CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Wijzigingen verordening sociaal domein- Bijlage 2 Was-wordt tabel.docx

Raadsvergadering Boxtel 12 december 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: Wijzigingen verordening Sociaal Domein7.618 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was-wordt-tabel wijziging verordening sociaal domein 2024 HOOFDSTUK 3: Werk en Participatie 3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.1.1 - Begrippen [PW, IOAW, IOAZ]

Nieuwe tekst Artikel 3.1.1 - Begrippen [PW, IOAW, IOAZ]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: •

•

Doelgroep: personen die worden genoemd in artikel 7, eerste lid, onder a van de Participatiewet.

•

•

•

•

•

•

Doelgroep: personen die worden genoemd in artikel 7, eerste lid, onder a van de Participatiewet. Interne werkbegeleiding: De werknemer krijgt dagelijks werkbegeleiding van een collega op de werkvloer, omdat hij anders zijn taken niet kan uitvoeren. Deze begeleiding gaat verder dan wat normaal gesproken gebruikelijk is voor werknemers op hun werkplek Jobcoaching: Een erkende deskundige biedt methodische hulp aan mensen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers. Deze hulp is gericht op het vinden en behouden van werk. Overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de Participatiewet; Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Participatiewet; Praktijkroute: Het proces om iemand uit te doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te geven door loonwaardevaststelling op de werkplek. Voorziening: Een voorziening die door het

Toelichting Wijziging betreft de toevoeging van een aantal begrippen die reeds zijn opgenomen in de Participatiewet.

•

•

•

college als noodzakelijk wordt gezien. Een voorziening is gericht op hulpmiddelen om aan het werk te gaan. Dit omvat ook persoonlijke hulp bij taken die men moet uitvoeren. Werkgever: Degene die, op basis van een arbeidsovereenkomst, de bevoegdheid heeft om een werknemer voor een afgesproken periode in zijn organisatie te laten werken. Werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst werk uitvoert bij de werkgever. Dit omvat ook een persoon zoals bedoelt in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet, waarbij de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan of van plan is dit te doen. Wet: Participatiewet.

3.2 Bepalingen over voorzieningen Artikel 3.2.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.2.1 - Algemene bepalingen over participatievoorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.2.1 - Algemene bepalingen over participatievoorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening.

1. De gemeente kan een voorziening uit dit hoofdstuk beëindigen als: a. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening zich niet houdt aan de gemaakte afspraken die in het trajectplan zijn opgenomen of die in de wet staan. b. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer tot

1. De gemeente kan een voorziening weigeren uit dit hoofdstuk beëindigen als: a. De inwoner die gebruikt maakt van de voorziening niet behoort tot de doelgroep; b. De inwoner onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het

Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in

de doelgroep van de gemeente hoort. c. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Uitgezonderd zijn voorzieningen die in de wet of deze verordening ook mogelijk zijn na het aanvaarden van werk. d. Als de gemeente vindt dat de voorziening onvoldoende oplevert om snel aan het werk te gaan. e. Als de gemeente vindt dat de voorziening niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening. f. De inwoner niet naar behoren gebruik maakt van een aangeboden voorziening. g. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening of de wet worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. De gemeente kan nadere regels vaststellen over voorzieningen. 3. De regels, als bedoeld in het tweede lid, kunnen in ieder geval betrekking hebben op de: a. voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; b. weigeringsgronden van een voorziening;

recht op de voorziening; c. De inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. De voorziening naar het oordeel van de gemeente onvoldoende bijdraagt aan arbeidsinschakeling; of e. Er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. De gemeente kan een voorziening uit dit hoofdstuk beëindigen als nadere regels vaststellen over voorzieningen: a. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening zich niet houdt aan de gemaakte afspraken die in het trajectplan zijn opgenomen of die in de wet staan. b. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer tot de doelgroep van de gemeente hoort. c. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening algemeen

welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Het derde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt

c.

aanvraag van, en de besluitvorming over een voorziening; d. betaling van subsidies of andere wijzen van tegemoetkoming en het verlenen van voorschotten op deze subsidies; e. wijze van verlening en vaststelling van subsidies; f. overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verlenen van subsidies. 4. De gemeente kan op basis van een uitvoeringsbesluit één of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor één of meerdere voorzieningen. De gemeente moet dan wel nagaan welke alternatieve voorzieningen er beschikbaar zijn.

geaccepteerde arbeid aanvaardt. Uitgezonderd zijn voorzieningen die in de wet of deze verordening ook mogelijk zijn na het aanvaarden van werk. d. Als de gemeente vindt dat de voorziening onvoldoende oplevert om snel aan het werk te gaan. e. Als de gemeente vindt dat de voorziening niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening. f. De inwoner niet naar behoren gebruik maakt van een aangeboden voorziening. g. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening of de wet worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. De gemeente biedt de goedkoopst passende voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die binnen het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming

ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet. 4. De gemeente kan op basis van een uitvoeringsbesluit één of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor één of meerdere voorzieningen. De gemeente moet dan wel nagaan welke alternatieve voorzieningen er beschikbaar zijn.

Artikel 3.2.2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.2.2 – De wettelijke voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.2.2 - De wettelijke voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

De no-risk polis is komen te vervallen.

De gemeente kan de volgende wettelijke voorzieningen gericht op re-integratie en participatie inzetten:

De gemeente kan de volgende wettelijke voorzieningen gericht op re-integratie en participatie inzetten:

1.

2.

3.

4.

5.

Ondersteuning bij leerwerktrajecten, zoals bedoeld in artikel 10f van de Participatiewet; No-Riskpolis, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid onder b van de Participatiewet; Participatievoorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet; Loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet; Begeleiding op de werkplek zoals bedoeld in artikel 10 da van de Participatiewet.

1. Ondersteuning bij leerwerktrajecten, zoals bedoeld in artikel 10f van de Participatiewet; 2. No-Riskpolis, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid onder b van de Participatiewet; 3. Participatievoorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet; 4. Loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet; 5. Begeleiding op de werkplek zoals bedoeld in artikel 10 da van de Participatiewet.

Artikel 3.2.4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.2.4 – De lokaal geregelde voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.2.4 – De lokaal geregelde voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

De gemeente kan de volgende lokaal geregelde voorzieningen inzetten:

De gemeente kan de volgende lokaal geregelde voorzieningen inzetten:

1. Scholing; 2. Persoonlijke ondersteuning; 3. Solliciteren; 4. Nazorg; 5. Parttime ondernemerschap; 6. Low-risk-polis; 7. Aanbodversterking; 8. Sociale activering; 9. Onkostenvergoeding; 10. Tegemoetkoming kinderopvang; 11. Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding.

1. Scholing; 2. Persoonlijke ondersteuning; 3. Solliciteren; 4. Nazorg; 5. Parttime ondernemerschap; 6. Low-risk-polis; 7. Aanbodversterking; 8. Sociale activering; 9. Onkostenvergoeding; 10. Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang; 11. Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding.

Wijziging betreft een kleine tekstuele aanpassing die beter de lading dekt.

3.3 Specifieke bepalingen over de aanspraak op voorzieningen Artikel 3.3.3 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.3.3 - Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ]

Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader

1. De gemeente verstrekt volgens artikel 10d van de Participatiewet, automatisch of op verzoek, loonkostensubsidie aan werkgevers die van plan zijn een werknemer aan te nemen die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Als er een verzoek wordt ingediend, zijn de bepalingen van het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.

2. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een inwoner betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. 3. De gemeente stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 4. De gemeente hanteert bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie.

van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn

Artikel 3.3.5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.3.5 - Werkstage (Werkervaring) [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.3.5 - Werkstage (Werkervaring) [PW, IOAW, IOAZ]

Opname van het zesde lid is in sommige gevallen te beperkend. Er is daarom gekozen om deze uit de verordening te halen.

1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage (werkervaringsplaats) aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing

1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage (werkervaringsplaats) aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing

van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 5. De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt afgesproken welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, beginen einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. 6. Het aantal gewerkte uren in een werkstage bedraagt niet meer dan 40 per week. Een werkstage duurt maximaal 3 maanden en kan éénmalig met 3 maanden worden verlengd.

van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 5. De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt afgesproken welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, beginen einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. 6. Het aantal gewerkte uren in een werkstage bedraagt niet meer dan 40 per week. Een werkstage duurt maximaal 3 maanden en kan éénmalig met 3 maanden worden verlengd.

Artikel 3.3.6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.3.6 - Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.3.6 - Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ]

Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als

1. De gemeente kan een inwoner als proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Een proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden verlengd met 3

1. De gemeente kan een inwoner als proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Een proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden verlengd met 3 maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen beoordelen of de inwoner geschikt is voor het werk. De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Daarin wordt opgenomen welk doel de proefplaatsing heeft, wat de werkzaamheden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner na de proefplaatsing en bij goed functioneren een betaalde baan wil aanbieden. Tijdens de proefplaatsing wordt een loonwaardemeting uitgevoerd. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde inwoner bij dezelfde werkgever een werkstage is ingezet gedurende de maximale periode van 6 maanden.

2. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen beoordelen of de inwoner geschikt is voor het werk. 3. Voor een proefplaats wordt alleen toestemming gegeven als: a. De inwoner, gelet op vaardigheden en capaciteiten, de werkzaamheden kan uitvoeren. b. De gemeente verwacht dat de plaatsing de kans op arbeidsinschakeling vergroot. c. De werkgever bij het begin van de proefplaatsing schriftelijk aangeeft de inwoner na de proefplaatsing een betaalde baan te willen aanbieden voor minimaal zes maanden. d. Door de plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. e. De werkzaamheden van de inwoner niet eerder onbetaald door hem bij de werkgever (of zijn rechtsvoorganger) zijn verricht; en 4. De gemeente geeft geen toestemming voor een proefplaatsing als zij aan kan nemen dat de inwoner ook zonder proefplaatsing aangenomen kan worden voor dat werk. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats door ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode niet meegenomen in de maximale periode van de proefplaats, bedoeld in het eerste lid.

bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen.

Het opschrift van artikel 3.3.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.3.1 - Hulp op de werkplek van een jobcoach voor jongeren tot 27 jaar [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.3.9 - Ondersteuning bij leer-werktraject [PW, IOAW, IOAZ]

Wijziging betreft een nieuwe titel voor het artikel. Dit artikel dekt beter de lading.

Artikel 3.3.14 wordt verwijderd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.3.14 - Low-risk-polis [PW, IOAW, IOAZ]

N.v.t.

De low-risk polis is komen te vervallen.

1. De gemeente biedt een werkgever een Low-riskpolis aan als: a. de werkgever voor een periode van minimaal 6 maanden een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; b. de werknemer voor de start van de arbeidsovereenkomst behoort tot de doelgroep van de gemeente, c. de werknemer een structurele functionele of andere beperking heeft en de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt; d. artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is; en e. de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente; f. de werkgever niet in aanmerking komt voor de No-risk-polis van UWV. 2. De Low-riskpolis biedt de werkgever in elk geval, rekening

houdend met een eigen risico van twee weken per ziektemelding, een vergoeding van de loonschade gedurende de ziekteperiode van de werknemer tot het einde van de dekkingsduur. De vergoeding bedraagt niet meer dan het loon dat de werkgever op grond van artikel 7:629, eerste lid, Burgerlijk Wetboek verplicht zou zijn te betalen. 3. De vergoeding als bedoeld in het tweede lid zal verrekend worden met de door de gemeente verstrekte loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet, zodanig dat de som van de loonkostensubsidie en aanvullende vergoeding voor de loonschade even hoog is als de hoogte van de vergoeding als bedoeld in het tweede lid. 4. De periode van vergoeding van de loonschade (dekkingsduur) loopt niet langer door dan de duur van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer. 5. De gemeente betaalt de vergoeding op grond van de Low-riskpolis tot uiterlijk 5 jaar na de start van de arbeidsovereenkomst. Artikel 3.3.20 wordt verwijderd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.3.20 - Andere voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ, Wmo]

N.v.t.

Het artikel is overbodig en daarom uit de verordening gehaald.

De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.

3.4. Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.3.9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 3.3.9 - Persoonlijke ondersteuning [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 3.4.1 - Persoonlijke ondersteuning [PW, IOAW, IOAZ]

Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende

1. Persoonlijke ondersteuning kan aangeboden worden als persoonlijke coaching of als jobcoaching. 2. Bij persoonlijke coaching gaat het om begeleiding bij persoonlijke problemen of problemen in de thuissituatie. Met persoonlijke coaching wil de gemeente bereiken dat er een stabiele situatie bij de inwoner ontstaat en de inwoner gemotiveerd wordt om een vorm van financiële, sociale, medische of psychische hulpverlening te accepteren. 3. Bij job coaching gaat het om begeleiding op de werkplek op vaste tijden en gedurende een langere periode waardoor de werknemer beter in staat is om zijn taken uit te voeren. Het doel is om zelfstandig optimaal te functioneren waardoor een hogere loonwaarde ontstaat.

1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in opdracht van de gemeente. 2. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. Jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. Interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij het verrichten van werk, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject

mogelijkheden benoemd. Artikel 3.4.2 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.4.2 - Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet.

1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen vertrekken ten behoeve van een inwoner met een arbeidsbeperking. 2. Bij het toekennen van de persoonlijke ondersteuning gelden, naast de bepalingen in artikel 2, de volgende voorwaarden: a. De inwoner hoort bij de doelgroep en is 18 jaar of ouder, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft gehad. b. De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken. c. De werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden. d. Het gaat niet om een Arbotaak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is. e. Het gaat niet om een niet meeneembare voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of die algemeen gebruikelijk is in een organisatie. f. Er is volgens de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd. g. De kosten van de voorziening zijn volgens de

gemeente proportioneel. Dat betekent dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk

Artikel 3.4.3 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.4.3 - Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; de gemeente kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. De gemeente zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen

1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij de gemeente worden ingediend door de inwoner of diens werkgever. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. De gemeente bepaalt na overleg met de inwoner, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 4. De gemeente verkent, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de inwoner, de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot de best passende hulp met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette

persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de Participatiewet.

Artikel 3.4.4 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.4.4 - Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen

De gemeente benoemd in een beschikking voor het toekennen van persoonlijke ondersteuning of andere voorzieningen in ieder geval: a. Welke persoonlijke ondersteuning of voorziening wordt verstrekt. b. Als subsidie wordt verstrakt geeft de gemeente aan wat de omvang is van het subsidiebedrag. c. De duur en de intensiteit van de ondersteuning. d. De ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening. e. Als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, geeft de gemeente een reden voor de afwijzing; en f. Als het van toepassing is geeft de gemeente aan welke andere ondersteuning of voorziening relevant is voor de inwoner. Dit doen zij op een manier waardoor de inwoner integraal kan worden ondersteund.

Artikel 3.4.5 wordt als volgt toegevoegd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.4.5 - Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk [PW, IOAW, IOAZ]

Het eerste lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening.

1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. Dit geldt niet als voorafgaand of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak van ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. De gemeente neemt een besluit op basis van individueel maatwerk. Daarbij wordt de aard, grootte, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning gewogen.

Het tweede lid bevat de basisaspecten waarmee de gemeente rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning en benadrukt het belang van het leveren van maatwerk.

Artikel 3.4.6 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.4.6 - Jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ]

Het eerste lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach.

1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Protocol Jobcoach UWV onder 2.8 ‘Inhoud van de jobcoaching’. 2. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van een plan waarin de doelstelling, duur en intensiteit van de jobcoaching omschreven staan. Dit plan wordt door de gemeente aan de hand van

Het tweede lid is een uitwerking van de uit

het Protocol Jobcoach UWV beoordeeld. 3. De gemeente kan wijzigingen aanbrengen in de in het tweede lid genoemde procedure.

artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk. Het derde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in het tweede lid gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan.

Artikel 3.4.7 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.4.7 - Jobcoaching in natura [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin.

1. De gemeente kan uit eigen beweging of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.4.8 wordt als volgt toegevoegd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

N.v.t.

Artikel 3.4.8 - Subsidie voor het organiseren van jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching geven aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, volgens artikelen 14c tot en met 14h worden verleend als: a. de jobcoaching wordt geborgd door middel van een coachingsplan. De jobcoaching bestaat uit een individueel trainingsof inwerkprogramma en een systematische begeleiding van een inwoner behorend tot de doelgroep. De begeleiding is gericht op uitvoeren van de arbeidstaken. b. De omvang en de kwaliteit van de jobcoaching passend is; c. De continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. De inwoner voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. De gemeente kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat genoeg is voor de organisatie van de jobcoaching. De gemeente draagt zorg voor de kenbaarheid van de, voor het betreffende jaar, van toepassing zijnde tarieven.

Toelichting

4. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach onder andere: a. Ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. Integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en bij de overgang van werk naar onderwijs.

Artikel 3.4.9 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.4.9 - Interne werkbegeleiding [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt bepaald.

1. Als een inwoner uit de doelgroep begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van werk, die verder gaat dan de gebruikelijke begeleiding die de werkgever biedt, kan de gemeente subsidie verstrekken aan de werkgever. Deze subsidie dekt de aangetoonde meerkosten die gepaard gaan met het organiseren van de interne werkbegeleiding.

3.5 Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 3.5.1 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

Artikel 3.5.1 - Specifieke voorwaarden toekenning

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1,

vervoersvoorziening [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. Het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. De gemeente brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken

Artikel 3.5.2 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

N.v.t.

3.5.2 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ]

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor

1. De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is

voor een inwoner om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. Ieder product kan als meeneembare voorziening worden gezien als de noodzaak en meerwaarde voor het werken aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten om de voorziening in eigendom te verstrekken.

het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productieen werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst.

Artikel 3.6.1. wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

3.6.2 Doelgroep [PW, IOAW, IOAZ]

3.6.2 Doelgroep [PW, IOAW, IOAZ]

1. Deze regeling is bedoeld voor inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen en die arbeidsvermogen hebben. 2. Uitgezonderd om een tegenprestatie naar vermogen te leveren zijn inwoners met een uitkering die: a. Mantelzorg geven aan een hulpbehoevende; b. Maatschappelijke activiteiten en/of vrijwilligerswerk verrichten; c. Actief zijn in een traject naar werk, of geen ondersteuning krijgen richting werk omdat ze tot de doelgroep

1. Deze regeling is bedoeld voor inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen en die arbeidsvermogen hebben. 2. Uitgezonderd om een tegenprestatie naar vermogen te leveren zijn inwoners met een uitkering die: a. Mantelzorg geven aan een hulpbehoevende; b. Maatschappelijke activiteiten en/of vrijwilligerswerk verrichten; c. Actief zijn in een traject naar werk, of geen ondersteuning krijgen richting werk omdat ze tot de doelgroep worden gerekend die in staat is om 80% tot 100% wettelijk minimumloon te verdienen;

Toelichting De tegenprestatie, zoals geformuleerd in de bestaande tekst, richtte zich uitsluitend op inwoners met arbeidsvermogen. Vrijwilligerswerk wordt hiermee uitgesloten. Op advies van de ASD is dit onderdeel van lid 1 geschrapt.

worden gerekend die in staat is om 80% tot 100% wettelijk minimumloon te verdienen;

d. Al betaald werk verrichten voor minimaal 20 uur per week.

d. Al betaald werk verrichten voor minimaal 20 uur per week.

HOOFDSTUK 7: Inkomen en schulden Artikel 7.3 t/m 7.3.5 worden als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

7.3 Studietoeslag [PW]

7.3 Studietoeslag [PW]

7.3.1 Doelgroep [PW]

7.3.1 Doelgroep [PW]

De doelgroep voor de Individuele Studietoeslag is beschreven in artikel 36b van de Participatiewet.

De doelgroep voor de Individuele Studietoeslag is beschreven in artikel 36b van de Participatiewet.

7.3.2 Vaststelling beperking [PW]

7.3.2 Vaststelling beperking [PW]

Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de medische beperking van de student zodanig is dat hij naast de studie structureel niet kan bijverdienen.

Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de medische beperking van de student zodanig is dat hij naast de studie structureel niet kan bijverdienen.

De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven.

De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven.

7.3.3 Hoogte en duur van de toeslag [PW]

7.3.3 Hoogte en duur van de toeslag [PW]

1. De studietoeslag is 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden zoals omschreven in artikel 21b van de Participatiewet en wordt elke maand uitbetaald.

3. De studietoeslag is 20% van de bijstandsnorm voor gehuwden zoals omschreven in artikel 21b van de Participatiewet en wordt elke maand uitbetaald.

2. Als de student niet meer aan de voorwaarden

4. Als de student niet meer aan de voorwaarden

Toelichting Hetgeen dat is bepaald in 7.3 tot en met 7.3.5 komt per 1 april 2022 te vervallen in verband met een wetswijziging. De wetgeving omtrent studietoeslag is vanaf dat moment beschreven in artikel 36b van de Participatiewet.

voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.

voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.

7.3.4 Eenmaal per periode verlenen [PW]

7.3.4 Eenmaal per periode verlenen [PW]

Een inwoner kan slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

Een inwoner kan slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

7.3.5 Aanvraag en betaling [PW]

7.3.5 Aanvraag en betaling [PW]

1. Een aanvraag voor een Individuele Studietoeslag kan worden ingediend bij Loket WegWijs, of op een andere door de gemeente vastgestelde wijze.

3. Een aanvraag voor een Individuele Studietoeslag kan worden ingediend bij Loket WegWijs, of op een andere door de gemeente vastgestelde wijze.

2. Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald.

4. Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald.

Artikel 7.5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

7.5 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten, het Welzijnsfonds [Gemeentewet]

7.5 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten, het Welzijnsfonds [Gemeentewet]

Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, telefoon en internet en hiermee vergelijkbare uitgaven kunnen worden gedeclareerd. Alleen werkelijk betaalde kosten komen in aanmerking voor de bijdrage.

Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, telefoon en internet en hiermee vergelijkbare uitgaven kunnen worden gedeclareerd. Alleen werkelijk betaalde kosten komen in aanmerking voor de bijdrage.

Inwoners krijgen, als ze voldoen aan de voorwaarden, automatisch het bedrag voor het Welzijnsfonds uitgekeerd. We werken niet meer met declaraties. Dit is makkelijker voor de inwoner. We geven hiermee ook vertrouwen aan de inwoner. En tot slot zorgt het voor veel minder administratief werk.

Artikel 7.5.2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

7.5.2 Doelgroep en activiteiten [Gemeentewet] 1. Om voor een bijdrage in aanmerking te komen moet de inwoner: a. op de dag van aanvraag ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente, en b. in de peilmaand een inkomen hebben dat gelijk is aan of minder dan 120% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de wet, en c. op de peildatum een bedrag aan vermogen hebben dat ligt beneden de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de wet. 2. Inwoner komt tevens in aanmerking als er voldaan wordt aan het gestelde in het eerste lid onder a. en één van de hieronder genoemde voorwaarden. Hierop is de peildatum en peilmaand niet van toepassing; i. Inwoner heeft zich aangemeld voor schulddienstverlening; ii. Inwoner beschikt niet over het Vrij Te Laten Bedrag zoals berekend volgens de Recofamethode, of als gevolg van: • loonbeslag; • verrekening huur- en zorgtoeslag; • maximale afloscapaciteit die wordt ingezet ten behoeve van schuldeisers; • specifieke omstandigheden door schulddienstverlener omschreven.

7.5.2 Doelgroep en activiteiten [Gemeentewet] 1. Om voor een bijdrage in aanmerking te komen moet de inwoner: a. op de dag van aanvraag ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente, en b. in de peilmaand een inkomen hebben dat gelijk is aan of minder dan 120% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de Participatiewet, en c. op de peildatum een bedrag aan vermogen hebben dat ligt beneden de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. 2. Inwoner komt tevens in aanmerking als er voldaan wordt aan het gestelde in het eerste lid onder a. en één van de hieronder genoemde voorwaarden. Hierop is de peildatum en peilmaand niet van toepassing; i. Inwoner heeft een toelatingsbeschikking schulddienstverlening;

Onder lid 1 b en c hebben we de wet gewijzigd in Participatiewet zodat duidelijk is om welke wet het gaat. Onder lid 2 opsommingsteken i hebben we de eis van een toelatingsbeschikking toegevoegd. Hiervoor is de regelgeving duidelijker voor de uitvoering. Lid 2 opsommingsteken iii hebben we verwijderd, omdat een inwoner dan ook altijd een toelatingsbeschikking heeft ontvangen.

ii. Inwoner beschikt niet over het Vrij Te Laten Bedrag zoals berekend volgens de Recofamethode, of als gevolg van: • loonbeslag; • verrekening huur- en zorgtoeslag; • maximale afloscapaciteit die wordt ingezet ten behoeve van schuldeisers; • specifieke omstandigheden door schulddienstverlener omschreven.

iii. Er sprake is van een minnelijke of wettelijke schuldregeling

Artikel 7.5.3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 7.5.3 Bijdrage [Gemeentewet]

Nieuwe tekst 7.5.3 Bijdrage [Gemeentewet] 1.De bijdrage bedraagt maximaal

Toelichting De bedragen zijn aangepast naar de huidige situatie. Lid 3 is

€ 235,- per kalenderjaar per gezinslid dat 18 jaar of ouder is. 2.De bijdrage voor een gezinslid dat op de peildatum 3 jaar of ouder is en jonger dan 18 jaar, bedraagt maximaal € 335,-. 3.Voor kinderen die op de peildatum jonger zijn dan 3 jaar wordt geen bijdrage verstrekt.

niet meer nodig omdat inwoners de bijdrage krijgen zonder te declareren.

Bestaande tekst 7.5.5 Aanvraag en toekenning [Gemeentewet]

Nieuwe tekst 7.5.5 Aanvraag en toekenning [Gemeentewet]

Toelichting

1.De aanvraag om een bijdrage moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, of op een andere door de gemeente vastgestelde wijze, onder overlegging van de nota’s en betaalbewijzen. 2.Bij maandelijks gelijke, periodieke kosten kan volstaan worden met het eenmalig indienen van een declaratie met bewijsstuk. De kosten worden maandelijks vergoed voor (het restant van) het kalenderjaar met ingang van de maand waarop het bewijsstuk betrekking heeft. 3.De bijdrage dient te worden aangevraagd uiterlijk 10 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.

1.De aanvraag om een bijdrage moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, of op een andere door de gemeente vastgestelde wijze. 2.De bijdrage dient te worden aangevraagd uiterlijk 10 januari volgend op het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

1.De bijdrage bedraagt maximaal € 196,- per kalenderjaar per gezinslid dat 18 jaar of ouder is. 2.De bijdrage voor een gezinslid dat op de peildatum 3 jaar of ouder is en jonger dan 18 jaar, bedraagt maximaal € 296,-. 3.De kosten die worden vergoed zijn, als deze hoger zijn dan de maximale tegemoetkoming, voor de toepassing van dit hoofdstuk overdraagbaar aan een ander rechthebbend lid van het huishouden dat behoort tot dezelfde leeftijdsgroep. 4.Voor kinderen die op de peildatum jonger zijn dan 3 jaar wordt geen bijdrage verstrekt. Artikel 7.5.5 wordt als volgt gewijzigd:

Lid 1 en lid 3 zijn aangepast en het (oude) lid 2 is verwijderd omdat inwoners de bijdrage krijgen zonder te declareren.

Artikel 7.5.6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 7.5.6 Uitbetaling [Gemeentewet]

Nieuwe tekst 7.5.6 Uitbetaling [Gemeentewet]

1.De gemeente betaalt de bijdrage per maand achteraf. 2.Alleen werkelijk gemaakt kosten komen voor een bijdrage in aanmerking.

1.De gemeente betaalt de bijdrage nadat de aanvraag is toegekend. 2. De bijdrage voor volwassenen (18 jaar en ouder) wordt betaald in maart van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan. 3. De bijdrage voor kinderen (tot en met 17 jaar) wordt betaald in

Toelichting Artikel is aangepast omdat inwoners de bijdrage krijgen zonder te declareren. We kiezen ervoor om de bijdragen voor volwassenen zo snel mogelijk uit te keren. De bijdragen voor kinderen

juli van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan. 4. Als de aanvraag wordt gedaan na de betaalmomenten genoemd in lid 2 en 3 dan volgt de betaling zo snel mogelijk.

betalen we in juli, zodat men hier schoolkosten of contributies voor het lopende schooljaar mee kan betalen.

Artikel 7.6.3. wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst N.v.t.

Nieuwe tekst 7.6.3 Beslistermijn schuldhulpverlening De beschikking met de toelating tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.

Toelichting De wijziging geeft uitvoering aan artikel 4a, derde lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: wet), zoals deze met ingang van 1 januari 2021 zal gelden.

HOOFDSTUK 8: Afspraken tussen inwoner en gemeente Paragraaf wordt toegevoegd: Artikel 8.6 Vrijlating giften Artikel 8.6 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst N.v.t.

Nieuwe tekst 8.3.14 Giften [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Een gift is geld, een goed of een dienst welke een inwoner ontvangt en waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichting. 2. Giften tot het bedrag van € 1.800 per kalenderjaar worden vrijgelaten. 3. Voor giften geldt een meldingsplicht.

Toelichting Dit is een nieuw artikel. We verhogen de giftendrempel naar € 1.800,- per jaar. We hadden de giftendrempel tot nu toe alleen geregeld in onze werkwijze. Nu leggen we het ook vast in de verordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=2725d1a8-e0dc-41de-8409-509ffcb95cc8