelijk zijn voor bijna alle zorg aan kinderen tot achttien jaar met opgroei- en/of opvoedproblemen en aan kinderen en jongeren met een duidelijk ziektebeeld of handicap die extra zorg of begeleiding nodig hebben. Met de Participatiewet wil het kabinet bereiken dat mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt die wel kúnnen werken, participeren in de samenleving door middel van vrijwilligerswerk, dagbesteding of betaald werk.
2.6
Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool In juli 2017 is de Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool aangenomen door de Eerste Kamer. Hiermee wordt de vorming van samenwerkingsscholen vereenvoudigd. In de nieuwe wet blijft de Grondwet leidend: een samenwerkingsschool blijft een uitzondering op het duale bestel van openbaar en bijzonder onderwijs. Er moet sprake zijn van een bedreiging van de continuïteit van het openbaar of bijzonder onderwijs om een samenwerkingsschool te mogen vormen. In dat geval moet de identiteit van een school voornamelijk op schoolniveau vorm krijgen en niet op bestuurlijk niveau. Hiertoe moet het bevoegd gezag van een school een identiteitscommissie vormen en de wijzigingen verankeren in de statuten. Een stichting voor openbaar onderwijs kan het bevoegd gezag zijn van een samenwerkingsschool in deze nieuwe wet. Daarmee worden openbaar en bijzonder onderwijs gelijkwaardiger aan elkaar. De algemene acceptatieplicht wordt gekoppeld aan de samenwerkingsschool, waardoor deze geen leerlingen mag weigeren.
2.7
Wet meer ruimte voor nieuwe scholen Het Wetsvoorstel meer ruimte voor nieuwe scholen is aangenomen in de Tweede Kamer, echter nog niet in de Eerste Kamer. De plenaire bespreking van het wetsvoorstel in de Eerste kamer staat gepland voor 31 maart 2020. Het doel is om de wet op 1 juni 2020 in werking te laten treden. De PO-Raad geeft het volgende aan over dit wetsvoorstel: Bij invoering van deze nieuwe wet wordt het mogelijk om een school te stichten op basis van belangstelling van ouders en leerlingen. Op dit moment kan een nieuwe school op basis van een pedagogisch-didactisch of onderwijskundig concept alleen nog begonnen worden in combinatie met een erkende geloofs- of levensovertuiging, een zogenaamde richting. Terwijl er wel behoefte is aan vernieuwing en uitbreiding van het onderwijsaanbod. Met de nieuwe wet ontstaat meer ruimte om op basis van een
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 7 van 19
onderwijsconcept een school te beginnen. Een kwaliteitstoets, uitgevoerd door de Onderwijsinspectie, wordt onderdeel van de startprocedure. Na de kwaliteitstoets beslist de minister van Onderwijs over de bekostiging van de nieuwe school. Indien aan alle kwaliteitscriteria wordt voldaan, staat de minister de stichting van een school toe. Als een nieuwe school na twee jaar wordt beoordeeld als kwalitatief slecht, kan deze gesloten worden. 2.8
Wet toekomstbestendig onderwijsaanbod Op 6 juni 2017 heeft de Eerste Kamer het Wetsvoorstel toekomstbestendig onderwijsaanbod aangenomen. Dit wetsvoorstel maakt het eenvoudiger voor scholen om de richting om te zetten, uit te breiden met een richting of te verplaatsen. Door deze maatregelen worden schoolbesturen beter in staat gesteld om te anticiperen op eventuele leerlingendaling. De PO-Raad geeft aan dat het aangenomen wetsvoorstel de volgende zaken regelt: het wordt voor besturen makkelijker om een school om te zetten van openbaar naar bijzonder onderwijs of andersom; het wordt makkelijker om een school van richting te laten veranderen of binnen de gemeentegrenzen te verplaatsen; de opheffingsnorm mag tussentijds gesplitst worden in stedelijk en niet-stedelijk gebied binnen een gemeente; de deadline voor vrijwillige sluiting van openbare scholen wordt flexibeler.
2.9
Lokale regelgeving De gemeente Bronckhorst heeft op basis van geldende landelijke wet- en regelgeving ook lokaal beleid vastgelegd of is voornemens dat te doen. Hieronder wordt hiervan een opsomming gegeven: Beleidsregel gymlokalen: voor gymlokalen in eigendom bij het schoolbestuur PO moet een beleidsregel opgesteld worden, waarin de financiële verantwoordelijkheid voor het groot onderhoud geregeld wordt. Ook na 2015 is dat een verantwoordelijkheid van de gemeente. Voor de gemeente Bronckhorst is dit van toepassing op de gymzaal in Kranenburg. Bewegingsonderwijs: op dit moment ontvangen de meeste schoolbesturen voor PO een financiële bijdrage waarmee ze uren gymonderwijs kunnen inkopen bij de (geprivatiseerde) gymlokalen, sportzalen en sporthallen. De gemeente Bronckhorst is voornemens dit beleid te evalueren. Beleid verhuur- en medegebruik: als uitvloeisel van de bepalingen in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs is de gemeente voornemens in samenspraak met de schoolbesturen beleid op te stellen voor verhuur en medegebruik van schoolgebouwen. Onderhoud speelterreinen bij scholen: in principe zijn schoolbesturen verantwoordelijk voor onderhoud aan het buitenterrein van de school. Bij sommige scholen betaalt de gemeente een bijdrage in het onderhoud omdat het terrein van de school een functie heeft in de wijk, bij gebrek aan andere speelvoorzieningen.
Dit beleid moet vastgelegd worden in de verordening materiële en financiële gelijkstelling.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 8 van 19
2.10 Conclusie Niet alleen het onderwijs, maar het gehele sociale domein is volop in ontwikkeling; nieuwe wetgeving en (uitvoerings)regels zijn in sommige gevallen nog maar recentelijk in werking getreden. Deze nieuwe regels vragen om een andere kijk op onderwijshuisvesting. Een gevolg hiervan kan een aanpassing van de onderwijshuisvesting, een wens tot het beter benutten van het aantal m² huisvesting en/of integrale samenwerking zijn. De beleidswijzigingen vragen om een integrale en strategische visie van de gemeente en schoolbesturen op het gebied van samenwerken, samenwonen, exploitatie en beheer. Daarbij dient niet alleen naar traditionele samenwerkingspartners uit de eigen sector gekeken te worden, maar naar integrale samenwerking binnen het gehele domein van onderwijs, kinderopvang, sport en zorg en welzijn. Het afstemmen of aanscherpen van het lokale beleid ten opzichte van reeds veranderde wetgeving en te verwachten toekomstige wetswijzigingen, is hierbij een punt van aandacht.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 9 van 19
3
Samenwerking
In de gesprekken met de gemeente en schoolbesturen is gesproken over samenwerking in verschillende vormen, te weten: voorzieningen voor een doorgaande leer- en ontwikkelingslijn; samenwerking met wijk- en zorgpartijen; passend onderwijs; demografie en spreiding. Per onderdeel wordt in dit hoofdstuk de ambitie en visie beschreven, de ruimtelijke component en de verantwoordelijkheid voor realisatie/financiering. 3.1.1 Voorzieningen voor een doorgaande leer- en ontwikkelingslijn Ambitie en visie De gemeente vindt, in samenspraak met de onderwijs- en kinderopvangpartners, de verdere ontwikkeling en verdieping van samenwerking tussen kindvoorzieningen in de gemeente Bronckhorst van groot belang. Onderwijs en opvang werken op verschillende fronten al samen. De verwachting en de wens is dat deze samenwerking intensiveert, al dan niet door eventuele wijzigingen in rijksbeleid. Een versterkte koppeling tussen onderwijs en opvang betreft in eerste instantie een samenwerkingsvraagstuk. Anderzijds is het mogelijk ook een ruimtelijk vraagstuk, echter hoeft dat niet per definitie zo te zijn. Voor opvang zijn ook waardevolle combinaties of locaties denkbaar waarbij het onderwijs niet in ruimtelijke zin is toegevoegd. Voor het IHP is de ruimtelijke component van belang, alsmede de verantwoordelijkheid voor de realisatie/financiering van een voorziening voor kinderen onder een dak.
Alle ontwikkelingsterreinen van kinderen komen binnen dit thema aan bod. Een brede voorziening biedt een gevarieerd totaalpakket op het gebied van educatie, opvang, ontwikkeling, zorg, welzijn en vrije tijd. Dit totaalpakket is niet verdeeld op basis van een institutionele en/of organisatorische verdeling. Het komt erop neer dat onderwijs, opvang, zorg en welzijn in zo’n voorziening gelijkwaardige partners zijn, die gezamenlijk een aanbod aan diensten bieden binnen een pedagogisch kader en het liefst heel dicht bij elkaar (fysiek). Deze voorziening biedt alle kinderen een dagprogramma voor zolang als zij willen deelnemen. Hierbij is sprake van minimale en maximale uren met een ruim openingsregime. Voor nu is aangegeven dat een brede voorziening onder een dak geen doel op zich is. Het is een middel dat - waar nodig en gewenst - tot mooie verbindingen kan leiden. Niet alle scholen zullen zich dus tot een brede kindvoorziening onder een dak ontwikkelen, alleen daar waar vraag en behoefte is. Samenwerking tussen diverse kindvoorzieningen is wel voor alle scholen in alle kernen een belangrijk streven. Gemeente en schoolbesturen hechten aan de diversiteit van aanbod voor kinderen, in schoolgebouwen, in het groen of gekoppeld aan andere maatschappelijke voorzieningen.
Ruimtelijke component Ten aanzien van de ruimtelijke component hebben de betrokken partners de ambitie om vanuit de behoefte van kinderen en ouders, in een kern, een integraal aanbod te doen, waarbij partijen intensief samenwerken en waar mogelijk ook samenwonen.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 10 van 19
In sommige situaties zijn niet alleen kindgerelateerde zorg- en welzijnsvoorzieningen aanwezig in een gebouw of in de directe nabijheid, maar ook wijk- of maatschappelijk gerelateerde zorg- en welzijnsvoorzieningen. De gemeente en het schoolbestuur onderzoeken bij nieuwbouw en renovatie in het onderwijs de inrichting van een brede voorziening, passend bij de behoefte van kinderen en hun ouders in een kern. Verantwoordelijkheid realisatie/financiering De primaire verantwoordelijkheid voor de realisatie van samenwerking tussen kindvoorzieningen ligt bij de kernpartners zelf (schoolbestuur, kinderopvangorganisaties en overige maatschappelijke partners). De gemeente ziet voor zichzelf vooral een regisserende, stimulerende en verbindende rol. De formele positie van de gemeente - ten opzichte van de partners - is zeer verschillend. Investeringen in aanvullende en/of commerciële functies zijn onderwerp van gesprek, waarbij de betrokken schoolbesturen en aanbieders van peuter- en kinderopvang een nadrukkelijke rol spelen, onder andere om financieel bij te dragen in de totstandkoming van huisvesting. Deze partijen zijn als eerste aan zet. Echter, met name bij de bouw van een brede voorziening, kan het lastig zijn om private partijen te vinden die hierin willen investeren, vanwege een zeer specifieke businesscase en ingewikkelde eigendoms- en beheervraagstukken.
In dat geval kan de gemeente ervoor kiezen om met nietonderwijshuisvestingsmiddelen te investeren in opvang of in andere kindgerelateerde functies en daarbij kostendekkende huur vragen. Dit is in de gemeente Bronckhorst in elke situatie maatwerk, waarbij de gemeente in ieder geval voldoende contractuele zekerheden bij de desbetreffende instellingen dient te verwerven. Hieronder beschrijven we de relatie van de gemeente ten opzichte van de verschillende partners. Relatie gemeente – onderwijs → zorgplicht onderwijshuisvesting Ten aanzien van de component onderwijs worden de gemeente en schoolbesturen bekostigd door de Rijksoverheid. De relatie tussen gemeente en onderwijs richt zich met name op het onderwijshuisvestingsbeleid. De gemeente heeft de wettelijke taak en verplichting om onderwijshuisvesting (vervangende nieuwbouw en uitbreiding) te faciliteren. Deze wettelijke verantwoordelijkheid is vastgelegd in de WPO en WVO en in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bronckhorst 2011. Bij onderwijshuisvestingsvraagstukken en de zoektocht naar passende huisvesting van scholen, zijn er een aantal principes. Allereerst wordt gezocht naar oplossingen binnen bestaande gebouwen en/of binnen dezelfde kern. Wanneer dit niet mogelijk blijkt te zijn, wordt gezocht naar (huisvestings)oplossingen op fietsveilige afstand.
Voor zowel onderwijs als kinderopvang geldt dat leegstand zoveel mogelijk moet worden voorkomen en/of benut. Indien dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar een (kosten)efficiënte oplossing in de vorm van nieuwbouw of uitbreiding. Relatie gemeente - kinderopvang De gemeente heeft geen wettelijke taak voor wat betreft de huisvesting van kinder- en peuteropvang, behalve het organiseren van plekken voor voorschoolse educatie. Vanuit de zorgplicht voor onderwijshuisvesting, kan de gemeente de ontwikkeling van brede voorzieningen echter wel bevorderen en stimuleren bij (toekomstige) vraagstukken en aanvragen omtrent dit beleidsonderwerp.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 11 van 19
De mogelijkheden om te sturen op kinderopvang zijn zeer beperkt, aangezien deze sector privaat is georganiseerd. Uiteraard heeft de gemeente hier de rol van toezichthouder (ondergebracht bij de GGD). De gemeente investeert in principe niet in ruimte voor kinderopvang. De verantwoordelijkheid voor de realisatie en exploitatie van kinderopvangruimten ligt bij de desbetreffende aanbieder. Om Integrale Kindcentra of andere samenwerkingsvormen tussen onderwijs en opvang te faciliteren, kan de gemeente in nieuwbouwsituaties wel optreden als verhuurder van vastgoed voor de kinderopvang, waarbij de risico’s voor de gemeente zo veel mogelijk zijn afgedekt. Een bijdrage in het aanpassen van bestaande gebouwen voor de kinderopvang is niet aan de orde. Relatie gemeente - jeugdbeleid Voor het jeugdbeleid als geheel heeft de gemeente een regiefunctie die als gevolg van de transitie jeugdzorg verder is versterkt. De gemeente heeft hierin geen taak als het gaat om huisvesting. De gemeente heeft een zorgplicht voor onderwijshuisvesting. De gemeente heeft geen taak met betrekking tot het huisvesten van kinderopvang. Bij nieuwbouwtrajecten wordt bij behoefte gestreefd naar samenwonen van diverse kindpartijen ter ondersteuning van de samenwerking, passend bij de behoefte van kinderen en hun ouders.
Om dit te faciliteren kan de gemeente optreden als verhuurder van het vastgoeddeel dat is bestemd voor de kinderopvang. 3.1.2 Samenwerken met wijk en zorgpartijen Ambitie en visie Het wijkgericht werken is sterk gekoppeld aan de Wmo en Jeugdwet. Voor het optimaal ontwikkelen van kinderen en jongeren is het belangrijk om aandacht te hebben voor de omgeving en situatie waarin zij opgroeien. Ouders hebben hierin een primaire verantwoordelijkheid. Naast ouders spelen hierin ook de professionals en vrijwilligers in algemene jeugdvoorzieningen zoals scholen, kinderopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang, sociaal team, het jongerenwerk en sportverenigingen een belangrijke rol. Al deze partijen samen vormen de pedagogische infrastructuur in de buurt. Het doel van samenwerken tussen onderwijs, zorg en welzijn is een zo optimaal mogelijke omgeving creëren waar kinderen kunnen opgroeien. Ruimtelijke component Het buurt- en wijkgericht werken betreft met name de afstemming/het contact tussen de diverse maatschappelijke organisaties inzake preventie. Daardoor is sprake van veelvuldig overleg in een klein comité. Dit overleg vindt, aangaande de leerlingen, bij voorkeur plaats op school. De gesprekken hebben een hoog privacy gehalte. Dit vraagt om specifieke ruimten en dus flexibiliteit.
Verantwoordelijkheid realisatie/financiering De gemeente speelt een belangrijke rol in de regie van de pedagogische infrastructuur. De kern van gemeentelijk jeugdbeleid is preventie, dus aan de voorkant investeren in onder andere onderwijs en jeugdgezondheidszorg, om daarmee het ontstaan of erger worden van problemen zoveel mogelijk te voorkomen.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 12 van 19
Ten gunste van de preventie zien de schoolbesturen dat verbinden met andere ‘vindplaatsen’ waar kinderen en hun ouders/verzorgers komen, zoals ontmoetingsplaatsen in de wijk, sportcentra, etc., van belang is. Het gaat hierbij om de goede aansluiting vanuit de behoefte van de wijk naar een passend voorzieningenniveau. Dit vraagstuk overstijgt het IHP en heeft betrekking op het formuleren van een accommodatiebeleid in de gemeente. Schoolgebouwen kunnen, vooral wanneer sprake is van leegstand, inspelen op deze behoeften. Scholen zijn een belangrijke vindplaats. Kinderen brengen een groot deel van de dag door op school. Een verbinding met zorg op school of in de nabijheid van school is gewenst. Samenwerken is hierbij belangrijker dan samenwonen. 3.1.3 Passend onderwijs Ambitie en visie De scholen voor primair onderwijs in de gemeente Bronckhorst vallen onder het samenwerkingsverband Passend Onderwijs Doetinchem, behalve het PO in Vorden dat valt onder het samenwerkingsverband IJssel-Berkel. Het Kompaan College in Vorden valt onder het samenwerkingsverband VO Regio Zutphen. De samenwerkingsverbanden willen inhoudelijk sterk onderwijs bieden aan iedere leerling, passend bij zijn of haar onderwijsbehoefte en mogelijkheden, ononderbroken en zo thuisnabij mogelijk.
Het is de ambitie om binnen het reguliere basisonderwijs en voortgezet onderwijs - en waar nodig in het (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs - een zodanig gedifferentieerd onderwijsaanbod te creëren dat ieder kind zich optimaal kan ontwikkelen. Als uitgangspunt geldt: regulier onderwijs als het kan, speciaal onderwijs waar het nodig is. Ruimtelijke component De ontwikkelingen op het gebied van passend onderwijs en de daaraan gerelateerde huisvestingsconsequenties (op het gebied van leerlingenaantallen en de daarbij behorende (ruimte)behoeften), zijn niet exact te voorspellen. Dat betekent dat het gewenst is om flexibele schoolgebouwen te hebben, waarin op een eenvoudige wijze aanpassingen doorgevoerd kunnen worden. De flexibiliteit wordt gezocht in: extra gespreksruimten voor professionals (zorg/ondersteuning) die - zo nodig bij toerbeurt gebruikmaken van de ruimte; extra (kleinere) lesruimten waar een leerling in een klein groepje van leerlingen separaat les kan krijgen; toegankelijkheid en bereikbaarheid van zowel de locatie als de individuele ruimten voor leerlingen met lichamelijke beperkingen; specialistische voorzieningen, inrichting en inventaris gericht op de zorgvraag. In de gemeente Bronckhorst zijn geen voorzieningen voor speciaal onderwijs.
Leerlingen zijn aangewezen op voorzieningen in de omliggende gemeenten, wanneer het regulier onderwijs geen passend aanbod kan bieden. Verantwoordelijkheid realisatie/financiering De gemeente Bronckhorst is een volwaardige samenwerkingspartner met betrekking tot passend onderwijs en ziet daarbij een duidelijke koppeling en verbinding tussen haar taken ten aanzien van jeugdbeleid en de opgave van passend onderwijs. Formeel is het schoolbestuur verantwoordelijk voor gebouwelijke aanpassingen ten behoeve van een specifieke leerling. De ontwikkeling van passend onderwijs leidt niet direct tot een huisvestingsvraag, maar vraagt wel om flexibiliteit en andersoortige ruimten.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 13 van 19
3.1.4 Demografie en spreiding Ambitie en visie De schoolbesturen en gemeente willen onderwijs bereikbaar houden voor alle kinderen in de gemeente. De afgelopen jaren zijn diverse voorzieningen voor onderwijs gesloten dan wel geclusterd op een centrale plek. De verwachting is dat het leerlingenaantal in de gemeente Bronckhorst de komende jaren nog verder zal dalen. Dit betekent dat nog meer scholen sluiten. Het besluit om een school te sluiten is voorbehouden aan een schoolbestuur. Zij nemen deze besluiten op basis van kwalitatieve, organisatorische en financiële argumenten. Hierbij is ook de afstand tot de dichtstbijzijnde volgende voorziening een factor die meespeelt. Er is een gezamenlijke ambitie om geen witte vlekken te laten ontstaan. Geografische spreiding van scholen over de hele gemeente is wenselijk, waarbij gemeente en schoolbesturen uiteraard handelen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Schoolbesturen en gemeente hanteren vooralsnog geen ondergrens voor het openhouden van een voorziening anders dan de gemeentelijke opheffingsnorm van 36 leerlingen en de landelijke ondergrens om voor bekostiging in aanmerking te komen van 23 leerlingen. Ruimtelijke component De gemeente heeft een zorgplicht voor onderwijshuisvesting. Deze geldt voor alle bekostigde scholen.
Scholen onder de opheffingsnorm, die op basis van de WPO of WVO toch in standgehouden worden, vallen ook onder deze zorgplicht. De gemeente zal bij eventuele renovatie of nieuwbouw van scholen de toekomstbestendigheid mee laten wegen bij het wel of niet doen van een investering. Krimp van leerlingenaantal leidt tot leegstand in gebouwen. Bij renovatie of nieuwbouw van een pand met leegstand kan hierop geanticipeerd worden, door een kleiner gebouw te realiseren dan wel een deel af te stoten. Verantwoordelijkheid realisatie/financiering De gemeente heeft zoals gezegd voor alle bekostigde scholen een zorgplicht in het kader van onderwijshuisvesting. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de exploitatie van schoolgebouwen. Bij leegstand kan hierdoor een probleem ontstaan, omdat de bekostiging is gerelateerd aan het aantal leerlingen en niet aan het gebouw. Schoolbesturen en gemeente hanteren vooralsnog geen ondergrens voor het openhouden van een onderwijsvoorziening. Er is een gezamenlijke ambitie en commitment om geen witte vlekken te laten ontstaan. In het kader van het IHP wordt bij vraagstukken rondom instandhouding van scholen een brede en gezamenlijke afweging gemaakt of het noodzakelijk en verantwoord is om te investeren. Er is hierbij aandacht en ruimte voor ieders verantwoordelijkheid.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 14 van 19
4
De gebouwen
Naast samenwerking zijn ook een aantal gebouwelijke thema’s relevant ten behoeve van het IHP. In de bilaterale gesprekken en in de visiebijeenkomst is – conform uw vraag en ter voorbereiding op beleidskaders – nader ingegaan op de volgende thema’s: duurzaamheidsambitie; financieringsmogelijkheden (Total Cost of Ownership); ESCo’s; doorkijk naar het vervolg. 4.1
Duurzaamheidsambitie Definitie en begrippenkader Duurzaamheid is een breed begrip en gaat verder dan het gebouw. In dit hoofdstuk beperken we ons tot de gebouwelijke kaders. Om uniformiteit en duidelijkheid rond de term duurzaam bouwen te verkrijgen zijn diverse keurmerken en certificaten ontwikkeld, zoals BREEAM en GPR. BREEAM is meer gericht op commercieel vastgoed en GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) wordt vooral bij de bouw van scholen en maatschappelijk vastgoed toegepast. De GPR onderscheidt de duurzaamheidsthema’s energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Een duurzaam gebouw beperkt zich niet tot een goede energieprestatie, maar scoort hoog op al deze thema’s. Voor het IHP wordt - overeenkomstig hetgeen is besproken tijdens de visiebijeenkomst op 12 maart jl. - de focus gelegd op de thema’s energie en gezondheid. Met betrekking tot de energieprestatie en CO2-reductie is de routekaart voor verduurzamen van onderwijshuisvesting een belangrijke richtlijn. Het Programma van Eisen Frisse Scholen 2015, opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, geeft goede richtlijnen voor een gezond schoolgebouw. Dit Programma van Eisen kent verschillende ambitieniveaus.
Ambitie en visie De gemeente Bronckhorst heeft in haar beleidsdoelstellingen - voortkomend uit het Klimaatakkoord 2019 - onder andere de volgende doelen verwoord: klimaatneutraal in 2030; 100% lokale energieopwekking in 2030; 45% energiebesparing in de gemeente. In de visiebijeenkomst is de kanttekening gemaakt dat deze ambitie van toepassing is op gemeentelijke gebouwen. Onderwijsgebouwen zijn weliswaar door de gemeente gefinancierd, maar het juridisch eigendom behoort aan de schoolbesturen1. Onderwijs kent een scheiding van geldstromen, waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor investeringen ten aanzien van nieuwbouw en uitbreiding en de schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van de gebouwen. De schoolbesturen zijn op basis van het Energieakkoord 2013 en de uitwerking daarvan in het Klimaatakkoord 2019 verplicht om zogenaamde ‘erkende maatregelen’ door te voeren. Ook de PO-Raad en VO-Raad hebben zich gecommitteerd met het Klimaatakkoord. In de gemeente Bronckhorst is de actuele situatie versnipperd.
1 Dit is in de gemeente Bronckhorst nog niet voor alle schoolgebouwen vastgelegd
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 15 van 19
Sommige schoolbesturen hebben energiebesparende maatregelen doorgevoerd, anderen hebben deze in voorbereiding of overwegen met dit onderwerp aan de slag te gaan. Alle schoolbesturen hebben in de visiebijeenkomst aangegeven dat er zeker sprake is van een ambitie om de gebouwvoorraad te verduurzamen. Daarbij is ook aangegeven dat - conform de voorgaande omschrijving van het begrippenkader - verder moet worden gekeken dan energiebesparing. Met name werd ook aandacht gevraagd voor de thema’s gezondheid (Frisse Scholen) en gebruikskwaliteit. De ambitie van zowel de gemeente als de schoolbesturen is gericht op het verduurzamen van de schoolgebouwen. De bijzondere financieringsstructuur (gescheiden geldstromen voor investering door gemeente en exploitatie door schoolbestuur) en de daarmee samenhangende regelgeving (zoals het investeringsverbod in huisvesting voor het PO), is geen onoverkomelijke belemmering. Gemeente en schoolbesturen hebben de visie om het verduurzamen van de schoolgebouwen te zien als een gezamenlijke opgave en als wezenlijk onderdeel van het toekomstig IHP. Hierbij is het van belang dat schoolbesturen en gemeente transparant zijn over de (financiële) mogelijkheden en onmogelijkheden. Dit vraagt een nadere uitwerking. 4.2
Financieringsmogelijkheden Om de verduurzamingsopgave – en de financiering daarvan – inzichtelijk te maken, wordt eerst ingegaan op de verschillende stadia van gebouwen c.q. investeringsprojecten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw, levensduurverlengende renovatie en de bestaande gebouwvoorraad. Voor de verschillende investeringen zijn de verantwoordelijkheden in meerdere of mindere mate geregeld. Nieuwbouw De gemeente is verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw. Renovatie Het begrip ‘renovatie’ is in de onderwijshuisvesting niet nader gedefinieerd. Dit leidt tot (te) veel discussie over de financiering daarvan. De toekomstige beleidslijn – waarover wetgeving vanuit het Rijk in voorbereiding is - gaat inhouden dat levensduurverlengende renovatie een volwaardig alternatief is voor vervangende nieuwbouw. Wanneer - om welke reden ook - sprake is van vervangende nieuwbouw, wordt de afweging gemaakt tussen nieuwbouw of renovatie op hetzelfde kwaliteitsniveau. Bestaande gebouwvoorraad Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding (onderhoud) en exploitatie (waaronder de energierekening) van het gebouw. Investeringen in het verduurzamen van gebouwen zijn in de regelgeving over onderwijshuisvesting niet gedefinieerd. Het onderscheid tussen investeren en exploiteren is bij elke investeringsbeslissing een bron van discussie.
Dat geldt zowel voor nieuwbouw als voor renovatie, alsmede voor het verduurzamen van de bestaande gebouwvoorraad. Het voor het primair onderwijs geldende investeringsverbod in onderwijshuisvesting en de mate waarin dit al dan niet wordt toegestaan door de onderwijsinspectie maakt het er niet eenvoudiger op. Gelukkig zijn er veel goede voorbeelden in het land. Dat blijkt ook uit het door PentaRho uitgevoerde onderzoek naar de financiering van duurzame IHP’s. ‘Waar een wil is, is een weg. Vertrouwen is voorwaarde.’
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 16 van 19
Total Cost of Ownership (TCO) Verduurzamen van gebouwen, zowel nieuw als bestaand, vraagt om een integrale benadering. Het samenbrengen van financieringsstromen voor de investering én de exploitatie, leidt tot betere en meer duurzame gebouwen. Het vergt een open houding en een behoorlijke mate van specialistische kennis van zowel de gemeente als van de schoolbesturen, om investeringsbeslissingen vanuit deze grondhouding te benaderen. Er zijn verschillende vormen van Total Cost of Ownership. Grofweg onderscheiden we (bij nieuwbouwprojecten) drie vormen: op elementniveau (bijvoorbeeld de afweging tussen aluminium of houten kozijnen); op gebouwniveau (bijvoorbeeld het realiseren van een onderhoudsarm en energiezuinig gebouw, door het langdurig overhevelen van de MI-vergoeding); op portefeuilleniveau (verschillende vormen van doordecentralisatie). In het kader van de voorbereiding op het IHP voert het te ver deze varianten nader te beschouwen. In de visiebijeenkomst is wel gediscussieerd over de visie op de verduurzamingsopgave. De bevindingen zijn in onderstaand kader samengevat. Schoolbesturen en gemeente hebben een gezamenlijke opgave. Voor nieuwbouw (of renovatie als volwaardig alternatief van nieuwbouw) streven gemeente en schoolbesturen naar het realiseren van de hoogst mogelijke kwaliteit en duurzaamheid.
Deze ambitie kan alleen worden waargemaakt wanneer de financieringsstromen – op welke wijze dan ook – worden gebundeld. Met andere woorden: Zowel gemeente als schoolbesturen dragen binnen hun bevoegdheden en mogelijkheden bij aan investeringen, welke ten goede komen aan de duurzaamheid en/of de toekomstige exploitatie van de onderwijsgebouwen. 4.3
ESCo = Energy Service Company Definitie Een ESCo is een bedrijf dat het energiebeheer voor langere tijd overneemt en daarvoor investeringen doet (die zichzelf terugverdienen). De dagelijkse praktijk Om energie te besparen in schoolgebouwen zijn tal van initiatieven ontwikkeld. Deze vallen niet allemaal onder de definitie van een ESCo, maar zijn wel min of meer gelijkwaardig. Een greep uit de initiatieven is besproken in de gezamenlijke visiebijeenkomst. Het betreft onder andere: de grotere ingenieursbureaus (bv. Sweco) i.c.m. BNG; de kleinere gespecialiseerde adviesbureaus (o.a. Frog Energy); diverse initiatieven: o Slim Opgewekt (besparen en bewust worden); o Energy Challenges (besparen en bewust worden: Hotze Hofstra); o Project Zonnescholen (o.a. gezamenlijk/regionaal inkopen); o Ruimte-OK (biedt verschillende vormen van ondersteuning).
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 17 van 19
Op gebouwniveau (dat gaat dus verder dan alleen het overnemen van de energierekening) zijn ook diverse modellen ontwikkeld. De BNG heeft in 2019 de Onderwijsdagen georganiseerd, waarbij drie verschillende bedrijven hun aanpak hebben toegelicht (https://www.bngbank.nl/onderwijsdagen). Deze innovatieve financieringsmodellen zijn met name geschikt bij nieuwbouw. Wat past bij Bronckhorst? In de visiebijeenkomst is gesproken over de kansen van ESCo’s (of vergelijkbare initiatieven) voor het verduurzamen van de onderwijshuisvesting. De discussie richtte zich met name op het bestaande vastgoed, omdat in deze fase nog geen zicht is op eventueel benodigde investeringen in nieuwbouwprojecten. De bevindingen zijn wederom samengevat in het kader. Schoolbesturen en gemeente hebben gezamenlijk de ambitie om het bestaande vastgoed te verduurzamen. Om een start te maken is inzicht mogelijk in de status van de individuele gebouwen, maar er is ook behoefte aan een goed geregisseerd proces. Daarvoor is een gezamenlijke investeringsbereidheid. Om een goede start te maken zien partijen het raadplegen van ‘Ruimte-OK’ als een goede eerste stap.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 18 van 19
5
Beleidskader voor het IHP
Op basis van de relevante thema’s is inzichtelijk geworden dat bij een onderwijshuisvestingsvraagstuk veel verschillende onderwerpen en partijen komen kijken. Er moeten keuzes worden gemaakt, er zijn beleidsterreinen waar wel of geen beleid voor is geformuleerd en er zijn zaken waar je weinig invloed op hebt, zoals de terugloop van het aantal leerlingen. Vanuit de thema’s samenwerking en gebouw zijn op basis van de gesprekken en de visiebijeenkomst de volgende uitgangspunten voor het IHP geformuleerd. 5.1
Samenwerking De gemeente heeft een zorgplicht voor onderwijshuisvesting. De gemeente heeft geen directe taak met betrekking tot het huisvesten van kinderopvang. Bij nieuwbouwtrajecten wordt bij behoefte gestreefd naar samenwonen van diverse kindvoorzieningen ter ondersteuning van de samenwerking, passend bij de behoefte van kinderen en hun ouders. Om Integrale Kindcentra of andere samenwerkingsvormen tussen onderwijs en opvang te faciliteren, kan de gemeente bij nieuwbouw wel optreden als verhuurder van vastgoed voor de kinderopvang, waarbij de risico’s voor de gemeente moeten zijn afgedekt. Scholen zijn een belangrijke vindplaats. Kinderen brengen een groot deel van de dag op school door. Een verbinding met zorg op school of in de nabijheid van de school is gewenst. De ontwikkeling van passend onderwijs leidt niet direct tot een huisvestingsvraag, maar vraagt wel om flexibiliteit en andersoortige ruimten.
5.2
De gebouwen Gemeente en schoolbesturen zien het verduurzamen van de schoolgebouwen als een gezamenlijke opgave en als wezenlijk onderdeel van het toekomstig IHP. Speerpunten bij het verduurzamen zijn energiebesparing (CO2-reductie) en gezondheid (Frisse Scholen). Bij recht op vervangende nieuwbouw (conform wet- en regelgeving) wordt de afweging gemaakt tussen nieuwbouw of renovatie op hetzelfde kwaliteitsniveau. Zowel gemeente als schoolbesturen dragen binnen hun bevoegdheden en mogelijkheden bij aan investeringen, welke ten goede komen aan de duurzaamheid en/of de toekomstige exploitatie van de onderwijsgebouwen. Schoolbesturen en gemeente hebben gezamenlijk de ambitie om het bestaande vastgoed te verduurzamen. Om hiermee een goede start te maken wordt ‘Ruimte-OK’ uitgenodigd voor een gezamenlijke startbijeenkomst.
ruimte om te zijn
U20168
Pagina 19 van 19