CConstaterende datBreda
Koppel je AI →
Document · PDF

N 25032021 auditcommissie

gemeenteraad 8 april 2021, gemeente BredaBij agendapunt: Notulen bijeenkomst auditcommissie 11 en 18 en 25 maart 20213.390 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTULEN VAN DE VERGADERING VAN DE AUDITCOMMISSIE VAN HET BREDAAS BERAAD van 25 maart 2021

Voorzitter: Secretaris: Leden:

Toehoorder: Adviseur:

de heer H. Jansen de heer R. Wiersma mevrouw C. Kranenborg de heer J. Bruijns de heer P. Smans mevrouw H. Nauta de heer A. van Drunen de heer B. Maes de heer H. van der Ven de heer J. van Etten mevrouw B. Huong de heer R. van den Bosch de heer D. de Groot

Gastspreker:

de heer A.E. Gerritsma

Vastgesteld in de vergadering van

, voorzitter

, secretaris

Notulen auditcommissie d.d. 25 maart 2021 Pagina 1

1. Opening De voorzitter heet iedereen welkom bij deze vergadering waarin de auditcommissie een inleiding krijgt over de financiële positie van gemeenten in zijn algemeenheid. Dit is de eerste sessie met dit thema en de accountant is bereid gevonden een toelichting te geven. De komende maanden staan er nog een of twee sessies over dit thema op de agenda, waarvoor sprekers van buiten worden gezocht. De financiële positie van gemeenten De heer Gerritsma heeft een presentatie voorbereid over de financiële positie. Hij heeft daarbij geprobeerd het te concentreren op een aantal belangrijke aspecten. Het is een goed onderwerp om nu bij stil te staan, in de media gaat het vaak over de financiële positie van gemeenten. Wethouders hebben met noodkreten aan de politiek in Den Haag helder gemaakt dat er wat moet veranderen. Er is onderzoek gedaan naar de financiële positie van gemeenten, die onhoudbaar wordt genoemd. Dan is het mooi dat Breda financieel niet zo kwetsbaar is, stond in een bericht van mei vorig jaar. In de jaarrekening 2020 zullen we zien of dat nog steeds zo is. Er is een mooie uitdrukking “never waste a good crisis”.

Er komt veel op gemeenten af, met de veranderingen in het bestel, de decentralisaties, de gemeente meer als lokale regisseur van de economie, de herstructurering van het sociaal domein, kortingen in het gemeentefonds maar meer taken, ontwikkelingen in het sociaal domein en dan nog een corona erover heen. Hoe kun je als gemeente beoordelen of je in staat bent om dat op te vangen? Je ziet dat alle gemeenten daarnaar op zoek zijn. Waar bestaat de financiële positie van een gemeente eigenlijk uit en welke aspecten zijn belangrijk? In de begroting en jaarrekening staan indicatoren. Welke zijn dat dat dan? En waar kun je dat terugvinden in de p&c-documenten van Breda? Vier domeinen Je kunt op verschillende manieren naar de financiële positie kijken. Daarbij gaat het over vier domeinen. 1. Stabiliteit, ben je stevig verankerd. 2. Wendbaarheid, als er nieuwe ontwikkelingen zijn kun je je dan ook aanpassen. 3. Weerbaarheid, als het tegenzit heb je dan reserves om dat op te vangen. 4. Wettelijke kaders, er zijn allerlei grenzen en kaders waarbinnen een gemeente moet blijven. Deze vier domeinen bepalen hoe de gemeente er voor staat. 1. Stabiliteit Dit is de mate waarin je als gemeente de financiële positie in evenwicht kunt houden. Dat vind je met name terug op de balans.

Met stabiliteit wordt tot uitdrukking gebracht dat er een evenwicht is tussen de baten en lasten en tussen de schulden en bezittingen. De vraag is in hoeverre de gemeente op termijn kan voldoen aan alle schulden. Daar hoort de term solvabiliteit bij en daar zijn indicatoren voor. Het gaat er ook om of de duurzame bezittingen gefinancierd zijn met langlopende schulden. Ter vergelijking: voor een huis sluit je een hypotheek af en geen doorlopend krediet. Bij de financiën van de gemeente wil je dat de vaste activa gefinancierd zijn met vaste passiva. Vanuit de balans gekeken is stabiliteit in hoeverre de gemeente in staat om de verplichtingen op korte termijn te voldoen. Met andere woorden komt de gemeente niet in liquiditeitsproblemen. Als alles in vaste activa of in grondexploitaties zit, die vaak een langere looptijd hebben, en de gemeente moet op korte termijn aan verplichtingen voldoen, is dat een probleem. De heer Jansen vraagt of de risico’s hier ook bij horen. De heer Gerritsma antwoordt dat die gerangschikt zijn bij weerbaarheid, is de gemeente in staat een risico wat zich voordoet op te vangen. Naast de balans wil de gemeente ook een zekere mate van stabiliteit in de exploitatie. De balans is meer een foto van een bepaald moment, de exploitatie gaat over een bepaalde periode.

De gemeente wil over een jaar een sluitende begroting hebben en kijkt in de meerjarenbegroting hoe de exploitatie zich over vier jaar ontwikkelt. Daar zit het begrotingsevenwicht, daar wordt gekeken naar structurele baten en lasten en daar mag een keer een incident in zitten. De heer Van Etten vraagt hoeveel waarde aan de meerjarenbegroting toegekend kan worden. Iedere keer verandert er wat, bijvoorbeeld in het gemeentefonds met de circulaires, waardoor de betrouwbarheid van de meerjarenbegroting niet erg groot is. De heer Gerritsma antwoordt dat het, naarmate het verder weg is, steeds moeilijker wordt om in te schatten, de onzekerheden nemen toe. In de begroting zijn nog niet altijd alle plannen verwerkt, die er misschien wel al zijn. Bijvoorbeeld een gemeente heeft uitgebreide plannen om de komende vier jaar veel grondexploitaties te doen en woningen neer te zetten maar die plannen zijn nog niet erg concreet dus die zitten cijfermatig nog niet in de begroting, terwijl het wel een belangrijk aspect is. De dingen die besloten zijn zitten vaak wel goed in de begroting maar nieuwe dingen zitten niet altijd in de begroting. In die zin wordt het daar wat onzeker van. Als een gemeente een besluit neemt, komt de begroting er opeens weer anders uit te zien.

Stabiliteit in de exploitatie is ook waar de provincie naar kijkt, is dat op lange termijn in evenwicht maar je kunt ook binnen de begroting kijken. Bijvoorbeeld of de rioolheffing en de lasten van onderhoud en dergelijke van het riool bij elkaar passen. De gemeente wil een kostendekkend tarief daarvoor hebben, een gesloten systeem. Het moet niet zo zijn dat een gemeente met rioolbaten andere activiteiten financiert. De kostendekkendheid van tarieven zegt iets over stabiliteit en ook de liquiditeitspositie, dat is niet zozeer evenwicht tussen baten en lasten maar meer in de geldstromen die binnen komen en naar buiten gaan. Dat zit met name aan de treasury kant. Notulen auditcommissie d.d. 25 maart 2021 Pagina 2

2. Wendbaarheid In hoeverre is de gemeente in staat om te reageren op veranderingen, dat kunnen veranderingen zijn in behoeften van burgers. Dat kan nieuw beleid zijn of nieuwe ambities en doelstellingen. Gemeenten zijn continu wat in beweging, is er dan flexibiliteit in de begroting. Daar is een aantal indicatoren voor maar de kapitaallasten (afschrijvingen en rentecomponenten) lopen jarenlang door. Om daar iets aan te veranderen moeten leningen afgelost worden of activa verkocht worden anders blijven de afschrijvingslasten in de exploitatie zitten. In de bedrijfsvoering kan een keuze gemaakt worden tussen vast personeel wat niet zomaar ontslagen kan worden versus mensen inhuren voor projecten, daar maak je een flexibele schil. 3. Weerbaarheid In hoeverre is de gemeente in staat om financiële risico’s op te vangen, zonder grote beleidswijzigingen. Er wordt een inschatting gemaakt van risico’s, zijn er voldoende reserves of opvangmogelijkheden om als zo’n risico zich voordoet, dat te kunnen betalen. Daar zitten risico’s van buiten bij, bijvoorbeeld ontwikkelingen in de algemene uitkering of een pandemie maar ook dingen waar de gemeente meer invloed op heeft, welke activiteiten worden ontwikkeld, waar wordt in geïnvesteerd, dat soort zaken. Wil de gemeente grotere risico’s nemen of is men wat voorzichtiger. Daar komt solvabiliteit bij, dat zegt ook iets over de weerbaarheid.

Indicatoren kunnen soms op meerdere domeinen van toepassing zijn. Ook garantstellingen zijn belangrijk, wil de gemeente, juist in deze situatie, garant staan voor bedrijven, organisaties en culture instellingen en als ze omvallen, kan de gemeente dat dan opvangen. 4. Wettelijke kaders De Gemeentewet, wet Fido, wet Rudo, de wet Hof zijn allemaal kaders waarbinnen de gemeente moet blijven en die helpen om stabiel, wendbaar en weerbaar te blijven. Daar zitten elementen bij als kasgeldlimiet en renterisiconorm, dat zijn indicatoren in de jaarrekening en begroting. Deze vier elementen samen vormen het beeld om uitspraak te kunnen doen over de financiële positie van de gemeente. Hoe ziet dat er dan concreet uit? Op een sheet staan enkele voorbeelden van de domeinen en welke indicatoren daarbij passen. Daarvoor is naar dashboards van verschillende gemeenten gekeken. Stabiliteit Is het structureel begrotingsevenwicht, dat is het begroot exploitatieresultaat over een langere periode, in evenwicht? Dit is een verplichte indicator, door de commissie BBV benoemd. De begrotingsuitputting zegt in hoeverre de gemeente in staat is het begrote resultaat daadwerkelijk te realiseren. Dat geeft aan of er voorzichtig wordt begroot of juist wat optimistisch. In de kredieten die worden verstrekt zitten jaarlagen en wat je vaak ziet is dat zo’n jaarlaag niet helemaal uitgenut wordt.

Soms zijn er ook vertragende factoren. Begrotingsuitputting zegt iets over de manier waarop je begroot. Solvabiliteitsratio is de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen. Als de solvabiliteitsratio toeneemt is de gemeente minder afhankelijk van vreemd vermogen. Naarmate deze indicator hoger is, staat de gemeente er beter voor. Dan is er nog de quick ratio, die komt wat minder voor maar dat is de verhouding tussen de vlottende activa zonder de voorraden en de kortlopende passiva. Dat zegt iets over het op korte termijn kunnen voldoen aan kortlopende schulden. Dat zou boven de een uit moeten komen want dat betekent dat de korte termijn activa snel ingezet kunnen worden om aan de kortlopende schulden te voldoen. Wendbaarheid De rentedruk is daar een voorbeeld van. Als de rente erg hoog is zijn de rentelasten een groot deel van de totale lasten en is er weinig speelruimte in de rest. Naarmate de rentedruk lager wordt, wordt de wendbaarheid groter. In deze indicatoren komt terug wat de verhouding is tussen kosten die voor langere termijn vastliggen en wat meer korte termijn zaken. De verhouding van het structureel resultaat ten opzichte van het totaal resultaat voor bestemming geeft aan welk deel voor langere termijn (meer dan drie jaar) vastzit. Naarmate die lager is, is de gemeente dus wendbaarder.

Belastingcapaciteit is ook een verplichte indicator, dat zijn de woonlasten van een gezin bij een gemiddelde WOZ-waarde in verhouding tot het landelijk gemiddelde. Ongeveer 100 is het landelijk gemiddelde. Dit geeft aan of er nog wat ruimte is om de belastingtarieven te verhogen. Dat is een politieke keuze, wil de gemeente dat doen naar de inwoners en bedrijven toe. Als de gemeente nieuwe dingen wil doen en nog ergens naar financiering moet zoeken, kan de belastingcapaciteit een indicator zijn of er ruimte is aan de tarievenkant. Daar zit wel een beleidsmatige keuze aan vast. De netto schuldquote is een verplichte indicator, het is het saldo van de totale schulden minus de vorderingen in verhouding tot de baten. Dat geeft aan in hoeverre financieringslasten drukken op de exploitatie. Hoge schulden betekent ook hoge financieringslasten. Het geeft aan welk deel van de baten de gemeente kwijt is aan financieringslasten. Hoe hoger dat is, hoe minder wendbaar. Dan heb je nog de bestemmingsreserves zonder directe verplichtingen jegens derden in verhouding tot de totale bestemmingsreserves. Als er reserves zijn war nog geen contracten voor gesloten zijn met derden dan betekent het dat er nog geen concrete verplichtingen en dat de gemeente wendbaar is, dan kan er alsnog een besluit genomen worden om de bestemmingsreserve anders aan te wenden. Dat zou een indicator kunnen zijn.

Heel gebruikelijk in de paragraaf weerstandsvermogen is natuurlijk het weerstandsvermogen zelf, die geeft over weerbaarheid duidelijke indicaties. Notulen auditcommissie d.d. 25 maart 2021 Pagina 3

De resterende belastingcapaciteit is het maximum wat de gemeente mag heffen aan belastingen op grond van artikel 12 van de Financiële Verhoudingenwet afgezet tegen wat er daadwerkelijk wordt geïnd aan belastingen. Geeft dat wat ruimte om de tarieven te verhogen? Als gemeenten boven het maximum bedrag belasting heffen kan het ministerie van Financiën ingrijpen. Een indicator die je niet zo vaak tegenkomt is de ombuigingskracht, hoeveel van de ombuigingen bij de begroting heeft de gemeente bij de jaarrekening kunnen realiseren. Naarmate dat beter mogelijk is, zegt dat iets over de weerbaarheid. De renterisiconorm en het kasgeldlimiet zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De heer Jansen vraagt of de voorkeur van de heer Gerritsma uitgaat naar de wettelijk of niet wettelijk verplichte indicatoren. Welke zijn relevant? De heer Gerritsma antwoordt dat het grote voordeel van de verplichte indicatoren is dat je daarmee kan benchmarken. Er is een aantal specifieke indicatoren voor grote projecten, hoeveel geld zit er in grote projecten ten opzichte van de baten. Dat kan, als je een aantal grote projecten hebt, een heel goede indicator zijn om te zien wat het doet met de wendbaarheid. De voorgeschreven indicatoren zijn een goede basis, enkele indicatoren daarnaast kan handig zijn.

Mevrouw Nauta vraagt hoe je de domeinen ten opzichte van elkaar bekijkt, zijn er indicatoren van stabiliteit die handig zijn om naast die van wendbaarheid of weerbaarheid te zetten om meer inzicht te krijgen. De heer Gerritsma antwoordt dat bijvoorbeeld structureel begrotingsevenwicht ook kan betekenen dat de gemeente niet zo wendbaar is omdat de mogelijkheid om in te teren op de reserves niet gebruikt wordt. Nieuw beleid kan minder wendbaarheid betekenen. De raad kan daarover een discussie voeren of dat erg is of juist goed dat er iets gerealiseerd wordt voor de stad. Solvabiliteit zegt iets over weerbaarheid en over stabiliteit. Het is steeds de afweging maken waar nog wat ruimte zit, daar is geen goed of fout maar wat is de gemeente bereid te accepteren. Mevrouw Nauta vraagt wat logisch met elkaar in verhouding te brengen is zodat je er gerichter naar kunt kijken en het ook makkelijker kunt doorgronden. De heer Gerritsma antwoordt met een voorbeeld, als de gemeente besluit de belastingtarieven te verhogen, betekent dat dat de belastingcapaciteit naar beneden gaat en dat de gemeente minder wendbaar wordt. Tegelijkertijd levert het meer opbrengsten op dus het structurele begrotingsevenwicht wordt beter. Dan krijg je de discussie of de gemeente bereid is de last voor inwoners en bedrijven te vergroten.

Soms is het noodzakelijk, als activiteiten een wettelijke plicht zijn en soms is het nieuw beleid dat waard. Dit is een uitruil tussen wendbaarheid en stabiliteit. De heer Van Drunen merkt op dat er in de raad best wat discussie is geweest over de solvabiliteitsratio, die de laatste jaren minder is geworden. Hoe belangrijk is de solvabiliteitratio voor gemeenten? De heer Gerritsma antwoordt dat de signaleringswaarde voor de solvabiliteitsratio 20% is, de gemeente moet minimaal 20% aan eigen vermogen hebben om risico’s op te kunnen vangen. Als je daaronder zit en er doet zich een volgend risico voor, zul je op een ander terrein in moeten grijpen. Als er veel tegelijk komt, kan dat tot vervelende ingrepen leiden. Als de solvabiliteitsratio laag is, loopt de gemeente het risico de doelstellingen van het beleid niet te halen. In die zin is de solvabiliteitsratio een indicator voor continue stabiel beleid. De heer Van Drunen vraagt of je nog steeds moet voorkomen dat de solvabiliteitsratio onder de 20% komt als het weerstandsvermogen ruim is, daarmee kun je toch ook klappen opvangen. De heer Gerritsma toont een sheet uit de begroting 2021 van de gemeente Breda met de risico’s en de weerstandscapaciteit. Daar zie je in een aantal jaren de lijnen naar elkaar toegroeien. Dan is misschien de solvabiliteitsratio niet zo belangrijk omdat je risico’s op kunt vangen.

Volgens de begroting 2021 wordt het gat weer een stukje groter, dan ontstaat er weer een veiligheidsmarge en wordt de solvabiliteitsratio wat minder belangrijk. Daarom moet je nooit naar één indicator kijken maar naar de set. De volgende sheet toont het overzicht van de kengetallen uit de begroting en jaarrekening, de netto schuldquote neemt toe dus dat betekent dat de financieringslasten in de exploitatie toenemen in de komende jaren. Daarmee verliest de gemeente wendbaarheid maar als je beleid uitvoert wat je graag wil is dat misschien niet zo erg. De solvabiliteitsratio is van 2018 doorlopend naar 2021 afgenomen en neemt daarna weer toe maar dat is met het beleid zoals het in de begroting zit. Dat betekent dat de gemeente niet veel nieuw beleid meer kan doen dan er al in de begroting zit als de doelstelling is om het eigen vermogen weer wat aan te vullen. De grondexploitaties is een relatief laag percentage, dat betekent dat de gemeente de opbrengsten uit de grondexploitaties niet hard nodig heeft. Daar zit misschien ruimte voor woningbouw maar de vraag is dan hoe financier je dat. Dat heeft weer invloed op de solvabiliteitsratio. Als de gemeente dat met veel vreemd vermogen doet gaat de nette schuldquote omhoog en dat betekent dat de exploitatie minder weerbaar wordt.

De heer Van Etten merkt op dat er bij de jaarrekening van vorig jaar discussie was over de lage solvabiliteitsratio waarbij het college aangaf dat het niet zo erg is omdat we een aantal gegarandeerde doorleningen naar BreedSaam en de woningbouwcorporaties hebben, als die in mindering gebracht worden is de solvabiliteitsratio boven de 20. Heeft dat te maken met de gecorrigeerde schuldquote? De heer Gerritsma antwoordt dat je met de gecorrigeerde netto schuldquote corrigeert voor leningen die je zelf bent aangegaan en vervolgens gebruikt om voor liquiditeit aan organisaties in Breda beschikbaar te stellen, bijvoorbeeld de woningbouwcorporaties. De gecorrigeerde netto schuldquote geeft aan welke schulden je gebruikt voor je eigen activiteiten. Notulen auditcommissie d.d. 25 maart 2021 Pagina 4

De heer Van Etten merkt op dat de provincie in haar brief aangaf dat de solvabiliteitsratio te laag is en die keek blijkbaar niet naar de gecorrigeerde netto schuldquote. De heer Gerritsma antwoordt dat het college de gecorrigeerde solvabiliteitsratio aangegeven heeft maar dat is geen verplichte indicator dus de provincie zal zeggen dat de solvabiliteitsratio zoals die hier staat voor alle schulden is. Als de gemeente het corrigeert hoort er misschien ook wel een hogere norm bij want die 20% gaat ervan uit dat je ook leent om andere organisaties geld te kunnen verstrekken. De heer Gerritsma snapt de opmerking van de provincie wel maar uiteindelijk blijft het een keuze voor de gemeente welk risico ze wil lopen. Als de weerstandscapaciteit voldoende is kan de gemeente misschien afwegen om nog wat risico te lopen. Mevrouw Nauta kan de belastingcapaciteit en de onbenutte belastingcapaciteit op een van de sheets niet met elkaar rijmen. De heer Gerritsma antwoordt dat de belastingcapaciteit een verplichte indicator is, die zet de lasten in Breda af tegen het landelijk gemiddelde. De onbenutte belastingcapaciteit zegt iets over het maximum wat je als gemeente aan belasting kunt innen op basis van wetgeving. Dat stukje onbenutte capaciteit geeft dus aan eigenlijk welke marge je hebt om de tarieven te verhogen.

De heer Van der Ven vindt de grens tussen de domeinen erg vaag en vraagt of een indicator op meerdere domeinen betrekking kan hebben. De heer Gerritsma antwoordt dat dat zou goed kunnen. Wendbaarheid geeft eigenlijk aan in hoeverre je ruimte hebt om nieuwe dingen te doen of beleid te wijzigen. De rentedruk geeft aan welk deel van de lasten vast zit en daar ben je dus niet wendbaar op. Zolang je de lening aanhoudt, heb je rente te betalen en kun je dat geld niet aan iets anders uitgeven. De rentedruk zegt ook iets over hoeveel vreemd vermogen je hebt en of je in staat bent om risico’s op te vangen die zich voordoen. Rentedruk is dus een indicator die over meerdere domeinen iets kan zeggen. De heer Gerritsma toont een sheet uit de begroting. De weerstandscapaciteit is het stuk wat je eigenlijk over hebt. Daarover kun je discussie voeren hoe je dat in wil zetten, bijvoorbeeld om de financiële positie verder te versterken of voor nieuw beleid. Samenvattend, de indicatoren helpen om met elkaar keuzes te maken en dan komt het aan op de voorkeuren die er zijn, wil je wat voorzichtig zijn of risico’s nemen. Hij hoopt de commissie iets meer zicht te hebben gegeven op hoe je naar de financiële positie van een gemeente kunt kijken. De voorzitter dankt de heer Gerritsma voor de heldere uitleg.

Hij zal in de volgende vergadering, op 8 april, inventariseren of er behoefte is aan een vervolgsessie om de financiële positie vanuit een andere invalshoek te benaderen. De voorzitter dankt de aanwezigen voor hun en aandacht en inbreng en sluit de vergadering.

Notulen auditcommissie d.d. 25 maart 2021 Pagina 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9965666/1