Bijlage 4 Brief VHR nav Evaluatie nota verbonden partijen
Tekst van het document
Directie MWB Doornboslaan 225-227, Breda
Aan Mevrouw A. van Alphen Postbus 10.100 4870 GA Etten-Leur Anita.vanalphen@etten-leur.nl
Postbus 3208 5003 DE Tilburg Telefoon 06-83561742 www.veiligheidsregiomwb.nl
Datum Onze referentie
4 juni 2020 U.033182
A.C. Trijselaar 076-5282098 E-mail jolanda.trijselaar@vrmwb.nl Onderwerp Evaluatie nota verbonden partijen
Behandeld door Doorkiesnummer
Uw referentie Uw brief van
Geachte mevrouw Van Alphen, Zoals wij reeds hadden aangekondigd, reageren wij schriftelijk in aanvulling op de van u ontvangen enquête over de spelregels voor gemeenschappelijke regelingen. Bij het invullen van deze enquête kwamen wij tot de conclusie dat de geformuleerde vragen niet aansluiten bij de werkwijze en opvattingen van het bestuur van de veiligheidsregio en dat het wellicht aanbeveling verdient ten aanzien van een aantal van de geformuleerde spelregels u van onze zienswijze te doen blijken. De door u geformuleerde vragen lijken met name bedoeld voor de door de gemeenten vrijwillig ingestelde gemeenschappelijke regelingen maar sluiten minder goed aan op een op grond van artikel 9 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) door colleges van Burgemeester en Wethouders verplicht ingestelde regeling. Naast het feit dat er sprake is van een verplichte gemeenschappelijke regeling wordt in de Wvr op een aantal relevante zaken afgeweken van de regels van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Het gaat dan om uitzonderingen op het gebied van de vrijwillige samenwerking, op de bestuurssamenstelling, op de ontslagmogelijkheden en op de bevoegdheden. Het gaat om uitzonderingen op alle essentiële hoofduitgangspunten van verlengd lokaal bestuur.
De veiligheidsregio is daarmee geen goed voorbeeld van verlengd lokaal bestuur, maar juist van een vorm die tussen verlengd lokaal bestuur en functioneel bestuur in hangt. Bij de totstandkoming van de Wvr hebben zowel de Raad voor de financiële verhoudingen, de Raad voor het openbaar bestuur als de Raad van State de bijzondere positie van de veiligheidsregio als gemeenschappelijke regeling onderschreven1. De bijzondere positie van de veiligheidsregio in vergelijking met andere gemeenschappelijke regelingen maakt dat niet alle spelregels die u heeft opgesteld zonder meer van toepassing kunnen zijn op de veiligheidsregio. Reeds in 2015 heeft de toenmalige Algemeen Directeur u hierover een schrijven gestuurd en is er uitgebreid met een vertegenwoordiging van griffiers van de gemeenten over gesproken. Wij gaan kort op de door u geformuleerde spelregels in.
1
Rfv, Advies bekostigingswijze veiligheidsregio, Brief van 31 oktober 2006 (kenmerk 2006-0000350726), p. 2 Rob, Advies Wetsvoorstel veiligheidsregio’s, Brief van 17 december 2007 (kenmerk Rob 20070000528533), p. 6-7 Kamerstukken II 2006/07, 31 117, nr. 4, p. 10-11. Cursivering RdG.
1.
Informatievoorziening.
Wij hechten er aan de deelnemende gemeenten goed aangesloten te houden op de ontwikkelingen binnen de beleidsterreinen van de veiligheidsregio. In dat kader onderhouden wij contacten met de ambtenaren van de gemeenten op het gebied van: jaarrekening, begroting, bezuinigingen maar ook ten aanzien van beleidsontwikkelingen met betrekking tot risico- en crisisbeheersing en de brandweer. Op grond van artikel 14 van de Wet veiligheidsregio’s stelt de veiligheidsregio eenmaal in de vier jaar een beleidsplan op mede gebaseerd op het regionale risicoprofiel. Het risicoprofiel wordt op grond van artikel 15 Wvr vastgesteld na overleg met de raden en de raden krijgen daarbij de gelegenheid hun wensen kenbaar te maken omtrent de in het beleidsplan op te nemen beleid. Daarnaast overlegt de burgemeester van een gemeente voorafgaande aan de vaststelling van het beleidsplan met de gemeenteraad over het ontwerpbeleidsplan. De Wvr schept hiermee voldoende mogelijkheden voor de raden om hun invloed op het beleid van de veiligheidsregio te doen gelden. Op grond van de Wgr zijn in artikel 22 van de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (GRVRMWB) verplichtingen opgenomen inzake het geven van inlichtingen aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het Algemeen Bestuur geeft de raden alle inlichtingen die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.
Daarnaast geeft het Algemeen Bestuur een of meer leden van de raden schriftelijk de gevraagde inlichtingen. Tenslotte geeft de burgemeester het college en de raad van zijn gemeenten de door een of meer leden gevraagde inlichtingen. De burgemeester is ook verantwoording verschuldigd aan de raad en het college van zijn gemeente over het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid. Op deze wijze is de inlichtingen- en verantwoordingsplicht in de GRVRMB afdoende gewaarborgd. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant biedt daarnaast in toenemende mate ook actief informatie voor deelnemende gemeenten aan en is graag bereid om in overleg de actieve informatieverstrekking verder vorm te geven.
2.
Actieve informatiestroom om nieuwe kaders te stellen.
De taken en bevoegdheden van het bestuur van de veiligheidsregio zijn op basis van artikel 10 Wvr overgedragen aan de veiligheidsregio en vastgelegd in artikel 5 en 6 van de GRVRWB. Het Algemeen Bestuur, bestaande uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten stelt de kaders voor het te voeren beleid vast. Daarbij wordende kaders of doelstellingen zoals zijn vastgelegd door de Minister en de adviezen van het Veiligheidsberaad en de commissaris van de Koning in acht genomen. De invloed van de raden op het vaststellen van de kaders zijn via de artikelen 14 en 15 Wvr alsmede de procedure omtrent de vaststelling van de begroting zoals vastgelegd in artikel 26 geborgd.
3.
Gemeenten bundelen de krachten en dragen zorg voor integrale aansturing
Wij kunnen ons voorstellen dat een taakverdeling tussen de raden van de gemeenten een bepaalde mate van efficiëntie met zich meebrengt. Wij constateren echter dat er binnen het werkgebied van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant sprake is van een tweedeling voor wat betreft de territoriale samenwerking. Onze gemeenschappelijke regeling bestaat niet alleen uit de 18 West-Brabantse gemeenten, maar ook uit nog 8 gemeenten uit Midden-Brabant. Ook constateren wij dat de bij een dergelijke samenwerking de “couleur lokale “ die sterk kan verschillen per deelnemende gemeente, verloren gaat. Juist de verbinding tussen het lokale beleid via de verantwoordelijke burgemeester en het bestuur van de veiligheidsregio zien wij als een onmisbare schakel in de afstemming van dat lokale veiligheidsbeeld. Op verzoek van de burgemeester informeren wij de afzonderlijke raden graag over de consequenties van het beleid voor de lokale situatie.
4.
Richtlijnen in november voor de beleidsmatige en financiële kaders voor de opstelling van de Begroting.
Ten behoeve van de opstelling van de begroting heeft de wetgever in de Wgr een aantal voorzieningen getroffen die het mogelijk maakt om de verbinding met de raden van de deelnemende gemeenten te waarborgen. Deze zijn verwerkt in de GRVRMWB. Het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio moet, voor 15 april van enig jaar de algemene en financiële kaders voor de opstelling van de begroting van het daaropvolgende jaar toezenden aan de deelnemende gemeenten, opdat zij de consequenties kunnen vertalen in hun gemeentelijke begroting (art. 34b Wgr en 26, lid 1 GRVRMWB).
pagina 2 van 3
Wij hebben oog voor het feit dat de opstelling van de begroting bij gemeenten steeds eerder plaatsvindt. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant biedt al een ruim aantal jaren de kaders uiterlijk op 1 februari aan. Dit is ruim voor de wettelijk vastgestelde termijn van 15 april. De ontwerpbegroting moet acht weken voordat deze door het bestuur wordt vastgesteld worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten (art. 35, lid 1 Wgr en 26, lid 2 GRVRMWB). De raden van de deelnemende gemeenten kunnen hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen en deze worden samen met de ontwerp-begroting aan het Algemeen Bestuur aangeboden (art 3, lid 3 Wgr en 26, lid 4 GRVRMWB). Na kennis genomen te hebben van deze zienswijze stelt het Algemeen Bestuur de begroting vast en zendt deze voor 1 augustus (en de jaarrekening voor 15 juli) van enig jaar toe aan Gedeputeerde Staten (Art. Wgr en 26, lid 9 GRVRMWB). Uitgaand van de vaststelling van de begroting in de bestuursvergadering in de eerste week van juli ligt de uiterste termijn voor toezending van de ontwerp-begroting rond half mei. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant behandelt de ontwerp-begroting in de bestuursvergaderingen van maart en haalt ruimschoots de gewenste verzenddatum van 15 april.
5.
Opstelling meerjaren ( vierjarig ) beleidsplan.
Het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio stelt op basis van artikel 14 Wvr tenminste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan vast. Eerder in deze brief onder 1 hebben wij reeds toegelicht hoe de procedure voor het vaststellen van het beleidsplan op grond van de Wvr verloopt. Vanwege het feit dat wij hechten aan een goede samenwerking met de raden van de deelnemende gemeenten leek het ons goed de wettelijk kaders nogmaals in beeld te brengen opdat de verwachtingen bij alle partijen in deze goed kunnen worden beheerst. Wij zijn ons er terdege van bewust dat een gemeenschappelijke regeling voor een veiligheidsregio een bijzondere gemeenschappelijke regeling is. Ervaring leert dat niet alle gemeenteraadsleden en ambtenaren bekend zijn met de bevoegdheidsverdeling. Wij hopen met deze brief dan ook een en ander verhelderd te hebben. Mocht u nog vragen hebben over de bevoegdheidsverdeling of andere onderwerpen uit deze brief neem dan gerust contact op met Ruud Verwiel, ruud.verwiel@vrmwb.nl.
Met vriendelijke groet,
Jolanda Trijselaar Algemeen directeur / Regionaal commandant VRMWB
pagina 3 van 3