CConstaterende datBreda
Koppel je AI →
Document · PDF

2026.06.11 - Bijlage 1 - Concept notulen auditcommissie 7 mei 2026

gemeenteraad 11 juni 2026, gemeente BredaBij agendapunt: Notulen bijeenkomst auditcommissie 7 mei 20264.343 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTULEN VAN DE VERGADERING VAN DE AUDITCOMMISSIE VAN HET BREDAAS BERAAD van 7 mei 2026 Voorzitter: Griffier/secretaris:

mevrouw L. van Kelle de heer M. Renders

(Burger-)raadsleden:

mevrouw I. Verdaasdonk de heer P. Jong raadslid C. van Kastel de heer I. Dienjes de heer S. Vos de heer M. van Woudenberg de heer T. Buhre de heer T. Visker

Accountant:

de heer N. van Engelen

Rekenkamer:

de heer S. Oostlander

Ambtel. ondersteuning:

de heer D. de Groot

Vastgesteld in de vergadering van

, voorzitter

, griffier

Notulen auditcommissie d.d. 7 mei 2026 Pagina 1

Van het eerste deel van de vergadering is geen goede opname beschikbaar, waardoor de notulen niet uitgewerkt kunnen worden. Onderstaand zijn de afspraken uit punt 1 t/m 7 opgenomen. Deze tekst is in blauw opgenomen. 1. Opening De voorzitter opent de vergadering 2. Vaststellen agenda De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld 3. Mededelingen - Wethouder: geen - Accountant: De accountant geeft aan dat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) in de loop van 2026 door de Eerste Kamer wordt behandeld. Op een later moment kan dit terugkomen in de auditcommissie - Rekenkamer: geen - Griffie: geen 4. Ingekomen stukken Er zijn geen vragen of opmerkingen over de ingekomen stukken. 5. Notulen bijeenkomst auditcommissie 9 april 2026 De notulen worden ongewijzigd vastgesteld. 6. Actie- en aandachtspuntenlijst De notitie met voorstellen wordt besproken. Onderdeel A 1 Pre-advies jaarstukken. Voorstel is akkoord. Raadslid van Kastel verzoekt de wethouder om bij de jaarstukken goed te worden meegenomen aan de hand van de gebruikte criteria.

2 Evaluatie kadernota: Voorstel akkoord (handhaven als actie) 3 Vergelijkend onderzoek arbeidsvoorwaarden: Voorstel akkoord (behandelen in najaar 2026) 4 Motie inzichtelijke indicatoren: a Themadiscussie: Voldoende behandeld; afgerond voor de auditcommissie b Rekenkameronderzoek woningbouwbeleid Voorstel akkoord, vervolg buiten auditcommissie 5 Actualiseren indicatoren programma 4 en 5 Voorstel akkoord (opnemen in jaarplan) Onderdeel B 1 Evaluatie SIP 2 Versnellen informatie circulaires

Opnemen in jaarplan In eerste instantie een (ambtelijke) toelichting hoe het proces met betrekking tot de circulaires loopt. 3 Artikel 213a evaluatie Besproken op 7 mei. Vervalt daarna 4 Jaarplan opstellen Voorstel akkoord. Agenderen op 11 juni 5 Toelichting op financiële verordening Opnemen in jaarplan, eventueel in combinatie met punt A1 Onderdeel “Overige reminders” De mogelijke onderwerpen voor themasessies worden opgenomen in het jaarplan (nog niet ingepland, maar als opties). De motie Fvd Ontwikkeling persona’s is besproken. Wethouder Kranenborg gaf aan dat deze motie is verworpen. Daarmee is het niet aan de orde dat deze motie zonder aanvullende procedure wordt besproken in de raad of auditcommissie. De heer Van Woudenberg treedt in overleg met de griffie om te bezien welke opties er zijn of dit onderwerp alsnog onder de aandacht kan worden gebracht. Overige Alle bijeenkomsten met de accountant krijgen een plaats in het jaarplan en komen niet terug in de actiepuntenlijst.

Notulen auditcommissie d.d. 7 mei 2026 Pagina 2

7. Hoe gaan we de AC verder vormgeven? Weergave van gemaakte afspraken: Rol van de voorzitter en fractievertegenwoordiging De algemene lijn in het voorstel wordt onderschreven. Daarbij vraag de heer Visker nadrukkelijk om een evenwichtige vertegenwoordiging van voorzitterschap en vertegenwoordiging van fracties in de commissie tussen de coalitie en oppositie. Het heeft de voorkeur dat alle fracties vertegenwoordigd (kunnen) zijn. De heer Dienjes geeft als optie mee om net als in de vorige periode te werken met een voorzitter en een vice-/plaatsvervangend voorzitter. De commissie erkent het belang van de ingebrachte punten en zal dat meenemen bij de keuze van de definitieve voorzitter en samenstelling van de commissie. Aanwezigheid wethouder De commissie is van mening dat er vrijwel geen onderwerpen zijn waarbij de wethouder niet aanwezig kan/hoort te zijn en ziet ook de meerwaarde van de aanwezigheid. Uitgangspunt is dat de wethouder aanwezig is, tenzij er een onderwerp is waar dat volgens de commissie beter is om niet te doen. Afgesproken is om in het jaarplan bij onderwerpen, indien van toepassing, aan te geven als de wethouder niet aanwezig hoeft te zijn. Mogelijk is hier een aanpassing van de verordening nodig. Deze wordt in dat geval altijd eerst aan de auditcommissie voorgelegd. Livestream De commissie is van mening dat openbaarheid en transparantie van belang zijn.

Uitgezonderd geheime onderwerpen blijft de livestream van toepassing voor de vergaderingen. De ‘knip’ In basis past de commissie geen knip toe. Is er behoefte aan een onderwerp om dit op een andere manier te bespreken (bijvoorbeeld alleen met accountant en rekenkamer, zonder wethouder/ambtelijke ondersteuning), kan de commissie daar op elk gewenst moment een voorstel toe doen. De verwachting is dat dit in de praktijk niet vaak voor zal komen. Er zal wel actief gekeken en gevraagd worden bij de planning of de behoefte bestaat. Agendering Voorstel met betrekking tot het jaarplan is akkoord Opleidingsprogramma Voorstel met betrekking tot het opleidingsplan is akkoord

Vanaf agendapunt 8 zijn de notulen op de gebruikelijke wijze weergegeven 8. Decembercirculaire gemeentefonds Wethouder Kranenborg geeft aan dat die een tijd geleden naar de raad is gestuurd met het voorstel om er hamerraad van te maken. De heer Dienjes ziet dat er bij meerdere onderdelen middelen doorgeschoven worden omdat uitvoeringsplannen en aanbestedingen nog niet gereed zijn. Hoe voorkomen we dat deze middelen niet nog verder doorgeschoven worden of niet worden besteed? Wethouder Kranenborg antwoordt dat deze middelen vaak heel laat ter beschikking zijn gekomen en zonder die middelen kan het proces niet in gang gezet worden. De decembercirculaire is voor het Rijk ook een manier om aan hun eigen budgettair kader te voldoen, wat kan betekenen dat wij in 2025 middelen krijgen die bestemd zijn voor activiteiten in 2026. Mevrouw Verdaasdonk vindt het minder logisch dat de stand van het meerjarenperspectief na de decembercirculaire € 3,5 miljoen hoger is. Er wordt voor ruim € 2 miljoen overgeheveld. Waar is dat miljoen in december dan aan uitgegeven? Wethouder Kranenborg antwoordt op de laatste vraag dat dat in tabel B zou moeten staan. De septembercirculaire is ook naar de raad gestuurd. Daar is het geld toegevoegd aan de begroting en zolang dat niet besteed is, staat het in het perspectief.

Echter, als het helemaal niet besteed wordt, komt het in de jaarrekening als resultaat. Mevrouw Verdaasdonk vraagt of de bedragen van € 2,7 miljoen in de eerste tabel, die we in december hebben gehad, allemaal uitgegeven zijn in 2025. Wethouder Kranenborg antwoordt dat dat minus de voorstellen voor budgetoverheveling is die onder C staan. Notulen auditcommissie d.d. 7 mei 2026 Pagina 3

Mevrouw Verdaasdonk merkt op dat in 2025 bij capaciteit voor de vrouwenopvang en decentrale overheden klimaat- en energiebeleid geen bedragen staan. Betekent dat dat we in december inderdaad nog € 2,7 miljoen hebben weten uit te geven? Wethouder Kranenborg wijst naar de kinderopvang als voorbeeld. Daar staat € 109.000 in tabel B, onder 2025, daar wordt voorgesteld die te overhevelen naar 2026. De voorstellen tot overheveling zijn voor € 2,4 miljoen. Het lijkt logisch dat we voor ongeveer € 600.000 nog in 2025 hebben uitgegeven. Eigenlijk vormen tabellen D en C samen tabel B. Mevrouw Verdaasdonk concludeert dat in overzicht D staat wat in 2025 is uitgegeven en de rest is overgeheveld of niet bedoeld geweest voor 2025. Er staat een bedrag voor de vrouwenopvang. We zitten inmiddels in de vijfde maand van 2026 en er is nog geen plan bekend om die gelden te gaan verdelen. Wanneer gaat dit geld daadwerkelijk uitgegeven worden? Wethouder Kranenborg begrijpt de vraag maar die hoort niet thuis bij de decembercirculaire. Er zijn andere instrumenten om deze vraag te stellen. Mevrouw Verdaasdonk vraagt of gemonitord moet worden of geld wat van het Rijk voor een bepaald doel komt, tijdig en effectief besteed wordt. Wethouder Kranenborg antwoordt dat waar het geld vandaan komt niet zo relevant is voor hoe je monitort.

Mevrouw Verdaasdonk merkt op dat als er landelijk € 12 miljoen vrijgemaakt is voor de vrouwenopvang, dat het geen rare vraag is of de wethouder van Financiën weet of er voor het bedrag wat Breda ontvangt een plan is. Wethouder Kranenborg kan niet van alles weten of er een plan onderligt. Het voorstel over de decembercirculaire is niet het moment om die vraag te stellen. Daar zijn andere instrumenten voor. Mevrouw Verdaasdonk weet de andere routes ook te vinden maar vind het wel gekoppeld aan dit stuk. Zij veronderstelt dat in een collegiaal bestuur bij het hele college bekend is of er een plan ligt. De voorzitter vraagt of mevrouw Verdaasdonk deze vraag op een andere manier wil stellen en of dit voorstel naar de hamerraad kan. Mevrouw Verdaasdonk vindt het prima om dit naar de hamerraad te doen. Het is wel goed dat de wethouder een circulaire in de auditcommissie toelicht. De voorzitter denkt dat het goed is om het als onderdeel van het opleidingstraject een keer over de circulaires te hebben. Raadslid Van Kastel mist het antwoord op de vraag of er iets is wat niet is uitgegeven of niet wordt overgeheveld. Wethouder Kranenborg antwoordt dat dat niet zo is. De voorzitter stelt vast dat de commissie akkoord gaat met het vaststellen van de decembercirculaire in de hamerraad. 9. Evaluatie 213a onderzoeken De voorzitter geeft aan dat de heer De Groot een presentatie hierover geeft.

De heer De Groot is de concerncontroller van de gemeente Breda. Hij stelde zich vroeger voor als het kritisch geweten maar nu eerder als de afdeling Zekerheid. Hoe zit het echt, hoe lopen de processen, hoe zit het met de interne beheersing? Tegenwoordig wordt dit vaak governance genoemd. Risicomanagement is een belangrijk onderwerp voor de auditcommissie. Hij zal stilstaan bij de kern van het proces en van het rapport. 213a is het artikel in de Gemeentewet waarin staat dat het college verplicht is om onderzoek te doen naar de doelmatigheid van haar eigen bestuur en daarover verslag moet uitbrengen. Normaal gebeurt dat in de begroting en het jaarverslag. Een aantal jaren geleden is deze verordening nieuw leven ingeblazen en is er een serieuze programmering ontstaan naar de doelmatigheid van beleid of waar je kunt verbeteren. Dat is 213a en Breda heeft dat echt neergezet. De rekenkamer doet ook onderzoek naar doelmatigheid, als onafhankelijk adviseur van de gemeenteraad. Dit is wat het college zelf doet om continu te leren en te verbeteren. Het college heeft besloten om de raad te informeren over 213a-onderzoeken.

Soms wordt daarbij het hele rapport toegestuurd, bijvoorbeeld omdat er een directe relatie is met een aangenomen motie of omdat er op korte termijn nieuw beleid of een beleidsaanpassing verwacht wordt of omdat uit het onderzoek een serieuze tekortkoming is gebleken in de bedrijfsvoering of in het beleid. In dit geval heeft het college besloten om dit rapport naar de auditcommissie te sturen omdat risicomanagement een thema is wat ook in de verordening van de auditcommissie is opgenomen. De artikel 213a-onderzoeken zijn ook netjes uitgewerkt in een verordening. Dat een gemeente wat met risicomanagement moet doen, staat in de Gemeentewet, artikel 212. Het BBV, de verslagleggingsregels voor gemeenten, zegt dat het college in de begroting en het jaarverslag in een aantal verplichte paragrafen uitgebreid verslag moet doen over de risico’s die dat jaar van belang zijn of een relatie hebben met de financiële positie. Dat is uitgewerkt in de 212-verordening en de nota Weerstandsvermogen, waarin staat hoe we die risico’s inventariseren, kwantificeren en hoe we bereid zijn die risico’s te nemen. Alles staat in een mooi boekje, Gemeentefinanciën 2025-2026, een wettekstenbundel. Risicomanagement is niet moeilijk, ook thuis hebben we een plan en bereiden ons erop voor dat het misschien anders gaat lopen en wat doe je dan.

Wat zijn de doelen voor de stad en wat kan die doelen in de weg staan? Daar wordt vanuit beleid, vanuit projecten, vanuit gebiedsontwikkelingen over nagedacht. We identificeren risico’s, kijken of we die kunnen kwantificeren of kunnen beïnvloeden met een beheersmaatregel en hoe we op de meest voorspelbare manier de doelen kunnen bereiken. Dat is een cyclus die we iedere keer doorlopen. Dat doen we op verschillende manieren. Voor grote projecten, zoals de Nieuwe Mark, heeft de raad een aparte regeling. Daar gaat het om veel geld, impact op de organisatie, lange doorlooptijden, politieke Notulen auditcommissie d.d. 7 mei 2026 Pagina 4

gevoeligheid, veel stakeholders, complexe sturing. Bij de grote projecten vullen we risicokaarten in. Denk daarbij aan een format in Excel, waarbij diegene die verantwoordelijk is voor het project verplicht is om op alle gebieden risico’s te inventariseren. Eenzelfde systematiek is er voor grondexploitaties en grote gebiedsontwikkelingen. Daarbij verplicht de risicokaart om na te denken of er bijzondere marktontwikkelingen kunnen zijn die risico’s kunnen opleveren. Dan is er nog een categorie beleid, denk aan Wmo en Jeugd. Kunnen we de toenemende zorgvraag betalen, zijn er beheersmaatregelen voor? Een ander voorbeeld is klimaat, hitte in de stad, kans op wateroverlast, wat zijn daar de beheersmaatregelen? We hebben ook een categorie kleine projecten, zoals implementatie van een nieuw systeem of gebruik van een nieuwe app. Daar denken we ook over na maar minder zwaar dan met de risicokaart. We kijken naar kernbegrippen. Wat is een risico, wanneer is iets een risico? Een risico met 90% kans van optreden is eigenlijk geen risico, dat moet je gewoon in de begroting opnemen. In de vragen hoe groot de kans van optreden en de impact is zit een redelijk subjectief element. Een voorbeeld is cyberrisico’s. Je wordt gehackt en je systeem ligt eruit. 2.500 mensen moeten daar iedere dag mee werken.

Wat kost het als dat een week stilligt? Stel dat het vier weken duurt, stel dat je niet meer bij data kunt. We proberen de kans en impact, in financiële zin, altijd goed in beeld te brengen. Dan gaan we kijken of er een beheersmaatregel is, of we kunnen voorkomen dat het risico zich voordoet. Ook dat kwantificeren we en trekken we af en houden het netto risico over. Dit is het risico wat in de begroting staat, bij toprisico’s en in het jaarverslag is opgenomen. Al die honderden risico’s worden bij elkaar opgeteld. Dan gaan we ze sorteren. Sommige risico’s zijn acceptabel, andere zijn heel groot of hebben een grote impact. Die worden besproken met het college en worden vastgelegd in de nota Weerstandsvermogen. Risicomanagement is eigenlijk gewoon management maar je moet wel weten waar je financieel uit de pas zou kunnen lopen en welke klap je op moet kunnen vangen. Het totaal van alle netto risico’s is het deel van het vermogen wat we apart moeten houden zodat onze bedrijfsvoering of beleidsuitvoering niet in de knel komen in de komende jaren. Dat noemen we het weerstandsvermogen. Dat is uitgebreid opgetekend in de begroting en het jaarverslag. Onze risico’s tellen op tot een lager bedrag dan de vermogenspositie maar andersom kan ook gebeuren. Het artikel 213a-onderzoek zegt aan de ene kant dat het beter kan en aan de andere kant dat we voldoen aan de BBV.

We doen wat is vastgelegd in de wet, in afspraken tussen college en raad en in verordeningen en nota’s. Daar wordt je niet beter van daarom hebben we naar een hogere standaard gekeken, die van COSO (Committee of Supporting Organizations, een handvol wereldwijde organisaties. Dat is eigenlijk een soort ideaal model voor je organisatie. Die hebben een kubus model ontwikkeld, waarin je alles beetpakt in termen van interne beheersing. Dat normenkader hebben we afgezet tegen de norm in Breda. Als je die hoogste norm pakt, is er nog wel wat te verbeteren. Het onderzoek zegt dat je het risicomanagementproces in Breda kunt typeren als decentraal, pragmatisch en flexibel. Je kan ook zeggen dat er iets te veel regelruimte is voor mensen om het op hun eigen manier te doen. Een van de aanbevelingen is om meer te doen aan uniforme kwaliteit, om beter te kunnen sturen. Als de analyses verschillen, heb je het misschien over appels en peren. Dus decentraal, pragmatisch en flexibel maar dat kan vanuit de COSO-gedachte nog strakker. We doen dat voor projecten, voor beleid en andere dingen maar de strategie van de organisatieontwikkeling doen we niet op dit niveau. Het rapport vraagt om daarover na te denken. Het is niet altijd duidelijk wie het eigenaarschap, wie moet het risico managen, dat is niet altijd duidelijk.

Dat zijn grosso modo de bevindingen uit het onderzoek als je Breda houdt aan de standaard van COSO. In het rapport staat ook na te denken over het beleidskader in de nota Weerstandsvermogen. Breng daar meer standaardisatie in. Zorg dat de basiswerkwijze uniform wordt en ga monitoren. Dat doen we op individuele risico’s wel, op het totaal niet. Dit onderzoek gebruiken we zelf om te leren en te verbeteren. De directie heeft het onderzoek omarmd en erkend en wil hier een extra stap op gaan zetten. Het proces is helemaal opnieuw in kaart gebracht met workflows. Alle gebreken die zijn geïdentificeerd, zijn in een nieuw proces in beeld gebracht. Het proces was ingericht om de paragraaf Weerstandsvermogen op te leveren. Het proces wat ontworpen wordt heeft dat eigenlijk als bijvangst en stelt het gesprek op het niveau van MT’s, directie en college centraal. Als het klaar is kan de raad een nieuwe nota Weerstandsvermogen verwachten, waarin de aanbevelingen van het rapport worden besproken. De heer Jong mist de burger in het verhaal. Wat betekent het voor de burger? We nemen het bijvoorbeeld niet zo serieus met de inspraakverordening en dan haken burgers af.

Hij hoort dat de menselijke maat niet meer aanwezig is bij de Wmo, Wordt dit ook onderzocht? De heer De Groot antwoordt dat het verhaal inderdaad systeemtechnisch is omdat het gaat over het systeem van risicomanagement en waar dat beter kan. Waar raakt het de burger, bijvoorbeeld bij nieuw beleid Jeugd. Als we dat niet goed organiseren en niet goed de risico’s onderkennen, zal de burger merken dat de zorg minder snel op de goede plek is. Dit is een systeemtechnische benadering maar niet de burger als risico of bijdrage in het verkleinen van risico’s. De heer Jong vraagt of men iets gaat doen met de constatering dat het een familiaire organisatie is. De heer De Groot vindt het fijn om in een familiaire organisatie te werken. Het motiveert om keihard te werken. Dit verhaal gaat ook over het versterken van basiswerkwijzen, het versterken van opdrachtgeverschap en Notulen auditcommissie d.d. 7 mei 2026 Pagina 5

opdrachtnemerschap, het vergroten van de zakelijkheid, scherpere analyses en beter feitenmateriaal. Dat kan prima in een familiaire cultuur. Daar zijn voorstellen voor. De voorzitter vindt het goed om te weten dat het niet ten koste van de sfeer in de organisatie hoeft te gaan. De heer Jong vraagt zich af of men elkaar straks wel op verantwoordelijkheden gaat aanspreken. De heer De Groot noemde het eigenaarschap. Dat is een voorbeeld van toenemende zakelijkheid. Breda is een vriendelijke maar ook een formele organisatie. De familiaire cultuur is geen vijand van goed en hard werken. De heer Dienjes vraagt of hij goed begrepen heeft dat we wel op projectniveau maar niet op centraal niveau kunnen zeggen dat we in control zijn. De heer De Groot vindt dat wat te ver gaan. We kunnen wat we decentraal hebben bij elkaar optellen, dan hebben we het risicoprofiel. Het rapport zegt dat we het er ook kunnen uithalen en centraal kunnen sturen en periodiek het gesprek erover voeren. Het onderzoek zegt dat dat beter kan. Het is een goed onderzoek. Als je nu in deze kamer onderzoek zou doen naar het aantal blauwe jasjes, zou de conclusie kunnen zijn dat er een schrikbarend tekort is aan blauwe jasjes. De norm COSO-ERM is het allerhoogste niveau. Als je het daar tegen afzet, missen er dingen. De hoogte norm is nu gekozen om de leerpunten eruit te kunnen halen.

De heer Dienjes las in de presentatie iets van elke acht jaar onderzoeken. De heer De Groot antwoordt dat dit over de verordening 213a gaat, die zegt dat het goed zou zijn om in een periode van acht jaar tenminste elk onderdeel van de begroting tenminste een keer beet te pakken. Pak de breedte van de begroting, dan weet je zeker dat je op alle onderdelen je beleid met enige regelmaat onder de loep neemt. De heer Van Woudenberg vindt het fijn dat er een goede sfeer is en dat er formeel gehandeld wordt maar hoe is het qua feedback of kritiek op elkaar geven? Is daar voldoende ruimte voor? De voorzitter vraagt zich af of deze vraag hier past of in de bredere discussie over bedrijfsvoering. Wethouder Bakker antwoordt dat het rapport zich richt op het risico en hoe je daarmee omgaat. Je wil niet vanuit de familiaire cultuur denken “we vangen elkaar wel op als het misgaat”. Je wil dat er bij een projectopzet vanuit risico’s gedacht wordt. Dat niet alleen aan het eind van de rit ingeschat wordt wat er nodig is aan weerstandsvermogen maar dat er veel eerder onderlinge gesprekken plaatsvinden, hebben we nagedacht over de risico’s, kunnen we ermee uit de voeten en wat is de impact op andere onderdelen waar anderen binnen de gemeentelijke organisatie mee bezig zijn.

De heer De Groot geeft aan dat speak up een belangrijk mechanisme is in risicomanagement, is er de cultuur om te melden dat er iets mis is. De cultuur van Breda staat dat echt niet in de weg. Wethouder Bakker vult aan dat formalisering richting de basiswerkwijze prikkels zijn om het gesprek te voeren over wat je nodig hebt om van oude patronen af te komen. De heer Van Woudenberg vraagt of “de ernst bepaalt of de raad erover gaat of het college of de directie” wil zeggen dat als er een heel grote kans is dan wordt het een raadsvoorstel. De heer De Groot antwoordt dat er eindeloos veel risico’s zijn. Het is niet interessant om in de begroting te rapporteren over een risico bij de test van een nieuw financieel systeem. We brengen risico’s die in de organisatie breed worden geïnventariseerd. We kijken naar de kans maal impact en als dat enige importantie heeft, noemen we dat een toprisico. De toprisico’s komen in de begroting en het jaarverslag. Tegelijkertijd wil je als raad of auditcommissie weten of het onderliggend systeem om de rest te managen goed in elkaar steekt. Daar hebben we het zojuist over gehad. De heer Van Woudenberg ziet in de scores alleen euro’s maar kan zich voorstellen dat het ook over mensenlevens gaat. De voorzitter geeft aan dat dit alleen over financiën gaat. Raadslid Van Kastel merkt op dat de immateriële risico’s misschien nog wel belangrijker zijn.

Hoe zit de systematiek van het kwantificeren van de immateriële of niet-financiële risico’s in elkaar? Bijvoorbeeld het verlies van gezondheid of natuur. De heer De Groot antwoordt dat niet te kwantificeren is wat niet te kwantificeren is. Dat doen we dus niet met mensenlevens. Het gaat hier echt om financiële risico’s of vertaling van risico’s in financiële termen. Bijvoorbeeld bij klimaatrisico’s proberen we te kijken of we iets met beheersmaatregelen kunnen. Wat zouden de kosten kunnen zijn van wateroverlast in de stad als we niet genoeg werk maken van onze kademuren en groen? Waar het bijvoorbeeld gaat over het risico op toenemende kansenongelijkheid in de stad als gevolg van het beleid van dit bestuur, is het een gesprek wat aan de hand van een beleidsstuk in de raad aan de orde komt. Dat komt niet terug in de toprisico’s omdat we dat niet kwantificeren in termen van geld en vermogen. Raadslid van Kastel vraagt of de uitkomst van het onderzoek is dat het systeem daarachter op orde is. De heer De Groot antwoordt dat de uitkomst van het onderzoek is dat de basis in orde is want de gemeente doet wat er moet gebeuren en de risico’s worden goed in beeld gebracht maar op onderdelen kan het nog verbeterd worden. Wethouder Bakker geeft aan dat we een politiek proces hebben, waarin de raad besluit welke dingen je oppakt. De keuze van maatregelen is puur politiek.

Dat zou je terug moeten vinden in het bestuursakkoord. Als ideeën van de raad zo concreet worden dat ze hun weerslag gaan hebben op de leveringszekerheid en reputatiezekerheid van de organisatie komen we meer in dat soort risicoprofielen. De heer Vos vraagt of de aanbevelingen allemaal landen in de nieuwe nota Weerstandsvermogen of kan het ook gevolgen hebben voor andere stukken beleid. Notulen auditcommissie d.d. 7 mei 2026 Pagina 6

De heer De Groot antwoordt dat de organisatie met alle aanbevelingen aan de slag gaat en die vinden hun weerslag in een nieuwe nota, die in de auditcommissie besproken kan worden. Mevrouw Verdaasdonk denkt dat er altijd kansen liggen maar is nieuwsgierig hoe je weet wat je niet weet. Risico’s zijn niet allemaal even bekend en voorspelbaar. Hoe doen we dat, zonder inderdaad blauwe jasjes te gaan tellen terwijl dat niets doet met de kansengelijkheid in Breda. De heer De Groot antwoordt dat daar trucjes voor zijn. Als je alle risico’s hebt geïnventariseerd en opgeteld, heb je precies het bedrag aan vermogen. We hebben dan een norm van 1,4. Dus als alle risico’s optellen tot 100, wil het college 140 aan vermogen apart houden want er kan zomaar iets gebeuren wat we niet in beeld hebben. Je kunt dan de vraag stellen of 1,2 ook voldoende is. We hanteren ook de Monte Carlo-simulatie. Daarbij tellen we alle risico’s op, die gaan in een statistische tombola omdat niet elk risico zich voor zal doen. Er worden duizenden scenario’s doorgerekend en dan komt er een meest waarschijnlijk profiel uit, waar je financieel rekening mee moet houden. De voorzitter vraagt of de verwachting is dat als de aanbevelingen opgevolgd worden, we ook een ander weerstandsvermogen hebben. De heer De Groot gaat daar niet over.

De voorzitter dankt de heer De Groot voor de presentatie en de uitgebreide beantwoording van de vragen en wethouder Bakker voor het beantwoorden. 10. Rondvraag en afsluiting De voorzitter constateert dat er geen behoefte aan een rondvraag is. Ze dankt iedereen voor de inbreng en sluit de vergadering.

Notulen auditcommissie d.d. 7 mei 2026 Pagina 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17044824/1